Bijlage 2 - Code Interbestuurlijke Verhoudingen
Tekst van het document
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
Introductie De Code Interbestuurlijke Verhoudingen bevat afspraken die bijdragen aan een goed samenspel tussen overheden, waarin zij hun krachten bundelen om zo maatschappelijke opgaven sneller, effectiever en democratisch gelegitimeerd aan te pakken. Zodat we als overheid een betrouwbare partner zijn, voor elkaar en voor onze inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen dragen samen de verantwoorde lijkheid voor een goed bestuur van Nederland. Hoe we daaraan invulling geven, daarover gaan de interbestuurlijke verhoudingen. In deze code leggen we de omgangsvormen hiervoor vast. Deze omgangsvormen zijn de uitgangspunten voor de onderlinge samenwerking en taakverdeling. Goede interbestuurlijke verhoudingen tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen zijn nood zakelijk om de gezamenlijke doelstellingen te realiseren, problemen in de Nederlandse samenleving het hoofd te bieden en ambities te realiseren. Maatschappelijke opgaven manifesteren zich op lokaal, regionaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau. Vaak spelen ze op meerdere niveaus en liggen oplossingen niet binnen het bereik van één overheidslaag. Dat vraagt om goede samenwerking van alle overheden.
Ook betekent de veranderende omgeving, waarin we als overheden bewegen, dat blijvende aandacht voor de invulling van dat samenspel en het betrekken van de samenleving cruciaal zijn.
van BZK in overleg met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW) en uit het adviesrapport ‘Rust-Reinheid-Regelmaat. Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen’ van de Raad voor het Openbaar bestuur (maart 2021). Ten behoeve van inwoners en bedrijven werken we samen als waren we één overheid. De UvW, de VNG, het IPO en het Rijk hebben deze geactualiseerde Code Interbestuurlijke Verhoudingen opgesteld met als doel beter aan te sluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen van vandaag en morgen. De afspraken tussen de overheden in deze code zijn wederkerig. Dat betekent dat de verschillende overheden erkennen dat zij ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van ons openbaar bestuur en dat keuzes die zij maken gevolgen kunnen hebben voor de verantwoordelijkheden van andere overheden. De ervaring leert dat het niet alleen gaat om de afspraken, maar juist ook om de beleving en toepassing ervan. De UvW, de VNG, het IPO en het Rijk spannen zich ervoor in de code levend te houden en te voeden met goede casuïstiek. In de code wordt telkens gesproken over gemeenten, provincies en water schappen. De code is in principe ook van toepassing op de Caribische openbare lichamen. Daar waar dit niet het geval is, wordt dit in de toelichting bij het desbetreffende artikel toegelicht.
Het Interbestuurlijk Programma (2018-2021) heeft de samenwerking tussen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen een nieuwe impuls gegeven. Ook in het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen ‘Als één overheid. Slagvaardig de toekomst tegemoet!’ (2020) staat de noodzaak van samenwerking tussen overheden voorop. Daar waar overheden samenwerken aan de aanpak van opgaven gebeurt dit op basis van gelijkwaardig partnerschap, waarbij iedere partij vanuit de eigen expertise, verantwoordelijkheid en mogelijkheid bijdraagt. De noodzaak om aandacht te blijven houden voor de interbestuurlijke verhoudingen en de normen die daarvoor gelden, blijkt onder meer uit het eindrapport over de doorlichting van het decentralisatiebeleid ‘Beginselen versus Praktijken’ in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) opgesteld door de Stichting Decentraalbestuur.nl (2020), de voorlichting over de interbestuurlijke verhoudingen die de Afdeling Advisering van de Raad van State op 24 maart 2021 uitbracht op verzoek van de minister
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
2
Uitgangspunten
Tijdstip en wijze van elkaar betrekken
Artikel 1 De uitgangspunten voor de interbestuurlijke verhoudingen zijn: • Doelstellingen voor samenwerking en taakuitvoering zijn in onderling overleg tot stand gekomen en zijn voorzien van een daarbij passende en duidelijke rolverdeling. • Een zo groot mogelijke beleidsvrijheid voor de decentrale overheden. • Een toereikende bekostiging voor het takenpakket in medebewind via een passende uitkeringsvorm. • Alleen de noodzakelijke interbestuurlijke informatie (conform de spelregels Interbestuurlijke informatie, verder te noemen: IBI-spelregels) wordt opgevraagd. • Verantwoording en vereenvoudiging van regels waardoor een goede uitvoering geborgd is. Voor interbestuurlijk toezicht geldt als uitgangspunt het kader zoals opgenomen in de Wet revitalisering generiek toezicht. Dit past bij het vertrouwensbeginsel dat tussen overheden geldt.
