12. Bijlage 2 Landelijke ontwikkelingen
Tekst van het document
Bijlage 1 Erfgoedbeleid 2025-2031
Landelijke ontwikkelingen
1
Afb. 1 (kaft) Topografische Militaire Kaart uit 1843 (bron: Nationaal Georegister)
2
Inhoudsopgave 1. 1.0 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1,7 1.8
De veranderende maatschappelijke context inleiding sociaal maatschappelijke ontwikkelingen economische ontwikkelingen de anders functionerende overheid de prominente positie van de klant ontwikkelingen van de informatietechnologie dienstverlening duurzaamheid modernisering monumentenzorg
5 7 7 7 7 7 7 8 8 10
2. 2.0 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Het wetgevend kader het ontstaan van monumentenzorg modernisering monumentenzorg De huidige wetgeving rijksmonumenten subsidie stads- en dorpsgezichten archeologie
11 13 13 14 14 18 19 19
3. 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2
Ruimtelijke erfgoedzorg ruimtelijk rijksbeleid Belvedere modernisering monumentenzorg nationale omgevingsvisie (NOVI) omgevingswet provinciaal ruimtelijke beleid provinciale omgevingsvisie (POVI) Limburg omgevingsverordening Limburg 2021 lokaal ruimtelijk beleid instrumenten voor lokale ruimtelijke erfgoedzorg bestemmings- en omgevingsplan
21 23 23 23 23 24 24 24 25 25 26 26
4. 4.0 4.1 4.2
Autonome erfgoedzorg inleiding gemeentelijke monumenten- of erfgoedverordening subsidie
27 29 29 29
5. 5.0 5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.1.4 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3
Financiële erfgoedzorg inleiding rijkssubsidies subsidieregeling instandhouding monumenten (SIM) rijksmonumenten met een woonfunctie restauratiesubsidies rijksmonumenten herbestemming monumenten provinciale subsidies aanvullende subsidie instandhouding monumenten klein erfgoed en archeologie grootschalige restauraties herbestemming en alternatieve financieringsmogelijkheden
31 33 33 33 33 34 34 35 35 35 35 36
3
6. 6.0 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.3 6.4
Cultuurtoerisme, participatie educatie, voorlichting en communicatie Verdrag van Faro cultuurtoerisme voorlichting en communicatie monumenteneigenaren professionals inwoners en het brede publiek moderne technieken voor het ontsluiten van erfgoed erfgoededucatie in het onderwijs
37 39 39 39 40 40 40 40 40
7. 7.1 7.2
Bronnen literatuur overige bronnen
41 43 43
4
de veranderende maatschappelijke context
5
6
1. de veranderende maatschappelijke context 1.0 inleiding Het formuleren van gemeentelijk beleid gebeurt niet in een vacuüm. Dit beleid moet gestalte krijgen in een dynamische en veranderende omgeving, waarbij sociaal-maatschappelijke en economische aspecten van belang zijn.
1.1 sociale en maatschappelijke ontwikkelingen De economische ontwikkelingen, conjunctuur en welvaart hebben ertoe geleid dat mensen minder werken en meer vrije tijd hebben. Hierdoor is het besef van cultuur en historie in algemene zin toegenomen. Daarnaast wordt vrije tijd vaak doorgebracht in de directe woon- en leefomgeving, wat heeft geleid tot meer aandacht voor de kwaliteit van de omgeving. De belevingswaarde van de omgeving wordt grotendeels bepaald door cultureel erfgoed, een essentieel onderdeel van de identiteit van een stad of dorp. Bovendien is er in algemene zin sprake van een hoger opleidingsniveau, wat bijdraagt aan een groeiende belangstelling voor monumenten en cultureel erfgoed. De toename van vrije tijd en de grotere waardering voor erfgoed stimuleren het cultuurtoerisme en de recreatiesector, die op hun beurt een impuls geven aan de economie. Door vergrijzing en vertrek uit de regio zal de bevolking in het komende decennium afnemen (krimp). Dit kan gevolgen hebben voor de herbestemming en het behoud van monumenten.
1.2 economische ontwikkelingen Door bezuinigingen van de rijksoverheid zijn in de jaren negentig veel taken, waaronder monumentenzorg, gedecentraliseerd naar gemeenten. Door de vele nieuwe beleidsverantwoordelijkheden en bezuinigingen op het gemeentefonds ontbreken vaak de middelen om alle taken adequaat uit te voeren. Dit maakt efficiënt en effectief werken noodzakelijk. De teruglopende gemeentelijke financiën vragen om creatieve oplossingen.
