CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

9. Bijlage 7 Ruimtelijke motivering

Raadsvergadering 26 februari 2026, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel 26-03 Afgeven (bindend) advies inzake de aanvraag omgevingsvergunning Uitkijkpunt Huls(veld)15.621 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.1.2 Beoordeling Ten behoeve van voorliggend project is in 2020 een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht voor de gehele projectlocatie. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 1. In de rapportage van dat onderzoek is het projectgebied onderverdeeld in het weiland/groen en de picknickplaats. Op grond van het verrichte onderzoek zijn destijds de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: • De bovengrond ter plekke van het weiland/groen is licht verontreinigd. Sprake is echter van dermate marginale overschrijdingen die veelvuldig in het gebied worden aangetroffen, en vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen opleveren voor de gewenste herinrichting van het gebied. De bovengrond kan op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit als klasse industrie grond worden bestempeld. De ondergrond is als klasse AW2000 grond bestempeld. • De bovengrond van de boringen ter plekke van de overharde stroken rondom de picknickplaats is in beginsel bestempeld als klasse AW2000 grond. Aangezien echter een verhoogde concentratie PFAS (som PFOS) is aangetroffen, en deze (lichte) overschrijding invloed heeft op de uiteindelijk kwalificatie van de bodem, is de bovengrond als klasse wonen grond gekwalificeerd. De overige boringen zijn geplaatst ter plekke van de verhardingen.

De bovengrond ter plekke is als klasse industrie grond bestempeld; er zijn geen directe belemmeringen en/of beperkingen voor de beoogde herinrichting van het perceel. De ondergrond is op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan als klasse AW2000 grond bestempeld.

32

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

Aangezien het bodemonderzoek reeds 5 jaar geleden is uitgevoerd, is dit aangevuld met een historisch bodemonderzoek om te staven of de eerder getrokken conclusies kunnen worden gehandhaafd. De rapportage van dit vooronderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. Op grond van dit vooronderzoek is geconcludeerd dat de bevindingen uit het eerder in 2020 uitgevoerde verkennende bodem- en asbestonderzoek nog voldoende representatief zijn en dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen bestaan voor onderhavig project. Indien meer dan 25 m3 grondverzet gaat plaatsvinden dient, ook al is de grond niet sterk verontreinigd, een graafmelding verricht te worden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

5.1.3 Conclusie bodemkwaliteit Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bodemkwaliteit’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.2

Geluid

5.2.1 Algemeen Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op geluid door (bedrijfs)activiteiten.

5.2.2 Beoordeling Bij voorliggend project is geen sprake van het realiseren van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek ten behoeve van het bepalen van de geluidbelasting op onderhavige projectlocatie behoeft dan ook niet te worden verricht.

5.2.3 Conclusie geluid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘geluid’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

33

POU198880.002.017.R1/SVE

5.3

Bedrijvigheid

5.3.1 Algemeen Bij een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en (waar mogelijk) te bevorderen. Bij de milieuzonering kan gebruik worden gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) vervaardigde nieuwe VNGhandreiking ‘Activiteiten en milieuzonering (2024)’. In tegenstelling tot de eerdere VNG-uitgave(n) wordt niet meer gebruikgemaakt van zones met oplopende milieucategorieën en een Lijst van activiteiten, echter gaat de nieuwe handreiking uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. Deze nieuwe systematiek sluit beter aan bij de integratie van ruimte en milieu onder de Omgevingswet.

5.3.2 Beoordeling Als gevolg van voorliggend project worden nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat in de (directe) omgeving. Immers wordt voorzien in een nieuwe horecagelegenheid met buitenterras. Deze is voorzien nabij diverse burgerwoningen op tenminste 35 meter. De afstand tussen de horecavoorziening en woonpercelen (tuinen e.d.) bedraagt tenminste 20 meter. De in het kader van voorliggend project nieuw te realiseren parkeergelegenheid wordt gesitueerd aan de Hulsbergerstraat, ten noorden van de horecavoorziening. Voorts wordt ten zuiden van de horecavoorziening in het terrein een aantal vlonders geplaatst waar mensen kunnen zitten/picknicken. Gelet op vorenstaande is ten behoeve van het project een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3.