Artikel 4 a. Overheden betrekken elkaar bij nieuwe beleidsvoornemens die een andere overheidslaag raken op een dusdanig tijdstip dat de beleidsvoornemens nog kunnen worden aangepast. b. Na afronding van voorstellen van het Rijk, waaronder conceptwet- en regelgeving volgt een formele consultatietermijn van twee maanden. Dit is een maximumtermijn; waar mogelijk reageren de decentrale overheden eerder. Ingeval de decentrale overheden al betrokken waren in het beleidsproces maken het Rijk en de decentrale overheden afspraken over een kortere termijn voor een bestuurlijke reactie. c. De internetconsultatie kan tegelijkertijd plaatsvinden met formele consultatie van de (koepels van) decentrale overheden, maar komt daarvoor niet in de plaats.
Artikel 2 a. Daar waar overheden samenwerken aan de aanpak van opgaven doen zij dit op basis van gelijkwaardig partnerschap, waarbij iedere partij vanuit de eigen expertise, verantwoordelijkheid en mogelijkheid bijdraagt. b. Voor inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties werken overheden samen als waren ze één overheid. Artikel 3 Bij nieuwe taken zal vanuit het uitgangspunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ overlegd worden waar een taak het beste belegd kan worden. Ditzelfde geldt als door veranderingen in omgeving of vraagstukken er redenen zijn om de taakverdeling aan te passen.
Inzicht gevolgen beleidsvoornemens Artikel 5 a. Het Rijk geeft bij beleidsvoornemens die relevant zijn voor provincies, gemeenten en waterschappen vroegtijdig inzicht in de bestuurlijke, financiële* en praktische gevolgen, waaronder – indien van toepassing – arrangementen voor toezicht, de spelregels voor interbestuurlijke informatie-uitwisseling, geldende uitvoerings toetsen en de uitwerking in de verschillende geografische regio’s. b. Inzicht bieden in de bestuurlijke, financiële en praktische gevolgen betekent dat bij alle concepten voor wet- en regelgeving die de decentrale overheden raken in de uitvoerbaarheidstoets decentrale overheden (UDO) de argumenten en motieven worden genoemd op basis waarvan de naleving van de uitgangspunten zoals genoemd in artikel 1, 2 en 3 kunnen worden beoordeeld. c. Het Rijk maakt afspraken met de decentrale overheden over extern (wetenschappelijk) onderzoek dat (nader) wordt uitgevoerd om inzicht, argumenten en motieven te verkrijgen voor concepten voor wet- en regelgeving die de interbestuurlijke verhoudingen raken. De kosten van dit onderzoek komen voor rekening van het desbetreffende departement.
*
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
conform artikel 2 van de Financiële verhoudingswet (Fvw)
3
(Inter)bestuurlijk samenwerken
Europa
Artikel 6 a. Bij de vormgeving van (inter)bestuurlijke arrangementen wordt nagegaan welke overheden en andere actoren bij de vormgeving van het betreffende arrangement betrokken moeten worden, gezien de betekenis of gevolgen hiervan. b. Omwille van effectief beleid staat maatwerk voorop en kan gekozen worden voor differentiatie in regie en uitvoering. c. Tevens wordt bij de voorbereiding van interbestuurlijke arrangementen nagegaan of het bestaande instrumentarium (waaronder soort en omvang van de financiële middelen) toereikend is teneinde de (decentrale) overheden in staat te stellen de arrangementen goed uit te voeren.
