5. Bijlage 13 E2-Cao samenwerkende gemeentelijke organisaties 2023
Tekst van het document
§ 2 VERLOF ARTIKEL 6.5 | VERLOFSPAREN 1 2 3
4 5 6 7
8 9 10 11 12 13
De werknemer kan verlofsparen. De verlofspaaruren verjaren niet De bronnen van de verlofspaaruren zijn: a. het verlof uit de overwerkvergoeding in artikel 3.19 lid 6, onder b; b. de bovenwettelijke vakantie-uren gekocht uit het IKB in artikel 4.3 lid 1, onder a; c. de bovenwettelijke vakantie-uren uit artikel 6.2; d. de bovenwettelijke vakantie-uren bij onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst in artikel 6.3; e. het verlof uit de voormalige verlofspaarmogelijkheid in artikel 6.18. De werknemer kiest uit lid 3 welke uren hij spaart. De werknemer met een voltijdsdienstverband mag op 31 december van een kalenderjaar maximaal 3600 uren verlof hebben. Hieronder vallen de verlofspaaruren, de wettelijke vakantie-uren, de bovenwettelijke vakantie-uren en andere (compensatie)verlofuren. Als de werknemer verlofspaaruren opneemt voor een periode van een maand of langer, gelden de leden 7 tot en met 11. Het spaarverlof: a. duurt minimaal 1 maand en maximaal 18 maanden in een periode van 5 jaar; b. wordt voor maximaal 1 periode per kalenderjaar gegeven. De werkgever kan afwijken van lid 7. De werknemer dient het verzoek minimaal 3 maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het spaarverlof kan tussentijds niet worden beëindigd. Dit kan alleen als de werkgever en de werknemer hiermee instemmen.
Een verzoek om spaarverlof direct voorafgaand aan de pensionering wordt voor maximaal 36 maanden toegekend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Als de werknemer arbeidsongeschikt is, geldt artikel 6.16. De werknemer neemt voor het einde van de arbeidsovereenkomst zijn verlofspaaruren zoveel mogelijk op in overleg met de werkgever.
§ 2.1 FEESTDAGEN ARTIKEL 6.6 | FEESTDAGEN
De werknemer heeft verlof met behoud van salaris en salaristoelage(n) op: a Nieuwjaarsdag; b tweede Paasdag; c Koningsdag; d Hemelvaartsdag; e tweede Pinksterdag; f eerste en tweede Kerstdag; g met ingang van 2024 Bevrijdingsdag; h lokale feestdagen aangewezen door de werkgever als in artikel 6.2 lid 2. § 2.2 WAZO-VERLOF ARTIKEL 6.7 | KORTDUREND ZORGVERLOF
1
Het kortdurend zorgverlof komt voor 50% voor rekening van de werknemer en voor 50% voor 28 38
2
rekening van de werkgever. De werkgever en de werknemer komen samen de manier van verrekening van het verlof overeen. Verrekening met bovenwettelijke vakantie-uren is mogelijk.
ARTIKEL 6.8 | LANGDUREND ZORGVERLOF
1 2 3
De werknemer met langdurend zorgverlof krijgt 50% van het salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. Arbeidsongeschiktheid van de werknemer tijdens het langdurend zorgverlof leidt niet tot opschorting van het langdurend zorgverlof. Is de werknemer 7 kalenderdagen arbeidsongeschikt tijdens het langdurend zorgverlof, dan krijgt de werknemer vanaf de achtste kalenderdag weer het volledige salaris en salaristoelage(n).
ARTIKEL 6.9 | ZWANGERSCHAPS- EN BEVALLINGSVERLOF
1 2 3 4
De werknemer met zwangerschaps- en bevallingsverlof krijgt het volledige salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. De werknemer werkt mee aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering. De Wazo-uitkering wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de werknemer in lid 1 recht heeft. Handelingen of nalaten van handelingen door de werknemer kunnen gevolgen hebben voor de Wazo-uitkering. De uitkering kan worden verminderd, geheel of gedeeltelijk geweigerd, of een boete kan worden opgelegd. Is sprake van schuld van de werknemer, dan wordt de volledige Wazo-uitkering op het salaris en salaristoelage(n) verminderd.
ARTIKEL 6.10 geldend tot en met 30-12-2023 | OUDERSCHAPSVERLOF 1
De werknemer met ouderschapsverlof krijgt gedurende maximaal 13 keer de formele arbeidsduur per week een percentage van zijn salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. Het percentage is bij: Salarisschaal
Percentage doorbetaling salaris en salaristoelage(n) Salarisschaal 1 90 %
2
3
Salarisschaal 2
85%
Salarisschaal 3
80%
Salarisschaal 4
70%
Salarisschaal 5
60%
Salarisschaal 6 en hoger
50%
In afwijking van lid 1, kan de werknemer met ouderschapsverlof naar wens een 100% doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) krijgen. De duur van het betaalde ouderschapsverlof in lid 1 wordt dan evenredig verlaagd. De volgende rekenformule is van toepassing: 13 maal de formele arbeidsduur per week, vermenigvuldigd met het op de werknemer toepasselijke percentage in lid 1. Het aantal uren dat uit deze berekening komt, zijn de uren waarop de werknemer recht heeft op 100% doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) tijdens ouderschapsverlof. In afwijking van lid 1, kan de werknemer zelf een percentage doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) kiezen. Bij een verlaging van het percentage doorbetaling van het salaris en 29 39
de salaristoelage(n), neemt het aantal uren gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof toe. De gewenste balans tussen het aantal uren gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof en het percentage van de doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) kan als volgt worden berekend: 100% gedeeld door het gewenste percentage doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n), vermenigvuldigd met het aantal uren berekend in lid 2. Het aantal uren dat uit deze berekening volgt, zijn de uren waarop de werknemer recht heeft op het door hem gewenste percentage doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) tijdens ouderschapsverlof. 4 De werknemer mag tijdens het betaald ouderschapsverlof geen betaald werk verrichten. De werkgever kan hierover aanvullende regels stellen. 5 Bij twee- of meerlingen bestaat voor 1 kind recht op betaald ouderschapsverlof. 6 De werknemer betaalt het salaris en salaristoelage(n), die hij tijdens het ouderschapsverlof heeft gekregen, terug als hij zijn arbeidsovereenkomst opzegt of ontslagen wordt op staande voet of wegens verwijtbaar handelen. Deze verplichting geldt niet als de opzegdatum minimaal 6 maanden later is dan de datum waarop het betaalde ouderschapsverlof is geëindigd. Dit lid vervalt met ingang van 1 juni 2023.
