7 24-35 Bijlage 5 Kadernota begroting BsGW 2025 en meerjarenraming 2026-2029–bijlagen_176428
Tekst van het document
Kadernota begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2029 BIJLAGEN
Versie 1.0 November 2023
Inhoudsopgave
Bijlage 1. Planning begroting ......................................................................................................4 Bijlage 2. Heffingen per deelnemer ..............................................................................................5 Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen ............................................................................................6 Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) ...................................................................... 12 Bijlage 5. Kostenverdeelmethode .............................................................................................. 13 Bijlage 6. Weerstandsvermogen ................................................................................................ 15
3
Bijlage 1. Planning begroting Planning begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2029 1.
Behandeling kadernota 2025 in DB
9 november 2023
2.
Ambtelijk voorbereidingsoverleg AB
29 november 2023
3.
Besluitvorming kadernota 2025 in AB
7 december 2023
4.
Behandeling ontwerpbegroting 2025 en ontwerpmeerjarenraming 2026-2029 door DB
29 februari 2024
5.
Toezenden ontwerpbegroting 2025, ontwerpmeerjarenraming 2026-2029 en kadernota 2025 aan de deelnemers
29 februari 2024
6.
Einde zienswijzetermijn deelnemers
31 mei 2024
7.
Behandeling zienswijzen door DB
6 juni 2024
8.
Toezenden reactie DB op zienswijze aan de deelnemers
Vóór 27 juni 2024
9.
Besluitvorming begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2029 door AB
27 juni 2024
10.
Toezenden begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2029 aan de deelnemers
Binnen 7 werkdagen na vaststelling
11.
Toezenden begroting 2025 en meerjarenraming 2026-2029 aan Gedeputeerde Staten
Vóór 11 juli 2024
4
Bijlage 2. Heffingen per deelnemer Onderstaande tabel geeft inzicht welke heffingssoorten per deelnemer worden uitgevoerd.
v v
v
v v
v
v v v
v v v
v v v
v
v v
v
v
v
v v v
v v v v v
v v
v
v
v v v v
v v v
v
v
v v
v v
v v
v v
v
v
v
v
v
v v v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v v
v v v
v
v
v
v
v
v
v
v v
v v v
v v
v v v
v v
v v
v v
v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v
v v v
v
v
v v v
v
v v
v
v
v
v
v
v
v v
v
v
v
v
v
v
v v v
v
v
v v v v v v v v
Waterschap Limburg
v
Weert
v v v v
v
Voerendaal
v v v
v
Venlo
v v
v v v
v
v
Valkenburg a/d Geul
v
v v v
Vaals
v
Stein
v
Sittard-Geleen
Landgraaf
v
Simpelveld
Kerkrade
v
Roermond
Heerlen
v
Roerdalen
Gulpen-Wittem
v
Peel en Maas
Gennep
v
Nederweert
Eijsden-Margraten
v
Mook en Middelaar
Echt-Susteren
v
Meerssen
Brunssum
v
Maastricht
Bergen
v
Maasgouw
Beesel
v
Leudal
Beekdaelen
Afvalstoffenheffing Baatbelasting BIZ-bijdrage Forensenbelasting Hondenbelasting Onroerende-zaakbelasting Parkeerbelasting Precariobelasting Reclamebelasting Reinigingsrechten Rioolheffing Roerende-zaakbelasting Toeristen/verblijfsbelasting Verontreinigingsheffing Watersysteemheffing Eigenaar Watersysteemheffing Gebruiker Watertoeristen/waterverblijfsbelasting Zuiveringsheffing
Beek
Dit is de situatie per 1-1-2024.
