7 23-24 Bijlage 6 Kadernota begroting BsGW 2024 en meerjarenraming 2025-2027–bijlagen.pdf
Tekst van het document
Kadernota 2024 voor de begrotingen 2025-2027 BIJLAGEN
Versie 1.1 November 2022
Inhoudsopgave
Inhoudsopgave .........................................................................................................................3 Bijlage 1. Planning begroting ......................................................................................................4 Bijlage 2. Heffingen per deelnemer ..............................................................................................5 Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen ............................................................................................6 Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) ...................................................................... 13 Bijlage 5. Kostenverdeelmethode .............................................................................................. 15 Bijlage 6. Weerstandsvermogen ................................................................................................ 17
3
Bijlage 1. Planning begroting Planning begroting 2024 en meerjarenraming 2025-2027 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Behandeling kadernota in DB Ambtelijk voorbereidingsoverleg AB Vaststelling kadernota in AB Toezenden kadernota aan de deelnemers Behandeling conceptbegroting 2024 en meerjarenraming 2025-2027 door DB Toezenden conceptbegroting 2024 en meerjarenraming 2025-2027 aan de deelnemers Zienswijze begroting deelnemers retour Behandeling zienswijzen door Dagelijks Bestuur Vaststelling begroting 2024 en meerjarenraming 2025-2027 door AB Aaanbieden aan de Provincie
10 november 2022 24 november 2022 8 december 2022 12 december 2022 23 februari 2023 27 februari 2023 31 mei 2023 8 juni 2023 29-6-2022 vóór 1 augustus 2023
4
Bijlage 2. Heffingen per deelnemer Onderstaande tabel geeft inzicht welke heffingssoorten per deelnemer worden uitgevoerd. Dit is de huidige situatie. Op basis van het harmonisatietraject kan onderstaande mogelijk gaan
v
v
v
v
v
v v
v v v
v v
v v
v v
v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v v v
v v v
v v
v
v
v
v
v v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v
v v
v
v
v v v v
v v
v v v
v v v
v
v
v
v
v v v v
WL
v
v
v
v v
v
Weert
v
v v
v v
v
Simpelveld
v v
v
v
v v
v v
v v v
v v v v v v v
v
Voerendaal
v
v v
v
Venlo
v
v v
v v v v
v
Valkenburg aan de Geul
v
v
Vaals
v v
v v v
v
Stein
v
v
v
Sittard-Geleen
v v
v
v v v
Roermond
v v v v
v
Roerdalen
v v v
v
Peel en Maas
v v v
v
v
Nederweert
v
v v
Mook en Middelaar
v
Meerssen
v
Maastricht
Gennep
v
Maasgouw
Eijsden-Margraten
v
Leudal
Echt-Susteren
v
Landgraaf
Brunssum
v
Kerkrade
Bergen
v
Heerlen
Beesel
v
Gulpen - Wittem
Beekdaelen
Afvalstoffenheffing Baatbelasting BIZ-bijdrage Forensenbelasting Hondenbelasting Onroerende-zaakbelastingen Precariobelasting Reclamebelasting Reinigingsrechten Rioolheffing Roerende Zaken Toeristenbelasting Verblijfsbelasting Watertoeristenbelasting Verontreinigingsheffingen Watersysteemheffing Zuiveringsheffing Waterverblijfsbelasting
Beek
wijzigen.
v
v
v
v v
v v
v
v
v v
v
v
v
v v
v
v
v
v v v v
v
v
5
Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen Proceskosten Door wijzigingen in de wetgeving, meer in het bijzonder als gevolg van het afschaffen van de Fierensdrempel, is het voor de zogenaamde ncnp-bedrijven rendabel geworden om namens de burger bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde, waarbij deze bedrijven de tegemoetkoming van de proceskosten krijgen. De ontwikkelingen met betrekking tot de hausse aan proceskosten, waarmee BsGW met name de laatste jaren is geconfronteerd, is en blijft nog steeds een belangrijk aandachtspunt. De ncnp-bedrijven maken meer en meer gebruik van kunstmatige intelligentie, op basis waarvan zij veel gerichter te werk kunnen gaan. Er bestaat dan ook een reële kans dat het aantal ingediende bezwaarschriften daalt, maar het aantal gehonoreerde bezwaren met bijkomende proceskostenvergoeding gelijk blijft of mogelijk zelfs stijgt. Tevens constateren we dat de bezwaarschriften steeds complexer en uitgebreider zijn en ontvangen we veel informatieverzoeken gecombineerd met een bezwaarschrift, hetgeen meer werk met zich mee brengt en de kans op het overschrijden van de termijn vergroot. Voor de aanslagronde 2023 kan de grote waardestijging die op basis van de waardepeildatum 1 januari 2022 plaatsvindt een grote rol spelen bij het aantal bezwaarschriften.