7 De werknemer die zelf de arbeidsovereenkomst opzegt, heeft geen terugbetalingsverplichting als hij: a na ontslag in de sector gemeenten blijft werken; of b recht heeft op een WW-uitkering omdat hij zijn echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen. Dit lid vervalt met ingang van 1 juni 2023. 8 De werknemer heeft een terugbetalingsverplichting als hij tijdens het betaald ouderschapsverlof of binnen 3 maanden daarna op zijn verzoek minder uren gaat werken dan hij direct voor ingang van het ouderschapsverlof vervulde. De werknemer betaalt het salaris en salaristoelage(n) die hij op grond van dit artikel heeft gekregen over de uren waarmee zijn arbeidsovereenkomst wordt verminderd, terug. Dit lid vervalt met ingang van 1 juni 2023. 9 De werknemer die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, gaat schriftelijk akkoord met de terugbetalingsverplichting. Dit lid vervalt met ingang van 1 juni 2023. 10 Het bedrag dat op grond van dit artikel aan de werknemer wordt doorbetaald, opgeteld bij zijn wettelijke uitkering tijdens ouderschapsverlof, mag per maand niet meer bedragen dan 100% van zijn salaris en salaristoelage(n). ARTIKEL 6.10 geldend met ingang van 31-12-2023 | BETAALD OUDERSCHAPSVERLOF 1 2
De werknemer heeft recht op betaald ouderschapsverlof als hij recht heeft op maximaal 26 weken ouderschapsverlof. De werknemer met ouderschapsverlof krijgt gedurende maximaal 13 keer de formele arbeidsduur per week een percentage van zijn salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. Bij een voltijddienstverband is dit 468 uur. Het percentage is: Salaris Lager dan of gelijk aan het maximum van salarisschaal 2 Hoger dan het maximum van schaal 2, maar lager dan of gelijk aan het maximum van salarisschaal 4 Hoger dan het maximum van salarisschaal 4
3 4
Percentage doorbetaling salaris en salaristoelage(n) 80% 70% 50%
Als uitgangspunt bij het bepalen van het percentage in lid 2 geldt het salaris van een voltijddienstverband bij aanvang van de opname van het betaald ouderschapsverlof. De werknemer kan in afwijking van lid 2 kiezen voor: a. een hoger percentage doorbetaling van salaris en salaristoelage(n) met als gevolg dat het aantal uren betaald ouderschapsverlof minder wordt dan 468 uur, of b. een lager percentage doorbetaling van salaris en salaristoelage(n) met als gevolg dat het aantal uren betaald ouderschapsverlof meer wordt dan 468 uur. 30 40
De werknemer kan één keer kiezen uit de onderstaande mogelijkheden. Het gekozen percentage betaald ouderschapsverlof geldt voor alle verlofaanvragen per kind. Salaris Uren betaald ouderschapsverlof voor 13 weken Lager dan of gelijk aan het maximum van salarisschaal 2 Hoger dan het maximum van schaal 2, maar lager dan of gelijk aan het maximum van salarisschaal 4 Hoger is dan het maximum van salarisschaal 4 5
6 7 8
Keuze percentage van de werknemer = 50% 748,8 uur
Keuze percentage van de werknemer = 70%
Keuze percentage van de werknemer = 80%
Keuze percentage van de werknemer = 100%
534,9 uur
468 uur
374,4 uur
655,2 uur
468 uur
409,5 uur
327,6 uur
468 uur
334,3 uur
292,5 uur
234 uur
Het recht op betaald ouderschapsverlof is korter dan 13 weken als het betaalde ouderschapsverlof in lid 2 wordt gecombineerd met de Wazo-uitkering geregeld in artikel 6.10a. Dan geldt de volgende rekenformule: (x weken recht gedeeld door 13 weken) keer het aantal uren in het schema in lid 4. De werknemer mag tijdens het betaald ouderschapsverlof geen betaald werk verrichten. De werkgever kan hierover aanvullende regels stellen. Bij twee- of meerlingen bestaat voor 1 kind recht op betaald ouderschapsverlof. In de sector gemeenten heeft een werknemer voor hetzelfde kind maar 1 keer recht op betaald ouderschapsverlof.
ARTIKEL 6.10a geldend met ingang van 31-12-2023 | BETAALD OUDERSCHAPSVERLOF EN SAMENLOOP MET WAZO-UITKERING 1
2
De werknemer die tijdens het 1e levensjaar van het kind het betaald ouderschapsverlof in artikel 6.10 combineert met het wettelijk betaald ouderschapsverlof krijgt maximaal 9 weken zijn salaris en salaristoelage(n) voor 100% doorbetaald. Voor de resterende periode betaald ouderschapsverlof geldt artikel 6.10. De lengte van de resterende periode betaald ouderschapsverlof als in artikel 6.10 hangt af van hoeveel weken 100% betaald ouderschapsverlof als in lid 1 de werknemer heeft opgenomen in het 1e levensjaar van het kind. De volgende combinaties zijn mogelijk: Ouderschapsverlof 100% betaald (cao en Wazo samen) In het 1e levensjaar kind 9 weken = 324 uur 8 weken = 288 uur 7 weken = 252 uur 6 weken = 216 uur 5 weken = 180 uur 4 weken = 144 uur 3 weken = 108 uur 2 weken = 72 uur 1 week = 36 uur
3
4
Ouderschapsverlof artikel 6.10 betaald Voor het 8ste levensjaar kind 4 weken = 144 uur 5 weken = 180 uur 6 weken = 216 uur 7 weken = 252 uur 8 weken = 288 uur 9 weken = 324 uur 10 weken = 360 uur 11 weken = 396 uur 12 weken = 432 uur
Totaal 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur 13 weken = 468 uur
De werknemer kan in afwijking van lid 1 en 2 kiezen om in het 1e levensjaar van het kind alleen gebruik te maken van het wettelijk betaald ouderschapsverlof zonder de doorbetaling van 100% van zijn salaris en salaristoelage(n). De werknemer krijgt dan de wettelijke uitkering voor maximaal 9 weken. Daarnaast houdt de werknemer recht op betaald ouderschapsverlof voor maximaal 13 weken als in artikel 6.10. Bij twee- of meerlingen bestaat voor 1 kind recht op 100% betaald ouderschapsverlof als in lid 1. 3141
ARTIKEL 6.11 geldend tot en met 31-05-2023 | AANSPRAKEN TIJDENS ONBETAALD WAZO-VERLOF 1 2 3
4
Over onbetaald Wazo-verlof krijgt de werknemer geen salaris, salaristoelagen, vergoedingen en uitkeringen op grond van de cao. Tijdens onbetaald Wazo-verlof krijgt de werknemer, in afwijking van lid 1, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering zoals in artikel 3.24. Tijdens onbetaald Wazo-verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies en VPL-premie voor de werkgever en werknemer gelijk aan het bedrag dat volgens het Pensioenreglement verschuldigd is. Duurt onbetaald Wazo-verlof langer dan 3 maanden, dan verhaalt de werkgever naast het verschuldigde werknemersdeel van de premies ook het verschuldigde werkgeversdeel van de premies op de werknemer. Bij gedeeltelijk Wazo-verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Artikel 6.14 geldt niet voor onbetaald Wazo-verlof.
ARTIKEL 6.11 geldend met ingang van 01-06-2023 | AANSPRAKEN TIJDENS ONBETAALD WAZOVERLOF
1 2 3 4
Over onbetaald Wazo-verlof krijgt de werknemer geen salaris, salaristoelagen, vergoedingen en uitkeringen op grond van de cao. Tijdens onbetaald Wazo-verlof krijgt de werknemer, in afwijking van lid 1, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering zoals in artikel 3.24. Tijdens onbetaald Wazo-verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de werknemer en de werkgever gelijk aan het bedrag dat in het Pensioenreglement verschuldigd is. Bij gedeeltelijk Wazo-verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Artikel 6.14 geldt niet voor onbetaald Wazo-verlof.
ARTIKEL 6.12 | ADOPTIE- EN PLEEGZORGVERLOF 1 2 3 4
5
De werknemer met adoptie- of pleegzorgverlof krijgt het volledige salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. De werknemer werkt mee aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering. De Wazo-uitkering wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de werknemer in lid 1 recht heeft. Handelingen of nalaten van handelingen door de werknemer kunnen gevolgen hebben voor de Wazo-uitkering. De uitkering kan worden verminderd, geheel of gedeeltelijk geweigerd, of een boete kan worden opgelegd. Is sprake van schuld van de werknemer, dan wordt de volledige Wazo-uitkering op het salaris en salaristoelage(n) verminderd. Is de werknemer tijdens adoptie- en pleegzorgverlof arbeidsongeschikt, dan schort dit de termijnen in artikel 7.1 niet op.
§2.3 ANDERE VORMEN VAN VERLOF ARTIKEL 6.13 | HUWELIJK OF GEREGISTREERD PARTNERSCHAP
Op de huwelijksdag of de dag waarop de werknemer een geregistreerd partnerschap aangaat, krijgt hij verlof met behoud van salaris en salaristoelage(n). ARTIKEL 6.14 geldend tot en met 31-05-2023 | ONBETAALD VERLOF 1 2
De werknemer die minimaal 12 maanden in dienst is, kan om onbetaald verlof verzoeken. Het onbetaalde verlof: a duurt minimaal 1 maand en maximaal 18 maanden in een periode van 5 jaar; 32 42
3 4 5 6
7 8 9
b wordt voor maximaal 1 periode per kalenderjaar gegeven. De werkgever kan afwijken van lid 1 en 2. De werknemer dient het verzoek minimaal 3 maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het onbetaalde verlof kan tussentijds niet worden beëindigd. Dit kan alleen als de werkgever en de werknemer hiermee instemmen. Een verzoek om onbetaald verlof direct voorafgaand aan de pensionering wordt voor maximaal 36 maanden toegekend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Over onbetaald verlof krijgt de werknemer geen salaris, salaristoelagen, vergoedingen en uitkeringen op grond van de cao. Tijdens onbetaald verlof krijgt de werknemer, in afwijking van lid 7, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering zoals in artikel 3.24. Tijdens onbetaald verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de werknemer en werkgever gelijk aan het bedrag dat in het Pensioenreglement verschuldigd is. Duurt onbetaald verlof langer dan 3 maanden, dan verhaalt de werkgever naast het verschuldigde werknemersdeel van de premies ook het verschuldigde werkgeversdeel van de premies op de werknemer. Bij gedeeltelijk verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld.