Artikel 9 Op grond van het subsidiariteitsbeginsel treedt de Europese Unie (EU) slechts op als doelstellingen niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt**. Voor de toedeling en uitvoering van taken is het bestuursniveau dat zich het dichtst bij de burger bevindt het uitgangspunt, tenzij dat niet doeltreffend en/of doelmatig is. Uitgangspunt is dat afspraken met decentrale overheden over nationale dossiers mutatis mutandis ook gelden voor Europese dossiers. Daarom treden Rijk en decentrale overheden in een zo vroeg mogelijke fase van de beleidsvoorbereiding met elkaar in overleg om nieuwe Europese beleidsvoornemens te beoordelen op de bestuurlijke en financiële consequenties (inclusief bestuurlijke lasten) voor de provincies, gemeenten en waterschappen.
Kabinets(in)formatie Artikel 7 Tijdens de kabinets(in)formatie verzoeken de ministers van BZK en van Algemene Zaken de (in)formateur(s) namens het Rijk om de voorzitters van het IPO, de VNG en de UvW te consulteren wanneer tijdens de (in)formatie van een nieuw kabinet wordt gesproken over de gezamenlijke maatschappelijke opgaven voor het Rijk en de decentrale overheden in de nieuwe kabinetsperiode en de (inter)bestuurlijke en financiële verhoudingen die daarbij van toepassing zijn.
Overhedenoverleg Artikel 8 Na de totstandkoming van een nieuw kabinet vindt zo spoedig mogelijk een overhedenoverleg plaats met de voorzitters van het IPO, de VNG en de UvW. Onderwerp van gesprek zijn de relevante beleidsvoornemens uit het regeerakkoord voor decentrale overheden, interbestuurlijke samenwerking en de rol van de decentrale overheden bij het realiseren van de maatschappelijke opgaven, met respect voor elkaars positie.
Het Rijk en de decentrale overheden zullen, waar EU-dossiers gevolgen hebben voor decentrale overheden, in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden voor samenwerking verkennen. Voor deze dossiers werken zij in alle fasen van de beleidscyclus (voorfase, onderhandelingen en implementatie) zoveel mogelijk samen (bijvoorbeeld op basis van interbestuurlijke dossierteams) en maken gebruik van elkaars netwerken. Decentrale overheden en het Rijk houden de ruimte om zelfstandig te handelen. Het Rijk en de decentrale overheden brengen specifieke deskundigheid in. De koepels van decentrale overheden raadplegen hun leden. Het Rijk en de decentrale overheden zullen vertrouwelijkheid betrachten ten aanzien van gedeelde informatie. Decentrale overheden benutten actief de mogelijkheden van hun lidmaatschap van de Nederlandse EU-overlegfora. Financiële en bestuurlijke consequenties van Europese regelgeving voor decentrale overheden dienen voorafgaand aan implementatie door het Rijk in kaart te worden gebracht.
**
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
Artikel 5 van het EU verdrag, protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
4
Evaluatie en advisering
Artikelsgewijze Toelichting
Artikel 10 Partijen hechten aan evaluatie van de afspraken in deze code en spreken af hierbij gebruik te maken van de volgende mogelijkheden: a. De minister van BZK kan de afdeling Advisering van de Raad van State vragen op grond van artikel 21a van de Wet op Raad van State een voorlichting uit te brengen over de interbestuurlijke verhoudingen. b. Dit verzoek om voorlichting doet de minister van BZK na overleg met VNG, IPO en UvW. c. Voor het vragen van advies over specifieke aangelegenheden maakt de minister van BZK gebruik van de mogelijkheid van artikel 17, tweede lid, van de Wet op de Raad van State, waarin is bepaald dat de regering de afdeling Advisering van de Raad van State voorts hoort over alle zaken waaromtrent de regering dat nodig oordeelt. d. Een voorlichting als bedoeld onder a. wordt besproken in het overhedenoverleg en kan tot herijking van de gemaakte interbestuurlijke afspraken leiden. e. Voor adviezen op een ander terrein dan de interbestuurlijke verhoudingen in het algemeen (bijv. financieel) ligt het meer voor de hand een (ad hoc) commissie van wijzen te raadplegen. Over de samenstelling en de opdracht van deze commissie dient overeenstemming tussen partijen te bestaan. f. De resultaten van de advisering als bedoeld onder e. worden direct bekendgemaakt aan de koepels van decentrale overheden die bij de materie betrokken zijn.