Op grond van het verrichte onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan: • Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet aan de geluidgrenswaarden: o van stap 2 (VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’), zijnde 45 dB(A) in de dagperiode, 40 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode, én; o uit het Omgevingsplan gemeente Simpelveld zijnde 50 dB(A) voor de dagperiode, 45 dB(A) voor de avondperiode en 40 dB(A) voor de nachtperiode; • Het maximale geluidniveau voldoet aan de geluidgrenswaarden: o van stap 2 (VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’), zijnde 65 dB(A) in de dagperiode, 60 dB(A) in de avondperiode en 55 dB(A) in de nachtperiode, én; o uit het Omgevingsplan gemeente Simpelveld zijnde 70 dB(A) voor de dagperiode, 65 dB(A) voor de avondperiode en 60 dB(A) voor de nachtperiode; • Indirecte hinder als gevolg van af- en aanvoerend verkeer van en naar de locatie voldoet ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarden: o van stap 2 uit de VNG-publicatie, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde, én; o aan de voorkeursgrenswaarde uit het Omgevingsplan gemeente Simpelveld, zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde. Gelet op vorenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke van omliggende woningen.

34

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

5.3.3 Conclusie bedrijvigheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijvigheid’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.4

Kwaliteit van de buitenlucht

5.4.1 Algemeen Bij een evenwichtige toedeling van functies dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Een afwijking van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van de afwijking van het omgevingsplan beoordeeld. Dit is gedaan aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

5.4.2 Beoordeling In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. In artikel 5.54 Bkl is een opsomming gegeven van standaardgevallen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Eén van de standaardgevallen die NIBM bijdragen is de realisatie tot 1.500 woningen, ontsloten via één ontsluitingsweg. Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang, waardoor gesteld kan worden dat het realiseren hiervan NIBM bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Vorenstaande kan worden gestaafd met de NIBM-tool, waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtverontreiniging beoordeeld kunnen worden. Dit rekenmodel toont aan dat tot 981 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 10% vrachtverkeer.

Zou uitgegaan worden van 0% vrachtverkeer dragen tot 3.864 extra voertuigbewegingen niet NIBM bij.

5.4.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘kwaliteit van de buitenlucht’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

35

POU198880.002.017.R1/SVE

5.5

Omgevingsveiligheid

5.5.1 Algemeen Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Daarbij speelt ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de 'feitelijke' risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. De aanwezige risico's zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht. Ten aanzien van risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.

Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit.

5.5.2 Beoordeling Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico's, zijn de kaarten externe veiligheid van de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Daaruit blijkt dat het projectgebied niet is gelegen binnen het aandachtsgebied van risicovolle bronnen.

5.5.3 Conclusie omgevingsveiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘omgevingsveiligheid’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

36

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

Uitsnede Atlas Leefomgeving met aanduiding projectlocatie

5.6

Cultureel erfgoed

5.6.1 Algemeen In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet’. Onder ‘ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: • • • • • •

ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

5.6.2

Beoordeling

Archeologie De gemeente Simpelveld beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Gelet op deze kaart is de projectlocatie gelegen in twee waardecategorieën:

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

37

POU198880.002.017.R1/SVE

• •

waardecategorie 4 'Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde'; waardecategorie 5 'Gebieden met een lage verwachtingswaarde'.