ARTIKEL 6.14 geldend met ingang van 01-06-2023 | ONBETAALD VERLOF De werknemer die minimaal 12 maanden in dienst is, kan om onbetaald verlof verzoeken. Het onbetaalde verlof: a duurt minimaal 1 maand en maximaal 18 maanden in een periode van 5 jaar; b wordt voor maximaal 1 periode per kalenderjaar gegeven. 3 De werkgever kan afwijken van lid 1 en 2. 4 De werknemer dient het verzoek minimaal 3 maanden voor de gewenste ingangsdatum in. 5 Het onbetaalde verlof kan tussentijds niet worden beëindigd. Dit kan alleen als de werkgever en de werknemer hiermee instemmen. 6 Een verzoek om onbetaald verlof direct voorafgaand aan de pensionering wordt voor maximaal 36 maanden toegekend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. 7 Over onbetaald verlof krijgt de werknemer geen salaris, salaristoelagen, vergoedingen en uitkeringen op grond van de cao. 8 Tijdens onbetaald verlof krijgt de werknemer, in afwijking van lid 7, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering zoals in artikel 3.24. 9 Tijdens de eerste 3 maanden van het onbetaald verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies voor de werknemer en werkgever gelijk aan het bedrag dat in het Pensioenreglement verschuldigd is.
Duurt het onbetaald verlof langer dan 3 maanden, dan verhaalt de werkgever met ingang van de vierde maand naast het verschuldigde werknemersdeel van de premies ook het verschuldigde werkgeversdeel van de premies op de werknemer. Bij gedeeltelijk verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. 10 Voor de toepassing van lid 9 gelden periodes van onbetaald verlof die elkaar opvolgen binnen een periode van 6 weken als 1 periode. 1 2
ARTIKEL 6.15 | SAMENLOOP ONBETAALD VERLOF MET ZWANGERSCHAPS- EN BEVALLINGSVERLOF Het onbetaald verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof. ARTIKEL 6.16 | SAMENLOOP ONBETAALD VERLOF MET ARBEIDSONGESCHIKTHEID 1
Is de werknemer die voor een deel van zijn formele arbeidsduur onbetaald verlof heeft arbeidsongeschikt, dan eindigt het verlof met ingang van de vijftiende kalenderdag van arbeidsongeschiktheid.
2
Is de werknemer die voor zijn volledige formele arbeidsduur onbetaald verlof heeft langer dan 14 kalenderdagen arbeidsongeschikt, dan kan de werkgever in schrijnende gevallen 33 43
besluiten het onbetaald verlof te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering. ARTIKEL 6.17 | POLITIEK VERLOF
1 2
In aanvulling op artikel 7:643 BW heeft ook de werknemer die gekozen is als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal verlof zonder behoud van salaris en salaristoelage(n). De werkgever kan ter uitvoering hierover aanvullende regels stellen.
ARTIKEL 6.18 | VERLOF VOORMALIGE VERLOFSPAARMOGELIJKHEID De werknemer die voor 1 april 2006 in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid verlof heeft opgebouwd, behoudt het recht op dat verlof volgens de regels in bijlage 5B.
34 44
45
Arbeidsongeschiktheid ARTIKEL 7.1 geldend tot en met 30-12-2023 | RECHT OP SALARIS ARTIKEL 7.1 geldend met ingang van 31-12-2023 | RECHT OP SALARIS ARTIKEL 7.2 | RECHT OP SALARIS TIJDENS VERLOF
ARTIKEL 7.3 | ARBEIDSONGESCHIKTHEID IN EN DOOR DE DIENST ARTIKEL 7.4 | GENEESKUNDIG ONDERZOEK
ARTIKEL 7.5 geldend tot en met 30-12-2023 | VERLENGING ONTSLAGVERBOD TIJDENS ARBEIDSONGESCHIKTHEID ARTIKEL 7.5 geldend met ingang van 31-12-2023 | TEGEMOETKOMING KOSTEN ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ARTIKEL 7.6 | OVERGANGSRECHT
46
HOOFDSTUK 7
Arbeidsongeschiktheid ARTIKEL 7.1 geldend tot en met 30-12-2023 | RECHT OP SALARIS 1 2
De werknemer die arbeidsongeschikt is en de bedongen arbeid niet kan verrichten, krijgt het salaris en salaristoelage(n) tijdens 26 weken doorbetaald. Blijft de werknemer arbeidsongeschiktheid dan ontvangt de werknemer in: Week 27 tot en met de 52 53 tot en met 104 105 tot einde dienstverband
3
4 5
6 7 8
Percentage van het salaris en salaristoelage(n) 90% maar niet onder het voor hem geldende WML 75% 70%
De werknemer krijgt het volledige salaris en salaristoelage(n) doorbetaald over de uren waarop hij: a zijn arbeid verricht; b passende arbeid verricht; c werkzaamheden in het kader van re-integratie verricht; d scholing volgt in het kader van re-integratie. De werkzaamheden en scholing in het kader van de re-integratie zijn gericht op de terugkeer in de eigen functie of terugkeer in de passende functie. De werknemer houdt na afloop van de termijn van 26 weken recht op de doorbetaling van het volledige salaris en salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. De werknemer die na 52 weken arbeidsongeschiktheid gedurende minstens 50% van de overeengekomen arbeidsduur: a zijn eigen of passende arbeid verricht, of b werkzaamheden in het kader van re-integratie verricht, of c scholing in het kader van re-integratie volgt, krijgt een bonus van 5% van het salaris en salaristoelage(n) waarop hij recht heeft volgens dit artikel. De bonus samen met het salaris en salaristoelage(n) zijn niet meer dan het volledige salaris en salaristoelage(n) in lid 1. De werkgever kan aanvullende regels vaststellen over het recht op doorbetalen van salaris en salaristoelage(n) tijdens arbeidsongeschiktheid. De werkgever kan een werknemer met een terminale ziekte na de periode van 26 weken in lid 1 het volledige salaris en salaristoelage(n) blijven doorbetalen.
De werknemer waarvan zijn eerste ziektedag voor 31 december 2023 lag, valt onder dit artikel.
ARTIKEL 7.1 geldend met ingang van 31-12-2023 | RECHT OP SALARIS 1
De werknemer die arbeidsongeschikt is en de bedongen arbeid niet kan verrichten, krijgt een percentage van het salaris en salaristoelage(n) tijdens de volgende weken doorbetaald: Week Tot en met 52 53 tot en met 104
2
Percentage van het salaris en salaristoelage(n) 100% 70%
De werknemer krijgt het volledige salaris en salaristoelage(n) doorbetaald over de uren waarop hij: a zijn arbeid verricht; 35 47
3 4
b
passende arbeid verricht;
c
werkzaamheden in het kader van re-integratie verricht;
d scholing volgt in het kader van re-integratie. De werkzaamheden en scholing in het kader van de re-integratie zijn gericht op de terugkeer in de eigen functie of terugkeer in de passende functie. De werknemer houdt na afloop van de termijn van 52 weken recht op de doorbetaling van het volledige salaris en salaristoelage(n) bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst. De werknemer die na 52 weken arbeidsongeschiktheid gedurende minstens 50% van de overeengekomen arbeidsduur: a zijn eigen of passende arbeid verricht, of b
5 6 7
werkzaamheden in het kader van re-integratie verricht, of
c scholing in het kader van re-integratie volgt, krijgt een bonus van 5% van het salaris en salaristoelage(n) waarop hij recht heeft volgens dit artikel. De bonus samen met het salaris en salaristoelage(n) zijn niet meer dan het volledige salaris en salaristoelage(n) in lid 1. De werkgever kan aanvullende regels vaststellen over het recht op doorbetalen van salaris en salaristoelage(n) tijdens arbeidsongeschiktheid. De werkgever kan een werknemer met een terminale ziekte na de periode van 52 weken in lid 1 het volledige salaris en salaristoelage(n) blijven doorbetalen. De werknemer waarvan de eerste ziektedag voor 31 december 2023 lag, valt onder artikel 7.1 zoals die gold tot en met 30 december 2023.
