12. Bijlage 5 BsGW kadernota begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030 BIJLAGEN
Tekst van het document
Kadernota begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030 BIJLAGEN
Versie 1.0 Oktober 2024
3
Inhoudsopgave
Bijlage 1. Planning begroting ......................................................................................................5 Bijlage 2. Heffingen per deelnemer ..............................................................................................6 Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen ............................................................................................7 Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) ...................................................................... 11 Bijlage 5. Kostenverdeelmethode .............................................................................................. 13 Bijlage 6. Weerstandsvermogen ................................................................................................ 17
4
Bijlage 1. Planning begroting Planning begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030 1.
Behandeling kadernota 2026 in DB
14 november 2024
2.
Ambtelijk voorbereidingsoverleg AB
28 november 2024
3.
Besluitvorming kadernota 2026 in AB
12 december 2024
4.
Behandeling ontwerpbegroting 2026 en ontwerpmeerjarenraming 2027-2030 door DB
20 februari 2025
5.
Toezenden ontwerpbegroting 2026, ontwerpmeerjarenraming 2027-2030 en kadernota 2026 aan de deelnemers
28 februari 2025
6.
Einde zienswijzetermijn deelnemers
30 mei 2025
7.
Behandeling zienswijzen door DB
5 juni 2025
8.
Toezenden reactie DB op zienswijze aan de deelnemers
Vóór 26 juni 2025
9.
Besluitvorming begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030 door AB
26 juni 2025
10.
Toezenden begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030 aan de deelnemers
Binnen 7 werkdagen na vaststelling
11.
Toezenden begroting 2026 en meerjarenraming 2027-2030 aan Gedeputeerde Staten
Binnen 2 weken na vaststelling: vóór 10 juli 2025
5
Bijlage 2. Heffingen per deelnemer
v v v
v
v v
v
v
v
v v v
v v v v v
v v v
v
v v
v v
v v
v v
v
v
v
v
v
v v v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v v
Peel en Maas
Roerdalen
Roermond
v
v
v
v
v v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v
v v v
v
v
v
v v v
v
v v
v
v
v
v
v
v
v v
v
v
v
v
v
v
v v v
v
v v
v v v
v v
v v v
v v
v v
v v
v v
v
v
v
v
v
v
v
v
v
v v v v v v v v
Waterschap Limburg
Mook en Middelaar
Nederweert
Maastricht
Meerssen
Leudal
v
v
Voerendaal
v v v
v v v
v
Weert
v
v v v v
v
Valkenburg a/d Geul
v
v
v
Venlo
v v
v
v v v
Stein
v
v
Vaals
v v
v
Simpelveld
v
v
Sittard-Geleen
v
v
Maasgouw
v
Kerkrade
v v v v
v
Landgraaf
v v v
v
Gulpen-Wittem
Gennep
v v
v v v
v
Heerlen
Echt-Susteren
Eijsden-Margraten
v
Bergen
v
Brunssum
v
Beekdaelen
v
Beesel
Afvalstoffenheffing Baatbelasting BIZ-bijdrage Forensenbelasting Hondenbelasting Onroerende-zaakbelasting Parkeerbelasting Precariobelasting Reclamebelasting Reinigingsrechten Rioolheffing Roerende-zaakbelasting Toeristen/verblijfsbelasting Verontreinigingsheffing Watersysteemheffing Eigenaar Watersysteemheffing Gebruiker Watertoeristen/waterverblijfsbelasting Zuiveringsheffing
Beek
Onderstaande tabel geeft inzicht welke heffingssoorten per deelnemer worden uitgevoerd. Dit is de situatie per 1-1-2024. *)
v
v
v v v
v v v v
v
v
v
v
v v
*) Het overzicht met de situatiedatum 1-1-2025 kan pas na de AB-vergadering van Waterschap Limburg / gemeenteraadsvergaderingen van december 2024 worden opgesteld.
6
Bijlage 3. Landelijke ontwikkelingen Indexeringen Het uitgangspunt voor de indexatie van de salariskosten en materiële lasten is de septembercirculaire van het Centraal Planbureau (CPB). Voor de verwachte materiële lasten en inhuur betreft dit de ‘nationale consumentenprijsindex’. Voor de verwachte salariskosten betreft dit de ‘loonvoet sector overheid’. Macro Economische Verkenning 2023 dd september 2022
2021
2022
2023
2024
Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi)2,7
9,9
2,6
n.b.