De gemeente Simpelveld heeft de archeologische verwachtingswaarden vertaald in de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2016’. Gelet op de regels van deze dubbelbestemming is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk, indien bodemverstorende activiteiten bij een diepte groter dan 40 cm plaatsvinden en als de oppervlakte meer bedraagt dan 2.500 m² (cat. 4) en 10.000 m² (cat. 5). Ter plekke van de ter realiseren horecagelegenheid is een lage archeologische verwachtingswaarde (cat. 5). Aldaar is geen sprake is van een bodemverstoring met een oppervlak groter dan 10.000 m². Ten behoeve van deze bebouwing is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het aan te leggen wandel-/slingerpad is gelegen in zowel een middelhoge als lage verwachtingswaarde. De maximale te verstoren oppervlakten worden vanwege het aanleggen van het pad nergens overschreden, zodat ook hiervoor geen archeologisch onderzoek behoeft te worden uitgevoerd.

Uitsnede archeologische verwachtingskaart met aanduiding plangebied

Overig cultureel erfgoed Van overig cultureel erfgoed (monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, e.d.) is ter plekke van onderhavig projectgebied geen sprake.

38

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

5.6.3 Conclusie cultureel erfgoed Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘cultureel erfgoed’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.7

Verkeer en parkeren

5.7.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

5.7.2

Beoordeling

Ontsluiting De bestaande ontsluitingen van het parkeerterrein vanuit de St. Remigiusstraat en de Hulsbergweg worden opgeheven. Aan de St. Remigiusstraat wordt circa 40 meter ‘hogerop’ een nieuwe ontsluiting gerealiseerd. Via deze nieuwe constructie wordt het fietsparkeren ontsloten. Het nieuwe wandelpad begint ter hoogte van bestaande aansluiting op de Hulsbergweg en wordt geheel zuidelijk aan de Lange Graaf aangetakt. Voorts wordt in het kader van voorliggend project het bovenste gedeelte van de Hulsbergweg een tweerichtingsstraat voor auto's. Daartoe zal een wegreconstructie worden doorgevoerd. Het instellen van tweerichtingsverkeer is noodzakelijk ten behoeve van de bereikbaarheid c.q. ontsluiting van de parkeerplaatsen aan de noordzijde van de projectlocatie aan de Hulsbergweg, komende vanuit de Sint Remigiusstraat. Voorts wordt met het instellen van dit tweerichtingsverkeer de bereikbaarheid van een aantal bungalows mogelijk, komende vanaf de Huls via Remigiusstraat. De tot heden gebruikte 'routing' via de grote parkeerplaats is na realisatie van voorliggende planontwikkeling immers niet meer mogelijk. Aan het einde van de tweerichtingsweg wordt (aan de oostelijke zijde van de nieuwe horecabebouwing) voorzien in een nieuwe ontsluiting op de Hulsbergweg, bedoeld voor de toevoer van de bevoorrading van de horeca-inrichting.

Ter plekke wordt ook fysieke ruimte gecreëerd om te keren. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte kan gebruik worden gemaakt van de CROW publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’. Op grond van deze kencijfers kan voor een ‘restaurant’ uitgegaan worden van een parkeernorm van minimaal 6 en maximaal 10 parkeerplaatsen per 100 m² BVO. Voorliggende planontwikkeling voorziet in circa 300 m² BVO (nieuwe) horeca (exclusief ruimte voor de askist), waardoor een parkeerbehoefte is voor het kunnen stallen van minimaal 18 en maximaal 30 auto's. De parkeerbehoefte kan eveneens op basis van het aantal zitplaatsen worden berekend. In totaal wordt voorzien in 120 zitplaatsen (60 binnen en 60 buiten). Daarbij kunnen twee scenario’s worden beschouwd: gebruik horecagelegenheid bij ‘slecht weer’ en bij ‘goed weer’.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