ARTIKEL 7.2 | RECHT OP SALARIS TIJDENS VERLOF De werknemer die arbeidsongeschikt is en die onbetaald of gedeeltelijk betaald verlof heeft, krijgt het salaris en salaristoelage(n) in artikel 7.1 doorbetaald. De werknemer krijgt nooit meer betaald dan hij zou hebben gekregen, als hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Dit artikel regelt niet het einde van het verlof. De Wazo en hoofdstuk 6 bevatten regels over het einde van verlof bij arbeidsongeschiktheid. ARTIKEL 7.3 | ARBEIDSONGESCHIKTHEID IN EN DOOR DE DIENST 1
Arbeidsongeschiktheid in en door de dienst is arbeidsongeschiktheid die in overwegende mate haar oorzaak vindt in: a de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht; of een dienstongeval dat verband houdt met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht; en die niet aan schuld of nalatigheid van de werknemer is te wijten. Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst krijgt de werknemer een extra uitkering. Dit krijgt de werknemer alleen als hij een WGA- of IVA-uitkering krijgt. De hoogte van de extra uitkering is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de WGA- of IVA-uitkering en de bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de werknemer aan te vullen tot een bepaald percentage van het salaris en salaristoelage(n) in het jaar voorafgaand aan het ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en is bij een arbeidsongeschiktheid van: b
2 3
Mate van arbeidsongeschiktheid 80% of meer 65-80% 55-65% 45-55%
Percentage van het salaris en salaristoelage(n) 95% 68,875% 57% 47,5% 36 48
35-45% 4
5
6
7
38%
De extra uitkering eindigt: a als de oud-werknemer niet meer voldoet aan de voorwaarden in lid 1; of b met ingang van de dag waarop de oud-werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Wijzigt de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de bovenwettelijke aanvulling door een wijziging in het Pensioenreglement, dan meldt de oud-werknemer dit direct aan de werkgever. Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging vergoed door de werkgever. Dit betreft alleen de kosten die voor rekening van de werknemer blijven. De extra uitkering in lid 2 wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de sector gemeenten.
ARTIKEL 7.4 | GENEESKUNDIG ONDERZOEK 1
2
3
De werkgever kan de arbodienst, met instemming van de werknemer, opdracht geven de werknemer geneeskundig te onderzoeken als: a de werkgever voldoende redenen heeft om te twijfelen aan een goede gezondheidstoestand van de werknemer; b de werknemer niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie. Wordt bij het onderzoek een zodanige gezondheidstoestand vastgesteld dat de belangen van de werknemer of andere werknemers, zich tegen voortzetting van zijn werkzaamheden verzetten, dan wordt de werknemer vrijgesteld van werkzaamheden. De werknemer in lid 2 wordt niet vrijgesteld van werkzaamheden als hij tijdelijk andere beschikbare werkzaamheden kan verrichten. De gezondheidstoestand van de werknemer moet dit toelaten.
ARTIKEL 7.5 geldend tot en met 30-12-2023 | VERLENGING ONTSLAGVERBOD TIJDENS ARBEIDSONGESCHIKTHEID 1 2
3
4 5
De werknemer die minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Voor hem duurt het ontslagverbod, in afwijking van artikel 7:670 lid 1, onder a BW, 36 maanden. Ontslag van een werknemer die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, kan in het derde ziektejaar plaatsvinden, als de werknemer bij een andere werkgever passende arbeid kan verrichten voor minimaal 50% van zijn restverdiencapaciteit. Ontslag van een werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, kan in het derde ziektejaar plaatsvinden, als de werknemer bij een andere werkgever passende arbeid kan verrichten voor zijn volledige restverdiencapaciteit. In deze situatie is artikel 10.21 van toepassing. De termijnen in dit artikel worden berekend op dezelfde manier als in artikel 7:670 lid 1 en 11 BW. Dit artikel blijft gelden voor de werknemer waarvan de eerste ziektedag lag voor 31 december 2023.
ARTIKEL 7.5 geldend met ingang van 31-12-2023 | TEGEMOETKOMING KOSTEN ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING 1 2
De werknemer met een arbeidsongeschiktheidsverzekering krijgt een tegemoetkoming in de kosten van €10 per maand. Voorwaarde voor de tegemoetkoming in de kosten is dat de werknemer de verzekeringspolis aan de werkgever verstrekt. 37 49
3
Als de werkgever op 21 februari 2023 een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft voor de werknemer met een hogere tegemoetkoming in de kosten van die verzekering dan in lid 1, kan dit blijven gelden.
ARTIKEL 7.6 | OVERGANGSRECHT Op de werknemer of oud-werknemer van wie de eerste dag van arbeidsongeschiktheid voor 1 augustus 2008 ligt, is overgangsrecht van toepassing volgens de regels in bijlage 5C en 5D.
38 50
51
Duurzame inzetbaarheid ARTIKEL 8.1 | PERSONEELSBEOORDELING/GESPREK OVER FUNCTIONEREN ARTIKEL 8.2 | VOLGEN VAN EEN NOODZAKELIJKE OPLEIDING ARTIKEL 8.3 | OPLEIDING JONGE WERKNEMER
ARTIKEL 8.4 | ONTWIKKELING EN MOBILITEIT ARTIKEL 8.5 | MOBILITEITSBELEID
ARTIKEL 8.6 | LOOPBAANADVIES ARTIKEL 8.7 | PERSOONLIJK ONTWIKKELINGSPLAN
52
HOOFDSTUK 8
Duurzame inzetbaarheid ARTIKEL 8.1 | PERSONEELSBEOORDELING/GESPREK OVER FUNCTIONEREN De werkgever en de werknemer bespreken regelmatig het functioneren van de werknemer. ARTIKEL 8.2 | VOLGEN VAN EEN NOODZAKELIJKE OPLEIDING Als voor een functie een opleiding noodzakelijk is, dan betaalt de werkgever de kosten. ARTIKEL 8.3 | OPLEIDING JONGE WERKNEMER De werknemer jonger dan 18 jaar mag maximaal 1 dag per week lessen volgen aan onderwijsinstellingen. Hij krijgt over die tijd het salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. ARTIKEL 8.4 | ONTWIKKELING EN MOBILITEIT 1
2 3
De werkgever en de werknemer zijn beiden verantwoordelijk voor duurzame inzetbaarheid en loopbaanperspectief om de positie van de werknemer op de interne en externe arbeidsmarkt te verbeteren. De werknemer ontwikkelt zichzelf door scholing en het opdoen van werkervaring. Hij doet dat in het belang van de organisatie en van zichzelf. De werknemer maakt actief gebruik van het loopbaanbeleid van de werkgever.
ARTIKEL 8.5 | MOBILITEITSBELEID 1 2
De werkgever begeleidt en ondersteunt de werknemer om zijn inzetbaarheid en mobiliteit te verbeteren en te ontwikkelen. De werkgever stelt een opleidingsplan voor de organisatie vast. Daarin staan: a hoe de werkgever de interne en externe mobiliteit stimuleert; b hoe de werkgever het loopbaanbeleid onderhoudt, gericht op mobiliteit en organisatieverandering; c de doelstellingen, criteria en budgettaire voorwaarden van het opleidingsbeleid.
ARTIKEL 8.6 | LOOPBAANADVIES De werknemer krijgt op zijn verzoek na elke periode van 36 maanden loopbaanadvies. Hij kan dat loopbaanadvies vragen aan een door de werkgever aangewezen deskundige binnen of buiten de organisatie. ARTIKEL 8.7 | PERSOONLIJK ONTWIKKELINGSPLAN 1 2
De werkgever en de werknemer stellen minimaal 1 keer per 36 maanden een persoonlijk ontwikkelingsplan op. In een persoonlijk ontwikkelingsplan maken de werkgever en de werknemer afspraken over de loopbaanontwikkeling en de kennis en vaardigheden die de werknemer nodig heeft.