Loonvoet sector overheid (b)
-0,2
4,8
3,3
n.b.
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi)2,7
10,0
3,9
3,8
2,6
2,5
2,4
2,1
Loonvoet sector overheid (b)
-0,1
6,7
5,0
6,5
5,3
4,7
4,8
4,2
Macro Economische Verkenning 2024 dd september 2023
Macro Economische Verkenning 2025 dd september 2024
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi)2,7
10,0
3,8
3,6
3,2
3,0
2,4
2,3
Loonvoet sector overheid (b)
6,7
5,9
8,4
4,7
2,1
4,9
4,3
0,5
De doorkijk van de CPB-indexcijfers van september 2022 reikte - in afwijking van voorgaande jaren - niet verder dan 2023 als gevolg van de onzekerheid die toen heerste omtrent de energiecrises en de oorlog in Oekraïne. Vanaf de septembercirculaire 2023 zijn, zoals te doen gebruikelijk, wel weer 5 toekomstige jaren opgenomen.
Uit de meest recente cijfers, blijkt dat de verwachte indexeringen die CPB in een bepaald jaar (t) afgeeft voor het begrotingsjaar (t+2) een significant afwijkend beeld geven van de uiteindelijke daadwerkelijke indexcijfers. Voor de Kadernota en Begroting gebruikt BsGW de indexeringen, die de toekomstige trend het beste weergeeft. Zelfs het lopende jaar is niet met grote zekerheid juist te voorspellen, zoals de indexeringen in bovenstaande tabel laten zien. Omdat BsGW anderhalf jaar voor aanvang van het begrotingsjaar de indexeringen dient op te nemen in de Kadernota en de Begroting, geeft de gemiddelde indexering van een aantal jaren waarschijnlijk een betere voorspelling dan de verwachte indexering voor –in dit geval– 2026 van het CPB. Macro Economische Verkenning 2025
gemiddelde 202x-2026
dd september 2024
5 jaar 4,7 Inflatie, nationale consumentenprijsindex (cpi) Loonvoet sector overheid (b)
5,6
4 jaar 3,4
3 jaar 3,3
2 jaar 3,1
5,3
5,1
3,4
Indexering materiele lasten en inhuur Het gemiddelde percentage van nationale consumentenprijsindex over de jaren 2022-2026 bedraagt tussen de 3,1% en 4,7%. De forse inflatie van 2022 van 10% betreft een trendbreuk en wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Gekozen is om het drie jaargemiddelde 2023-2025 van 3,3% aan te houden.
7
Indexering salarissen Het gemiddelde percentage van de loonvoet overheidssector over de jaren 2022-2026 bedraagt tussen de 3,4% en 5,6%. Gekozen is om ook hier het drie jaargemiddelde 2023-2025 aan te houden van 5,1%. Indexeringen Kadernota 2025 BsGW hanteert daarom voor de Kadernota 2026 het drie-jaars gemiddelde van het nog lopende jaar 2024 en toekomstige jaren 2025 en 2026. Indexering materiele lasten en inhuur = 3,3% Indexering salarissen = 5,1% Mocht de septembercirculaire d.d. 2025 van het CPB daartoe aanleiding geven, dan zal dienovereenkomstig een correctie plaatsvinden via de bestuurlijk vastgestelde P&C-cyclus van BsGW. Wet toekomst pensioenen Op 1 juli 2023 trad de Wet toekomst Pensioen (WTP) in werking. Het doel van deze wet is om het pensioenstelsel te moderniseren en aan te passen aan veranderende en economische omstandigheden. In de overheids- en onderwijssector hebben sociale partners (werkgeversorganisaties en vakbonden) het hoofdlijnenresultaat van de wet in een ABP-transitieplan. Het transitieplan heeft als doel de overgang van de huidige pensioenregeling naar de nieuwe pensioenregeling gestructureerd en gecontroleerd te laten verlopen. In het plan hebben sociale partners gekozen voor een solidaire premieregeling (SPR). De SPR komt in de plaats van de huidige uitkeringsovereenkomst.