1.3 de anders functionerende overheid Sinds de jaren tachtig heeft de rol van de overheid een koerswijziging ondergaan. Er is meer marktwerking, vrijheid en eigen verantwoordelijkheid, en de overheid treedt verder terug. Niet langer biedt wettelijke verankering op zichzelf voldoende grondslag voor het functioneren van de overheid. Steeds vaker moet de overheid haar bestaansrecht bewijzen in de praktijk. Dit vraagt om een meer bedrijfsmatige aanpak: een maximum aan rendement met een minimum aan inspanningen. Rendement betekent hier de mate waarin doelen kwantitatief en kwalitatief worden gerealiseerd. Bedrijfsmatig werken vereist duidelijke, vooraf bepaalde en meetbare doelstellingen, efficiënte en transparante bedrijfsvoering en de mogelijkheid om verantwoording af te leggen.
1.4 de prominentere positie van de klant Burgers zijn, mede door een hoger opleidingsniveau, mondiger geworden en kennen hun rechten beter. Dit vraagt van gemeenten meer duidelijkheid, snelheid en betere informatievoorziening. De rechten van burgers zijn verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die algemene beginselen van behoorlijk bestuur, procedurevereisten en termijnen vastlegt. Dit vereist een klantvriendelijke en klantgerichte benadering. Zelfsturing en participatie spelen hierin een grote rol. Gemeenten stimuleren actief eigenaarschap bij inwoners en ondernemers, zodat er meer ruimte, zeggenschap en verantwoordelijkheid is voor eigen initiatieven. Wijkraden en dorpsontwikkelingsplatformen (DOP’s) vormen hiervoor de basis. Ook de 24/7-maatschappij vraagt om flexibele en aangepaste voorzieningen en dienstverlening.
1.5 ontwikkelingen van de informatietechnologie De ontwikkelingen in informatietechnologie gaan in hoog tempo. E-mail en internet zijn niet meer weg te denken, en burgers en bedrijven verwachten snelle en eenvoudige toegang tot overheidsinformatie en diensten. Digitale loketten maken het mogelijk om gemeentelijke informatie en diensten op elk gewenst moment op te vragen, zonder fysiek naar het gemeentehuis te hoeven gaan. Erfgoedzorg blijft echter een complex werkterrein dat vaak specifieke kennis en maatwerk vraagt. Naast algemene informatie via digitale loketten of de gemeentelijke website blijft persoonlijke informatie op maat noodzakelijk.
7
1.6 dienstverlening De veranderende samenleving stelt steeds hogere eisen aan de dienstverlening van de overheid. Burgers en bedrijven verwachten sneller en eenvoudiger geholpen te worden. Dit vraagt om een vraaggerichte en geïntegreerde dienstverlening waarbij niet de afhandeling van een aanvraag, maar de vraag van de klant centraal staat. Dit betekent dat de klant op één plek een samenhangend pakket van overheidsdiensten ontvangt, ongeacht welke gemeentelijke producten daarvoor nodig zijn. De dienstverlening moet klantgericht worden ingericht, waarbij kwaliteit wordt beoordeeld op basis van de verwachtingen van de klant. Een belangrijk criterium hierbij is dat de klant niet "van het kastje naar de muur" wordt gestuurd.
1.7 duurzaamheid Wetenschappelijke gegevens tonen aan dat de draagkracht van de aarde wordt overschreden en dat dit niet onbeperkt kan doorgaan. Iedereen moet verantwoordelijkheid nemen voor een duurzame wereld. Voor gemeenten betekent duurzaamheid het vinden van balans tussen People, Planet en Profit. Duurzaamheid wordt vaak geassocieerd met energiebesparing en duurzame energieopwekking, zoals zonnepanelen. Duurzaam bouwen en monumentenzorg lijken op het eerste gezicht tegenstrijdig, omdat monumenten vaak niet energiezuinig zijn. Duurzaamheid omvat echter meer dan energie-efficiëntie. Monumenten hebben hun duurzaamheid bewezen: ze bestaan al eeuwen en zijn gebouwd met duurzame materialen. Traditionele bouwmaterialen gaan vaak langer mee dan moderne alternatieven, wat de milieubelasting over langere tijd verlaagt. Oude vensters en deuren van naaldhout kunnen met goed onderhoud honderden jaren meegaan, terwijl kunststof kozijnen na twintig jaar vervangen moeten worden. Dit maakt historische gebouwen intrinsiek duurzaam. energiezuinige monumenten: het kan! De meest effectieve manier om kosten te besparen en het milieu te helpen, is het verminderen van energieverbruik. Hoewel monumenten niet altijd eenvoudig te isoleren zijn, zijn er steeds meer mogelijkheden om ze energiezuiniger te maken zonder afbreuk te doen aan hun historische waarde.