v
v
v v v
v v v v
v
v
v
v
v v
5
Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen Indexeringen Het uitgangspunt voor de indexatie van de salariskosten en materiële lasten is de septembercirculaire van het Centraal Planbureau (CPB). Voor de verwachte materiële lasten en inhuur betreft dit de ‘nationale consumentenprijsindex’. Voor de verwachte salariskosten betreft dit de ‘loonvoet sector overheid’. Voor de Kadernota 2024 is gebruik gemaakt van de CPB-indexcijfers van september 2022. In afwijking van voorgaande jaren reikte de doorkijk van het CPB niet verder dan 2023. Gezien de onzekerheid die toen heerste omtrent de energiecrises en de oorlog in Oekraïne. Het door BsGW van het CPB overgenomen standpunt voor de jaren 2024-2027 was een normale economische situatie. Macro Economische Verkenning 2023 dd september 2022
2021
2022
2023
Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi)
2,7
9,9
2,6
Loonvoet sector overheid (b)
-0,2
4,8
3,3
Voor de indexatie van de Begroting 2024 en meerjarenraming 2025-2027, zijn de door het CPB verwachte indexeringen 2023 overgenomen: Loonindex: 3,3% Prijsindex: 2,6% In de septembercirculaire 2023 zijn, zoals te doen gebruikelijk, wel weer 5 toekomstige jaren opgenomen. Macro Economische Verkenning 2024 dd september 2023
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi)
2,7
10,0
3,9
3,8
2,6
2,5
2,4
2,1
Loonvoet sector overheid (b)
-0,1
6,7
5,0
6,5
5,3
4,7
4,8
4,2
Uit de meest recente cijfers, blijkt dat de indexeringen die CPB in 2022 heeft afgegeven te rooskleurig zijn geweest voor zowel de inflatie als de loonvoet voor de Kadernota 2024 en Begroting 2024. Voor de Kadernota en Begroting gebruikt BsGW de indexeringen, die de toekomstige trend het beste weergeeft. Zelfs het lopende jaar is niet met grote zekerheid juist te voorspellen, zoals de indexeringen 2022 laten zien. Omdat BsGW anderhalf jaar voor aanvang van het begrotingsjaar de indexeringen dient op te nemen in de Kadernota en de Begroting, geeft de gemiddelde indexering van een aantal jaren waarschijnlijk een betere voorspelling dan de verwachte indexering voor –in dit geval– 2025 van het CPB. Macro Economische Verkenning 2024 dd september 2023
gemiddelde 202x-2025 5 jaar
4 jaar
3 jaar
2 jaar
Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi)
4,6
5,1
3,4
3,2
Loonvoet sector overheid (b)
4,7
5,9
5,6
5,9
6
Indexering materiele lasten en inhuur Het gemiddelde percentage van nationale consumentenprijsindex over de jaren 2022-2025 bedraagt tussen de 3,2% en 5,1%. De forse inflatie van 2022 van 10% betreft een trendbreuk en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Gekozen is om het drie jaargemiddelde 2023-2025 van 3,4% aan te houden. Indexering salarissen Het gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector over de jaren 2022-2025 bedraagt tussen de 5,6% en 5,9%. Gekozen is om ook hier het drie jaargemiddelde 2023-2025 aan te houden van 5,6%. Indexeringen Kadernota 2025 BsGW hanteert daarom voor de Kadernota 2025 het drie-jaars gemiddelde van het nog lopende jaar 2023 en toekomstige jaren 2024 en 2025. Indexering materiele lasten en inhuur = 3,4% Indexering salarissen = 5,6% Mocht
de
septembercirculaire
d.d.