Het wettelijk verplicht plan omvat ook een regeling voor de overgang van opgebouwde pensioenaanspraken naar het nieuwe stelsel (invaren) en een compensatieregeling voor groepen die nadelige gevolgen ondervinden van de overgang van een doorsneesystematiek naar een vlakke leeftijdsonafhankelijke premiesystematiek. Onlangs is het transitieplan voorgelegd aan werkgevers en vakbonden uit de overheids- en onderwijssectoren. Zij zijn akkoord met de afspraken voor de nieuwe ABP-pensioenregeling per 2027 en de manier waarop de huidige pensioenregeling wordt omgezet naar de nieuwe regeling. Het transitieplan met alle afspraken is aan het ABP gestuurd met het verzoek om de opdracht te aanvaarden en de nieuwe pensioenregeling vanaf 2027 uit te voeren. Het is nu aan het ABP-bestuur om met aanvullingen te komen, onder andere over de financiële opzet van het fonds. Vervolgens zal ook het verantwoordingsorgaan van het ABP gevraagd worden om een advies uit te brengen over de manier waarop de huidige pensioenregeling wordt omgezet naar de nieuwe pensioenregeling. In de eerste helft van 2025 zal het ABP naar verwachting de opdracht kunnen aanvaarden. Hierna gaat ABP aan de slag met de implementatie van de ABP-pensioenregeling zodat deze vanaf 1 januari 2027 in kan gaan. Vooralsnog heeft de Wet toekomst pensioenen geen financiële gevolgen voor de begroting 2026.
8
Maatschappelijk verantwoord invorderen In de Miljoenennota 2025 zijn verschillende – nog nader uit te werken - maatregelen opgenomen om de toenemende armoede tegen te gaan en de koopkracht van de laagste inkomens te verbeteren, de zogenaamde bestaanszekerheid. Daarnaast neemt de overheid ook maatregelen om gezinnen te helpen, die hun rekening niet kunnen betalen. Grip op de invorderingspraktijk van overheden is politiek actueel, zeker na de toeslagenaffaire. Eerder is ook al door de Ombudsman vastgesteld dat veel mensen met betalingsproblemen er verder door in het nauw worden gebracht. De opdracht die de Ombudsman reeds aan alle overheden heeft meegegeven, is om maatschappelijk verantwoord in te vorderen. Hiermee wordt bedoeld dat bij invordering rekening wordt gehouden met de positie en het belang van de burger. Om mensen met schulden beter te helpen, zijn diverse wetswijzingen doorgevoerd. In de praktijk betekent dit dat er een verschuiving plaats zal vinden van massale invorderingsacties naar maatwerkgerichte oplossingen. BsGW zal dus op dit vlak meer moeten samenwerken met onder andere sociale diensten en schuldhulpinstanties om mensen wegwijs te maken in de wetgeving en de mogelijkheden van kwijtschelding.
Een achterliggende ambitie is ook eerder en meer contact (de zogenaamde vroegsignalering, zie ook volgende paragraaf), wat er uiteindelijk aan gaat bijdragen dat bijvoorbeeld stapeling van schulden wordt voorkomen. In verschillende rapporten wordt aangegeven dat de kosten die hieruit voortvloeien, zoals een tarief per berekening, uitwisseling van gegevens en realiseren van real-time koppelingen, niet zondermeer aan de schuldenaar doorberekend mogen worden. Bij maatschappelijk verantwoord invorderen gaan de kosten, zoals de te investeren tijd in maatwerk, voor de baten uit. Bovendien zal een deel van de (financiële) voordelen niet bij BsGW belanden maar bij de gemeenten, omdat hier bijvoorbeeld schuldhulpverleningstrajecten mee worden voorkomen. In dit soort situaties fungeert BsGW meer als ketenpartner dan als uitvoeringsorganisatie. Vroegsignalering De gewijzigde Wet gemeentelijke schuldhulpverlening biedt de gemeente de mogelijkheid om de niet kunners in een zo vroeg mogelijk stadium te herkennen, zodat passende hulp geboden kan worden. In de hiervoor genoemde wet is de achterstand bij lokale belastingen niet als signaal opgenomen. Om aan te tonen dat lokale belastingen een belangrijke bijdrage kunnen leveren in de vroegsignalering van schulden, is een landelijk experiment gestart waaraan BsGW deelneemt. Dit experiment loopt tot eind 2025.
