5. Bijlage 2 ASD advies regionaal beleidskader jeugdhulp Zuid-Limburg 2024-2028_161905
Tekst van het document
S�ch�ng Adviesraad Sociaal Domein Simpelveld P/a Bouwensstraat 16 6369 BG Simpelveld
Aan het College van B&W van de gemeente Simpelveld Datum: 31 juli 2023 Onderwerp: Advies Regionaal Beleidskader Jeugdhulp Zuid-Limburg 2024-2028 Geacht College, Op 12 juli 2023 ontvingen wij uw aanbiedingsbrief en het beleidskader 2024-2028 jeugdhulp ZuidLimburg met het verzoek aan de ASD om advies te geven. Wij geven, met een aantal opmerkingen en zorgen, die vervat zijn in dit advies, een positief advies over dit beleidskader Jeugdhulp Zuid-Limburg 2024-2028. Het participatieproces In eerste instantie een compliment over het proces. Na een wat moeizame start is de samenwerking tussen de opstellers van het beleidskader en de vertegenwoordigers van de adviesraden sociaal domein sterk verbeterd. In uw aanbiedingsbrief omschrijft u dit als volgt: “In de ontwerpfase 2022/2023 van het nieuwe beleidskader hebben wij, in een goede constructieve dialoog, gesproken met een afvaardiging van de gemeentelijke adviesraden in Zuid-Limburg. We willen u als adviesraden al vroeg in het proces mee laten denken over de inhoud over het voorliggende beleidskader. Het is immers onze ambitie om te komen tot een breed gedragen koers in Zuid-Limburg.
Hiermee zijn we begonnen met het richting geven aan een participatief proces door het opstellen van een koers en ambitie door en voor de jeugdigen, ouders en hun vertegenwoordigers samen met u als adviesraad.” Wij danken de opstellers van dit beleidskader voor deze werkwijze, die als voorbeeld kan dienen voor de (vele) regionale beleidskaders die nog zullen volgen. U gaat deze wijze consequent verder uitwerken en toepassen, zoals u in hoofdstuk 4, Participatie van het beleidskader, beschrijft. Duurzame participatie, dat streeft u na, en dat gaat dus veel verder dan “alleen” de Adviesraden Sociaal Domein bij het proces te betrekken. De ouders en het kind staan daarbij centraal. Wij hebben dat nog niet eerder zo verwoord gezien. Nogmaals, onze complimenten. Met nadruk adviseren wij om deze “duurzame participatie” niet alleen na te streven bij het tot stand komen van beleidskaders maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan. De inhoud van het beleidskader, specifiek Hoofdstuk 3: De inhoud: Wat willen we bereiken. Hoofdstuk 5: Samenwerking tussen onderwijs en gemeenten
1
De adviesraad is zeer positief over de volgende omschrijving op pagina 12: “In de beleidsperiode 2024-2028 stellen we de jeugdige én de ouder(s) centraal. Het daadwerkelijk luisteren naar wat zij nodig hebben om op te groeien tot een volwassene die zelfredzaam is en kan meedoen in de maatschappij. Zij brengen hun eigen perspectief in kaart. Daaruit kan ook blijken dat er géén jeugdzorg nodig is om dat perspectief te bereiken. Als wel jeugdzorg nodig is, dan doen we dat integraal met datgene wat er nog meer nodig is in het gezin. Tijdig en passend bij de vraag. Met goede kwalitatieve jeugdzorg die ook effectief is. Al deze onderwerpen komen aan bod in dit hoofdstuk onder de doelen: normaliseren, eerder juiste hulp, integraal en sturen op resultaat. Daarbij geven we ook aan wat prioriteit heeft in deze beleidsperiode en welke opgaven nu niet prioritair worden opgepakt op het niveau van de jeugdhulpregio.” Daarnaast zijn wij ook positief over de relatie die er gelegd wordt tussen jeugdzorg en onderwijs. De spiegelparagraaf is al opgenomen in de recent vastgestelde ondersteuningsplannen van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs in Zuid-Limburg. De beleidspunten “zo thuis mogelijk” en “vindplaats is werkplaats” en de “knooppunten” zijn al lange tijd ook de beleidspunten van passend onderwijs. Terecht merkt u op, dat er prioriteiten moeten worden gesteld.