2024
van
het
CPB
daartoe
aanleiding
geven,
dan
zal
dienovereenkomstig een correctie plaatsvinden via de bestuurlijk vastgestelde P&C-cyclus van BsGW. Proceskosten BsGW heeft nog steeds te maken met ncnp-bedrijven. Deze bedrijven veroorzaken een relatief groot aantal van de jaarlijkse (WOZ-)bezwaren met de daaruit voortvloeiende uitvoerings- en proceskosten. In 2023 was sprake van een enorme toename van het aantal WOZ-bezwaren. Een stijging met factor 2,7 ten opzichte van het jaar ervoor. Bovendien worden de bezwaren steeds uitgebreider, complexer en technischer waardoor de uitvoeringskosten per ingediend bezwaar oplopen. Op dit moment ligt er een wetsvoorstel Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ (en bpm) voor om de proceskosten drastisch te verlagen. Kort en goed komt het wetsvoorstel op het volgende neer: Vanaf 2024 wordt de proceskostenvergoeding in WOZ-procedures met 75% teruggebracht. Indien een ncnp-bedrijf inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld, dan wordt dus een aanzienlijk lagere vergoeding uitgekeerd. Indien een ncnp-bedrijf om procedurele redenen gelijk krijgt, bedraagt de vergoeding 10% van de huidige vergoeding. De proceskostenvergoeding zal met ingang van 2024 rechtstreeks uitbetaald worden aan de huiseigenaar, waarmee er maatschappelijk meer inzicht ontstaat wat betreft de vergoedingen die aan ncnp-bedrijven worden uitbetaald.
De immateriële schadevergoeding, die als gevolg van termijnoverschrijding verschuldigd is, wordt teruggebracht van € 500 per half jaar tot € 50 per half jaar. De behandeling van dit wetsvoorstel vindt in oktober 2023 plaats in de Tweede Kamer en in december 2023 in de Eerste Kamer. De beoogde inwerkingtreding is 1-1-2024. Mochten beide Kamers besluiten tot de voorgestelde reductie van de proceskostenvergoeding in combinatie met de uitkering hiervan aan de belanghebbenden in plaats van de no cure no paybedrijven (ncnp-bedrijven) dan nog is niet uitgesloten dat genoemde bedrijven op zoek gaan naar anders (intensievere en bredere inzet van Artificial Intelligence) en/of meer (bezwaren tegen andere soorten heffingen).
7
Daarnaast zijn er vooralsnog geen maatregelen in het wetsvoorstel opgenomen om de uitvoeringskosten terug te dringen. Enkele maatregelen in het wetsvoorstel zullen zelfs leiden tot hogere uitvoeringskosten per bezwaar. Hierbij moet met name worden gedacht aan het uitkeren van de proceskosten aan de huiseigenaar in plaats van aan het ncnp-bedrijf, hetgeen voor BsGW meerwerk betekent. En ook kosten voor (het aanpassen van) software, drukwerk en porti. Vooralsnog blijft de begrote post proceskostenvergoeding derhalve gehandhaafd. Wetsvoorstel aanpassing belastingstelsel waterschappen Er ligt momenteel een wetsvoorstel aanpassing belastingstelsel waterschappen voor dat waterschappen betere mogelijkheden biedt om het profijtbeginsel toe te passen. Zo kunnen zij meer kosten neerleggen bij diegenen die meer voordeel hebben bij de werkzaamheden van het waterschap. Daarnaast kunnen waterschappen door de wijzigingen beter inspelen op (toekomstige) ontwikkelingen, zoals klimaatopwarming, de circulaire economie, de energietransitie en veranderingen in het eigen waterschap. Deze wetswijziging regelt ook dat Rijkswaterstaat en waterschappen geen schadelijke stoffen meer hoeven te gebruiken bij het meten van de vervuiling in afvalwater. Waterschappen krijgen door de aanpassingen in de watersysteemheffing meer mogelijkheden om te heffen naar profijt of belang.
Diegene, die meer profijt heeft van de werkzaamheden van het waterschap, betaalt dan een hogere heffing. Degene die minder belang heeft, krijgt een lagere heffing. De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2025. De gevolgen van de wijziging voor specifieke groepen belastingbetalers verschillen per waterschap. De besturen van de waterschappen bepalen namelijk zelf hoe zij de kosten precies verdelen. Waterschap Limburg en BsGW zijn eind 2023 een project gestart om de migratie van het huidige naar het nieuwe belastingstelsel vorm te geven. De projectkosten, die BsGW hiervoor maakt, komen geheel en al ten laste van Waterschap Limburg. Dit geldt ook voor de structurele kosten. Vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe belastingstelsel zullen deze via de gebruikelijke Planning & Controlcyclus van BsGW worden verwerkt en doorbelast naar Waterschap Limburg. Sociaal invorderen In de Miljoenennota 2023 zijn verschillende maatregelen opgenomen om de toenemende van armoede tegen te gaan en de koopkracht van de laagste inkomens te verbeteren. Daarnaast neemt de overheid ook maatregelen om gezinnen te helpen, die hun rekening niet kunnen betalen.