39

POU198880.002.017.R1/SVE

Bij een scenario van ‘slecht weer’ worden de zitplaatsen buiten op het terras niet benut. Zodoende zullen gelijktijdig binnen maximaal 60 bezoekers (= aantal zitplaatsen binnen) aanwezig zijn. Ervan uitgaande dat iedereen met de auto komt (vanwege het slechte weer) met een bezettingsgraad per auto van 2 personen, bedraagt de parkeerbehoefte bij het scenario ‘slecht weer’ 30 stuks. Bij een scenario van ‘goed weer’ worden de zitplaatsen zowel binnen als buiten op het terras benut. Zodoende zullen gelijktijdig maximaal 120 bezoekers (= aantal zitplaatsen binnen en buiten) aanwezig zijn. Bij goed weer mag worden aangenomen dat bezoekers veelal te voet of per fiets de locatie aandoen. Een redelijke aanname in dit scenario is dat maximaal 50% van de bezoekers met de auto komt (en de rest aldus te voet of per fiets). Bij een bezettingsgraad per auto van 2 personen bedraagt de parkeerbehoefte ook bij het scenario ‘goed weer’ 30 stuks. Dit aantal komt overeen met de berekening van de parkeerbehoefte op basis van het BVO. Gelet op vorenstaande, waarbij op verschillende manieren de parkeerbehoefte is onderbouwd, wordt ten behoeve van voorliggend project uitgegaan van een parkeerbehoefte van 30 stuks. In het kader van voorliggend project wordt voorzien in 20 nieuwe parkeerplaatsen langs de Hulsbergweg.

Daarnaast wordt aan de zijde van de Sint Remigiusstraat de bestaande langsparkeergelegenheid ter plekke uitgebreid, waarmee in totaal 10 parkeerplaatsen (waarvan 2 voor minder validen) beschikbaar komen. Hiermee zijn in totaal 30 parkeerplekken beschikbaar en wordt voldaan aan de berekende parkeerbehoefte. Noemenswaardig is dat in de bestaande situatie in de omgeving sprake is van een lage parkeerdruk. De omgeving bestaat uit vrijstaande woningen met parkeergelegenheid binnen de eigen perceelsgrenzen. De aan de St. Remigiusstraat gelegen openbare langsparkeerplekken zijn nooit volledig bezet. Parkeeroverlast in de directe omgeving behoeft zodoende niet te worden verwacht. Verkeersgeneratie Voor een ‘restaurant’ zijn in de CROW publicatie 744 zijn géén kengetallen opgenomen voor het aantal verkeerswegingen. De verkeersgeneratie is erg afhankelijk van het beoogde horeca-concept en het verwachte aantal bezoekers. Verder is de gemiddelde verblijfsduur van bezoekers van belang, alsook de wijze van vervoer van en naar de horeca-inrichting. Bij voorliggend project is de verkeersgeneratie berekend op basis van het aantal zitplaatsen, zijnde in totaal 120 zitplaatsen (60 binnen en 60 buiten). Ook hierbij zijn de twee scenario’s van gebruik van de horecagelegenheid bij ‘slecht weer’ en ‘goed weer’ beschouwd.

De verkeersgeneratie (uitgedrukt in motorvoertuigen per etmaal) kan aan de hand van de volgende formule worden berekend: aantal gasten * % per auto * 2 bezettingsgraad Bij het scenario van ‘slecht weer’ zijn uitsluitend de zitplaatsen binnen benut en zullen zodoende zullen gelijktijdig maximaal 60 bezoekers (= aantal zitplaatsen binnen) gelijktijdig aanwezig zijn. Om te beoordelen hoe veel keer per dag een zitplaats bezet is, wordt uitgegaan van een verblijfsduur per bezoeker van 1,5 uur. Uitgaande van de openingstijden van de horeca van 9.00 uur tot 20.00 uur zou bij 100% bezetting met genoemde verblijfsduur 1,5 uur elke zitplaats 7 keer per dag bezet zijn. Dit impliceert een totaal aantal bezoekers per dag van 420 personen. Ervan uitgaande dat al deze