De advisering en de daarop te nemen acties keren ter bespreking terug in het overhedenoverleg.
Toelichting op introductie Aanleiding voor aanpassing van de code is het uitgangspunt van het Inter bestuurlijk Programma (IBP 2018-2021) om samen te werken als één overheid. De maatschappelijke opgaven van nu manifesteren zich op lokaal, regionaal, nationaal, Europees en mondiaal niveau. Vaak spelen ze op meerdere schaal niveaus tegelijk en liggen oplossingen niet in het bereik van één overheidslaag. Een toenemend aantal maatschappelijke opgaven is alleen op te lossen wanneer gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk als één overheid samenwerken richting partners.
Binding en naleving Artikel 11 a. De minister van BZK en waar aan de orde de minister van Infrastructuur en Waterstaat bevordert de bekendheid en de naleving van de code binnen het Rijk. De koepels van decentrale overheden bevorderen de bekendheid en de naleving van de code bij hun leden. De interbestuurlijke verhoudingen worden minstens één keer per jaar besproken in overleg tussen de minister van BZK en de koepels VNG, IPO en UvW. De financiële verhoudingen worden door de ministers van BZK en van Financiën besproken met de koepels van decentrale overheden in het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen. b. De naleving van deze code is niet in rechte afdwingbaar.
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
Ook nieuw zijn de begrippen wederkerigheid en gelijkwaardigheid. De code bevat afspraken over omgangsvormen tussen de verschillende bestuurs lagen en onderscheidt zich daarmee van andere codes zoals de Code goed openbaar bestuur, die zich richt op inwoners. In de in 2013 opnieuw vastgestelde code lag de nadruk op de eigen verant woordelijkheid van de verschillende overheden vanuit de vraag: ga je erover of niet? In deze code ligt het accent op goed samenspel tussen overheden: krachten bundelen om zo maatschappelijke opgaven sneller, effectiever en democratisch gelegitimeerd aan te pakken. Betrouwbaar partnerschap voor onze inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties. De actualisatie van de code is gezamenlijk voorbereid door de VNG, het IPO, de UvW en BZK. Toelichting artikelen 1, 2 en 3 In de artikelen 1, 2 en 3 zijn de uitgangspunten voor de interbestuurlijke verhoudingen tussen het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen opgenomen. Deze hebben onder meer betrekking op samenwerken, taak uitvoering, beleidsvrijheid, financiering, uitvoering, verantwoording en toezicht. Anders dan gemeenten en provincies zijn waterschappen functionele besturen met specifieke aan hen opgedragen taken. Deze taken zijn vastgelegd in de Waterschapswet en Waterwet. De Waterwet geeft invulling aan generiek toezicht bij de waterschappen (artikel 3.13, derde lid).
Daarnaast blijft specifiek toezicht mogelijk voor functioneel bestuur.
5
Wat betreft bekostiging voor gemeenten en provincies is het uitgangspunt dat de kosten van medebewindstaken vergoed worden (artikel 108, derde lid, Gemeentewet en artikel 105, derde lid, Provinciewet). Voor de waterschappen geldt het fiscale regime op grond van de Waterschapswet. Het uitkeringsstelsel moet het mogelijk maken een financieel arrangement in te richten dat past bij het bestuurlijke arrangement. Bij het toedelen van een nieuwe taak aan een provincie of gemeente is eerste uitgangspunt bekostiging via het Gemeente- of Provinciefonds, maar in het geval dat bij de uitoefening van de taak weinig beleidsruimte bestaat, zou een andere uitkeringsvorm, zoals een specifieke uitkering beter passend kunnen zijn. Wat betreft de bekostiging van de waterschappen geldt als uitgangspunt dat zij hiervoor beschikken over het eigen belastingstelsel. Er kunnen echter situaties zijn waarin het Rijk een bijdrage aan de waterschappen verstrekt. Een dergelijke vergoeding wordt verstrekt binnen de randvoorwaarden van de Waterschapswet. Artikel 2 is nieuw. Hierin worden de uitgangspunten gelijkwaardig partnerschap bij het samenwerken aan opgaven en het samenwerken van overheden als waren ze één overheid vastgelegd. In artikel 6 wordt nader ingegaan op de wijze van interbestuurlijk samenwerken.