De opdracht die de Ombudsman daarvoor aan alle overheden heeft meegegeven is om maatschappelijk verantwoord in te vorderen: hiermee wordt bedoeld dat bij invordering rekening wordt gehouden met de positie en het belang van de burger. De ombudsman is van oordeel dat de overheid bij het innen van schulden: zich moet inspannen om verdere schulden te voorkomen; duidelijk moet communiceren en er naar moet streven om waar nodig persoonlijk contact op te nemen; redelijk moet handelen door maatwerk te leveren; de beslagvrije voet dient te waarborgen; medewerking moet verlenen aan schuldhulpverlening; zoveel mogelijk moet samenwerken met andere overheidsinstanties.
8
In het kader van sociaal verantwoord invorderen volgt BsGW uiteraard landelijke wet- en regelgeving op dit gebied. Daarnaast probeert BsGW vanuit eigen dienstverlening in te spelen op armoede- en schuldenproblematiek. BsGW verwacht dat dit ook de komende jaren noodzakelijk blijft. Vroegsignalering De gewijzigde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening biedt de gemeente de mogelijkheid om de niet kunners in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen, zodat passende hulp geboden kan worden. In de hiervoor genoemde wet is de achterstand bij lokale belastingen niet als signaal opgenomen. Om aan te tonen dat lokale belastingen een belangrijke bijdrage kunnen leveren in de vroegsignalering van schulden, is een landelijk experiment gestart waaraan BsGW deelneemt. Dit experiment loopt tot 2025. Na deze pilot kan worden bezien of en in hoeverre BsGW kan aanhaken op deze trend en welke mogelijkheden dit biedt, zowel wat betreft de wetgevingskaders als de taakuitvoering van BsGW. Dit heeft tot gevolg dat burgers met schulden uit de dwanginvordering gehouden zullen worden. Een belangrijk aspect, zeker ook gezien de invorderingskosten (opbrengsten uit in rekening gebrachte vervolgingskosten), die een behoorlijke bate binnen de begroting van BsGW beslaan.
In de tussenliggende periode wil BsGW verkennen welke maatregelen op het gebied van vroegsignalering, buiten deze pilot om, mogelijk zijn voor deelnemers die niet aan de pilot meedoen. Hierbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met wet- en regelgeving op het gebied van privacy. Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 Diverse wetswijzigingen zijn te verwachten welke mogelijk van invloed zullen zijn op de begroting van BsGW, zoals hogere proceskostenvergoedingen dan wel lagere opbrengst vervolgingskosten. De wet treedt eerst voor de rijksbelastingen in werking per 1 januari 2027 en in een latere – nog nader te bepalen – fase voor de lokale heffingen. a. Wijziging beroepsprocedure kwijtschelding (artikel 25 Invorderingswet) Deze wijziging betekent dat op een uitspraak van een kwijtscheldingsverzoek in plaats van een administratief beroep, een bezwaar kan worden ingediend. Met deze mogelijkheid wordt de Invorderingswet gelijk getrokken aan de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Bij een ongegrond verklaring van een bezwaarschrift, krijgt de belanghebbende de mogelijkheid van een rechtsgang naar beroep, hoger beroep en beroep in cassatie. Deze wijziging brengt naast een wettelijke behandeltermijn van 6 weken, mogelijk extra kosten met zich mee.