40

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

personen met de auto komen, waarbij sprake is van 2 personen per auto, zouden bij dit scenario in totaal 420 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm) plaats vinden. Van dergelijk aantal motorvoertuigbewegingen zou ook sprake zijn bij het scenario ‘goed weer’. Hoewel het aantal bezoekers theoretisch gezien verdubbeld (120 zitplaatsen per dag 7 keer bezet = 840 bezoekers), mag worden aangenomen bezoekers bij goed weer de locatie merendeel te voet of per fiets bezoeken. Aangenomen mag worden dat bij goed weer maximaal 50% van de bezoekers (420) met de auto komt. Dit aantal impliceert met hetzelfde uitgangspunt van 2 personen per auto in totaal 420 mvt/etm. Gelet op vorenstaande uiteenzetting is sprake van maximaal 420 mvt/etm. Noemenswaardig is dat dit aantal een worst-case benadering betreft. Immers, dit aantal bewegingen is aan de orde bij 100% bezetting gedurende de volledige openingstijden van de horecagelegenheid. De kans dat een dergelijke situatie zich daadwerkelijk zal voordoen, wordt nihil geacht. Immers, doorgaans zijn bij daghoreca de ochtenduren luw, de middaguren het drukst, en neemt de laatste uren de drukte af. Daarbij zullen tevens verschillen optreden in de verschillende dagen in de week. Het verkeer van en naar de locatie zal geheel worden afgewikkeld via het bovenste deel van de Hulsbergweg (in te richten voor tweerichtingsverkeer) en de St. Remigiusstraat.

De Sint Remigiusstraat is in het Gemeentelijk Verkeer en Vervoer Plan van de gemeente Simpelveld aangewezen als een gebiedsontsluitingsweg. Dergelijke wegen zijn zodanig ingericht om meerdere duizenden voertuigbewegingen per werkdagetmaal te kunnen afhandelen. Het hiervoor berekende aantal voertuigbewegingen vanwege voorliggend project is ten opzichte van de totale wegcapaciteit een beperkte hoeveelheid. Problemen in de verkeersdoorstroming, -veiligheid, en -afwikkeling behoeven derhalve niet te worden verwacht. Verkeerskundige maatregelen vanwege voorliggend project zijn niet noodzakelijk.

5.7.3 Conclusie verkeer en parkeren Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.8

Water en watersystemen

5.8.1 Algemeen In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

41

POU198880.002.017.R1/SVE

Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering: • Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid.

Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: • Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; • Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; • Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.

42

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht; • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. Overstromingskaarten regionaal watersysteem Door klimaatverandering zal de kans op extreme buien, regenwateroverlast en overstromingen toenemen. Het is belangrijk om vooruit te kijken en nu al rekening te houden met toekomstige klimaatontwikkelingen. Waterschap Limburg heeft daarom in opdracht van programma Waterveiligheid en Ruimte Limburg (WRL) overstromingskaarten opgesteld.

Voor deze kaarten is vooruitgekeken naar het jaar 2100 en de risico's die we in dat jaar op basis van klimaatverandering verwachten. De kaarten geven inzicht op welke plekken overstromingen kunnen ontstaan door extreme neerslag (pluviale overstromingen) of piekafvoeren in de beken (fluviale overstromingen). Ze geven ook inzicht in de risico's op schade voor bebouwing en veiligheidsrisico's zoals gevaar voor voertuigen en mensen op staat of instortingsgevaar van gebouwen. Uitgangspunt is een situatie die in 2100 eens per 100 jaar kan voorkomen (jaarlijkse kans is 1%). In het huidige klimaat is de kans op zulke overstromingen kleiner en komt dit gemiddeld eens per circa 500 jaar voor. Dit beeld is ongeveer vergelijkbaar met wat in juli 2021 in Valkenburg is gebeurd. Met betrekking tot de projectlocatie zijn de volgende beschikbare overstromingskaarten geraadpleegd: • Waterdiepte bij fluviale overstroming; • Waterdiepte bij pluviale overstroming; • Waterveiligheid bij fluviale overstroming; • Waterveiligheid bij pluviale overstroming.