De burger is vaak onvoldoende bekend met het gegeven dat de waardepeildatum steeds een jaar voor het belastingjaar ligt, waardoor de grootste waardestijging van de afgelopen jaren pas zichtbaar is bij aanslagbiljet voor belastingjaar 2023. Daarnaast blijven de invloed van corona, maar zeker ook de extreem hoge energieprijzen belangrijke redenen die kunnen leiden tot toename van het aantal bezwaarschriften in 2023 en volgende jaren. Tenslotte constateren we dat de ncnp-bedrijven zich nu ook richtten op proceskosten bij overige belastingsoorten. Vooral de kostendekkendheid rondom afvalstoffenheffing en rioolheffing wordt nu aangevochten. NCNP-bedrijven gaan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hun werkgebied met ingang van 2023 ook uitbreiden met afgewezen kwijtscheldingsverzoeken. Een stijging van het aantal bezwaarschriften vertaalt zich niet alleen door in een stijging van de proceskosten. Ook de uitvoeringskosten inclusief stijging van gehanteerde tarieven (extra inzet personele ondersteuning in de vorm van taxateurs, juristen en KCC-medewerkers) stijgen, waardoor de begroting verder onder druk komt te staan. Gezien deze ontwikkelingen en het feit dat de tarieven voor de proceskostenvergoeding op gezette tijden bovenwaarts worden bijgesteld, blijft deze post voor 2024 (en verdere jaren) gehandhaafd op ongeveer € 3 miljoen.
Door achtereenvolgens het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) zijn in 2021 onderzoeken gedaan naar het opereren van ncnp-bedrijven in de Wet WOZ. Het consumentenprogramma Tros-Radar besteedde in maart 2022 aandacht aan het probleem. Zowel Radar als het COELO signaleren een onbedoeld verdienmodel in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In 2022 zijn diverse rondetafelbijeenkomsten geweest met alle betrokken partijen (Min. BZK, Min. Financiën, Min. Justitie en Veiligheid, Vereniging Rechtsbescherming Lokale Belastingen (VRLB), Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB), UvW, WaKa en VNG).
6
De VNG zet daarbij primair in op aanpassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor WOZzaken moet een aparte regeling komen, die recht doet aan de huidige uitvoeringspraktijk bezwaar en beroep bij de uitvoering van de Wet WOZ. De (in de LVRB verenigde) ncnp-bedrijven streven aanvullend onderzoek na. Dit met het primaire doel om tijd te kopen. Naast de lopende e aanslagronde kan hierdoor ook de aanslagronde 2023 met succes gefrustreerd worden. Daarnaast kan het maken van afspraken tussen uitvoerders van de Wet WOZ en de branchevereniging van ncnp-bedrijven (VRLB) over het proces van bezwaarafhandeling een bijdrage leveren. Eind september is een kamerreactie ontvangen van de staatssecretaris van Financiën waarin een nader onderzoek wordt aangekondigd naar het oneigenlijk gebruik van procedures in relatie tot het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wordt aangegeven dat het kabinet kijkt naar mogelijke aanpassing van wet- en regelgeving op het terrein van de WOZ en wordt tevens met diverse stakeholders gekeken naar procesverbeteringen binnen het WOZ-proces. Wet Modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (WMEBV) Dit wetsvoorstel is op 24 juli 2019 ingediend bij de Tweede Kamer en geeft de burger het recht om de meer officiële berichten, zoals aanvragen en bezwaarschriften, elektronisch aan het bestuursorgaan te zenden.
Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan moet worden aangewezen welke elektronische weg of wegen (welke wijze of wijzen van verzending) voor dergelijke berichten openstaan. De gemeente dan wel de uitvoeringsorganisatie van de gemeente, moet de digitale kanalen aanwijzen die ze daarvoor kunnen gebruiken. Bij het gebruik van de digitale weg gelden nieuwe waarborgen, zoals notificatie, ontvangstbevestiging en termijnverlenging bij storing. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel op 19 april 2022 aangenomen. Het ligt nu bij Eerste Kamer. Er is nog een aantal onduidelijkheden, met name over de inwerkingtreding van het wetsvoorstel: Beoogd is 1 januari 2023, maar 1 januari 2024 wordt ook genoemd. De VNG heeft de staatssecretaris in ieder geval gevraagd om een overgangsperiode i.v.m. informatiesystemen die tijdig klaar moeten zijn en dat is nu nog niet het geval. Sociaal invorderen Door de huidige situatie op de energiemarkt en de stijgende inflatie zullen steeds meer gezinnen hun rekening niet meer kunnen betalen. Het kabinet legt op dit moment de laatste hand aan een plan om mensen hierin te helpen. Desondanks zal naar verwachting het aantal bedrijven en gezinnen met betalingsachterstanden toenemen. Mogelijk dat deze aspecten negatieve gevolgen hebben voor de in rekening gebrachte vervolgingskosten.