Hierbij kan worden gedacht aan : dwangsommen voor het niet na kunnen leven van de behandeltermijn (€ 1.442,- p/s); kosten voor beroepsprocedures; griffierechten betalen voor kwetsbare doelgroepen; behandelkosten voor bezwaren tegen afgewezen kwijtscheldingsverzoeken door onder andere ncnp-bedrijven die zich ook op deze markt zullen richten. De verwachting is dat hiermee een nieuwe doelgroep voor ncnp-bedrijven gaat ontstaan. In de huidige begroting van BsGW zijn vanwege de (vooralsnog) moeilijk in te schatten financiële effecten geen proceskostenvergoedingen als gevolg van eventuele geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding opgenomen. b. Maatschappelijk verantwoord invorderen Grip op de invorderingspraktijk van overheden is politiek actueel, zeker na de toeslagenaffaire. Eerder is ook al door de Ombudsman vastgesteld dat veel mensen met betalingsproblemen er verder door in het nauw worden gebracht. Om mensen met schulden beter te helpen, zijn diverse wetswijzingen
9
doorgevoerd. In de praktijk betekent dit dat er een verschuiving plaats zal vinden van massale invorderingsacties naar maatwerkgerichte oplossingen. BsGW zal dus op dit vlak meer moeten samenwerken met onder andere sociale diensten en schuldhulpinstanties om mensen wegwijs te maken in de wetgeving en de mogelijkheden van kwijtschelding. Een achterliggende ambitie is ook eerder en meer contact, wat er uiteindelijk aan gaat bijdragen dat bijvoorbeeld stapeling van schulden wordt voorkomen. Hier gaan de kosten, zoals de te investeren tijd in maatwerk, voor de baten uit. Bovendien zal een deel van de (financiële) voordelen niet bij BsGW belanden maar bij de gemeenten, omdat hier bijvoorbeeld schuldhulpverleningstrajecten mee worden voorkomen. In de verschillende rapporten wordt aangegeven dat de kosten die hieruit voortvloeien, zoals een tarief per berekening, uitwisseling van gegevens en realiseren van real-time koppelingen, niet zondermeer aan de schuldenaar doorberekend mogen worden. Wet stroomlijning keten derdenbeslag Met het wetsvoorstel stroomlijning keten voor derdenbeslag wordt een volgende stap gezet in de betere borging van het bestaansminimum van mensen met schulden en het zoveel mogelijk voorkomen van ophoging van schulden met onnodige kosten.
Met het wetsvoorstel creëert het kabinet een wettelijke grondslag voor de verbeterde uitwisseling van gegevens tussen beslagleggende partijen bij samenloop van beslagen en verrekeningen. Daarnaast komt er een routeervoorziening voor de daadwerkelijke uitwisseling van de gegevens. BsGW voert deze taken uit namens de deelnemende gemeenten (en het Waterschap). De verwachte inwerkingtreding van deze wet is 1 januari 2026. Wet open overheid (Woo) Het doel van deze wet is om de gehele overheid transparanter en toegankelijker te maken. De Woo wordt gefaseerd ingevoerd. Dit in combinatie met de verkregen tijdelijke extra formatie communicatie en juridische zaken vanaf 2024 maakt het mogelijk dat BsGW werkende weg aan de wettelijke verplichtingen kan (blijven) voldoen. Wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer De Wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer (WMEBV) geeft de burger en ondernemer het recht om officiële berichten langs de elektronische weg in te zenden. De overheid moet de digitale kanalen benoemen, die burgers en ondernemers kunnen gebruiken voor het indienen van aanvragen, bezwaarschriften, klachten etc. Let wel, het betreft hier een recht en geen verplichting. Burgers en ondernemers hebben in beginsel dus de keuzemogelijkheid tussen elektronische of papieren communicatie.