5.8.2 Beoordeling Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

43

POU198880.002.017.R1/SVE

Overstromingsrisico regionaal watersysteem Uit raadpleging van de kaarten blijkt dat ter plaatse van de projectlocatie geen risico op overstromingen (fluviaal danwel pluviaal) bestaat. Daarmee is tevens geen sprake van gevaarzetting.

Overstromingskaarten T100-2100: waterdiepte bij pluviale overstroming

Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting aan de gemeentelijke riolering van de gemeente. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het projectgebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient te worden gerekend met een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 80 millimeter in 2 uur, met een noodoverlaat. Voorliggend project voorziet in nieuwe horecagelegenheid met een dakoppervlak van circa 325 m2. Daarnaast wordt voorzien in circa 475 m² beton- en asfaltverharding binnen de projectlocatie. Het totaal verhard oppervlak bedraagt hiermee circa 800 m2. Dit oppervlak impliceert circa 64 m3 (800 m2 * 80 mm) hemelwater dat binnen de projectlocatie dient te worden opgevangen en te worden afgehandeld.

44

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

Bij voorliggend project wordt voorzien in het realiseren van 216 infiltratiekratten van elk 300 liter onder het buitenterras. Deze hebben een totale capaciteit van 64,8 m3 en worden met een noodoverloop aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel.

Situatietekening infiltratiekratten

Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.

5.8.3 Conclusie water Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘water’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.9

Natuur en landschap

5.9.1 Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

45

POU198880.002.017.R1/SVE

te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.

Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren: • óf er soorten aanwezig zijn; • en indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

5.9.2

Beoordeling

Flora en fauna Ten behoeve van onderhavig project is een quickscan verricht naar eventuele aanwezigheid van beschermde soorten flora en/of fauna. De rapportage van deze quickscan is bijgevoegd als bijlage 4. Op grond van de quickscan zijn de volgende conclusies getrokken een aanbevelingen gedaan:

46

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

• Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet en het Bal. • Voor de geplande ingreep moeten enkele van de aanwezige bomen en struiken worden gerooid. Meerdere bomen zijn door de gemeente Simpelveld aangemerkt als ‘waardevol’. Voor het rooien van deze bomen moet een vergunning worden aangevraagd. De waardevolle bomen die behouden blijven moeten worden beschermd tegen schade tijdens werkzaamheden. Bomen kunnen tijdens het broedseizoen niet jaarrond beschermde nesten bevatten. Door de geplande ingreep kunnen deze nesten verstoord worden. Rooiwerkzaamheden dienen buiten het broedseizoen (15 maart 1 augustus) uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is zal er een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden. • In de bomen zijn geen gaten of holen aanwezig en zijn voor vleermuizen derhalve ongeschikt als verblijfplaats. De bomen maken geen onderdeel uit van een lijnvormig element. • Te allen tijde gelden de specifieke zorgplichten opgenomen in artikelen 11.6, 11.27 en 11.116 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden.

Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Onderhavig projectgebied is op tenminste 1,5 kilometer afstand gesitueerd ten opzichte van Natura2000 gebieden gelegen.

Ligging projectgebied t.o.v. Natura2000 gebieden

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

47

POU198880.002.017.R1/SVE

Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5 bij voorliggende motivering. Uit de berekeningen is gebleken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden ten gevolge van stikstof. Zodoende bestaat geen aanleiding een Wnbvergunning aan te vragen of een verklaring van geen bedenkingen te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Onderhavige projectlocatie is niet gelegen in het Limburgse deel van het Natuurnetwerk.