Vroegsignalering De gewijzigde “wet gemeentelijke schuldhulpverlening” biedt de gemeente de mogelijkheid om de niet kunners in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen, zodat passende hulp geboden kan worden. In de hier voren genoemde wet is de achterstand bij lokale belastingen niet als signaal opgenomen. Om aan te tonen dat lokale belastingen een belangrijke bijdrage kunnen leveren in de vroegsignalering van schulden, is een landelijk experiment gestart waarin de BsGW deelneemt. Na deze pilot kan worden bezien of en in hoeverre BsGW kan aanhaken op deze trend en welke mogelijkheden dit biedt, zowel wat betreft de wetgevingskaders als met betrekking tot de taakuitvoering van BsGW. Dit heeft tot gevolg dat burgers met schulden uit de dwanginvordering gehouden zullen worden. Een belangrijk aspect, zeker ook gezien de invorderingskosten (opbrengsten uit in rekening gebrachte vervolgingskosten) die een behoorlijke bate binnen de begroting van BsGW beslaan.
7
Fiscale Vereenvoudigingswet 2017 Wijziging beroepsprocedure kwijtschelding (artikel 25 Invorderingswet) De wijziging in artikel 25 in de Invorderingswet zal vanaf 2024 worden ingevoerd. Deze wijziging betekent dat op een uitspraak van een kwijtscheldingsverzoek in plaats van een administratief beroep, een bezwaar kan worden ingediend. Met deze mogelijkheid wordt de Invorderingswet gelijk getrokken aan de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Bij een ongegrond verklaring van een bezwaarschrift, krijgt de belanghebbende de mogelijkheid van een rechtsgang naar beroep, hoger beroep en beroep in cassatie. Deze wijziging brengt naast een wettelijke behandeltermijn van 6 weken, mogelijk extra kosten met zich mee. Hierbij kan worden gedacht aan : • Dwangsommen voor het niet na kunnen leven van de behandeltermijn (€ 1.442,- p/s) • Kosten voor beroepsprocedures • Griffierechten betalen voor kwetsbare doelgroepen • Behandelkosten voor bezwaren tegen afgewezen kwijtscheldingsverzoeken door onder andere NCNP-bedrijven die zich ook op deze markt zullen richten. Het ministerie van Financiën geeft aan dat het voor gemeenten verstandig is te koersen op inwerkingtreding op 1 januari 2024. Te meer nu deze wijziging niet meer ter discussie staat en de wijziging zal worden doorgevoerd. De verwachting is dat hiermee een nieuwe doelgroep voor ncnp-bedrijven gaat ontstaan.
In de huidige begroting van BsGW zijn vanwege de (vooralsnog) moeilijk in te schatten financiële effecten geen proceskostenvergoedingen als gevolg van eventuele geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding opgenomen. Het invorderingsproces gaat wijzigen Grip op de invorderingspraktijk van overheden is politiek actueel, zeker na de toeslagenaffaire. Eerder is ook al door de Ombudsman vastgesteld dat veel mensen met betalingsproblemen er verder door in het nauw worden gebracht. Om mensen met schulden beter te helpen, zijn er diverse wetswijzingen doorgevoerd. In de praktijk betekent dit dat er een verschuiving plaats zal vinden van massale invordering acties naar maatwerkgerichte oplossingen. BsGW zal dus op dit vlak meer moeten samenwerken met onder andere sociale diensten en schuldhulpinstanties om mensen wegwijs te maken in de wetgeving en de mogelijkheden van kwijtschelding. Een achterliggende ambitie is ook eerder en meer contact, wat er uiteindelijk aan gaat bijdragen dat bijvoorbeeld stapeling van schulden wordt voorkomen. Hier gaan de kosten zoals de te investeren tijd in maatwerk voor de baten uit. Bovendien zal een deel van de (financiële) voordelen niet bij BsGW belanden maar bij de gemeenten, omdat hier bijvoorbeeld schuldhulpverleningstrajecten mee worden voorkomen.
In de verschillende rapporten wordt aangegeven dat de kosten die hieruit voortvloeien, zoals een tarief per berekening, uitwisseling van gegevens en realiseren van real-time koppelingen niet zondermeer aan de schuldenaar doorberekend mogen worden. Verruiming vermogensnorm kwijtschelding De Tweede Kamer nam de vorige kabinetsperiode drie moties aan over het verruimen van de vermogensnorm bij kwijtschelding van de lokale belastingen, zodat mensen een kleine financiële buffer hebben. Het kabinet heeft recent besloten de mogelijkheid tot verhoging van de vermogensnorm niet te beperken tot enkel AOW-gerechtigden en duurzaam
8
arbeidsongeschikten, maar een algemene verhoging van de vermogensnorm tot maximaal € 2.000 (afhankelijk van het huishoudentype) mogelijk te maken (dus facultatief). Op 17 september is de Regeling kwijtschelding belasting medeoverheden in werking getreden en vervangt de Nadere regels kwijtschelding gemeentelijke en waterschapsbelastingen. Deze regeling regelt dat bij verordening de reguliere vermogensnorm kan worden verhoogd. Hierdoor mogen inwoners die kwijtschelding aanvragen over extra financiële middelen beschikken zonder hun recht op kwijtschelding te verliezen. In verband met de nieuwe regeling kwijtschelding belasting medeoverheden heeft de VNG een Modelverordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen opgesteld. Deze vervangt de Modelregeling kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Bovengenoemde verruiming zal resulteren in een hoger percentage toekenners voor de betreffende doelgroep. Momenteel wordt onderzocht wat de daadwerkelijke (financiële) impact is. Gebruik betalingsvordering door lokale overheden afhankelijk van uitkomst proef Sinds 1 juli 2020 maakt de Invorderingswet 1990 de betalingsvordering mogelijk. Dit is een vereenvoudigde procedure van derdenbeslag onder de bank. Lokale overheden kunnen nu nog geen gebruik kunnen maken van de betalingsvordering.