In beginsel, omdat mogelijk in andere wetten wordt voorgeschreven dat de elektronische weg verplicht is. De gefaseerde inwerkingtreding start per 1 juli 2024. Omgevingswet De invoering van de Omgevingswet per 1 januari 2024 leidt tot meer bouwactiviteiten zonder vergunning. Door de gelijktijdige inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is er ook minder gemeentelijk bouwtoezicht. Dit betekent dat voor de uitvoering van de Wet WOZ meer gegevens actief verzameld moeten worden. Het Samenwerkingsportaal kan hierbij van pas komen. Wet toekomst pensioenen In de 'Wet toekomst pensioenen' zijn de afspraken vastgelegd die werkgevers, werknemers en het kabinet in 2019 met elkaar hebben gemaakt in het Pensioenakkoord. Het uitgangspunt van de nieuwe
10
wet blijft dat pensioenen gezamenlijk worden opgebouwd en dat financiële risico's met elkaar gedeeld worden. Na de Tweede Kamer heeft ook de Eerste Kamer ingestemd met de Wet toekomst pensioenen. De wet gaat daarmee op 1 juli 2024 in. Op die datum start een overgangsfase, die loopt tot uiterlijk 1 januari 2028, waarbij eerst werkgevers en werknemers met elkaar afspraken gaan maken over het aanpassen van hun pensioenregeling. Aansluitend nemen pensioenuitvoerders deze afspraken ter hand. Het doel hierbij is dat: de premie voorspelbaarder wordt; het pensioen mee gaat bewegen met de beurzen; het pensioen transparanter wordt; het pensioen persoonlijker wordt. ABP, het pensioenfonds waar BsGW bij is aangesloten, streeft als ingangsdatum 1-1-2027 na. Vooralsnog heeft de Wet toekomst pensioenen geen financiële gevolgen voor de begroting 2025.
11
Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) Na de oprichting in 2011 groeide BsGW in slechts vier jaar tijd uit tot het huidige samenwerkingsverband, waarin 29 van de 31 Limburgse gemeenten en het Waterschap Limburg deelnemen. De consolidatie van het aantal deelnemers heeft om een herijking van de organisatie gevraagd. Hiertoe heeft BsGW een separaat ontwikkeltraject uitgevoerd, zijnde het Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP). Het OOP kan (in financieel opzicht) in drie fase worden onderverdeeld: Fase 1 2018 tot 2021 Projectfase Fase 2 2021 tot 2028 Terugbetalen projectkosten Fase 3 vanaf 2028 Structureel voordeel deelnemers Projectfase Tijdens de Projectfase is het OOP zowel inhoudelijk als financieel verantwoord via de P&C-cyclus en getoetst door de accountant. Terugbetalen projectkosten De financieringswijze van het OOP is op 14 december 2017 door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Er is destijds een investerings- en ontwikkelbudget vrijgegeven van € 4 miljoen. De balans laat een opgenomen geldlening van € 2 miljoen zien. Deze lening is voor 7 jaar aangetrokken en wordt vanaf 2021 in zeven termijnen lineair afgelost. De aflossing ligt op koers. Structureel voordeel deelnemers Het OOP moet -conform besluitvorming door het Algemeen Bestuur d.d. 14 december 2017- met ingang van 2028 leiden tot een structurele reductie van de netto-kosten van € 1,3 miljoen.
Anders gezegd, vanaf 2028 wordt in de BsGW begroting een structurele taakstelling van € 1,3 miljoen opgenomen. Het is daarmee primair een financiële exercitie, die in belangrijke mate gerealiseerd dient te worden middels een formatiereductie. Vanaf het jaar 2028 wordt de structurele daling van de deelnemersbijdrage à € 1,3 miljoen verwerkt in de begroting. Investerings-/ontwikkelbudget (* 1.000,-)
2018
2019
2020
2021
2022
Investering op kosten van BsGW *)
2.000
1.000
1.000
-
-
Ontwikkelfase (terugbetaling investering) voordeel voor de deelnemers **
-
-
-
-
-
2023
2024
2025
-
-
-
400-
600-
800-
-
-
-
2026
2027
2028
2029
-
-
1.300-
1.300-
-
-
1.000-
1.200-
-
-
2018 t/m 2020: investering van € 4 miljoen (gefinancierd door BsGW via kasgeldlening en langlopend deel ad. 2 mio), *zonder investering van de deelnemers. 2021 t/m 2027: ontwikkelfase OOP en terugbetaling van de projectkosten ** Vanaf 2028: lagere bijdragen voor deelnemers € 1,3 miljoen. (te zien als structureel taakstellende bezuiniging miv 2028)
Tabel Financiering OOP in relatie tot de terugverdientijd Bezuinigingen Het doel van het OOP was minder handwerk door meer te automatiseren en te digitaliseren, hetgeen moet leiden tot een formatiereductie. Om hier een realistisch beeld bij te krijgen, dient de uitkomst van de aanbesteding AHA te worden afgewacht in combinatie met de uitkomst van het Harmonisatietraject. Voor de goede orde: meer automatiseren en digitaliseren leidt enerzijds tot een bepaalde formatiereductie, maar aan de andere kant ook tot een stijging van afschrijvings- en onderhoudskosten.
