5. Bijlage 1 Centrumregeling Bureau Leren en Doorstromen Parkstad.docx
Tekst van het document
Centrumregeling Bureau Leren en Doorstromen Parkstad Geldend van xx-xx-2025 t/m heden Intitulé De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Heerlen, Beekdaelen, Brunssum, Landgraaf, Kerkrade, Simpelveld en Voerendaal, hierna te noemen de Parkstadgemeenten, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft; Overwegende dat: • de Parkstadgemeenten ter stimulering van de kwaliteit en vergroting van de robuustheid de samenwerking wensen voort te zetten bij de uitoefening van de taken voortvloeiend uit de Leerplichtwet 1969, de Wet van School naar Duurzaam Werk en de overige wet en regelgeving in het kader van voortijdig schoolverlaten; • De deelnemende gemeenten daarvoor bureau Leren en Doorstromen Parkstad (voorheen bureau Voortijdig Schoolverlaten) hebben opgericht; • de gemeente Heerlen in staat en bereid is om daarvoor personele inzet te leveren; • dit bijdraagt aan de flexibiliteit, het kennisniveau, de draagkracht voor het in stand houden van functies, het bieden van aantrekkelijke arbeidsomstandigheden in de ambtelijke organisaties en een goede uitvoering van de gemeentelijke en wettelijke taken; • het oprichten van een aparte rechtspersoon hiervoor niet gewenst is en de sturing doelmatig en doelgericht moet zijn georganiseerd; • de samenwerking moet voldoen aan de eisen ingevolge de Mededingingswet, de Aanbestedingswet 2012 en de richtlijn EU 2014/24; • op
<datum> de colleges, gehoord de wensen en bedenkingen van de gemeenteraden, het principebesluit hebben genomen om de bestaande bestuursovereenkomst te herzien; • de raden van de Parkstadgemeenten aan hun colleges van burgemeester en wethouders voor het herzien van deze centrumregeling op <datum> toestemming hebben verleend, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Gelet op artikel 1, eerste lid jo. artikel 8, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen; de Gemeentewet; afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht. Besluiten te treffen de navolgende Centrumregeling Bureau Leren en Doorstromen Parkstad Hoofdstuk 1 / Algemene bepalingen Artikel 1 – Begripsbepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. centrumgemeente: de gemeente Heerlen; b. college: het college van burgemeester en wethouders van de centrumgemeente of van een partnergemeente; c. deelnemers: de colleges van de centrumgemeente en de partnergemeente(n); d. partnergemeenten: de gemeenten Beekdaelen, Brunssum, Kerkrade, Landgraaf, Simpelveld en Voerendaal en de gemeentes die op een later moment tot de centrumregeling toetreden; e. gemeenten: de centrumgemeente en de partnergemeenten;
f.
ambtenaren: ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017, werkzaam bij de centrumgemeente, alsmede personen werkzaam voor de centrumgemeente, waarbij deze de rol van dagelijks leidinggevende vervult; g. regeling: de Centrumregeling Bureau Leren & Doorstromen Parkstad. h. VSV: Voortijdig Schoolverlaters. i. BLD: Bureau Leren en Doorstromen Parkstad. Hoofdstuk 2 / Centrumconstructie Artikel 2 Belang 1. De Parkstadgemeenten werken samen ter stimulering van de kwaliteit en vergroting van de robuustheid bij de uitoefening van de taken voortvloeiend uit de Leerplichtwet 1969, de Wet van School naar Duurzaam Werk en de overige wet- en regelgeving in het kader van voortijdig schoolverlaten. 2. Het in regionaal verband bundelen van verantwoordelijkheden, middelen en expertise met als doel, in de regio van deelnemende gemeenten: * Het voeren van een sluitende administratie leerplicht en doorstroompunt, en het opleveren van wettelijke verantwoordingsrapportages * het realiseren van een preventieve aanpak en een uniforme uitvoering van de leerplichtwet, de wet van school naar duurzaam werk en het handhavingsbeleid; * het realiseren van een zowel preventieve als curatieve sluitende aanpak voor voortijdig schoolverlaten.