Veel standaardisolatiemethoden zijn niet toepasbaar, omdat monumenten beeld- en materiaalbehoud vereisen. Ook kunnen isolatielagen vochtproblemen veroorzaken. Toch zijn er met gespecialiseerde kennis van monumentenzorg, bouwfysica en installatietechniek duurzame oplossingen mogelijk. Slimme aanpassingen of vervanging van installaties kunnen de energie-efficiëntie verhogen, en duurzame energieopwekking is vaak mogelijk. De brochure Uw monument energiezuinig; Praktische tips voor verduurzaming van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) biedt inzicht in maatregelen om comfort, energiebesparing en monumentale waarden in balans te brengen. Naast bouwkundige maatregelen behandelt de brochure gedragsmaatregelen en mogelijkheden voor een gasloze toekomst voor monumenten. Duurzaam erfgoedbeheer vereist maatwerk, maar met de juiste aanpak zijn milieuwinst en energiebesparing goed haalbaar. zonnepanelen en monumenten n het kader van de energietransitie en de stijgende energieprijzen neemt de behoefte aan zonnepanelen toe. Voor monumentale panden, gemeentelijk beschermde panden, gebouwen binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, of in een historisch waardevolle nederzettingsstructuur, is het plaatsen van zonnepanelen echter niet altijd vanzelfsprekend. In deze gevallen is een vergunning van de gemeente vereist.
Veel gemeenten hebben nog geen specifiek beleid voor zonnepanelen op monumenten of in historisch waardevolle omgevingen en hanteren daarom de richtlijnen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Met oog op de energietransitie heeft de RCE haar regels in 2020 versoepeld. Waar voorheen zonnepanelen in het zicht niet waren toegestaan, is dit onder bepaalde voorwaarden inmiddels wel mogelijk. De volgende uitgangspunten zijn hierbij van toepassing: Alternatieven elders uit het zicht op het pand of op het perceel zijn afgewogen en leveren geen rendabele installatie op. De energieopwekking is ten bate van het eigen pand en er wordt geen waardevol groen gekapt om de bezonning te verbeteren.
8
Er is een zorgvuldig ontworpen plan voor het aanbrengen van de PV-systemen, zodat er geen sprake is van een onevenredige visuele verstoring van het monument of zijn omgeving. Dit blijkt onder meer uit: o historische dakelementen of -opbouwen (schoorstenen, dakkappellen, decoraties, et cetera) worden behouden; o de panelen worden in een rechthoekig en regelmatig geordend plan gelegd (legplan) dat ondergeschikt blijft aan de hoofdvorm van het dak en de daarop aanwezige elementen; o de panelen hebben een zoveel mogelijk op de aard en kleur van het dak afgestemde kleur, zonder hinderlijke patronen, reflectie of opvallende randen; o maximeren van de opbrengst (aantal panelen of keuze dakvlak) mag niet ten koste gaan van de monumentale waarden; o op bijzondere daken, binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, bij gebouwen van een als complex aangewezen monument en historische buitenplaatsen gelden aparte uitgangspunten.
Zonnepanelen zijn niet toegestaan: op daken met een bijzondere vorm (zoals ronde of spitse daken), op daken met bijzondere materialen, (zoals riet, leien, metalen en zeldzame typen dakpannen) en op daken met een bijzonder of decoratief patroon in de dakbedekking; op daken gelegen binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, die zijn gelegen in het zicht van de toegankelijke openbare ruimte; op daken van hoofdgebouwen van historische buitenplaatsen; op daken van bijgebouwen en onderdelen van de park/tuinaanleg van een historische buitenplaats, die zijn gelegen in zichtassen en zichtlocaties van de buitenplaats. Indien toestemming wordt gegeven voor de plaatsing van zonnepanelen op het dak van een waardevol pand, dient dit op een reversibele wijze te gebeuren. Dit betekent dat de panelen los bovenop de dakpannen worden geplaatst, zodat de dakbedekking niet beschadigd raakt en de historische dakpannen behouden blijven. Zonnepanelen hebben immers een beperkte levensduur en zullen, net als bijvoorbeeld antenne-installaties, na verloop van tijd verdwijnen en plaatsmaken voor nieuwe en verbeterde toepassingen.