Toelichting artikel 4 In dit artikel is vastgelegd dat overheden elkaar tijdig betrekken bij nieuwe beleidsvoornemens die een andere overheidslaag raken. Voor provincies, gemeenten en waterschappen gaat het hierbij ook om het informeren van elkaar in de formatiefase vóórdat een nieuw politiek akkoord wordt gesloten over onderwerpen die voor de betreffende overheden van belang zijn. Na afronding van voorstellen van het Rijk volgt een formele consultatietermijn van maximaal twee maanden. Het formeel consulteren van de (koepels van) decentrale overheden is op grond van de Gemeentewet vrijwel altijd verplicht. Artikel 114, derde lid, Gemeentewet en artikel 112, derde lid, van de Provinciewet bepalen dat het niet verplicht is vooraf een oordeel in te winnen indien dit ten gevolge van dringende omstandigheden niet mogelijk is. In dat geval wordt het oordeel zo spoedig mogelijk ingewonnen en openbaar gemaakt. Artikel 57 van de Waterschapswet en artikel 209 van de Wet openbare lichamen BES bevatten een vergelijkbaar voorbehoud. Op de consultatiereactie van de (koepels van) decentrale overheden moet in de toelichting bij regelgeving specifiek worden ingegaan en deze bestuurlijke
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
reactie maakt deel uit van de wetgevingsstukken die aan de Raad van State en de Tweede Kamer worden meegezonden. Er is aan artikel 4 een lid c toegevoegd over internetconsultatie. Dit is toegevoegd om duidelijk te maken dat internetconsultatie naast – en niet in plaats van – de consultatie van de (koepels van) decentrale overheden plaatsvindt. Internet consultatie is een methode van consultatie via internet waarbij burgers, bedrijven en organisaties via de website www.internetconsultatie.nl worden geïnformeerd over wet- en regelgeving of beleid in voorbereiding en daar een reactie op kunnen geven. Op internetconsultatie kan in generieke zin gereageerd worden door de minister. Internetconsultatie vindt plaats over alle wetgeving (wetsvoorstellen, AMvB’s en ministeriële regelingen), tenzij het om uitsluitend technische wijzigingen of de één-op-één implementatie van EU-regelgeving gaat. Dan is internetconsultatie optioneel. Toelichting artikel 5 Dit artikel ziet op verkrijgen van inzicht in de gevolgen van nieuw beleid voor de decentrale overheden. Dit in aansluiting op artikel 2 van de Financiële verhoudingswet (Fvw), die van toepassing is op gemeenten en provincies. Met de toevoeging ‘en waterschappen’ wordt de gelijkwaardige positie van de waterschappen benadrukt wat betreft het bieden van inzicht van gevolgen van nieuw beleid door het Rijk.
Voor de Waterschappen geldt daarbij het fiscale regime op grond van de Waterschapswet. Ook is een verwijzing opgenomen naar de uitvoerbaarheidstoets decentrale overheden (UDO), die is ingevoerd met als doel te helpen bij het vormgeven van beleid dat uitvoerbaar is en zijn doelen bereikt. Het onderzoek op grond van artikel 2 Fvw (en waar van toepassing artikel 108, derde lid, Gemeentewet en artikel 105, derde lid, Provinciewet) maakt onderdeel uit van de UDO. Dit vertaalt zich voor de waterschappen net iets anders vanwege de gesloten huishouding, het functionele bestuur en het fiscale regime. De kosten van een uitvoeringstoets (bijvoorbeeld voortvloeiend uit de UDO) komen voor rekening van het desbetreffende beleidsdepartement. Toegevoegd is een passage die ziet op het verkrijgen van inzicht in de uitwerking van beleid op de verschillende regio’s. Algemeen beleid kan ongewenst ongelijk uitwerken in de verschillende regio’s in Nederland. Daarnaast kan aandacht voor regiospecifieke cq. gebiedsspecifieke kenmerken (bijvoorbeeld grenseffecten) er aan bijdragen dat beleid effectiever wordt.