Het plaatje op pagina 31 roept wel vraagtekens op. Het is alleen de vraag of de kleurstelling correspondeert met de tekst. Onze zorgen Maar na al deze positieve opmerkingen, moeten we toch ook onze zorgen met u delen. Algemeen: De ambities zijn hoog, maar de seinen staan niet op groen, terwijl de trein al vertrokken is. - In de nieuwste KidsRights-index is Nederland in een jaar van plek 4 naar plek 20 geduikeld. - Door de ombudsman is erop gewezen, dat de positie van kinderen/jongeren die jeugdhulp moeten krijgen per gemeente kan verschillen en dat dit onaanvaardbaar is. Is er een basislijn op service- en zorgniveau waar het kind, de jongere en de ouders op kunnen rekenen? - Het beroep op jeugdhulp is in Zuid-Limburg al jaren hoger dan het landelijk beroep (p16). U verklaart dat – naar onze mening terecht - door objectieve bevolkingskenmerken, maar dat maakt het wel tot een weerbarstig probleem. - De gemeenten moeten Xonar redden van een dreigend faillissement, maar onduidelijk is, wat de situatie bij Xonar (en de arbeidsmarkt) en het sluiten van de MKD’s zal doen met de kwaliteit en continuïteit van de zorg. - Steeds vaker wordt duidelijk, dat bestaanszekerheid van gezinnen de sleutel tot succes is. De recente rapportage over de achterstand van burgers op bijstands- en minimumniveau is zeer zorgwekkend.
- De inhoud van het beleidskader is feitelijk een wijziging in het systeem en zal moeten leiden tot een andere opstelling van, in ieder geval een deel van, de jeugdhulpverleners. Dat is een niet te onderschatten noodzakelijke (systeem-) verandering. Daarmee is de verandering van het antwoord op de HOE-vraag en de implementatie hiervan essentieel voor het realiseren van het beleidskader. Oftewel dat er naast de tekorten aan het te werven goed geschoold en ervaren personeel ook aandacht is voor de transformatie bij het huidige personeel van de betrokken zorgorganisaties. En hoe hieraan wordt vormgegeven bij de uitvoeringsplannen. - De wachtlijsten in de jeugdzorg zijn lang en het onderwijs klaagt erover dat daarmee de problematiek van jongeren niet of onvoldoende opgepakt wordt. (uw doel: ik word gezien en gehoord en krijg de hulp, die aansluit bij mijn toekomstperspectief – p.25). Advies: Neem bij bijlage 2 (resultaten) op, dat de wachttijd afneemt voor toegang tot de jeugdzorg en de jeugd GGZ. -
De arbeidsmarkt voor de zorg is krap en er is geen vooruitzicht dat dit op korte termijn zal verbeteren.
2
-
Wij vinden dat er aandacht moet zijn voor de jeugd zelf, en niet voor de eigen positie in het werkveld. Daarnaast vragen wij aandacht voor de samenwerking tussen de organisaties. “Wie doet wat en wat doen wij”?
Kortom, als de uitvoering niet voortvarend wordt opgepakt, ook met zicht op de huidige knelpunten, bestaat het risico dat het beleidskader beperkt blijft tot mooie intenties. Ofschoon de trein al onderweg is, zijn wij van mening dat het formuleren van het uitvoeringsbeleid vooraf aan de concrete uitvoering dient te gebeuren. De adviesraden zullen in het hiervoor beschreven participatieproces de uitvoering en de mate van realisatie blijven volgen. Terugkoppeling aan en evaluatie van de uitvoering met adviesraden, ouders jeugd en onderwijs achten wij noodzakelijk. Advies: - Investeer met alle betrokken partijen in de beantwoording van de vraag ‘Hoe gaan we dit nu SAMEN uitvoeren?’ - De colleges en de gemeenteraden dienen na het vaststellen van het beleidskader ook aandacht te besteden aan het uitvoeringsbeleid en de periodieke verantwoording van de mate van realisatie van de in bijlage 2 genoemd resultaten (en de doelen van de uitvoeringsplannen per gemeente). Voorliggend veld Op pagina 33 gaat u uitgebreid in op de basis en de voorliggende voorzieningen: “Het volgende niveau om de integrale samenwerking vorm te geven is dat van de basis- en voorliggende voorzieningen. Hier heeft de gemeente een sturende rol. Op dit niveau moet de integrale samenwerking beter vorm krijgen. De betrokken partners zijn: jeugdigen en ouders, de gemeenten, de basisvoorzieningen (o.a.