Na deze pilot kan worden bezien of en in hoeverre BsGW kan aanhaken op deze trend en welke mogelijkheden dit biedt, zowel wat betreft de wetgevingskaders als de taakuitvoering van BsGW. Dit heeft als meerwaarde dat burgers met schulden uit de dwanginvordering gehouden kunnen worden. In 2024 vindt een tussentijdse evaluatie van de landelijke pilot plaats. De uitkomsten hiervan zijn bij het schrijven van deze kadernota nog niet bekend. Wijziging beroepsprocedure kwijtschelding (artikel 25 Invorderingswet) Deze wijziging betekent dat op een uitspraak van een kwijtscheldingsverzoek in plaats van een administratief beroep, een bezwaar kan worden ingediend. Met deze mogelijkheid wordt de Invorderingswet gelijk getrokken aan de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Bij een ongegrond verklaring van een bezwaarschrift, krijgt de belanghebbende de mogelijkheid van een rechtsgang naar beroep, hoger beroep en beroep in cassatie. Deze wijziging brengt naast een wettelijke behandeltermijn van 6 weken, mogelijk extra kosten met zich mee. Hierbij kan worden gedacht aan :
9
-
dwangsommen voor het niet na kunnen leven van de behandeltermijn (€ 1.442,- p/s); kosten voor beroepsprocedures; griffierechten betalen voor kwetsbare doelgroepen; behandelkosten voor bezwaren tegen afgewezen kwijtscheldingsverzoeken door onder andere ncnp-bedrijven die zich ook op deze markt zullen richten.
De verwachting is dat hiermee een nieuwe doelgroep voor ncnp-bedrijven gaat ontstaan. In de huidige begroting van BsGW zijn vanwege de (vooralsnog) moeilijk in te schatten financiële effecten geen proceskostenvergoedingen als gevolg van eventuele geschillen over uitstel van betaling en kwijtschelding opgenomen. Deze wijziging valt onder de Fiscale Vereenvoudigingswet 2017: Wet Stroomlijnen onderdeel rechtsbescherming bij belastingschulden. De wet treedt eerst voor de rijksbelastingen in werking per 1 januari 2027 en in een latere –nog nader te bepalen– fase voor de lokale heffingen. Gelijktrekken vermogensgrenzen Participatiewet en kwijtschelding Het ministerie van BZK heeft eind september 2024 opdracht verleend voor het uitvoeren van een onderzoek naar de wettelijke mogelijkheden en implicaties voor het volledig gelijktrekken van de vermogensgrenzen uit de Participatiewet en vermogensgrenzen voor de kwijtschelding waarbij de maatschappelijke opbrengsten vanwege de preventieve werking van een financiële buffer mee worden genomen. De Tweede Kamer wordt in de loop van 2025 hierover geïnformeerd. Wet stroomlijning keten derdenbeslag Met het wetsvoorstel stroomlijning keten voor derdenbeslag wordt een volgende stap gezet in de betere borging van het bestaansminimum van mensen met schulden en het zoveel mogelijk voorkomen van ophoging van schulden met onnodige kosten.
Met het wetsvoorstel creëert het kabinet een wettelijke grondslag voor de verbeterde uitwisseling van gegevens tussen beslagleggende partijen bij samenloop van beslagen en verrekeningen. Daarnaast komt er een routeervoorziening voor de daadwerkelijke uitwisseling van de gegevens. BsGW voert deze taken uit namens de deelnemende gemeenten (en het Waterschap). De verwachte inwerkingtreding van deze wet is 1 januari 2026. Wet open overheid (Woo) Het doel van deze wet is om de gehele overheid transparanter en toegankelijker te maken. De Woo wordt gefaseerd ingevoerd. Dit in combinatie met de verkregen tijdelijke extra formatie communicatie en juridische zaken vanaf 2024 maakt het mogelijk dat BsGW werkende weg aan de wettelijke verplichtingen kan (blijven) voldoen. Wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer De Wet Modernisering Elektronisch Bestuurlijk Verkeer (WMEBV) geeft de burger en ondernemer het recht om officiële berichten langs de elektronische weg in te zenden. De overheid moet de digitale kanalen benoemen, die burgers en ondernemers kunnen gebruiken voor het indienen van aanvragen, bezwaarschriften, klachten etc. Let wel, het betreft hier een recht en geen verplichting. Burgers en ondernemers hebben in beginsel dus de keuzemogelijkheid tussen elektronische of papieren communicatie.