Artikel 3 Centrumgemeente De gemeente Heerlen wordt aangewezen als centrumgemeente, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 4 Taken en Bevoegdheden 1. De centrumgemeente is belast met de uitvoering van de leerplichtwet, de wet van School naar Duurzaam Werk en van de overige wetgeving omtrent voortijdig schoolverlaten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. Het aanwijzen van ambtenaren die regionaal toezien op de naleving van de wet en de werkzaamheden uitvoeren die voortvloeien uit de Leerplichtwet en de Wet van School naar duurzaam werk; b. het vaststellen, het wijzigen en/of actualiseren van de instructie leerplichtambtenaar en doorstroomcoach c. het voorbereiden van de jaarlijkse begroting en afrekening; d. het opstellen van het jaarverslag; e. het monitoren op de verplichtingen van onderwijsinstellingen in het kader van de leerplichtwet en wet van school naar duurzaam werk; f. het toezenden van de gemeenschappelijke regeling aan Gedeputeerde Staten van Limburg, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wgr, en het toezenden aan de Minister en de hoofden als bedoeld in artikel 17 van de wet. 2.
Ter uitvoering van de Leerplichtwet 1969, De Wet van School naar Duurzaam Werk en de overige wet- en regelgeving in het kader van voortijdig schoolverlaten wordt een dienstverleningsconvenant afgesloten tussen de centrumgemeente en de partnergemeenten, waarin de invulling van de taken nader wordt overeengekomen. 3. Het dienstverleningsconvenant kan in overleg tussen de centrumgemeente en de partnergemeenten worden gewijzigd of beëindigd. 4. De bevoegdheden die nodig zijn voor de uitoefening van de in het eerste en tweede lid bedoelde taken worden bij mandaatbesluit door de colleges van de partnergemeenten opgedragen aan het
college van de centrumgemeente. De behandeling van bezwaarschriften als bedoeld in Hoofstuk 6 Awb, beroep en hoger beroep is daaronder begrepen. 5. Het college van de centrumgemeente aanvaardt het mandaat en de daarbij gegeven aanwijzingen. 6. Het college van de centrumgemeente verleent ondermandaat overeenkomstig het algemeen mandaatbesluit van de centrumgemeente. 7. Het derde, vierde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van een volmacht tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen of het verlenen van een machtiging voor het verrichten van feitelijke handelingen. 8. De afhandeling van klachten als bedoeld in Hoofdstuk 9 Awb is een bevoegdheid van het college van de centrumgemeente omdat het organisatieverantwoordelijk is. 9. De afhandeling van Woo verzoeken berust bij het college van de Centrumgemeente. 10. Deelnemende gemeenten kunnen, afhankelijk van de aard van de taak, binnen de uitvoering van deze centrumregeling optreden als verwerker in de zin van artikel 4, onder 7 en onder 8, van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 1, onder c van het Wet politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren of verwerker als bedoeld onder i, van de Wet politiegegevens (Wpg).
Zij verwerken persoonsgegevens en politiegegevens in overeenstemming met de AVG, de Wpg, de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en de Archiefwet, en treffen, waar noodzakelijk, aanvullende technische en organisatorische maatregelen om de verwerking mogelijk te maken en te laten voldoen aan de hiervoor genoemde wettelijke kaders en beginselen. De gegevensverwerking door de centrumgemeente en de overige deelnemende gemeenten wordt nader gespecificeerd in een dienstverleningsconvenant als bedoeld in artikel 5. Indien een deelnemende gemeente als verwerker optreedt, worden de afspraken met de verwerkingsverantwoordelijke schriftelijk vastgelegd in een verwerkersovereenkomst als bedoeld in artikel 28 van de AVG en artikel van de 6c Wpg. Uitwerking hiervan wordt opgenomen in het dienstverleningsovereenkomst. Artikel 5 Financiën 1. Voor de uitvoering van de in artikel 4 omschreven werkzaamheden staan de volgende middelen ter beschikking: a. Bijdragen van de deelnemende gemeenten ten behoeve van de uitvoering van de leerplichtwet: 1) De hoogte van deze bijdrage is gebaseerd op de kosten die gemaakt worden om het afgesproken kwaliteitsniveau in stand te houden. Dit kwaliteitsniveau wordt opnieuw vastgesteld bij het vernieuwen van de DVO. 2) De begroting bureau Leren en Doorstromen 2026 vormt de basis voor de daaropvolgende jaren.