39 53
3 4
5
6
De werkgever vergoedt de kosten van opleiding en activiteiten die in het persoonlijk ontwikkelingsplan staan. In het persoonlijk ontwikkelingsplan staan in ieder geval afspraken over: a de keuze van opleidingsvorm of instituut en de redelijkerwijs te maken kosten; b de studieperiode; c de studieresultaten die de werknemer minimaal moet behalen en de voortgang die de werknemer moet boeken; d in welke gevallen de werknemer de studie mag onderbreken of stoppen; e het geheel of gedeeltelijk terugbetalen van de vergoeding, als de werknemer de studie voortijdig afbreekt; f het geheel of gedeeltelijk terugbetalen van de vergoeding, als de arbeidsovereenkomst binnen een bepaalde periode na afronding van de studie eindigt. In het persoonlijk ontwikkelingsplan staan daarnaast afspraken over: a het nodige verlof; en b eventuele verdere medewerking van de werkgever, zodat de werknemer de gemaakte afspraken kan uitvoeren. De werkgever bespreekt de belasting en belastbaarheid van de werknemer van 50 jaar en ouder. Zij kunnen dan afspraken maken over aanpassingen in het individuele takenpakket.
40 54
55
Boventalligheid §1 VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT BIJ BOVENTALLIGHEID ARTIKEL 9.1 | TOEPASSING ARTIKEL 9.2 | VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT EN GEEN TRANSITIEVERGOEDING
ARTIKEL 9.3 | DUUR VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT ARTIKEL 9.4 | DOEL VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT
ARTIKEL 9.5 | START VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT ARTIKEL 9.6 | VAN WERK NAAR WERK-ONDERZOEK ARTIKEL 9.7 | VAN WERK NAAR WERK-CONTRACT ARTIKEL 9.8 | EVALUATIE ARTIKEL 9.9 | EINDE VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT ARTIKEL 9.10 | TUSSENTIJDS BEËINDIGEN VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT ARTIKEL 9.11 | ADVIES LOOPBAANADVISEUR
ARTIKEL 9.12 | BEËINDIGEN VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT BIJ EINDE VAN DE DUUR
ARTIKEL 9.13 | VERLENGEN VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT ARTIKEL 9.14 | NIET NAKOMEN VAN WERK NAAR WERK-CONTRACT §2 ONTSLAGCOMMISSIE ARTIKEL 9.15 | CAO ONTSLAGCOMMISSIE 56
HOOFDSTUK 9
Boventalligheid §1 VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT BIJ BOVENTALLIGHEID ARTIKEL 9.1 | TOEPASSING 1
2
Deze paragraaf geldt voor de werknemer: a die boventallig is en b die op de datum waarop deze boventalligheid ingaat minimaal 24 maanden in dienst is bij de werkgever. De werkgever kan een regeling vaststellen met aanvullende afspraken over het Van werk naar werk-traject.
ARTIKEL 9.2 | VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT EN GEEN TRANSITIEVERGOEDING 1 2
3
De werknemer in artikel 9.1 heeft recht op een Van werk naar werk-traject. De werknemer die aan het einde van het Van werk naar werk-traject wordt ontslagen op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW heeft op grond van artikel 7:673b lid 1 BW geen recht op de transitievergoeding in artikel 7:673 BW. De werknemer heeft in de plaats van de transitievergoeding namelijk een Van werk naar werk-traject gehad. Het Van werk naar werk-traject is een voorziening die bijdraagt aan het beperken van de werkloosheid. De werknemer krijgt, als hij voldoet aan de voorwaarden in hoofdstuk 10, ook een aanvullende en na-wettelijke uitkering.
ARTIKEL 9.3 | DUUR VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT Een Van werk naar werk-traject duurt maximaal 24 maanden. De wettelijke opzegtermijn in artikel 7:672 BW valt binnen deze 24 maanden. ARTIKEL 9.4 | DOEL VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT De werkgever en de werknemer richten hun inspanningen op: a plaatsing van de werknemer in een passende of geschikte functie bij de werkgever; of b aanvaarding door de werknemer van een functie bij een andere werkgever. ARTIKEL 9.5 | START VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT De werkgever bepaalt de datum waarop de werknemer boventallig wordt. Het Van werk naar werk-traject start op die datum. ARTIKEL 9.6 | VAN WERK NAAR WERK-ONDERZOEK 1
De werkgever en de werknemer onderzoeken samen de wensen en ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer bij de eigen of andere werkgever. Zij onderzoeken ook zijn kansen op de regionale arbeidsmarkt.
4157
2 3
Bij dit onderzoek kunnen de werkgever en de werknemer een gecertificeerd loopbaanadviseur inschakelen. Het Van werk naar werk-onderzoek kan al starten vóór de datum waarop het Van werk naar werk-traject begint. Het onderzoek is uiterlijk binnen een maand klaar.
ARTIKEL 9.7 | VAN WERK NAAR WERK-CONTRACT 1 2
3
4
Binnen 3 maanden na afronding van het Van werk naar werk-onderzoek stellen de werkgever en de werknemer een Van werk naar werk-contract op. Het contract bevat: a de doelen; b de voorzieningen die nodig zijn om deze doelen te bereiken; c nadere afspraken; en d de daaraan verbonden termijnen. De werkgever en de werknemer kunnen afspraken maken over: a het toekennen van professionele begeleiding en de duur van die begeleiding; b het ergens anders opdoen van werkervaring; c de werkzaamheden die de werknemer tijdens het Van werk naar werk-traject verricht; d het volgen van een opleiding en het budget voor die opleiding; e beperkingen van de werknemer, die zijn gebleken uit het Van werk naar werk-onderzoek; f de tijd die de werknemer mag gebruiken voor sollicitaties en voor andere inspanningen om ander werk te vinden. Deze tijd is minimaal 20% van het dienstverband. De noodzakelijke kosten van het Van werk naar werk-traject die de werkgever betaalt zijn maximaal € 7.500,-. Zijn de kosten hoger, dan bepaalt de werkgever of hij die kosten ook betaalt.
ARTIKEL 9.8 | EVALUATIE Iedere 3 maanden evalueren de werkgever en de werknemer de uitvoering van het Van werk naar werk-contract. Zij maken hiervan een verslag. ARTIKEL 9.9 | EINDE VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT Het Van werk naar werk-traject eindigt als de werknemer: a een andere functie bij de eigen of een andere werkgever aanvaardt. Ook als dit een deeltijddienstverband is; of b ontslag neemt of krijgt. ARTIKEL 9.10 | TUSSENTIJDS BEËINDIGEN VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT 1
De werkgever kan het Van werk naar werk-traject beëindigen, als de werknemer: a een aangeboden passende of geschikte functie bij de werkgever weigert; of
2
b een aangeboden functie bij een andere werkgever weigert. Als het Van werk naar werk-traject eerder eindigt om redenen in lid 1, dan kan de werkgever verzoeken om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder e BW tegen de dag volgend op die waarop het Van werk naar werk-traject is beëindigd. Als de arbeidsovereenkomst eindigt wegens verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer wordt geen aanvullende, na-wettelijke uitkering of reparatie-uitkering toegekend.
42 58
ARTIKEL 9.11 | ADVIES LOOPBAANADVISEUR 1
2 3
4
Een gecertificeerd loopbaanadviseur brengt binnen een maand een advies uit aan de werkgever over het vervolgtraject, als het Van werk naar werk-traject: a na 18 maanden nog loopt; of b zonder resultaat is geëindigd. De loopbaanadviseur betrekt hierbij de evaluatieverslagen. De werknemer krijgt een afschrift van dit advies. In het advies van de loopbaanadviseur staat of voortzetting van het Van werk naar werktraject zinvol is. Het gaat dan om de vooruitzichten op korte termijn en de vraag of doorgaan met de inspanningen de kans op een passende of geschikte functie binnen afzienbare termijn vergroot. De werkgever beslist of het advies van de loopbaanadviseur wordt overgenomen.
ARTIKEL 9.12 | BEËINDIGEN VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT BIJ EINDE VAN DE DUUR 1 2
De werkgever beslist na ontvangst van het advies van de loopbaanadviseur over het vervolg van het Van werk naar werk-traject. Als de werkgever besluit om het Van werk naar werk-traject na 24 maanden niet te verlengen, kan hij de arbeidsovereenkomst opzeggen.