6
Aan dit artikel is ook een lid c toegevoegd waarmee wordt beoogd dat andere overheden goed worden betrokken bij extern (wetenschappelijk) onderzoek waarop nieuwe regelgeving van het Rijk (mede) wordt gebaseerd. Deze werkwijze is veelal al praktijk en wordt hiermee ook vastgelegd in de code. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om (wetenschappelijke) beleidsonderzoeken, maar ook om onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een UDO. Toelichting artikel 6 Dit artikel is toegevoegd naar aanleiding van het eindrapport ‘Als één overheid’ van de studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen (2020) dat op verzoek van het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv), een overleg van de gezamenlijke overheden, is opgesteld. Het rapport bevat een onderzoek naar knelpunten in de interbestuurlijke samenwerking en oplossingsrichtingen daarvoor. De studiegroep heeft een model voor interbestuurlijk samenwerken ontworpen. Het zogenaamde 4W-model loopt vier vragen langs: wat zijn de opgave en het doel, wie zijn er nodig, wie doet wat (rolverdeling en regie) en waarmee/welke instrumenten zijn nodig? Het model heeft de vorm van een cirkel omdat de antwoorden op de vier vragen een samenhangend geheel vormen. Afhankelijk van de context en de aard van de opgave leidt dat steeds tot een op maat gemaakte aanpak – arrangement – voor samenwerking.
In dit artikel wordt aangesloten bij het zogenaamde 4W-model van de studiegroep, maar het Figuur 1: 4W-model. is er geen volledige Wat? doelen weergave van. Het 01 visie heeft vooral betrekking ambitie Wie? agenda op de voorfase, het actoren coalities opstellen van een stakeholders arrangement. 02
04
Uitvoeringskracht
Waarmee? instrumenten middelen
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
03 Wie doet wat? rolverdeling regie sturingsprincipes
Toelichting artikel 7 In dit artikel wordt tot uitdrukking gebracht dat het van belang is dat de decentrale overheden tijdens de kabinets(in)formatie tijdig geconsulteerd worden over de maat schappelijke opgaven en over de bestuurlijke en financiële verhoudingen die daarbij van toepassing zijn. Dit laatste vanuit het uitgangspunt dat aan deze geactualiseerde code ten grondslag ligt dat maatschappelijke opgaven vaak zo complex geworden zijn dat zij niet langer door één overheid aangepakt kunnen worden, maar dat meerdere overheden moeten samenwerken om ze het hoofd te kunnen bieden. Ook in de voorlichting van de Raad van State over de interbestuurlijke ver houdingen, het rapport van de Studiegroep Interbestuurlijke en Financiële Verhoudingen en het rapport ‘Beginselen versus Praktijken’ wordt aanbevolen decentrale overheden beter te betrekken bij de kabinetsformatie en het regeer akkoord. De tekst is daarom zodanig aangepast dat de ministers van BZK en Algemene Zaken namens het Rijk een verzoek doen aan de (in)formateur om de voorzitters van IPO, VNG en UvW te consulteren wanneer tijdens de (in)formatie van een nieuw kabinet wordt gesproken over de gezamenlijke maatschappelijke opgaven voor het Rijk en de decentrale overheden in de nieuwe kabinetsperiode en de (inter)bestuurlijke en financiële verhoudingen die daarbij van toepassing zijn.
Toelichting artikel 8 In de code is het overhedenoverleg het gremium voor bestuurlijk overleg. Het overhedenoverleg onder leiding van de minister-president geldt als forum voor bespreking van interbestuurlijke onderwerpen. De bespreking van onderwerpen leidt tot afspraken tussen het kabinet, IPO, VNG en UvW. De ministers van BZK en Financiën en de voorzitters van IPO, VNG en UvW zijn vaste deelnemers. Afhankelijk van de agenda nemen ook andere bewindspersonen, IPO-, VNG-, UvW-bestuursleden of externe deskundigen deel. In artikel 8 is vastgelegd dat na de start van een nieuw kabinet zo spoedig mogelijk een overhedenoverleg plaatsvindt. De minister van BZK neemt hiertoe het initiatief. Toelichting artikel 9 Deze bepaling is in 2013 toegevoegd en is ook in deze code opgenomen. Uitgangspunt is dat afspraken met decentrale overheden over nationale dossiers mutatis mutandis ook gelden voor Europese dossiers. In dit artikel is daarom vastgelegd dat Rijk en decentrale overheden in een zo vroeg mogelijke fase van de beleidsvoorbereiding met elkaar in overleg treden om nieuwe Europese beleidsvoornemens te beoordelen op de bestuurlijke en financiële consequenties voor de provincies, gemeenten en waterschappen. Uit de ambtelijke sessie met Europese deskundigen van departementen en koepels blijkt dat deze bepaling goed werkt en niet geactualiseerd hoeft te worden.