3) De bijdrage per deelnemer wordt gebaseerd op een objectieve toerekeningmethode d.w.z. het aantal leerlingen in de leeftijd van 4 tot 27 jaar op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan het begrotingsjaar. Deze bijdragen worden jaarlijks aangepast. 4) Daarnaast wordt de begroting aangepast op basis van de prijsontwikkeling van ambtenarensalarissen en de overige bedrijfsvoeringskosten van de gemeente Heerlen. b. De (geoormerkte) middelen die de Rijksoverheid voor dit doel via de gemeente Heerlen beschikbaar stelt. c. Overige middelen die voor dit doel door de deelnemende gemeenten of derden, beschikbaar gesteld worden.
2. Voor het vaststellen van de begroting geldt de volgende werkwijze: a. Het college van de Gemeente Heerlen verstrekt in het 2e kwartaal, voorafgaand aan het begrotingsjaar, een ontwerpbegroting aan het bestuurlijk overleg b. De portefeuillehouders van de partnergemeenten zijn verantwoordelijk voor de doorgeleiding van de begrotingen bedoeld in de leden a en b naar hun eigen colleges en raden. c. De Begroting bureau Leren en Doorstromen 2026 is als bijlage 1 toegevoegd aan dit dienstverleningsconvenant en maakt hier integraal deel van uit. d. De deelnemende gemeenten zullen zich dan ook inspannen hun bijdragen ten behoeve van de uitvoering van de leerplichtwet op het niveau te brengen en te houden. 3. Gemeente Heerlen is verantwoordelijk voor het tijdig overleggen van de jaarrekening aan het bestuurlijk overleg. 4. In het geval van een onderuitputting/ exploitatieoverschot op de gemeentelijke middelen zoals genoemd onder artikel 5 lid 1 onder a worden deze middelen toegevoegd aan de voorziening bureau Leren en Doorstromen Parkstad van de gemeente Heerlen, met als doel o.a. eventuele toekomstige exploitatietekorten aan te vullen. Het bestuurlijk overleg is bevoegd om gemeente Heerlen om vrijval van deze middelen te verzoeken. 5. Gemeente Heerlen stuurt er op dat de begroting niet wordt overschreden.
In geval van een dreigende overschrijding van het beschikbare budget, ten gevolge van niet door gemeente Heerlen beïnvloedbare factoren, stelt het college van gemeente Heerlen de voorzitter van het bestuurlijk overleg onverwijld in kennis. De deelnemende gemeenten zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor overschrijding van de beschikbare middelen en verplichten zich het tekort, conform de verdeelsleutel voor het betreffende jaar, op te lossen indien de overschrijding niet wordt aangevuld uit de voorziening als bedoeld in het vierde lid. 6. Indien de middelen genoemd in lid 1 geheel of gedeeltelijk wegvallen, beslissen de Colleges van de deelnemers, op advies van het bestuurlijk overleg, over de noodzaak tot en de wijze van aanpassing van het niveau van dienstverlening door BLD, e.e.a. in relatie tot de doelstelling genoemd in artikel 2. Artikel 6: Afdekking financiële risico's 1. De volgende gebeurtenissen kunnen er toe leiden dat het college van de gemeente Heerlen niet meer in staat is om haar verplichtingen jegens werknemers en derden geheel of gedeeltelijk na te komen: a. Uittreden uit deze regeling door één of meer deelnemende gemeenten. b. Het geheel of gedeeltelijk wegvallen van de middelen zoals bedoeld in artikel 5 lid 1. 2. Indien het gebeurtenissen onder lid 1 sub a.
betreft geldt dat alle deelnemende gemeenten zich conform de vastgestelde ratio (het aantal inwoners van 4 tot 27 jaar) garant stellen voor een behoorlijke en adequate afhandeling van de verplichtingen, die gemeente Heerlen ter uitvoering van deze regeling is aangegaan.