Ligging projectlocatie t.o.v. natuurnetwerk

Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg Zoals reeds eerder geconstateerd in paragraaf 4.2.2 is het projectgebied gelegen in het beschermingsgebied ‘Nationaal Landschap Zuid-Limburg’ en de ‘groenblauwe mantel’. In de Omgevingsverordening Limburg wordt ten aanzien van deze gebieden voorgeschreven dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in deze gebieden een

48

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

beschrijving bevat van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten zijn voor het Nationaal Landschap Zuid-Limburg betreffen: 'schaalcontrast van zeer open naar besloten', 'het groene karakter', 'reliëf en ondergrond' en 'rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed'. Bij (ruimtelijke) ontwikkelingen binnen een nationaal landschap dienen de geformuleerde kernkwaliteiten in acht te worden genomen. Dienaangaande het volgende. Schaalcontrast van zeer open naar besloten Onderhavige projectlocatie vormt een helling tussen het hoog gelegen buurtschap Huls en de lager gelegen dorpskern Simpelveld. Vanuit het hoger gelegen deel van het plangebied is sprake van een wijds open uitzicht in de richting van Vaals - Aken. Het plangebied zelf is een veelal open gebied bestaande uit grasland en her en der een aantal bomen. Ten gevolge van onderhavig planvoornemen is het juist de bedoeling om gebruik te maken van het wijdse open uitzicht. Ook is geen sprake van de aanplant van hoog opgaande beplanting, behoudens twee nieuwe bomen. Per saldo neemt het aantal bomen binnen het gebied af, waardoor het open karakter ter plekke meer wordt benadrukt.

Het groene karakter Voorliggend project voorziet in het realiseren van nieuwe bebouwing ter plekke van huidig veelal voor parkeerterrein en picknickplaats verharde gronden. De nieuwbouw gaat gepaard met een herinrichting van de projectlocatie, waarin het groene karakter mede centraal staat in de beleving van het gebied. Er is geen sprake van aantasting van het groene karakter. Reliëf en ondergrond De projectlocatie kenmerkt zich door een aanzienlijk hoogteverschil van circa 20 meter. Hiervan wordt juist gebruik gemaakt door het hoogste terreindeel te gaan benutten als uitzichtpunt, de horecagelegenheid als het ware 'in de helling' te bouwen, en het wandelpad al slingerend met de hoogtelijnen mee aan te leggen. Geen sprake is van een aantasting van het bestaande reliëf en de bestaande ondergrond. Rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed Van deze kernkwaliteit is ter plekke van onderhavige projectlocatie geen sprake. Wel voorziet de planontwikkeling in het bieden van een plaats van de sarcofaag van Simpelveld, met als doel om hiermee een belangrijk cultuurhistorisch onderdeel en verhaal van de gemeente Simpelveld aan de mensen te tonen.

5.9.3 Conclusie natuur en landschap Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘natuur en landschap’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

49

POU198880.002.017.R1/SVE

5.10 Kabels, leidingen en vrijwaringszones 5.10.1 Algemeen Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen van de aanwezigheid van kabels, leidingen en vrijwaringszones inzichtelijk te worden gemaakt.

5.10.2 Beoordeling Door het projectgebied lopen geen boven- danwel ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt.

5.10.3 Conclusie kabels, leidingen en vrijwaringszones Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘kabels, leidingen en vrijwaringszones’ geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

5.11 Duurzaamheid en klimaat 5.11.1 Algemeen Duurzaamheid Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu.

Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen. Verbeteren energieprestatie: zo zijn in het Bbl eisen ten aanzien van Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) opgenomen; • Stimuleren milieuvriendelijk en circulair bouwen: de milieuprestatie van gebouwen (MPG) opgenomen;

50

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

• Natuurinclusief bouwen. Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren.

Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving.

5.11.2 Beoordeling Bij voorliggend bouwplan wordt voldaan aan de voorwaarden voor duurzaamheid bij verbouw zoals deze zijn voorgeschreven in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voorts wordt bij voorliggend project het dak van het horecagebouw afgedekt met grond en voorzien van intensieve beplanting (heidedak). Tot slot worden 24 PV panelen geplaatst ter voorziening in de energieopwekking.