In beginsel, omdat mogelijk in andere wetten wordt voorgeschreven dat de elektronische weg verplicht is. Vanwege het feit dat veel (uitvoerings)organisaties om uitstel hebben gevraagd, heeft de wetgever besloten om de WMEBV per 1 januari 2026 in werking te laten treden (en voor een aantal uitzonderingen per 1 januari 2027).
10
Informatieverwerving Door veranderde wetgeving de afgelopen jaren – denk aan de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) - wordt er steeds meer vergunningsvrij gebouwd. Om het WOZ-bestand actueel te houden is het van belang om mutaties die van belang zijn voor de WOZ periodiek aangeleverd te krijgen vanuit de gemeenten, bijvoorbeeld door mutatiedetectie en meldingen vanuit de Bag. Het samenwerkingsportaal is hierbij een hulpmiddel om de gegevens gestructureerd uit te wisselen, verschillen geautomatiseerd te detecteren en objecten in samenhang te tonen.
11
Bijlage 4. Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP) Na de oprichting in 2011 groeide BsGW in slechts vier jaar tijd uit tot het huidige samenwerkingsverband, waarin 29 van de 31 Limburgse gemeenten en het Waterschap Limburg deelnemen. De consolidatie van het aantal deelnemers heeft om een herijking van de organisatie gevraagd. Hiertoe heeft BsGW een separaat ontwikkeltraject uitgevoerd, zijnde het Ondernemings- en Ontwikkelplan (OOP). Het OOP kon (in financieel opzicht) initieel in drie fases worden onderverdeeld: Fase 1 2018 tot 2021 Projectfase Fase 2 2021 tot 2028 Terugbetalen projectkosten Fase 3 vanaf 2028 Structureel voordeel deelnemers Projectfase Tijdens de Projectfase is het OOP zowel inhoudelijk als financieel verantwoord via de P&C-cyclus en getoetst door de accountant. Terugbetalen projectkosten De financieringswijze van het OOP is op 14 december 2017 door het Algemeen Bestuur vastgesteld. Er is destijds een investerings- en ontwikkelbudget vrijgegeven van € 4 miljoen. Door een andere visie van de nieuwe accountant inzake de verwerkingswijze van het project OOP zijn de lasten boekhoudkundig ten laste van het resultaat 2023 gebracht. Het effect hiervan is dat de taakstellende, structurele kostenreductie met ingang van 2024 tot uitdrukking komt in lagere nettokosten voor de deelnemers oplopend tot € 1,3 miljoen vanaf 2028.
Structureel voordeel deelnemers Het OOP moet -conform besluitvorming door het Algemeen Bestuur d.d. 14 december 2017- met ingang van 2028 leiden tot een structurele reductie van de netto-kosten van € 1,3 miljoen. Het is daarmee primair een financiële exercitie, die in belangrijke mate gerealiseerd dient te worden middels een formatiereductie. De gewijzigde visie van de nieuwe accountant inzake de verwerkingswijze van het project OOP leidt ertoe dat er met ingang van 2024 al sprake is van een daling van de lagere netto-kosten voor de deelnemers: Jaar: 2024 2025 2026 2027 2028
Lagere netto-kosten i.r.t. OOP: € 600.000 € 800.000 € 1.000.000 € 1.200.000 € 1.300.000
Bezuinigingen Het doel van het OOP was minder handwerk door meer te automatiseren en te digitaliseren, hetgeen moet leiden tot een formatiereductie. Op basis van de meest recente inzichten wordt een stapsgewijze netto-kostenreductie oplopend tot structureel € 1,3 miljoen nog steeds haalbaar geacht. Dit rekening houdend met het feit dat meer automatiseren en digitaliseren enerzijds leidt tot een bepaalde formatiereductie, maar aan de andere kant ook tot een stijging van licentie- en onderhoudskosten.