1.8 modernisering monumentenzorg In 2009 is onder de titel “Modernisering Monumentenzorg” een koerswijziging ingezet voor de zorg en het behoud van erfgoed. Deze wijziging is gebaseerd op twee hoofdlijnen: 1. Van objectgericht naar omgevingsgericht – Meer samenhang tussen monumentenzorg en ruimtelijke ordening. 2. Van conserverend naar ontwikkelend – Behoud door ontwikkeling. In de beleidsbrief wordt gesteld dat de nieuwe aanpak rust op drie pijlers: Het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening. Krachtigere en eenvoudigere regelgeving. Het bevorderen van herbestemming. Deze veranderingen zijn inmiddels grotendeels doorgevoerd en worden op verschillende plekken in deze notitie toegelicht.
9
10
het wetgevende kader
11
12
2. het wetgevende kader 2.0 het ontstaan van Monumentenzorg Victor de Stuers (1843-1916) wordt beschouwd als de grondlegger van de georganiseerde monumentenzorg in Nederland. Vanaf 1880 heeft hij, samen met een aantal vrijwilligers, de belangrijkste monumenten geïnventariseerd en gedocumenteerd. Daarnaast probeerden zij de grootschalige sloop van erfgoed te voorkomen. Gaandeweg nam de rijksoverheid deze taak over. In eerste instantie werd hiervoor een aparte afdeling Kunsten opgericht, die begon met een systematische beschrijving van monumenten. In 1903 werd deze afdeling vervangen door een speciale rijkscommissie onder leiding van de bekende bouwmeester P.J.H. Cuypers. Uiteindelijk werd in 1947 de voorloper van de huidige Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) opgericht, met als belangrijkste taak het beschermen en in stand houden van monumenten. In 1961 werd de Monumentenwet ingevoerd, die de wettelijke bescherming van zowel individuele monumenten als stads- en dorpsgezichten regelde. De wet legde de bevoegdheden van de overheid vast en bepaalde aan welke regels eigenaren van beschermde monumenten zich moesten houden. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, waarbij veel taken en bevoegdheden werden overgedragen aan de gemeenten. Op dit moment wordt de Erfgoedwet in combinatie met de Omgevingswet het wetgevende kader van de erfgoedzorg.
2.1 modernisering monumentenzorg In de beleidsbrief “Modernisering Monumentenzorg” werd gepleit voor krachtigere en eenvoudiger regelgeving. Er moest meer ruimte komen voor burgers en eigenaren van monumentale panden. De minister wilde de kennis en inzichten van burgers beter benutten, waarbij niet alleen de authenticiteit en representativiteit van monumenten door experts zouden worden bewaakt, maar ook de sociale en sociaaleconomische functie van monumenten meer aandacht zou krijgen. Om dit te realiseren, werden diverse maatregelen aangekondigd: Strategisch aanwijzen van monumenten Afschaffen van vergunningplicht voor kleine ingrepen Opstellen van kwaliteitsnormen Versnellen van procedures Eenvoudiger en krachtiger subsidiesysteem Geen grootschalige herselectie van monumenten, maar geleidelijke actualisering van het register Meer aandacht voor mobiel erfgoed Veel van deze maatregelen zijn inmiddels doorgevoerd en worden verder toegelicht in deze notitie.
Afb. 2 Visualisatie van erfgoed in de Omgevingswet (bron Rijksdienst voor het cultureel erfgoed)
13
2.2 de huidige wetgeving
Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is in 2016 opgegaan in de Erfgoedwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De Erfgoedwet is breder dan de eerdere Monumentenwet en bundelt bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. Daarnaast bevat de Erfgoedwet nieuwe bepalingen voor roerend erfgoed. Samen met de (nieuwe) Omgevingswet vormt de Erfgoedwet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten. Waar de Erfgoedwet zich vooral richt op roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten, regelt de Omgevingswet de bescherming van erfgoed in de ruimtelijke ordening. Omgevingswet De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze wet integreert bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving in één samenhangend stelsel. De kwaliteit van de leefomgeving, en daarmee ook het cultureel erfgoed, wordt in deze wet geborgd. De Omgevingswet bevat regels voor de omgang met cultureel erfgoed, zoals de verlening van omgevingsvergunningen voor wijzigingen aan monumenten. Daarnaast verplicht de wet overheden om bij ruimtelijke plannen rekening te houden met erfgoed. Ook de aanwijzing van stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen is in deze wet vastgelegd.