Per 1 januari 2023 wordt de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 voor wat betreft de betalingsvordering van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit najaar wordt met drie lokale belastingorganisaties (waaronder ook BsGW) en twee banken bij wijze van proef op kleine schaal gestart met het toepassen van de betalingsvordering. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zal worden bezien of de betalingsvordering per 1 januari 2023 opengesteld kan worden voor de lokale overheden. Verruiming gemeentelijk belastinggebied Door de recente decentralisaties vanuit het Rijk, is het taakveld van de gemeenten aanzienlijk toegenomen. De financiële ruimte (lees: het belastinggebied), die gemeenten krijgen, is daarentegen niet mee ontwikkeld. Tijdens het debat over de inning door de Belastingdienst op 21 juni 2018 heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën aangegeven verbeteringen in het belastingstelsel in kaart te brengen voor de volgende kabinetsperiode. Het doel was om begin 2020 concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het stelsel te bewerkstelligen. Naast schuiven tussen grondslagen en tarieven op rijksniveau, zou een verschuiving naar een ruimer gemeentelijk belastinggebied ook tot de mogelijkheden behoren.
Een wezenlijke wijziging dan wel toevoeging van belastingsoorten kan vergaande gevolgen hebben voor de bestaande processen binnen BsGW en zelfs voor de kostenverdeelmethode. De VNG onderschrijft de conclusie dat de redenen om te komen tot een uitbreiding van het lokale belastinggebied nog steeds gelden: om maatschappelijke opgaven vanuit de lokale samenleving en met de juiste democratische afweging te kunnen oppakken, is beleidsmatige én financiële armslag noodzakelijk. Er moet daarom een verschuiving plaats te vinden van rijksbelastingen naar het lokale belastinggebied. De VNG zal zich hiervoor dan ook inzetten, maar alleen als aan de eerder geformuleerde randvoorwaarden wordt voldaan. Daarbij vormen met name ‘de financiële verhoudingen op orde’ en 'geen verhoging van de lastendruk voor burgers’ harde voorwaarden. Omgevingswet Met de Omgevingswet wil de overheid de regels voor ruimtelijke ontwikkeling vereenvoudigen en samenvoegen. De vereenvoudiging heeft ook tot gevolg dat er meer vergunningsvrij gebouwd, verbouwd en gesloopt kan worden. BsGW zal hierdoor minder informatie over wijzigingen in de leefomgeving kunnen halen uit vergunningen en meldingen.
9
Teneinde deze veranderingen te kunnen faciliteren, wordt het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) opgezet en stapsgewijs ontwikkeld. Het DSO dient per 2024 volledig operationeel te zijn. BsGW raadpleegt momenteel andere bronnen zoals bijvoorbeeld luchtfotovergelijking. BsGW voorziet dan ook dat de verwerking van de vergunningsvrije bouwmutaties arbeidsintensiever is dan de huidige werkwijze, zeker in de overgangsperiode. In het kader van het project waarderen op gebruiksoppervlakte heeft er een nulmeting/mutatiedetectie plaatsgevonden waardoor deze mutaties in beeld worden gebracht. Voor de toekomst zullen hierover afspraken gemaakt dienen te worden. Een en ander ligt in lijn met de beheerfase van het project waarderen op gebruiksoppervlakte én in het verlengde van de Samenhangende Objecten Registratie (zie hiervoor). Unie van Waterschappen: onderzoek houdbaarheid belastingstelsel Eind 2020 heeft de Unie van Waterschappen voorstellen gedaan tot aanpassing van het belastingstelsel van de waterschappen en de minister van Infrastructuur en Waterstaat gevraagd om deze in wetgeving te implementeren. De wetswijziging biedt waterschappen betere mogelijkheden om het profijtbeginsel toe te passen. Zo kunnen zij meer kosten neerleggen bij diegenen die meer voordeel hebben bij de werkzaamheden van het waterschap.