12
Bijlage 5. Kostenverdeelmethode Aansluitend aan het harmonisatietraject is de kostenverdeelmethode (KVM) geëvalueerd. Dit met als doel om te komen tot een gedragen methode, die ertoe leidt dat de kosten van BsGW op een rechtvaardige en efficiënte manier worden verdeeld over de deelnemers. Uitgangspunt hierbij is dat de te betalen bijdrage per deelnemer een juiste weerspiegeling is van de inspanning die BsGW levert per deelnemer, zonder dat dit jaarlijks leidt tot substantiële schommelingen in de bijdragen (beleidskeuzes van de deelnemers daargelaten). Het solidariteitsprincipe is steeds meegewogen bij het maken van keuzes. Op grond van de ‘Evaluatie 2023 Kostenverdeelmethode BsGW’ (AB 10-12-2023) zijn de volgende conclusies getrokken: De werkwijze van de toerekening van de kosten naar de diverse producten/taken is robuust en grofmazig te noemen. Na de oprichting van BsGW heeft nooit een herijking c.q. aanpassing van deze werkwijze plaatsgevonden, zodat onduidelijk is of de inrichting van de huidige organisatie en de daarbij uitgevoerde taken nog aansluit bij de gehanteerde productindeling. De gehanteerde productindeling van BsGW is een mix van primaire producten en producten c.q. taken met een meer ondersteunende taakstelling ten aanzien van de primaire producten.
Binnen het product Heffen wordt, met uitzondering van de belastingsoort Parkeerbelasting, geen (financieel) onderscheid gemaakt tussen standaardbelastingsoorten en de meer arbeidsintensieve belastingsoorten. De productieaantallen, die de basis vormen voor de toedeling van de kosten in de KVM, zijn eenmalig vastgesteld bij de toetreding van de betreffende deelnemers en zijn nadien nooit meer geactualiseerd. De opbrengst vervolgingskosten wordt jaarlijks geheel ten gunste van de exploitatie van BsGW gebracht, terwijl diverse (maatschappelijke en juridische) argumenten pleiten om deze opbrengsten rechtstreeks af te dragen aan de betreffende deelnemers. Op basis van bovenstaande conclusies zijn de navolgende aanbeveling door het Algemeen Bestuur (AB 10-12-2023) bekrachtigd: Op basis van kennis en ervaring van de medewerkers BsGW analyseren of de omvang en de toekenning van de loonkosten naar de diverse producten aansluit met de werkelijke tijdsbesteding aan deze producten en deze analyse periodiek (3 jaarlijks) te herhalen. De kosten van de producten Klantzaken en Ondersteuning & Ontwikkeling voortaan via interne verdeelsleutels door te belasten aan de primaire (hoofd)producten Waarderen, Heffen en Innen. Als gevolg daarvan ook de vigerende verdeelsleutels voor de producten Klantzaken en Ondersteuning & Ontwikkeling in de KVM laten vervallen.
Intern onderzoeken voor welke belastingsoorten B een afwijkend tarief per aanslagregel in de KVM noodzakelijk c.q. wenselijk is. Per omgaande over te gaan tot het hanteren van de meest actuele productieaantallen in de KVM en deze aantallen ook jaarlijks te actualiseren. Op enigerlei wijze te formaliseren op welke wijze de opbrengst vervolgingskosten geadministreerd dient te worden en hier vervolgens uitvoering aan te geven bij de KVM.
13
Uitgangspunten kostenverdeelmethode Op basis van het vorenstaande is een nieuwe systematiek tot stand gekomen gebaseerd op de volgende uitgangspunten: a. De kostentoerekening naar de producten vindt plaats op basis van de meest actuele taakverdeling binnen de organisatie. Alleen die kostencomponenten, welke rechtstreeks en integraal kunnen worden toegerekend aan een product, worden direct aan het product toegerekend. De overige kostencomponenten worden doorbelast via de interne producten Klantzaken en Overhead & Ontwikkeling. b. De hoofdindeling van de nieuwe KVM is gebaseerd op de drie hoofdproducten: a. Waarderen, b. Heffen, c. Invordering (Innen). c. Binnen de (hoofd)producten vindt waar nodig een onderverdeling plaats naar sub-producten. d. Er wordt alleen gebruik gemaakt van sub-producten, indien deze sub-producten een substantiële extra tijdsinspanning vergen van BsGW. e. De te hanteren verdeelsleutels dienen te zijn gebaseerd op de meest actuele productie-eenheden (bij begroting t-2). f. De opbrengsten met betrekking tot de vervolgingskosten en invorderingsrente maken geen onderdeel meer uit van de BsGW-begroting.