Artikel 7 – Dienstverleningsconvenant In het dienstverleningsconvenant, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, worden in elk geval geregeld: a. de kaders voor de uitvoering van de verschillende taken; b. afspraken over gebruik van bedrijfsmiddelen; c. de kwaliteitseisen waaraan de taakuitoefening door de centrumgemeente moet voldoen; d. de vergoeding die de partnergemeentes aan de centrumgemeente betalen voor de uitvoering van de taken die volgen uit deze regeling en de kosten en risico’s die daarmee samenhangen; e. privacy, gegevensuitwisseling en gegevensbewerking f. overleggen op ambtelijk niveau, in aanvulling op het bepaalde in artikel 10; g. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de informatieplichten, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 14; h. de frequentie van facturering van de onderscheidenlijke diensten. Artikel 8 – Looptijd dienstverleningsconvenant 1. Het eerste dienstverleningsconvenant, gesloten onder deze regeling, heeft een looptijd van vier jaar. 2. Elke partnergemeente kan dit convenant tussentijds opzeggen, als een zodanige verandering van omstandigheden optreedt of is opgetreden, dat van de partij die het betreft in redelijkheid niet kan worden gevergd te blijven samenwerken binnen dit convenant. 3. De deelnemers kunnen met wederzijds goedvinden afwijken van het bepaalde in de leden 1 en 2. Artikel 9 – Bestuurlijk overleg 1.
De deelnemers overleggen ten minste tweemaal per jaar met elkaar op collegeniveau. De deelnemers komen voorts bijeen wanneer één van de deelnemers dit, onder schriftelijke opgaaf van redenen, noodzakelijk acht. 2. Het extra bestuurlijk overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk binnen vijf werkdagen na het verzoek van één van de colleges belegd, tenzij de colleges onderling een andere termijn afspreken. 3. Het college van de centrumgemeente onderscheidenlijk het college van een partnergemeente kan zich in het overleg, bedoeld in het eerste lid, laten vertegenwoordigen door een of meerdere van zijn leden. Artikel 10 Ambtelijk overleg 1. Er is ambtelijk overleg voorafgaand aan het bestuurlijk overleg. 2. In het ambtelijk overleg is iedere deelnemer vertegenwoordigd. De manager van bureau Leren en Doorstromen Parkstad kan aansluiten, als dit noodzakelijk en wenselijk is. 3. Het ambtelijk overleg is bevoegd om andere personen dan de personen die de deelnemers vertegenwoordigen te laten deelnemen aan bijeenkomst indien dit wenselijk en noodzakelijk is. Artikel 11 Ambtsinstructie De deelnemers verplichten zich tot het vaststellen van een gelijkluidende instructie voor de ambtenaren werkzaam bij en voor Bureau Leren en Doorstromen Parkstad, conform artikel 16, lid 4 van de Leerplichtwet 1969.
In deze instructie worden de taken vastgelegd die bureau Leren en Doorstromen Parkstad uitvoert voor de middelen als bedoeld in artikel 5.
Artikel 12 Informatievoorziening door college centrumgemeente 1. Het college van de centrumgemeente geeft het college van een partnergemeente alle inlichtingen die het college van die partnergemeente voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft, tenzij het verstrekken daarvan in strijd is met de wetgeving of het openbaar belang. 2. Tussentijdse bestuurlijke terugkoppeling over de uitvoering van de centrumregeling vindt plaats via het bestuurlijk overleg. Artikel 13 Informatievoorziening door partnergemeente 1. Het college of de secretaris van de partnergemeente geeft het college van de centrumgemeente alle inlichtingen die het college of een ambtenaar van de centrumgemeente voor de uitoefening van zijn taken, bedoeld in artikel 4, nodig heeft. 2. De partnergemeenten leveren op aanvraag van de centrumgemeente alle informatie aan die de centrumgemeente voor de uitoefening van haar taken als bedoeld in deze regeling nodig heeft. Zij dragen zorg voor de tijdige levering van actuele BRP-gegevens van alle in de partnergemeente woonachtige jongeren in de leeftijd van 4 tot 27 jaar.