onderwijs) en de voorliggende voorzieningen (o.a. GGD en welzijn). Vanuit Trendbreuk: “Zo vroeg mogelijk investeren in veilig en gezond opvoeden en opgroeien zal wezenlijk bijdragen aan het verkleinen van de achterstanden op het gebied van gezondheid en participatie in de verdere levensloop” “De zorgaanbieders worden op dit niveau betrokken als het perspectief van de jeugdige dat vereist. Dit gebeurt steeds na een integrale afweging van de betrokken partijen.” Wij steunen dit van harte, maar wijzen erop, dat het doel om de instroom bij ambulante jeugdzorg te verminderen, de druk op het voorliggend veld wel stevig zal doen toenemen. Het voorliggend veld zal hiervoor uitgerust moeten zijn, c.q. moeten worden. Wij adviseren dit vooraf te regelen om problemen achteraf te voorkomen. Wij zien hier parallellen met de belasting van de eerstelijnsgezondheidszorg (met name de huisartsen). Daarbij is een deel van het voorliggend veld – sociaal cultureel werk, buurthuizen en sportverenigingen – een veel minder grote rol voor kinderen en jongeren gaan spelen. Nu de NPO-middelen eindigen, die onder meer hebben gezorgd voor een impuls van het welzijnswerk, blijft het van belang om te investeren in de capaciteit van het voorliggend veld. Maar daarnaast ook te bezinnen op de positionering hiervan. De kracht van het voorliggend veld ligt vooral op het terrein van preventie.
In onze beleving mag dit niet van preventie doorschuiven naar de curatieve zorg om uiteindelijk de oorspronkelijke rol van de zorgaanbieders over te nemen. Dit laatste achten wij zeer onwenselijk. Wij vernemen graag hoe u dit gaat voorkomen en/of faciliteren. Integraal kind- en jeugdbeleid binnen de gemeentes Op pagina 33 schrijft u: “Integrale samenwerking kent naast de genoemde speelvelden van Civil Society en voorliggende voorzieningen een derde niveau, dat van de gemeentelijke interne samenwerking. Hierbij hebben we het over de integrale samenwerking binnen het Sociaal Domein, maar ook met andere domeinen. De integrale samenwerking tussen de domeinen: Jeugdzorg, Participatie, WMO en veiligheid zijn noodzakelijk om de integrale aanpak voor jeugdigen en gezinnen te verbeteren.”
3
De adviesraden zijn recent betrokken bij de aanpak van de regiovisie: “Geweld in afhankelijkheidsrelaties” Daaruit blijkt deze afhankelijkheid van elkaar en de noodzakelijke samenwerking. Advies: Nieuwe beleidsontwikkelingen dienen getoetst te worden op de gevolgen voor kinderen en jongeren (kind en jongerenparagraaf). Administratieve lasten Met het beperken van het aantal aanbieders is het zorglandschap overzichtelijker geworden. Echter, de ontstane samenwerkingsverbanden tussen zorgaanbieders zijn nieuw en de nieuwe situatie vraagt van de partijen om onderling én met het voorliggend veld samen te werken. Het is vanzelfsprekend dat deze positionering tijd en energie kost. Maar dat dit wel noodzakelijk is voor het verdere proces. Met de dialoogtafelsessies wordt beoogd te investeren in de onderlinge verhoudingen en in het gezamenlijk commitment tussen gemeente, zorgaanbieder, onderwijs en voorliggend veld. De ASD constateert dat de samenwerkingspartners (de consortia) elk een triageteam aan het inrichten zijn. Vermeden dient te worden dat een cliënt op verschillende plaatsen telkens zijn verhaal weer opnieuw moet delen. Het is in deze van belang om de mogelijkheid te behouden tot rechtstreekse verwijzing naar de passende aanbieder, ook als dit een onderaannemer betreft.
Dit vraagt om verdere visievorming over de positie van de toegang van team jeugd versus het triageteam van een samenwerkingsverband – en last but not least- de verhouding met het voorliggend veld. Advies: Wij adviseren een uniforme verantwoordingssystematiek voor alle gemeenten in te richten. Deze uniformiteit dient ervoor om dubbelingen te vermijden en extra indirecte uren en administratieve lasten te voorkomen. Overigens zorgt een verantwoordingssystematiek individueel per gemeente ook voor een aanzienlijke verhoging van de indirecte kosten. Wellicht overbodig te benoemen echter zouden wij graag kennis willen nemen van het nog op te stellen uitvoeringsprogramma. Graag zijn wij bereid om ons advies nader toe te lichten. Met vriendelijke groet,
Werkgroep Jeugd
Voorzitter Adviesraad Sociaal Domein Simpelveld
Vanessa Franssen & Roswitha Barth
Brigitta Custers
4