ARTIKEL 9.13 | VERLENGEN VAN WERK NAAR WERK-TRAJECT 1
2
De werkgever kan voorstellen het Van werk naar werk-traject eenmalig voor een redelijke en bepaalbare periode te verlengen, als: a een andere werkgever schriftelijk toezegt dat hij binnen een half jaar een functie voor de werknemer heeft; of b voortzetting van het Van werk naar werk-traject de kans op het vinden van een passende of geschikte functie aantoonbaar groter maakt. Als de werkgever aan het einde van de periode van verlenging besluit het Van werk naar werk-traject niet voort te zetten, zegt hij de arbeidsovereenkomst op.
ARTIKEL 9.14 | NIET NAKOMEN VAN WERK NAAR WERK-CONTRACT 1
2
3
Als de werkgever of de werknemer vindt dat de ander zich niet houdt aan het Van werk naar werk-contract, dan bespreekt hij dit met de ander. De bedoeling van dit gesprek is samen afspraken te maken over verbetering. Zij maken hiervan een verslag. Als de werkgever of de werknemer na het gesprek in lid 1 alsnog de afspraken niet nakomt, dan heeft dit gevolgen voor de voortzetting van het contract. In dit geval kan: a de werknemer verlenging van het Van werk naar werk-traject eisen met een redelijke termijn. De periode waarin de afspraken niet zijn nagekomen dient als richtlijn. Tijdens de verlenging komt de werkgever de afspraken alsnog zoveel mogelijk na. b de werkgever het Van werk naar werk-traject tussentijds beëindigen en een ontslagprocedure starten. Als de werkgever en de werknemer er samen niet uitkomen, geldt artikel 11.5.
43 59
§2 ONTSLAGCOMMISSIE ARTIKEL 9.15 | CAO ONTSLAGCOMMISSIE 1
2 3
4
5
6
Partijen bij deze cao hebben op grond van artikel 7:671a lid 2 BW, met ingang van 1 januari 2020 een onafhankelijke ontslagcommissie ingesteld voor de duur van 4 jaar. Na evaluatie van het functioneren van de ontslagcommissie, nemen partijen een besluit over de eventuele voortzetting daarvan. De ontslagcommissie wordt verlengd tot 1 januari 2026. De werkwijze van de Cao Ontslagcommissie, de commissieleden en de bij een aanvraag te volgen procedures zijn geregeld in een reglement. Het reglement is opgenomen in bijlage 3. De Cao Ontslagcommissie is bevoegd om in de plaats van het UWV aan de werkgever toestemming te geven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW. De werkgever die de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW wil opzeggen, vraagt daarvoor toestemming aan de Cao Ontslagcommissie. De arbeidsovereenkomst kan pas door de werkgever worden opgezegd na ontvangst van de toestemming voor ontslag. De Cao Ontslagcommissie toetst een verzoek om toestemming voor ontslag aan: a de regels die golden op het moment waarop de werknemer boventallig is geworden, voor de werknemer die voor 1 januari 2020 boventallig is geworden, op grond van artikel 11.3 Aanpassingswet Wnra; of b de artikelen in de Ontslagregeling voor een werknemer die op of na 1 januari 2020 boventallig is geworden.
Bij het vaststellen van de ontslagvolgorde, wordt per groep van uitwisselbare functies uitgegaan van de functies die op de peildatum voorkomen in het organogram van het organisatieonderdeel, dat volgens het reorganisatiebesluit wordt gereorganiseerd. Artikel 14 van de Ontslagregeling is niet van toepassing.
44 60
61
Uitkeringen §1 AANVULLENDE UITKERING ARTIKEL 10.1 | RECHT OP EEN AANVULLENDE UITKERING ARTIKEL 10.2 | HOOGTE AANVULLENDE UITKERING ARTIKEL 10.3 | DUUR AANVULLENDE UITKERING ARTIKEL 10.4 | SANCTIES AANVULLENDE UITKERING §2 NA-WETTELIJKE UITKERING
ARTIKEL 10.5 | RECHT OP EEN NA-WETTELIJKE UITKERING ARTIKEL 10.6 | HOOGTE NA-WETTELIJKE UITKERING ARTIKEL 10.7 | DUUR NA-WETTELIJKE UITKERING ARTIKEL 10.8 | EINDE NA-WETTELIJKE UITKERING ARTIKEL 10.9 | SANCTIES NA-WETTELIJKE UITKERING ARTIKEL 10.10 | AFKOOP NA-WETTELIJKE UITKERING §3 REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.11 | TOEPASSING ARTIKEL 10.12 | RECHT OP REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.13 | HOOGTE REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.14 | OPBOUW EN DUUR VAN DE REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.15 | SANCTIES REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.16 | PREMIE REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.17 | EINDE REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.18 | HERLEVEN REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.19 | AFKOOP REPARATIE-UITKERING §4 OVERLIJDENSUITKERINGEN ARTIKEL 10.20 | OVERLIJDENSUITKERING ARTIKEL 10.21 | OVERLIJDENSUITKERING BIJ ONGEVAL IN EN DOOR DE DIENST §5 geldend tot en met 30-12-2023 | BIJZONDERE UITKERING BIJ ONTSLAG OF DEFINITIEVE HERPLAATSING, BIJ MINDER DAN 35% ARBEIDSONGESCHIKTHEID ARTIKEL 10.22 | RECHT OP EEN BIJZONDERE UITKERING ARTIKEL 10.23 | HOOGTE BIJZONDERE UITKERING ARTIKEL 10.24 | DUUR BIJZONDERE UITKERING §6 PASSENDE REGELING BIJ VERSTOORDE ARBEIDSVERHOUDING ARTIKEL 10.25 | PASSENDE REGELING BIJ VERSTOORDE ARBEIDSVERHOUDING §7 GENERIEKE SALARISVERHOGING ARTIKEL 10.26 | INDEXATIE 62
HOOFDSTUK 10
Uitkeringen §1 AANVULLENDE UITKERING ARTIKEL 10.1 | RECHT OP EEN AANVULLENDE UITKERING 1
Recht op een aanvullende uitkering heeft de oud-werknemer die een werkloosheidsuitkering krijgt, en: a van wie de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW is opgezegd door de werkgever en het Van werk naar werk-traject volledig heeft doorlopen, of b
2
van wie de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder d BW is opgezegd door de werkgever en minimaal 24 maanden in dienst is geweest bij de werkgever.
De oud-werknemer geeft voor een correcte uitbetaling steeds alle gegevens door die daarvoor nodig zijn.
ARTIKEL 10.2 | HOOGTE AANVULLENDE UITKERING 1
De grondslag voor de aanvullende uitkering is: het salaris, de salaristoelage(n), de TOR en het IKB uit artikel 4.2 lid 1, onder a en b. Deze grondslag is het gemiddelde maandbedrag over de periode van 12 maanden: a direct voorafgaand aan de start van het Van werk naar werk-traject in geval van opzegging op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW, of direct voorafgaand aan de datum van opzegging op grond van artikel 7:669 lid 3, onder d BW. De aanvullende uitkering is een percentage van de grondslag uit lid 1 over het aantal uren dat de oud-werknemer werkloos is. De aanvullende uitkering kent 2 fases. In fase 1 is de aanvullende uitkering:
b 2 3
Hoogte grondslag van de oud-werknemer tot € 4.375,van € 4.375,- tot € 5.250, vanaf € 5.250,4
Percentage van de grondslag 10% 20% 30%
In fase 2 is de aanvullende uitkering: Hoogte grondslag van de oud-werknemer van € 4.375,- tot € 5.250 van € 5.250,- tot € 6.560,vanaf € 6.560,-
Percentage van de grondslag 10% 20% 30%
ARTIKEL 10.3 | DUUR AANVULLENDE UITKERING 1 2 3
Fase 1 van de aanvullende uitkering duurt 12 maanden. Deze fase begint vanaf de ontslagdatum. Fase 2 van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van fase 1 en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering. Als de werkloosheidsuitkering herleeft, dan herleeft ook de aanvullende uitkering. De duur van fase 1 loopt door in de periode waarover geen werkloosheidsuitkering is ontvangen. 45 63
ARTIKEL 10.4 | SANCTIES AANVULLENDE UITKERING Als een sanctie op grond van de WW wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie op dezelfde manier toegepast op de aanvullende uitkering.
§2 NA-WETTELIJKE UITKERING ARTIKEL 10.5 | RECHT OP EEN NA-WETTELIJKE UITKERING 1
2
De werknemer die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering als: a hij direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering nog steeds werkloos is; en b hij voor een correcte uitbetaling steeds alle gegevens doorgeeft die daarvoor nodig zijn. Bij opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7.669 lid 3, onder d BW door de werkgever geldt als extra voorwaarde dat de reden voor het ontslag binnen de werksfeer ligt.