12
Bijlage 5. Kostenverdeelmethode De processen voor waterschappen en gemeenten overlappen elkaar in grote mate en de benodigde basisgegevens worden gelijktijdig voor alle deelnemers opgebouwd. Omdat BsGW de processen voor alle belastingsoorten integraal uitvoert, zijn de daarmee samenhangende kosten zodanig met elkaar verweven dat kosten niet per belastingsoort gedifferentieerd kunnen worden. De uitvoeringskosten van de productieprocessen worden om die reden toegerekend aan eenduidige, herkenbare hoofdprocessen, in overeenstemming met de organisatieopzet van BsGW. BsGW heeft haar processen uitgedrukt in vier primaire producten van dienstverlening: Heffen, Waarderen, Innen, Klantzaken. De verdeling van deze kosten over de deelnemers gebeurt hierna met behulp van eenheidstarieven per product van dienstverlening. De kosten van de activiteiten en processen op BsGW-niveau die dienen ter ondersteuning van de organisatie als geheel (zoals ICT, de ondersteuning van het personeel en de ontwikkeling van BsGW) worden eveneens als apart product inzichtelijk gemaakt. Deze kosten zijn, zonder arbitraire verdeelsleutels, niet te splitsen naar de primaire processen en worden daarom verdeeld naar rato van het aandeel dat de deelnemers hebben in de kosten van de (sub)producten.
Wanneer belastingsoorten die afwijken van de standaardbelastingsoorten van BsGW (de zogenaamde exoten) worden ingebracht in de samenwerking, wordt via een (financiële) analyse bepaald of de gangbare methode van kostenverdeling van toepassing kan zijn, of dat de kosten apart doorberekend kunnen worden. Sinds 2014 kent BsGW 1 sub-product (exoot): Parkeerbelasting. Fixeren productieaantallen ten behoeve van vaststellen verdeelsleutels De verdeelsleutels voor de kosten van de primaire processen zijn gebaseerd op de productieomvang van de deelnemers: aanslagbiljetten, aanslagregels, gemeentelijke WOZ-objecten en klantcontacten. De niet-reguliere belastingsoort Parkeerheffing wordt apart met de deelnemers afgerekend. Als verdeelsleutel geldt hierbij het aantal aanslagregels. De bijdrage per deelnemer dient een bestendige lijn te laten zien. Een jaarlijks schommelende bijdrage is voor de deelnemers niet gewenst en zou ook een verkeerde verwachting scheppen bij de toetredingsvoorstellen over de te betalen bijdrage en per saldo te behalen voordeel in de toekomst. Afgesproken is de aantallen die als verdeelsleutels gehanteerd worden bij de bijdragebepaling, als ook de opzet van de kostenverdeelmethode te fixeren. Alleen een wezenlijke, substantiële wijziging van belastingsoorten, kan invloed hebben op de opzet van de kostenverdeelmethode.