Systematiek kostenverdeelmethode
Kostentoerekening naar producten De actuele tijdsbesteding per (sub-)proces is bepalend voor de kostentoerekening naar de betreffende producten. Personele kosten worden op grond van de actuele inzet (aantal fte’s) direct toegerend naar de betreffende producten c.q. sub-producten. Kostencomponenten, die niet rechtstreeks en integraal zijn toe te rekenen aan de externe hoofd- c.q. sub-producten, worden verantwoord binnen de interne producten Klantzaken en Overhead & Ontwikkeling. Voor deze twee interne producten worden
14
afzonderlijke verdeelsleutels gehanteerd, eveneens gebaseerd op de actuele tijdsbesteding binnen deze interne producten. Operationele kostencomponenten, die direct en integraal zijn toe te rekenen aan een bepaald product (bijv. proceskosten) worden rechtstreeks aan het betreffende hoofd- c.q. sub-product toegerekend. Dit resulteert uiteindelijk in totaalkosten per (hoofd)product Heffen, Waarderen en Innen, die via de verschillende verdeelsleutels worden omgeslagen naar een tarief per product van dienstverlening. De verdeelsleutels zijn gebaseerd op de productieomvang van de deelnemers.
Verdeelsleutels per (hoofd)product Product Waarderen Het product Waarderen omvat alle werkzaamheden, die betrekking hebben op het bijhouden van de WOZ-administratie, het taxeren/waarderen van alle objecten en het integraal verwerken van de bezwaar- en beroepsprocedures. Alle kosten, die hier direct dan wel indirect uit voortvloeien, worden verantwoord binnen het product Waarderen. Voor het toerekenen van deze kosten aan de betreffende deelnemers wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel ‘tarief per WOZ-object’. Product Heffen Binnen het product Heffen vallen alle werkzaamheden, die betrekking hebben op het bestands- c.q. gegevensbeheer van alle uit te voeren belastingsoorten van alle deelnemers. Aanvullend vindt binnen dit (hoofd)product de oplegging plaats van (combi-)aanslagen aan alle belastingschuldigen . Alle kosten, die direct dan wel indirect uit deze werkzaamheden voortvloeien, worden verantwoord binnen het product Heffen. Voor het toerekenen van deze kosten aan de betreffende deelnemers wordt gebruik gemaakt van de verdeelsleutel ‘tarief per aanslagregel’. In het eindrapport “Project harmonisatie” (AB 8-12-2022) zijn alle belastingsoorten geclassificeerd in de categorieën – Voorkeursvarianten (A), waarbij nog onderscheid wordt gemaakt in de meer arbeidsintensieve belastingsoorten (B); Maatwerkvarianten (C1); Externe heffingen (C2).
Alleen de kosten van de belastingsoorten A en B worden binnen het product Heffen verantwoord. De kosten van de belastingsoorten C1 en C2 worden op basis van offertes rechtstreeks (en dus buiten de KVM om) bij de betreffende deelnemers in rekening gebracht. Het verwerkingsproces voor de belastingsoorten B kunnen niet volledig geautomatiseerd uitgevoerd. De noodzakelijke handmatige werkzaamheden hebben een kostenverhogend effect. Het gaat in dit kader om: 1. Afvalstoffenheffing – diftar (voorkeursvariant) 2. Reclamebelasting 3. Precariobelasting 4. Toeristenbelasting 5. Forensenbelasting 6. Watertoeristenbelasting 7. Parkeerbelasting 8. Verontreinigingsheffing 9. Zuiveringsheffing bedrijven – aangifte meetbedrijven.