Artikel 14 Ambtelijke informatievoorziening De ambtenaren van de centrumgemeente geven het college en de ambtenaren van een partnergemeente alle door hen gevraagde inlichtingen omtrent de uitoefening van de hun opgedragen taken en bevoegdheden voor zover deze de partnergemeente betreffen en onverminderd de verantwoordelijkheden van het college van de centrumgemeente krachtens de wet of deze regeling. Artikel 15 Rekenkamer De rekenkamer van een partnergemeente is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht. Artikel 16 Accountant 1. De accountant van een partnergemeente, bedoeld in artikel 213, tweede lid van de Gemeentewet is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente te onderzoeken voor zover hij dat ter vervulling van zijn taak nodig acht. 2. Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de accountant van de partnergemeente ter vervulling van zijn taak als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet nodig acht. Hoofdstuk 3 / Geschillen over de toepassing van de centrumregeling Artikel 17 Werkwijze 1. De deelnemers proberen geschillen zoveel als mogelijk onderling op te lossen door het voeren van een bestuurlijk overleg. 2.
Als dat overleg niet tot een oplossing leidt, kan elke deelnemer het geschil, overeenkomstig artikel 28 van de Wgr voorleggen aan gedeputeerde staten van de provincie Limburg.
Hoofdstuk 4 / Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing Artikel 18 Wijziging 1. Deze regeling kan door de deelnemers bij unaniem gelijkluidend besluit worden gewijzigd. 2. De deelnemers van de gemeenten kunnen daartoe aan de centrumgemeente voorstellen doen tot wijziging van de regeling. 3. Na een positief advies van het bestuurlijk overleg over het wijzigingsvoorstel stuurt de centrum gemeente een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemende gemeenten. 4. Een wijziging is tot stand gekomen als alle deelnemers daartoe hebben besloten. Artikel 19 Toetreding 1. Andere gemeenten kunnen tot deze regeling toetreden. Daarop is artikel 1 Wgr van toepassing. 2. De deelnemers regelen in overleg de rechten en verplichtingen die voor de toe te treden deelnemer uit de regeling voortvloeien. 3. Indien een college tot de regeling wenst toe te treden, draagt deze deelnemer de financiële gevolgen van deze toetreding. Artikel 20 Opheffing 1. Deze regeling wordt opgeheven bij unaniem en gelijkluidend besluit van de deelnemers. 2. De deelnemers stellen de raden in de gelegenheid vooraf hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken. 3. Opheffing is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de vier jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de deelnemers overeenstemming bestaat. 4.
Het college van de centrumgemeente stelt een opheffingsplan op, dat door de deelnemers wordt vastgesteld bij eenvoudige meerderheid. Het opheffingsplan voorziet in ieder geval in de verplichtingen van de partnergemeenten tot deelneming in de financiële en in de personele gevolgen van de opheffing. 4. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan. Artikel 21 Uittreding 1. Een deelnemer kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wgr. Uittreding is niet mogelijk gedurende de eerste vier jaren na het instellen van deze centrumregeling. 2. Een deelnemer zendt, na toestemming van haar raad, het besluit tot uittreding aan de andere deelnemers. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het college van de centrumgemeente het besluit heeft ontvangen. 3. Het college van de centrumgemeente inventariseert de gevolgen van de uittreding. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 4. Het college van de centrumgemeente stelt een uittredingsplan op dat door de deelnemers wordt vastgesteld bij eenvoudige meerderheid. In het uittredingsplan worden de kosten bepaald die de uittreder betaald voor frictie- en desintegratiekosten. 5.
De uittreding gaat in op 1 augustus van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van een jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de deelnemers bij gelijkluidend en unaniem besluit een andere opzegtermijn overeen komen. 6. Indien het college van de centrumgemeente beslist tot uittreding, dan nemen alle deelnemers binnen zes maanden een besluit of in plaats van de uittredingsprocedure besloten wordt tot opheffing van de regeling.