Daarnaast kunnen waterschappen door de wijzigingen beter inspelen op (toekomstige) ontwikkelingen, zoals klimaatopwarming, de circulaire economie, de energietransitie en veranderingen in het eigen waterschap. Deze wetswijziging regelt ook dat Rijkswaterstaat en waterschappen geen schadelijke stoffen meer hoeven te gebruiken bij het meten van de vervuiling in afvalwater. Waterschappen krijgen door de aanpassingen in de watersysteemheffing meer mogelijkheden om te heffen naar profijt of belang. Diegene die meer profijt heeft van de werkzaamheden van het waterschap betaalt dan een hogere heffing. Degene die minder belang heeft krijgt een lagere heffing. De gevolgen van de wijziging voor specifieke groepen belastingbetalers verschillen per waterschap. De besturen van de waterschappen bepalen namelijk zelf hoe zij de kosten precies verdelen. Het eerste zichtbare resultaat van dit wetgevingsproces is de op 4 augustus 2022 geopende internetconsultatie van het wetsvoorstel “Wijziging Waterschapswet en Waterwet voor versterking toepassing profijtbeginsel bij watersysteemheffing, ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en oplossen van enkele knelpunten”. Tot en met 30 september 2022 kan gereageerd worden op alle onderdelen van de wetswijziging en de toelichting. Afhankelijk daarvan en afhankelijk van de keuzes die het waterschap maakt zijn pas de gevolgen voor BsgW kenbaar.
Er wordt gestreefd naar inwerkingtreding van het wetsvoorstel op 1 januari 2025. De haalbaarheid zal vooral afhangen van de voortvarendheid van de behandeling in de Tweede en Eerste Kamer, de mate waarin belangenroepen zich hierin roeren en de discussies die daarover ontstaan. De reacties op deze internetconsultatie geven hier waarschijnlijk al een goede indicatie voor. Implementatie wijzigingen Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) Op 1 juli 2022 is een wijziging in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) in werking getreden. Deze wetswijziging brengt met zich mee dat alle Gemeenschappelijke Regelingen (GR’en) moeten worden aangepast om zo scherpere afspraken te maken over bijvoorbeeld uittreding of evaluatie en dat keuzes worden gemaakt over het al dan niet instellen van een gemeenschappelijke commissie voor raadsleden. De wet heeft een implementatie van twee jaar.
10
BsGW werkt samen met zestien andere Limburgse GR’en bij de wijziging gemeenschappelijke regelingen. Dit gemeenschappelijk traject vindt plaats onder externe begeleiding, waarmee beperkte kosten à € 5.000 voor geheel BsGW zijn gemoeid. Om ervoor te zorgen dat de wijzigingen uiterlijk 1 juli 2024 in werking treden en de deelnemers hier zo goed als mogelijk in mee te nemen, is er een marsroute vastgesteld. Deze marsroute is afgeleid van het gemeenschappelijk met andere GR’en te doorlopen traject, zodat colleges, griffiers en gemeenteraden van de in BsGW deelnemende gemeenten resp. Dagelijks Bestuur en Algemeen Bestuur van het Waterschap Limburg de wijzigingen in de diverse GR’en zoveel als mogelijk gebundeld kunnen behandelen. Dit conform afspraak met het Algemeen Bestuur van BsGW. Los van dit gezamenlijke traject heeft BsGW intern de voorbereidingen en werkzaamheden al opgepakt. Het Algemeen Bestuur wordt periodiek geïnformeerd over de actuele stand van zaken. Wet toekomst pensioenen In de Rijksbegroting voor 2023 van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid staat dat het kabinet er nog altijd naar streeft om het voorstel voor de Wet toekomst pensioenen uiterlijk per 1 januari 2023 in werking te laten treden. Als dit lukt, begint een langdurige transitiefase die loopt tot 1 januari 2027.
In de tussenliggende jaren moeten werkgevers en andere betrokken partijen de benodigde aanpassingen aanbrengen in de pensioenen. Alle pensioenregelingen, waarin op 31 december 2022 pensioen wordt opgebouwd, moeten worden omgezet naar een leeftijdsonafhankelijke premieregeling. Hierbij nemen sociale partners wel het transitiewerk uit handen van werkgevers, die zijn aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds. Wet open overheid (Woo) De “Wet open overheid” (Woo) vervangt per 1 mei 2022 de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). In de Woo is een verplichting opgenomen tot actieve (uit eigen beweging) en passieve (op verzoek) openbaarmaking van door bestuursorganen opgemaakte of ontvangen documenten of gegevens (zie respectievelijk artikel 3.3 en 4.1 Woo). De actieve openbaarmakingsverplichting van de Woo treedt gefaseerd in werking. Daarvoor moet nog veel geregeld worden, zoals bijvoorbeeld een passende digitale infrastructuur. Het implementatietraject van de Woo zal in totaal ongeveer 8 jaar duren. Het Rijk geeft hierbij aan wanneer welke verplichtingen gefaseerd worden ingevoerd. De wijze van implementatie zal verder moeten worden uitgewerkt waarbij verschillende onderdelen van de organisatie een rol zullen hebben. Het implementatietraject van de Woo krijgt steeds meer invulling en het wordt duidelijker welke informatiecategorieën als eerste aan de beurt komen voor openbaarmaking.