In de tabel in de bijlage 1 worden de productenaantallen per deelnemer weergegeven, zoals deze als verdeelsleutel zijn opgenomen in de kostenverdeelmethode, conform de onafhankelijk uitgevoerde nulmeting voorafgaand aan de toetreding. In de AB-vergadering van 25 juni 2020 is afgesproken dat er een nieuwe kostenverdeelmethode aan de orde zal komen. Recent is gestart om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot harmonisatie van de beleids- en uitvoeringsregels te komen. Herijking van de kostenverdeelmethode volgt nadat harmonisatie zijn beslag heeft gekregen en het basispakket een feit is. Logischerwijs kan derhalve nog niet op de uitkomsten en de doorwerking hiervan in een nieuwe kostenverdeelmethode worden vooruitgelopen. Op 9 december 2021 heeft het Algemeen Bestuur ingestemd met het procesvoorstel met betrekking tot harmonisatie en herziening van de kostenverdeelmethode. In onderstaande figuur is het stappenplan opgenomen.
13
Besluitvorming over harmonisatie heeft in nagenoeg alle gevallen voor september 2023 plaatsgevonden; vanaf 2024 zal het zogenaamde maatwerk separaat bij de desbetreffende deelnemers in rekening worden gebracht. Besluitvorming over de herijking van de kostenverdeelmethode vindt eind 2023 / begin 2024 plaats. De uitgangspunten voor de herziene kostenverdeelmethode zullen besluitvormend worden geagendeerd in de vergadering van het Algemeen Bestuur in december, waarna de nieuwe systematiek definitief wordt uitgewerkt en ter besluitvorming wordt aangeboden in een extra vergadering in januari. De inwerkingtreding van de herziene kostenverdeelmethode staat voor 2025 gepland. De herziene kostenverdeelmethode heeft overigens geen invloed op de begroting van BsGW zelf, maar de aanpassingen in de methodiek leiden wel tot wijzigingen in de bijdragen van de deelnemers aan BsGW. Op de mogelijke consequenties kan evenwel niet vooruit gelopen worden.
14
Bijlage 6. Weerstandsvermogen Bestuurlijk is de voorkeur uitgesproken het weerstandsvermogen van BsGW zo bescheiden mogelijk, doch wel realistisch, te laten zijn. Operationele risico’s moeten door BsGW zelf kunnen worden opgevangen, zonder terug te hoeven vallen op de deelnemers. Het benodigde weerstandsvermogen is gebaseerd op de risicoanalyse. Deze risicoanalyse wordt jaarlijks uitgevoerd, zodat bepaald kan worden of het berekende weerstandsvermogen toereikend is. Voor de begroting 2025 wordt eind 2023 de risicoanalyse uitgevoerd. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de begroting. Het weerstandsvermogen geeft aan in hoeverre BsGW in staat is om bij onverwachte gebeurtenissen met een financieel gevolg deze tegenvaller te nemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de door het bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen in de begroting. Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de benodigde weerstandscapaciteit, die uit de risicoanalyse voortvloeit, af te zetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit.
Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen = Benodigde weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bij BsGW bestaat uit de algemene reserve. Voor het bepalen van de omvang van deze algemene reserve is het zoeken naar een goede balans. Een balans tussen enerzijds voldoende omvang om impact zelf te kunnen opvangen en anderzijds te voorkomen dat algemene middelen van deelnemers ‘opgepot’ raken. Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen dient te worden vastgesteld welke ratio BsGW nastreeft. Hiervoor is gebruik gemaakt van de volgende waarderingstabel. Waarderingscijfer A B C D E F
Ratio weerstandsvermogen > 2,0 ≥ 1,4 - ≤ 2,0 ≥ 1,0 - < 1,4 ≥ 0,8 - < 1,0 ≥ 0,6 - < 0,8 < 0,6
Betekenis
Actie
Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende
Voorstel aan AB om terug te storten Geen actie Geen actie Voorstel aan AB om bij te storten
In de basis moet de beschikbare weerstandscapaciteit even groot zijn als de benodigde weerstandscapaciteit. Daarmee wordt de ratio weerstandsvermogen bepaald op een streven van minimaal 1,0. Zie hiervoor ook het besluit in het AB van 24 maart 2022, Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen BsGW.
15