Hoofdstuk 5 / Overgangs- en slotbepalingen Artikel 22 Duur van de regeling De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. Artikel 23 Inzending en bekendmaking regeling 1. Het college van de centrumgemeente is belast met de bekendmaking van deze regeling overeenkomstig artikel 26 van de Wgr. 2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op wijziging van, toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling. Artikel 24 Evaluatie De regeling wordt ten minste eens per vier jaar geëvalueerd in opdracht van de deelnemers, voor het eerst in 2030. De deelnemers bepalen daarbij in onderling overleg de onderwerpen, werkwijze en planning van de evaluatie. Artikel 25 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op xxxxxx, als bedoeld in artikel 19. Artikel 26 Citeerwijze Deze regeling wordt aangehaald als Centrumregeling Bureau Leren en Doorstromen Parkstad.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 In dit artikel zijn enkele voor zichzelf sprekende begripsbepalingen opgenomen die doorwerken in de gehele centrumregeling. Artikel 2 Een gemeenschappelijke regeling, ook een centrumregeling, wordt altijd getroffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de deelnemende gemeenten (vgl. art. 1 lid 1 Wgr). Dit betreft belangen van zowel de centrumgemeente als van de partnergemeenten. De belangen waarvoor de gemeenschappelijke regeling getroffen wordt moeten in de gemeenschappelijke regeling opgenomen worden (art. 10 lid 1 Wgr). Met dit artikel wordt aan die verplichting voldaan. Met de omschrijving van het belang wordt verduidelijkt dat de samenwerking ziet op de bedrijfsvoeringsprocessen van de betrokken gemeenten en (ondersteuning bij) uitvoeringstaken van de gemeenten. Artikel 3 Dit artikel benadrukt dat de gemeenschappelijke regeling de vorm heeft van een centrumregeling ex artikel 8 lid 4 van de Wgr. Artikel 4 In het eerste lid van dit artikel wordt benadrukt op welke taken de samenwerking ziet. In een dienstverleningsconvenant wordt vastgelegd welke concrete taken worden uitgevoerd en onder welke voorwaarden dit gebeurt.
Mocht tussentijds een taakvermindering (de partnergemeente gaat minder taken of volume afnemen) of taakverzwaring (de partnergemeente gaat juist meer taken of meer volume op een taak afnemen) plaatsvinden dan kan dit alleen door wijziging van het dienstverleningsconvenant of het sluiten van een nieuw dienstverleningsconvenant. Indien de bestuursorganen of ambtenaren van de centrumgemeente publiekrechtelijke bevoegdheden moeten uitoefenen namens een bestuursorgaan van de partnergemeente, dan verleent dit laatste bestuursorgaan daartoe mandaat ex artikel 10:3 Awb. Voor zover namens de partnergemeente ook privaatrechtelijke rechtshandelingen of feitelijke handelingen moeten worden verricht, betreft het mandaat ook volmacht en machtiging. Artikel 5 en 6 Deze artikelen gaan over de ter beschikking staande middelen voor de uitvoering van de in artikel 4 omschreven werkzaamheden en regelen de afdekking van financiële risico’s. Artikel 7 In deze bepaling is opgenomen welke zaken in elk geval in het dienstverleningsconvenant geregeld moeten worden. Het dienstverleningsconvenant wordt altijd door de centrumgemeente en door de partnergemeente ondertekend. Er kan dus nimmer sprake zijn van eenzijdige oplegging van deze voorwaarden. Artikel 8 Dit artikel regelt dat in het dienstverleningsconvenant wordt bepaald wat de looptijd is van dat dienstverleningsconvenant.
Daarbij kan in de toekomst maatwerk worden toegepast. Voor het eerste dienstverleningsconvenant geldt dat deze 4 jaar loopt. Artikel 9 Dit artikel voorziet in de bestuurlijke afstemming die nodig is voor het goed functioneren van de samenwerking. Het artikel geeft daarbij de minimumeisen. Dat laat onverlet dat ook op andere manieren en vaker overlegd kan worden, of als men elkaar reeds in een ander kader ontmoet.