15
Voor het toerekenen van de kosten van deze sub-producten aan de betreffende deelnemers wordt eveneens gebruik gemaakt van de verdeelsleutel ‘tarief per aanslagregel’. Product Invordering Binnen het product Invordering vallen alle werkzaamheden voor het tijdig, volledig en efficiënt invorderen van opgelegde aanslagen gericht op een goed betalingsgedrag, een actueel en strak openstaand postenbeheer en een zo vroeg mogelijke ontvangstdatum, alsmede ook de afhandeling van kwijtscheldingsverzoeken. Bij het niet of niet tijdig betalen van aanslagen zal uiteindelijk ook de inzet van de deurwaarder aan de orde zijn. Op hoofdlijnen is het product Invordering te splitsen in een tweetal sub-producten, namelijk: Financiële invordering met als verdeelsleutel ‘tarief per aanslagbiljet’ Dwanginvordering met als verdeelsleutel ‘tarief per dwangbevel’. Binnen het product Invordering zijn de opbrengst vervolgingskosten en de invorderingsrente komen te vervallen. Hiertegenover staat evenwel dat iedere deelnemer jaarlijks de werkelijke opbrengsten gelijktijdig met de belastingopbrengsten rechtstreeks krijgt uitbetaald. Productie-aantallen De productieaantallen, die de basis vormen voor de toedeling van de verschillende producten naar de deelnemers, worden jaarlijks geactualiseerd.
Hierbij wordt steeds uitgegaan van de werkelijke productieaantallen van het laatst afgesloten jaar (t-2) voor de berekening van de bijdragen van het desbetreffende begrotingsjaar (t). De nieuwe KVM is door het Algemeen Bestuur vastgesteld op 25 januari 2024 en treedt met ingang van 2025 in werking.
16
Bijlage 6. Weerstandsvermogen Bestuurlijk is de voorkeur uitgesproken het weerstandsvermogen van BsGW zo bescheiden mogelijk, doch wel realistisch, te laten zijn. Operationele risico’s moeten door BsGW zelf kunnen worden opgevangen, zonder terug te hoeven vallen op de deelnemers. Deze benadering wordt gedeeld door de accountant van BsGW en de toezichthouder (provincie Limburg). Het benodigde weerstandsvermogen is gebaseerd op de risicoanalyse. Deze risicoanalyse wordt jaarlijks uitgevoerd, zodat bepaald kan worden of het berekende weerstandsvermogen toereikend is. Voor de begroting 2026 wordt eind 2024 de risicoanalyse uitgevoerd. De uitkomst hiervan wordt verwerkt in de begroting. Vooruitlopend hierop heeft een eerste verkennend gesprek met de accountant plaatsgevonden. Hierbij stond met name de informatiebeveiliging centraal. Het weerstandsvermogen geeft aan in hoeverre BsGW in staat is om bij onverwachte gebeurtenissen met een financieel gevolg deze tegenvaller te nemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de door het bestuur vastgestelde kaders en doelstellingen in de begroting. Het weerstandsvermogen wordt bepaald door de benodigde weerstandscapaciteit, die uit de risicoanalyse voortvloeit, af te zetten tegen de beschikbare weerstandscapaciteit.
Risico´s
Weerstandscapaciteit
Beschikbare weerstandscapaciteit Weerstandsvermogen Ratio weerstandsvermogen = Benodigde weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bij BsGW bestaat uit de algemene reserve. Voor het bepalen van de omvang van deze algemene reserve is het zoeken naar een goede balans. Een balans tussen enerzijds voldoende omvang om impact zelf te kunnen opvangen en anderzijds te voorkomen dat algemene middelen van deelnemers ‘opgepot’ raken. Om het weerstandsvermogen te kunnen beoordelen dient te worden vastgesteld welke ratio BsGW nastreeft. Hiervoor is gebruik gemaakt van de volgende waarderingstabel. Waarderingscijfer A B C D E F
Ratio weerstandsvermogen > 2,0 ≥ 1,4 - ≤ 2,0 ≥ 1,0 - < 1,4 ≥ 0,8 - < 1,0 ≥ 0,6 - < 0,8 < 0,6
Betekenis
Actie
Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende
Voorstel aan AB om terug te storten Geen actie Geen actie Voorstel aan AB om bij te storten
In de basis moet de beschikbare weerstandscapaciteit even groot zijn als de benodigde weerstandscapaciteit. Daarmee wordt de ratio weerstandsvermogen bepaald op een streven van minimaal 1,0. Zie hiervoor ook het besluit in het AB van 24 maart 2022, Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen BsGW.
17