Binnen BsGW is het project Implementatie Wet open overheid verder opgestart. Hierbij is van belang dat BsGW technisch en organisatorisch klaar is voor aansluiting bij en aanlevering aan het Platform Open Overheidsinformatie (PLOOI). De komende periode is hier aandacht voor: wanneer is een organisatie volgens de minister technisch en organisatorisch klaar voor aansluiting en aanlevering. Daarnaast is het van belang dat BsGW de te openbaar maken informatie uit elke informatiecategorie, voor zover van toepassing, beschikbaar heeft. Hierbij is BsGW deels afhankelijk van de praktische vertaalslag die de stuurgroep de komende periode gaat maken. De (voorlopige) coördinerend projectleider van de interne werkgroep Wet open overheid zal periodiek rapporteren over de voortgang van de implementatie. Per 1 mei 2022 zijn op grond van artikel 4.7 van de Wet open overheid een viertal contactpersonen aangewezen. De contactpersoon beantwoordt vragen over de beschikbaarheid van publieke informatie, maar helpt betrokkenen ook bij het zoeken naar overheidsinformatie. De contactpersoon is niet inhoudelijk betrokken bij behandelingen van verzoeken om publieke informatie, de bewaking van
11
beslistermijnen en dergelijke. De contactpersoon zorgt wel dat betrokkene in contact wordt gebracht met de inhoudelijk behandelaar. De koepels (VNG, IPO en UvW) hebben verzocht om (totale) compensatie voor de implementatie en uitvoering van de Wet open overheid. Met de Voorjaarsnota 2021 heeft het Rijk per 2022 aan gemeenten structurele en incidentele middelen (€ 164 miljoen) beschikbaar gesteld via het Gemeentefonds. Deze worden de komende 5 jaar gefaseerd beschikbaar gesteld. Ook het Provinciefonds heeft middelen gekregen om de informatiehuishouding op orde te brengen. Gemeenschappelijke Regelingen ontvangen geen bijdrage uit het Gemeentefonds. De compensatie is aan gemeenten toegekend en naar rato verdeeld. Uit de VNG-ledenbrief van 16 mei 2022 is tot slot informatie opgenomen ten aanzien van de compensatie: ”… Gemeenten ontvangen ter compensatie van de meerkosten voor de uitvoering van de Woo een bedrag oplopend tot € 164 miljoen via het gemeentefonds. U bent hierover geïnformeerd in het kader van de meicirculaire 2021. Bij de compensatie zijn inbegrepen de kosten die gemeenten via gemeenschappelijke regelingen maken. Deze middelen zijn beschikbaar gesteld in verband met de actieve openbaarmaking en de aanstelling van de contactpersoon. …”
12
Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) Na de oprichting in 2011 groeide BsGW in slechts vier jaar tijd uit tot het huidige samenwerkingsverband, waarin 29 van de 31 Limburgse gemeenten en het Waterschap Limburg deelnemen. De consolidatie van het aantal deelnemers heeft om een herijking van de organisatie gevraagd. Hiertoe heeft BsGW een separaat ontwikkeltraject uitgevoerd, zijnde het Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP). Het OOP kan (in financieel opzicht) in drie fase worden onderverdeeld: Fase 1 2018 tot 2021 Projectfase Fase 2 2021 tot 2028 Terugbetalen projectkosten Fase 3 vanaf 2028 Structureel voordeel deelnemers Projectfase Tijdens de Projectfase is het OOP zowel inhoudelijk als financieel verantwoord via de P&C-cyclus en getoetst door de accountant. Terugbetalen projectkosten De financieringswijze van het OOP is op 14 december 2017 door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Er is destijds een investerings- en ontwikkelbudget vrijgegeven van € 4 miljoen. De balans laat een opgenomen geldlening van € 2 miljoen zien. Deze lening is voor 7 jaar aangetrokken en wordt vanaf 2021 in zeven termijnen lineair afgelost. Structureel voordeel deelnemers Het OOP moet -conform besluitvorming door het Algemeen Bestuur d.d. 14 december 2017- met ingang van 2028 leiden tot een structurele reductie van de netto-kosten van € 1,3 miljoen.