Artikel 10 Dit artikel voorziet in de ambtelijke afstemming die nodig is voor het goed functioneren van de samenwerking. Het artikel geeft daarbij de minimumeisen. Dat laat onverlet dat ook op andere manieren en vaker overlegd kan worden. Artikel 11 t/m 16 Deze artikelen zorgen er voor dat de deelnemers hun bestuurlijke verantwoordelijkheid kunnen dragen en verantwoording kunnen afleggen aan de raden. Voor dat doel wordt ook nadrukkelijk het informatierecht van de rekenkamer en de gemeentelijke accountant vastgelegd. Artikel 17 Bij geschillen omtrent de toepassing van de gemeenschappelijke regeling zijn gedeputeerde staten van Limburg bevoegd deze te beslechten (art. 28 Wgr) als bestuurlijk overleg niet tot een oplossing leidt. Gelet op de beperkte inhoud van deze centrumregeling is geen geschillenprocedure opgetuigd. Artikel 18 Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet onder meer bepalingen bevatten over wijziging van de gemeenschappelijke regeling (art. 9 lid 1 Wgr). Met deze bepaling wordt daarin voorzien. De bevoegdheid tot wijziging is een bevoegdheid van de deelnemers (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr). De bevoegdheid komt zodoende toe aan de colleges van de gemeentes gezamenlijk (lid 1). De colleges hebben wel toestemming van hun gemeenteraden nodig alvorens zij tot wijziging kunnen beslissen (lid 2; zie voorts art. 1 lid 3 jo. lid 2 Wgr).
Hebben de colleges na de verkregen toestemming unaniem besloten tot wijziging, dan is de wijziging een feit (lid 3). De inwerkingtreding vindt plaats een dag na de bekendmaking van de wijziging door het college van Heerlen (art. 26 lid 4 jo. lid 2 Wgr), tenzij in het wijzigingsbesluit een ander moment is opgenomen. De inzending van de wijziging en de bekendmaking hiervan geschieden overeenkomstig artikel 20 van deze regeling (zie art. 17 lid 4). Dat betekent dat het college van Heerlen de wijziging bekendmaakt in het Gemeenteblad en verwerkt in het landelijke Wgr-register ex artikel 136 Wgr. De bekendmaking laat onverlet dat de colleges hun besluiten ook bekend moeten maken (art. 6 Bekendmakingswet). Dat geldt niet voor het toestemmingsbesluit van de gemeenteraad, dat is bekendgemaakt door toezending aan het eigen college (art. 10:32 lid 1 jo. art. 10:31 lid 1 Awb). Artikel 19 t/m 22 Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet onder meer bepalingen bevatten over opheffing (art. 9 lid 1 Wgr). Met deze bepaling wordt daarin voorzien. Opheffing van de gemeenschappelijke regeling geschiedt door unaniem gelijkluidend besluit van de deelnemers. Voor het geval één deelnemer het daar niet mee eens is, bestaat de mogelijkheid dat de overige deelnemers uittreden. Een regeling kan immers niet uit één deelnemer (de achterblijver) bestaan.
Het college van de centrumgemeente regelt de uitvoering en het opheffingsplan voorziet in de verdeling van gerezen kosten. Voor het besluit tot opheffing geldt, anders dan bij besluiten tot treffen, toetreding, uittreding en wijziging, niet de procedure dat de gemeenteraad om toestemming moet worden gevraagd. Opheffing is in elk geval niet mogelijk gedurende de eerste 4 jaar na de inwerkingtreding van de regeling. Artikel 23 Artikel 26 lid 1 Wgr schrijft voor dat een gemeenschappelijke regeling bekend moet worden gemaakt. Met deze bepaling, in samenhang met de wet, is beschreven hoe dit gebeurt. Artikel 24 Dit artikel voorziet in de op grond van de Wgr verplichte evaluatie van de regeling. De regeling wordt ten minste eens per vier jaar geëvalueerd in opdracht van de deelnemers.
Artikel 25 Op grond van artikel 26 Wgr treedt een gemeenschappelijke regeling in werking op een in de gemeenschappelijke regeling te bepalen moment, dat in elk geval ná de bekendmaking van de gemeenschappelijke regeling moet liggen. In dit artikel wordt gekozen om de gemeenschappelijke regeling in werking te laten treden op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van bekendmaking door de centrumgemeente. Artikel 26 Het is voor een gemeenschappelijke regeling handig een citeertitel te hebben zodat er in andere regelingen makkelijk naar verwezen kan worden.