7. 24-17 Bijlage 10 D1- Berenschot toekomst Parkstad IT
Tekst van het document
Vertrouwelijk 49
Bijlage C – Keuze rechtsvorm (3)
Verschillen De kenmerkende verschillen tussen een OL en een BVO: • Een OL heeft een algemeen bestuur (AB), dagelijks bestuur (DB) en voorzitter en kent daardoor meer bestuurlijke drukte dan een BVO; de BVO kent 1 orgaan: het bestuur. • De wetgever geeft aan dat de BVO kan worden ingesteld ter behartiging van ondersteunende processen of uitvoerende taken. - Bij ondersteunende processen moet gedacht worden aan taken als personeelsadministratie, ICT en huisvesting. - Bij uitvoerende taken moet gedacht worden aan beleidsarme taken zoals belastingheffing, afvalverwijdering of inkoop. Dat de taken beleidsarm moeten zijn, betekent met name dat het beleid niet mag worden vastgesteld binnen de bedrijfsvoeringsorganisatie. • Binnen een OL is het ook mogelijk om deze taken die specifiek bedoeld zijn voor een BVO vorm te geven, zij het dan dat er inherent meer bestuurlijke drukte is vanwege het vereiste van een AB en DB.
Vertrouwelijk 50
Bijlage C – Keuze rechtsvorm (4)
Aanbeveling rechtsvorm • Op hoofdlijnen is er geen groot verschil tussen een OL of een BVO. • Het duidelijke voordeel van een BVO is: - Dat het maar 1 bestuurslaag kent en daardoor minder bestuurlijke drukte voor de wethouders die in het bestuur plaatsnemen; en - Dat de wetgever de BVO juist voor uitvoerende/ondersteunende taken heeft bedoeld. Onze aanbeveling is daarom om de rechtsvorm van een BVO te overwegen. Indien de keuze wordt gemaakt voor scenario 4 (uitbesteden) zou ook een ‘aankoopcentrale’* een mogelijkheid kunnen zijn. Echter, bij een aankoopcentrale is er geen sprake van bestuurlijke grip en dat voordeel is er wel bij een BVO. *Het gaat dan om een ‘inkoopcombinatie’ van de gemeenten, zie art. 2.11 Aanbestedingswet.
Vertrouwelijk 51
D
Bijlage D: Verrekening projectkosten
4 november 2021
Vertrouwelijk 52
Bijlage D – Verrekening projectkosten
Projectkosten • Voor de wijze van afrekening van projectkosten is nu geen vastgestelde methodiek. In de praktijk hanteert PIT de volgende twee methoden: - Het betreft een project voor alle deelnemers: PIT creëert PIT een nieuwe pijler in het verrekenmodel op basis van P x Q. - Het betreft een project voor een/enkele deelnemers: Er wordt een additionele factuur gestuurd (buiten het verrekenmodel). • Bij deelnemers leeft het gevoel dat sommige kosten dubbel gefactureerd worden. Dat speelt als niet-projectmedewerkers aan projecten werken. De projectkosten van deze medewerkers zouden dan worden gefactureerd, terwijl de formatie van deze medewerkers al via de reguliere verrekening wordt doorbelast. Dat wekt de suggestie dat dubbel verrekend wordt. • De discussie ontstaat op het gebied van “Wanneer is er nu sprake van een project?” en wanneer “niet”. Ofwel, wanneer is er sprake van basis dienstverlening (dus een van de pijlers in de begroting op basis van PxQ)? • Omdat de geboden dienstverlening in het verrekenmodel (nu bestaande uit 6 pijlers) niet helder blijkt, ontstaat er ook discussie over projecten. Immers, wat zit er al in de basis en niet? De oplossing is aldus om helder te krijgen wat er wat in de basis zit en welk deel niet.
• Als het niet de basis zit, dan zullen de kosten doorbelast moeten worden naar de veroorzaker (anders gaat het ten koste van de algehele dienstverlening). Het moet dus klip en klaar zijn wat basisdienstverlening is en wat hierbuiten valt. • Dit zou praktisch zijn beslag moeten krijgen in de PDC, maar dient tevens zijn beslag te krijgen in de financiële administratie zodat hierover in de rapportages cijfermatig verantwoording kan plaatsvinden.
Vertrouwelijk 53
www.berenschot.nl /berenschot
Vertrouwelijk 54