Anders gezegd, vanaf 2028 wordt in de BsGW begroting een structurele taakstelling van € 1,3 miljoen opgenomen. Het is daarmee primair een financiële exercitie. Deze kostenreductie staat los van de niet begrote kosten (denk aan het traject AHA [zie Memorandum implementatiekosten AHA d.d. 24 maart 2022]), te laag begrote sociale lasten [zie Memorandum Sociale lasten d.d. 24 maart 2022] of hoger dan begrote kosten (denk aan loon- en prijsstijgingen), waarmee BsGW zich in de afgelopen en komende jaren geconfronteerd zag en ziet. Vanaf het jaar 2028 wordt de structurele daling van de deelnemersbijdrage à € 1,3 miljoen verwerkt in de begroting. Tabel Financiering OOP in relatie tot de terugverdientijd Investerings-/ontwikkelbudget (x € 1.000,-) Investering op kosten van BsGW * Ontwikkelfase (terugbet. investering) Jaarlijks voordeel (structureel) **
2018
2019
2020
2.000
1.000
1.000
-
-
-
2021
2022
2023
2024
2025
Ontwikkelfase & Aflossing (langlopende lening) -
2026
2027
2028
2029
-
-
-
-
-
-
-
-
1.300
1.300
2018 tm 2020: investering van € 4 miljoen (gefinancierd door BsGW via kasgeldlening en langlopend deel ad. € 2 miljoen * zonder investering van de deelnemers. 2021 tm 2027: ontwikkelafase OOP en terugbetaling van de lening. ** vanaf 2028: lagere bijdrage voor deelnemers € 1,3 miljoen (te zien als structureel taakstellende bezuiniging miv 2028)
Bezuinigingen Het doel van het OOP was minder handwerk door meer te automatiseren en te digitaliseren, hetgeen moet leiden tot een formatiereductie. Om hier een realistisch beeld bij te krijgen, dient de uitkomst van de aanbesteding AHA te worden afgewacht in combinatie met de uitkomst van het Harmonisatietraject. Voor de goede orde: meer automatiseren en digitaliseren leidt enerzijds tot een
13
bepaalde formatiereductie, maar aan de andere kant ook tot een stijging van afschrijvings- en onderhoudskosten. De BsGW-begroting bestaat aan de kostenkant met name uit personele lasten en ICT-kosten. Desondanks heeft de BsGW-organisatie afgelopen periode gekeken waar eventueel bespaard c.q. bezuinigd kan worden. De betreffende posten worden ter objectieve controle voorgelegd aan uw accountant, waarna de uitkomst met het Dagelijks Bestuur resp. het Algemeen Bestuur wordt gedeeld. Niet alleen minder, maar ook meer In de afgelopen periode hebben zich ontwikkelingen voorgedaan, die tot extra c.q. aanvullende werkzaamheden hebben geleid dan wel binnen afzienbare termijn gaan leiden. Een sprekend voorbeeld is de Wet open overheid (Woo). Deze wet leidt net, zoals bij de deelnemers, ook voor BsGW tot extra én aanvullende inspanningen. Inspanningen, waartoe de huidige organisatie niet geoutilleerd is. Extra formatie op het terrein van communicatie/juridische zaken is dientengevolge noodzakelijk. De deelnemers hebben in het kader van de Woo niet alleen middelen ontvangen voor de eigen organisatie, maar ook voor de GR-en waarin zij deelnemen. De BsGW-begroting dient in dit soort gevallen logischerwijs in redelijkheid en billijkheid bovenwaarts te worden aangepast.
14
Bijlage 5. Kostenverdeelmethode De processen voor waterschappen en gemeenten overlappen elkaar in grote mate en de benodigde basisgegevens worden gelijktijdig voor alle deelnemers opgebouwd. Omdat BsGW de processen voor alle belastingsoorten integraal uitvoert, zijn de daarmee samenhangende kosten zodanig met elkaar verweven dat kosten niet per belastingsoort gedifferentieerd kunnen worden. De uitvoeringskosten van de productieprocessen worden om die reden toegerekend aan eenduidige, herkenbare hoofdprocessen, in overeenstemming met de organisatieopzet van BsGW. BsGW heeft haar processen uitgedrukt in vier primaire producten van dienstverlening: Heffen, Waarderen, Innen, Klantzaken. De verdeling van deze kosten over de deelnemers gebeurt hierna met behulp van eenheidstarieven per product van dienstverlening. De kosten van de activiteiten en processen op BsGW-niveau die dienen ter ondersteuning van de organisatie als geheel (zoals ICT, de ondersteuning van het personeel en de ontwikkeling van BsGW) worden eveneens als apart product inzichtelijk gemaakt. Deze kosten zijn, zonder arbitraire verdeelsleutels, niet te splitsen naar de primaire processen en worden daarom verdeeld naar rato van het aandeel dat de deelnemers hebben in de kosten van de (sub)producten.