5.11.3 Conclusie duurzaamheid en klimaat Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat het bij voorliggend bouwplan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

51

POU198880.002.017.R1/SVE

6 Uitvoerbaarheid 6.1

Participatie en omgevingsdialoog

6.1.1 Algemeen Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.

Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het aanvragen van een omgevingsvergunningen (BOPA) kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

52

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

6.1.2 Omgevingsdialoog In het kader van voorliggend project is in 2018–2019 een werkgroep opgericht waarin vertegenwoordiging van de buurt, externe adviseur en ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordiging van de gemeente zitting hebben genomen. De plannen en de vervolgstappen zijn in de werkgroep besproken en er is ruimte geboden voor inbreng en discussie. Verder heeft op 18 februari 2019 een informatieavond voor de burgers plaatsgevonden en is destijds een voorlopig ontwerp gepresenteerd. Deze avond is druk bezocht en de burgers zijn in de gelegenheid gesteld om hun opmerkingen op het plan te maken. Van de inbreng van die avond is een verslag gemaakt en dit verslag is op de gemeentelijke website geplaatst zodat eenieder hiervan kennis heeft kunnen nemen. Tevens zijn de gemaakte opmerkingen aan Bureau Verbeek ter heroverweging meegegeven. Het doel van deze informatieavond was om te bezien in hoeverre de gemeente, in alle redelijkheid gezien, aan de ingebrachte zaken tegemoet kon komen teneinde het plan kwalitatief te verbeteren en recht te doen aan het belangrijke aspect van 'vooroverleg burgers' c.q. burgerparticipatie. In het kader van de procedure van het bestemmingsplan ‘Herinrichting Uitkijkpunt Huls’ zijn diverse zienswijzen ingekomen. Bij vaststelling van het bestemmingsplan zijn de zienswijzen beantwoord en – waar mogelijk – zijn de plannen aangepast.

Tegen het vastgestelde bestemmingsplan is door één belanghebbende (appellant) beroep aangetekend. Tijdens de zitting bij de Raad van State is door de gemeente een aantal toezeggingen gedaan ter tegemoetkoming aan de bezwaren van deze appellant. De plannen zijn in die zin gewijzigd dat de ten opzichte van de woning van deze appellant meest nabijgelegen vlonder uit de plannen is verwijderd, alsook de waterspeelplek is verwijderd. In het kader van het nu voorliggende project is overleg gevoerd met de appellant. Hieruit is een aantal aandachtspunten naar voren gekomen waarmee bij nadere uitwerking rekening is gehouden. Dit betreft allereerst het voorzien in een groenstrook met bosplantsoen ter beperking van het zicht op de horecagelegenheid en het buitenterras. Daarnaast zullen in de zijgevels van het te realiseren horecapaviljoen niet worden voorzien van de mogelijkheid om deze open te zetten bij goed weer, waarmee (aanvullende) geluiduitstraling in de richting van de woningen aan de Sint Remigiusstraat wordt voorkomen.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

53

POU198880.002.017.R1/SVE

6.2.2 Kostenverhaal Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. In casu sprake van een project op eigendomsgronden van de gemeente Simpelveld.

6.2.3 Financiële bijdragen Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van deze vergunning voor een BOPA zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde.

6.2.4 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: • die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of • die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: • het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan), • een omgevingsvergunning, • een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en • rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: • het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of • het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting. De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt.

Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

54

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Voorliggende planontwikkeling betreft een initiatief van de gemeente zelf waarmee rekening is gehouden in de gemeentelijke begroting, waarbij tevens het verhaal van nadeelcompensatie is betrokken.

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

55

POU198880.002.017.R1/SVE

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.

Rapportage verkennend bodem- en asbestonderzoek (2020); Rapportage historisch bodemonderzoek (2025); Rapportage akoestisch onderzoek industrielawaai (2025); Rapportage quickscan flora en fauna (2025); Memo stikstofberekeningen (2025).

56

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

POU198880.002.017.R1/SVE

Motivering ETFAL | Herinrichting Uitkijkpunt Huls Pouderoyen B.V.

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=06c6423b-96df-4e55-ab79-169e05dd4376