ARTIKEL 10.6 | HOOGTE NA-WETTELIJKE UITKERING 1
2
De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer is gelijk aan de hoogte van de werkloosheidsuitkering, als deze zou zijn voortgezet. Bij werkloosheid van minder dan 36 uur, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de werknemer werkloos is. De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de werknemer uit of in verband met werk ontvangt, mag niet hoger zijn dan 90% van de grondslag uit artikel 10.2 lid 1. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.
ARTIKEL 10.7 | DUUR NA-WETTELIJKE UITKERING De na-wettelijke uitkering is 1 maand per dienstjaar in de sector gemeenten keer een correctiefactor: a 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar; b 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar; c 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar. ARTIKEL 10.8 | EINDE NA-WETTELIJKE UITKERING De na-wettelijke uitkering eindigt: a na afloop van de duur van de uitkering; b als de werkloosheid eindigt; of c op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. ARTIKEL 10.9 | SANCTIES NA-WETTELIJKE UITKERING Sancties worden toegepast volgens het verplichtingen- en sanctieregime van de WW.
46 64
ARTIKEL 10.10 | AFKOOP NA-WETTELIJKE UITKERING 1 2
De werkgever kan op verzoek van de werknemer voorafgaand aan de uitkeringsperiode de na-wettelijke uitkering afkopen. De werkgever bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder wordt afgekocht.
§3 REPARATIE-UITKERING ARTIKEL 10.11 | TOEPASSING De reparatie-uitkering geldt voor de oud-werknemer: a die recht heeft op een uitkering op grond van de WW; of b van wie het recht op een uitkering op grond van de WW is geëindigd, maar op grond van de WW, zoals die gold op 31 december 2015, nog recht op een uitkering zou hebben gehad. ARTIKEL 10.12 | RECHT OP REPARATIE-UITKERING 1
2
De oud-werknemer krijgt een reparatie-uitkering als: a de werkloosheid aansluitend op de WW-uitkering voortduurt; en b hij een arbeidsverleden van meer dan 10 jaar heeft en zijn WW-opbouw lager is dan de WW-opbouw die gold op 31 december 2015; of c een WW-uitkering met een kortere duur is toegekend volgens de WW, dan zou hebben gegolden volgens de WW op 31 december 2015. De oud-werknemer geeft de werkgever de gegevens en informatie van het UWV die van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte en de duur van de reparatie-uitkering.
ARTIKEL 10.13 | HOOGTE REPARATIE-UITKERING 1 2
De hoogte van de reparatie-uitkering is gelijk aan de hoogte van WW-uitkering als deze niet zou zijn geëindigd. De volledige reparatie-uitkering is gebaseerd op een werkloosheid van 36 uur per week. Is de oud-werknemer minder dan 36 uur per week werkloos, dan wordt het bedrag van de reparatie-uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de oud-werknemer werkloos is.
ARTIKEL 10.14 | OPBOUW EN DUUR VAN DE REPARATIE-UITKERING 1 2 3
De opbouw van de reparatie-uitkering voor de oud-werknemer die werkloos wordt met meer dan 10 jaar arbeidsverleden, is een halve maand per dienstjaar. De opbouw van de reparatie-uitkering voor de oud-werknemer die werkloos wordt met meer dan 24 jaar arbeidsverleden, is 1 maand per verstreken kalenderkwartaal. De duur van de reparatie-uitkering is gelijk aan het verschil tussen de duur van de WW-uitkering op 31 december 2015 en de duur van de WW-uitkering op of na 1 januari 2016, inclusief de opschuiving van de einddatum door herleving.
ARTIKEL 10.15 | SANCTIES REPARATIE-UITKERING Sancties worden toegepast volgens het verplichtingen- en sanctieregime van de WW.
47 65
ARTIKEL 10.16 | PREMIE REPARATIE-UITKERING 1 2 3 4
Dit artikel geldt alleen voor de werknemer in deze cao, niet voor de oud-werknemer. De werkgever houdt maandelijks een werknemerspremie in op het salaris van de werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. De hoogte van de premie is 0,1% van het salaris en salaristoelage(n). De hoogte van de premie kan jaarlijks bij cao worden aangepast. De berekeningsgrondslag is maximaal het maximum-premieloon in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen.
ARTIKEL 10.17 | EINDE REPARATIE-UITKERING De reparatie-uitkering eindigt: a na afloop van de duur van de uitkering; b op de dag waarop de werkloosheid eindigt; c op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt; d na een periode van 13 weken van voortdurende arbeidsongeschiktheid door ziekte. ARTIKEL 10.18 | HERLEVEN REPARATIE-UITKERING 1
2
3
De oud-werknemer kan na aanvaarding van een nieuw dienstverband opnieuw werkloos worden. Het recht op de reparatie-uitkering dat gedeeltelijk of geheel is geëindigd, herleeft dan op verzoek van de oud-werknemer. Dit geldt alleen als bij de beëindiging van het nieuwe dienstverband geen nieuw recht op een WW-uitkering volgens de WW is ontstaan. De duur en de hoogte van de herleefde reparatie-uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de reparatie-uitkering waarop de oud-werknemer nog recht zou hebben gehad, als hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest. De reparatie-uitkering kan niet meer herleven als de maximale uitkeringsduur van de reparatie-uitkering is verstreken.
ARTIKEL 10.19 | AFKOOP REPARATIE-UITKERING 1 2
De werkgever kan op verzoek van de oud-werknemer voorafgaand aan de uitkeringsperiode de reparatie-uitkering afkopen. De werkgever bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder wordt afgekocht.
§4 OVERLIJDENSUITKERINGEN ARTIKEL 10.20 | OVERLIJDENSUITKERING Na het overlijden van een werknemer, waarbij geen sprake is van een ongeval in- en door de dienst als in artikel 10.21, krijgen de nagelaten betrekkingen een overlijdensuitkering van 3 keer het laatst gekregen salaris en salaristoelage(n), vermeerderd met 8%. Deze overlijdensuitkering is inclusief de wettelijke overlijdensuitkering in artikel 7:674 lid 2 tot en met lid 6 BW. ARTIKEL 10.21 | OVERLIJDENSUITKERING BIJ ONGEVAL IN EN DOOR DE DIENST
1
Bij overlijden van een werknemer als rechtstreeks gevolg van een ongeval in- en door de dienst is de overlijdensuitkering van 1 jaar salaris en salaristoelage(n) berekend over het salaris over de laatste 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van overlijden, 48 66
2
vermeerderd met 8%. Deze overlijdensuitkering is inclusief de wettelijke overlijdensuitkering in artikel 7:674 lid 2 tot en met lid 6 BW. Als de werkgever een uitkering krijgt van een verzekeraar vanwege dat ongeval in- en door de dienst, dan geeft de werkgever die uitkering aan de nagelaten betrekkingen. Dat geldt alleen voor dat deel van de uitkering van de verzekeraar dat hoger is dan de uitkering in lid 2.
§5 geldend tot en met 30-12-2023 | BIJZONDERE UITKERING BIJ ONTSLAG OF DEFINITIEVE HERPLAATSING, BIJ MINDER DAN 35% ARBEIDSONGESCHIKTHEID ARTIKEL 10.22 | RECHT OP EEN BIJZONDERE UITKERING 1
2 3
De werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt is en tijdens het derde ziektejaar werk aanvaardt bij de eigen of bij een andere werkgever waarmee hij zijn volledige restverdiencapaciteit benut, heeft recht op een bijzondere uitkering. De restverdiencapaciteit wordt door UWV vastgesteld. Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de werknemer alle gegevens aan de werkgever geeft die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de bijzondere uitkering. Deze regeling in paragraaf 5 blijft gelden voor de werknemer waarvan de eerste ziektedag lag voor 31 december 2023.
ARTIKEL 10.23 | HOOGTE BIJZONDERE UITKERING 1
2
De bijzondere uitkering is 75% van het verschil tussen het totaal aan inkomen dat de werknemer met werk verdient en het salaris en de toegekende salaristoelage(n) dat de werknemer verdiende voorafgaand aan het aanvaarden van het nieuwe werk. Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.