Wanneer belastingsoorten die afwijken van de standaardbelastingsoorten van BsGW (de zogenaamde exoten) worden ingebracht in de samenwerking, wordt via een (financiële) analyse bepaald of de gangbare methode van kostenverdeling van toepassing kan zijn, of dat de kosten apart doorberekend kunnen worden. Sinds 2014 kent BsGW 1 sub-product (exoot): Parkeerbelasting. Daarnaast kent BsGW vanaf 2020 het sub-product GDI. Deze kosten worden op basis van het aandeel in de kosten Ondersteuning & Ontwikkeling verdeeld, waarbij de totale verdeling zich verhoudt tot 40% gemeenten en 60% Waterschap Limburg (AB 25 juni 2020). Fixeren productieaantallen ten behoeve van vaststellen verdeelsleutels De verdeelsleutels voor de kosten van de primaire processen zijn gebaseerd op de productieomvang van de deelnemers: aanslagbiljetten, aanslagregels, gemeentelijke WOZ-objecten en klantcontacten. De niet-reguliere belastingsoort Parkeerheffing wordt apart met de deelnemers afgerekend. Als verdeelsleutel geldt hierbij het aantal aanslagregels. De bijdrage per deelnemer dient een bestendige lijn te laten zien. Een jaarlijks schommelende bijdrage is voor de deelnemers niet gewenst en zou ook een verkeerde verwachting scheppen bij de toetredingsvoorstellen over de te betalen bijdrage en per saldo te behalen voordeel in de toekomst.
Afgesproken is de aantallen die als verdeelsleutels gehanteerd worden bij de bijdragebepaling, als ook de opzet van de kostenverdeelmethode te fixeren. Alleen een wezenlijke, substantiële wijziging van belastingsoorten, kan invloed hebben op de opzet van de kostenverdeelmethode. In de tabel in de bijlage 1 worden de productenaantallen per deelnemer weergegeven, zoals deze als verdeelsleutel zijn opgenomen in de kostenverdeelmethode, conform de onafhankelijk uitgevoerde nulmeting voorafgaand aan de toetreding. In de AB-vergadering van 25 juni 2020 is afgesproken dat er een nieuwe kostenverdeelmethode aan de orde zal komen. Recent is gestart om te bezien welke mogelijkheden er zijn om tot harmonisatie van de beleids- en uitvoeringsregels te komen. Herijking van de kostenverdeelmethode volgt nadat harmonisatie zijn beslag heeft gekregen en het basispakket een feit is. Logischerwijs kan derhalve nog niet op de uitkomsten en de doorwerking hiervan in een nieuwe kostenverdeelmethode worden vooruitgelopen. Op 9 december 2021 heeft het Algemeen Bestuur ingestemd met het procesvoorstel met betrekking tot harmonisatie en herziening van de kostenverdeelmethode. In onderstaande figuur is het stappenplan opgenomen.
15
Het onderdeel Harmonisatie is ter hand genomen. Besluitvorming hierover vindt medio 2023 plaats. Voor de herijking van de kostenverdeelmethode inclusief besluitvormingstraject is 2023 uitgetrokken. Implementatie van de herziene kostenverdeelmethode staat voor 2025 gepland.
16
Bijlage 6. Weerstandsvermogen Bestuurlijk is de voorkeur uitgesproken het weerstandsvermogen van BsGW zo bescheiden mogelijk, doch wel realistisch, te laten zijn. Operationele risico’s moeten door BsGW zelf kunnen worden opgevangen, zonder terug te hoeven vallen op de deelnemers. Het benodigde weerstandsvermogen is gebaseerd op de risicoanalyse. Deze risicoanalyse wordt jaarlijks uitgevoerd, zodat bepaald kan worden of het berekende weerstandsvermogen toereikend is. Voor de begroting 2024 wordt eind 2022 de risicoanalyse uitgevoerd. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de begroting. Het weerstandsvermogen geeft aan in hoeverre BsGW in staat is om bij onverwachte gebeurtenissen met een financieel gevolg deze tegenvaller te nemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de door het bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen in de begroting. Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de benodigde weerstandscapaciteit, die uit de risicoanalyse voortvloeit, af te zetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit.
Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen = Benodigde weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bij BsGW bestaat uit de algemene reserve. Voor het bepalen van de omvang van deze algemene reserve is het zoeken naar een goede balans. Een balans tussen enerzijds voldoende omvang om impact zelf te kunnen opvangen en anderzijds te voorkomen dat algemene middelen van deelnemers ‘opgepot’ raken. Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen dient te worden vastgesteld welke ratio BsGW nastreeft. Hiervoor is gebruik gemaakt van de volgende waarderingstabel. Waarderingscijfer A B C D E F
Ratio weerstandsvermogen > 2,0 ≥ 1,4 - ≤ 2,0 ≥ 1,0 - < 1,4 ≥ 0,8 - < 1,0 ≥ 0,6 - < 0,8 < 0,6
Betekenis
Actie
Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende
Voorstel aan AB om terug te storten Geen actie Geen actie Voorstel aan AB om bij te storten
In de basis moet de beschikbare weerstandscapaciteit even groot zijn als de benodigde weerstandscapaciteit. Daarmee wordt de ratio weerstandsvermogen bepaald op een streven van minimaal 1,0. Zie hiervoor ook het besluit in het AB van 24-03-2022, Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen BsGW.
17