7
Wat betreft het beoordelen van financiële consequenties gaat het om het in kaart brengen van de financiële consequenties en niet zoals artikel 2 van de Fvw voorschrijft ook daarbij aangeven hoe de financiële gevolgen kunnen worden opgevangen. Desalniettemin staat het het Rijk vrij om zonder wettelijke bepaling aan te geven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de provincies of gemeenten kunnen worden opgevangen bij Europees beleid. Dit is anders als het gaat om medebewind op grond van artikel 108, derde lid, van de Gemeentewet of artikel 105, derde lid, van de Provinciewet. In die gevallen is er een verplichting voor het Rijk tot bekostiging van deze taken. Hiervan is sprake in het geval van kosten voor uitvoering van in nationaal recht omgezet Europees recht (Europese richtlijnen die omgezet zijn in nationaal recht) en meerkosten bij uitvoering van reguliere medebewindstaken, met name Europees beleid en regelgeving die zorgen voor complicaties en meerkosten (kaderstellende regelgeving, zoals het aan bestedingsrecht, de Dienstenrichtlijn, de AVG en in sommige gevallen ook de SDG-verordening).
Artikel 10 sub e oppert de mogelijkheid om voor financiële adviezen een (ad hoc) commissie van wijzen te raadplegen. Over de samenstelling en de opdracht van deze commissie dient overeenstemming tussen partijen te bestaan.
Aangezien de Caribische openbare lichamen niet tot het territorium van de EU horen, maar de status van ‘landen en gebieden overzee’ (LGO) hebben, is deze bepaling niet direct van toepassing op de Caribische openbare lichamen.
Aan dit artikel is een lid toegevoegd waarin wordt benadrukt dat de code niet in rechte afdwingbaar is.
Toelichting artikel 11 In dit artikel is vastgelegd dat de minister van BZK de bekendheid en de naleving van de code bevordert binnen het Rijk. De koepels bevorderen de bekendheid en de naleving van de code bij hun leden. In de introductie is voor het belang hiervan ook al aandacht gevraagd. Daarnaast is in dit artikel opgenomen dat de interbestuurlijke verhoudingen minstens een keer per jaar worden besproken in een overleg tussen de minister van BZK en de koepels VNG, IPO en UvW. De financiële verhoudingen worden door de ministers van BZK en van Financiën en de koepels van decentrale overheden besproken in het BOFv.
Toelichting artikel 10 In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen de afdeling Advisering van de Raad van State om een voorlichting te vragen over de interbestuurlijke verhoudingen. De minister van BZK doet een dergelijk verzoek schriftelijk na overleg met VNG, IPO en UvW. De vierjaarlijkse beschouwing van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt hiermee vervangen door een voorlichting op grond van artikel 21a van de Wet op de Raad van State. Omdat vooral de timing en de reikwijdte van de voorgelegde vragen relevant zijn, is in dit artikel niet opgenomen hoe vaak een voorlichting tijdens een kabinetsperiode wordt uitgebracht. Gedacht kan worden aan een voorlichting kort na het verschijnen van een regeerakkoord over de gevolgen hiervan voor de interbestuurlijke verhoudingen. De voorlichting kan verschillende thema’s op het gebied van interbestuurlijke verhoudingen betreffen. Het is van belang vooraf af te stemmen over de specifiek voor te leggen vragen tussen de minister van BZK en de koepels. Indien vragen in het bijzonder de waterschappen betreffen, wordt hierover ook afgestemd met de minister van IenW.
Colofon Dit is een gezamenlijke uitgave van het Rijk, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW), januari 2023.
Op een voorlichting volgt een (gezamenlijke) reactie van het Kabinet en de koepels.
Code Interbestuurlijke Verhoudingen
8