ARTIKEL 10.24 | DUUR BIJZONDERE UITKERING De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van het nieuwe werk.
§6 PASSENDE REGELING BIJ VERSTOORDE ARBEIDSVERHOUDING ARTIKEL 10.25 | PASSENDE REGELING BIJ VERSTOORDE ARBEIDSVERHOUDING 1
2
De werkgever die het voornemen heeft om de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden, treft voor die werknemer een passende regeling. De werkgever betrekt bij het bepalen van de passende regeling voor zover dat redelijk en billijk is, de inhoud van paragraaf 1 en 2 van hoofdstuk 10 en artikel 7:673 BW over de toekenning van een transitievergoeding.
§7 GENERIEKE SALARISVERHOGING ARTIKEL 10.26 | INDEXATIE De uitkeringen in dit hoofdstuk worden geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de sector gemeenten.
49 67
Overige rechten en plichten ARTIKEL 11.1 | DRAGEN VAN UNIFORM OF DIENSTKLEDING ARTIKEL 11.2 | INFECTIEZIEKTEN ARTIKEL 11.3 | GEBRUIK MOTORRIJTUIG
ARTIKEL 11.4 | SCHORSING ALS ORDEMAATREGEL ARTIKEL 11.5 | GESCHILBESLECHTING
ARTIKEL 11.6 | WERKZAAMHEDEN BIJ BUITENGEWONE OMSTANDIGHEDEN
68
HOOFDSTUK 11
Overige rechten en plichten ARTIKEL 11.1 | DRAGEN VAN UNIFORM OF DIENSTKLEDING 1 2
3 4
De werknemer draagt tijdens zijn werkzaamheden de voorgeschreven kleding en onderscheidingstekens. Andere tekens op de kleding zijn niet toegestaan. De werkgever kan op verzoek van de werknemer een uitzondering maken. Het verbod geldt niet voor ordetekenen die met toestemming van een hoger bestuursorgaan zijn aangenomen of worden gedragen. De werknemer mag de kleding tijdens betogingen of optochten slechts dragen als hij toestemming van de werkgever heeft. De werkgever kan een regeling overeenkomen over het geven, reinigen en herstellen van de kleding.
ARTIKEL 11.2 | INFECTIEZIEKTEN 1
2 3
Als de werknemer contact heeft of heeft gehad met iemand met een besmettelijke ziekte, meldt hij dat aan de werkgever. Het gaat om de ziekten in de categorieën A, B1, B2 en C in de Wet publieke gezondheid. De werknemer mag zijn functie dan tijdelijk niet uitoefenen. De werkgever bepaalt op medisch advies wanneer de werknemer weer mag werken. De werknemer krijgt zijn salaris en salaristoelage(n) zolang hij niet mag werken doorbetaald.
ARTIKEL 11.3 | GEBRUIK MOTORRIJTUIG 1
2
De werknemer mag een motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen alleen met toestemming van de werkgever voor zijn werk gebruiken. Dit om de door de werkgever te betalen kosten voor een tegemoetkoming van de gebruikskosten van de werknemer te kunnen beheersen. Als de werkgever toestemming verleent, kan de werkgever aan het gebruik voorwaarden stellen.
ARTIKEL 11.4 | SCHORSING ALS ORDEMAATREGEL 1
2 3
De werkgever kan de werknemer schorsen als: a tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld; b bedrijfs- of dienstbelangen dat noodzakelijk maken. De werkgever meldt de werknemer schriftelijk waarom hij wordt geschorst en wanneer de schorsing begint en eindigt. De werknemer krijgt tijdens de schorsing salaris en salaristoelage(n).
ARTIKEL 11.5 | GESCHILBESLECHTING 1 2
De werkgever en de werknemer werken mee aan bemiddeling om een geschil tussen hen op te lossen. Als deze bemiddeling niet tot een oplossing heeft geleid, is een geschillencommissie bevoegd om kennis te nemen van een geschil genoemd in lid 3. Het advies van de geschillencommissie is zwaarwegend.
50 69
3
De werkgever stelt een geschillencommissie in, of sluit zich aan bij een regionale geschillencommissie, voor de behandeling van individuele geschillen tussen de werkgever en de werknemer over: a de individuele toepassing van een functiewaarderingssysteem; b afspraken in het Van werk naar werk-traject; c de individuele toepassing van een sociaal plan of een sociaal statuut. De werkgever kan de bevoegdheid van de geschillencommissie met andere onderwerpen uitbreiden. Een voorbeeldreglement is opgenomen in bijlage 1.
ARTIKEL 11.6 | WERKZAAMHEDEN BIJ BUITENGEWONE OMSTANDIGHEDEN 1
2
3 4
De werkgever kan de werknemer aanwijzen om bij oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten. Deze andere werkzaamheden dragen bij aan een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van de taak die de werkgever in die buitengewone omstandigheden heeft. De werkgever kan de werknemer aanwijzen om werkzaamheden te verrichten in het kader van de Wet veiligheidsregio’s. Bij een ramp of crisis als in artikel 1 Wet veiligheidsregio’s werkt de werknemer onder leiding en toezicht van de veiligheidsregio waar de ramp of crisis plaatsvindt. De aanwijzing in lid 1 of 2 vindt alleen plaats als de persoonlijke omstandigheden van de werknemer dat redelijkerwijs toelaten. De aangewezen werknemer moet lessen volgen en aan oefeningen deelnemen die verband houden met de betreffende werkzaamheden.
5170
71
Lokaal overleg met vakbonden ARTIKEL 12.1 | HET LOKAAL OVERLEG ARTIKEL 12.2 | ONDERWERPEN ARTIKEL 12.3 | AFSPRAKEN OVER DE WERKWIJZE
ARTIKEL 12.4 | VAKBONDSVERLOF ARTIKEL 12.5 | ONBETAALD VERLOF
ARTIKEL 12.6 | VOORKOMEN BENADELING VAKBONDSVERTEGENWOORDIGERS ARTIKEL 12.7 | WERKGEVERSBIJDRAGE
ARTIKEL 12.8 | AANWIJZING VAN EEN ONBEZOLDIGDE TOEZICHTHOUDER EN ONBEZOLDIGDE OPSPORINGSAMBTENAAR
72
HOOFDSTUK 12
Lokaal overleg met vakbonden ARTIKEL 12.1 | HET LOKAAL OVERLEG 1 2 3 4 5
Het lokaal overleg vindt plaats tussen de werkgever en vakbonden. De werkgever nodigt vakbonden die partij zijn bij de cao uit voor het lokaal overleg. Een andere vakbond kan deelnemen aan het lokaal overleg. Een verzoek om deel te nemen aan het overleg wordt door de deelnemers aan het overleg besproken. De werkgever wijst 1 of meer vertegenwoordigers aan voor het lokaal overleg. Iedere vakbond wijst 1 of meer vertegenwoordigers aan voor het lokaal overleg.
ARTIKEL 12.2 | ONDERWERPEN 1
2 3 4
5
6
Het lokaal overleg betreft: a invoering, wijziging of intrekking van lokale regelingen/bepalingen op basis van de ruimte die artikelen in de cao geven, namelijk: • artikel 3.1 lid 3 Conversietabel functiewaardering- en beloning • artikel 3.7 Uitloopschaal • artikel 3.14 Inconveniëntentoelage • artikel 3.21 Reis- en verblijfskostenregeling • artikel 3.22 lid 1 Reiskostenvergoeding woon-werk • artikel 4.2 lid 5 Bronnen IKB • artikel 4.3 lid 2 Doelen IKB • artikel 9.1 lid 2 Aanvullende afspraken Van werk naar werk-traject b afspraken over een sociaal statuut/plan. De werkgever en de vakbonden kunnen in het lokaal overleg ook andere onderwerpen bespreken die van wederzijds belang zijn. De werkgever informeert de vakbonden over een voornemen tot een belangrijke wijziging in de organisatie. De werkgever kan in een sociaal statuut kaders vaststellen over: a de manier waarop personele gevolgen van een belangrijke wijziging in de organisatie worden opgevangen; en b het nader overleg met de vakbonden en het betrekken van de werknemers bij de verandering. Als de werkgever en de vakbonden het eens zijn dat de organisatiewijziging zodanig ingrijpende personele gevolgen met zich meebrengt dat hierover (aanvullende) afspraken moeten worden gemaakt, stelt de werkgever een sociaal plan op.