Gemeenten zijn verplicht om vóór 1 januari 2028 een gemeentelijke omgevingsvisie (GOVI) vast te stellen, die in lijn moet zijn met de nationale en provinciale omgevingsvisies (NOVI en POVI). Daarnaast moet vóór 1 januari 2032 een definitief omgevingsplan worden vastgesteld. Aangezien erfgoed in de NOVI is aangeduid als een nationaal belang, moet hier zowel in de omgevingsvisie als in het omgevingsplan aandacht aan worden besteed. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is er automatisch een tijdelijk omgevingsplan vastgesteld. Hierin zijn onder andere de Erfgoedverordening, de welstandsnota en alle bestaande bestemmingsplannen opgenomen. Zodra de gemeente een (al dan niet partieel) definitief omgevingsplan vaststelt, vervalt de rechtskracht van de betreffende onderdelen van het tijdelijke omgevingsplan. Daarnaast heeft het Rijk binnen de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zestien zogenoemde NOVEXgebieden aangewezen. Dit zijn gebieden waar grote ruimtelijke transities spelen en waarvoor een specifiek ontwikkelperspectief wordt opgesteld. Dit perspectief wordt gezamenlijk ontwikkeld door het Rijk en de regio. Voor de NOVEX-gebieden wordt vervolgens een uitvoeringsagenda opgesteld, inclusief een regionale investeringsagenda.
Het Rijk zal hierbij ondersteunen door middel van uitvoeringsorganisaties, gronden, mensen, instrumenten en financiële middelen om gebiedsontwikkelingen te stimuleren en te versnellen. Voor Limburg zijn er twee NOVEX-gebieden aangewezen, namelijk De Peel en Zuid-Limburg
2.3 rijksmonumenten
Aanwijzing De aanwijzing van rijksmonumenten vindt al enige tijd niet meer op verzoek van derden plaats, maar vooral planmatig via centraal aangestuurde aanwijzingsprogramma’s. Daarnaast gaat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) terughoudend om met de aanwijzing van nieuwe monumenten; slechts sporadisch worden nieuwe rijksmonumenten aangewezen. Dit betekent dat de verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van erfgoed grotendeels bij de gemeentelijke overheid is komen te liggen. In het verleden werd een verzoek om aanwijzing door aanvragers soms oneigenlijk gebruikt om initiatieven van derden te blokkeren. Om deze reden heeft het Rijk de mogelijkheid om een aanwijzingsverzoek in te dienen uit de wet geschrapt. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hanteert in de model-Erfgoedverordening eenzelfde methodiek, die door de meeste gemeenten in hun erfgoedverordening is overgenomen. Een verzoek tot aanwijzing hoeft dus niet in behandeling te worden genomen. Het is echter wel wenselijk om alert te blijven op signalen uit de samenleving, vooral wanneer een historische vereniging de gemeente attent maakt op erfgoed dat in hun ogen wordt bedreigd. In dat geval kan de gemeente op eigen initiatief tot aanwijzing overgaan. In de Erfgoedwet is de mogelijkheid gecreëerd om monumenten en hun interieurs in samenhang aan te wijzen als ensemble.
Een interieurensemble omvat een samenhang van onroerende en roerende zaken met bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. Dit kan betrekking hebben op een compleet gebouw met de inventaris, maar ook op een gebouw vanwege een of meerdere ruimten met
14
bijbehorende inrichting. Bij een interieurensemble gaat het altijd om de relatie tussen roerende voorwerpen en de onroerende omgeving. Veel rijksmonumenten bevatten bijzondere vaste interieurelementen, zoals stucplafonds, schouwen, wandschilderingen en marmeren vloeren. Deze genieten, net als alle andere bestanddelen van het gebouw, wettelijke bescherming. De opname van een interieurensemble in het informatiesysteem heeft echter geen rechtsgevolgen voor de eigenaar. Er geldt geen wettelijke bescherming voor de roerende zaken, en er is geen instandhoudingsplicht, geen vergunningplicht bij wijziging of verplaatsing van roerende onderdelen van het ensemble, en evenmin de mogelijkheid om instandhoudingssubsidie aan te vragen. De wetgever beoogt het behoud van deze ensembles te stimuleren door de kennis en waardering ervan binnen de samenleving te vergroten. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed stelt in overleg met de erfgoedsector een lijst op van waardevolle historische interieurensembles. Een volgende stap kan zijn om een rijksmonument samen met (roerende) cultuurgoederen als ensemble aan te wijzen. Hiervoor dient de RCE een informatiesysteem in te richten dat wordt gekoppeld aan het rijksmonumentenregister. Aan deze aanwijzing zijn geen rechtsgevolgen verbonden; het doel is louter om de bekendheid en waardering van interieurensembles te bevorderen.
Instandhoudingsplicht De instandhoudingsplicht houdt in dat een eigenaar ervoor zorgt dat zijn of haar rijksmonument zodanig wordt onderhouden dat het behoud ervan gewaarborgd is. Deze plicht is een codificatie van eerdere rechterlijke uitspraken. Een vergelijkbare bepaling over instandhouding is opgenomen in de uitvoeringsregels van de Omgevingswet. Een eigenaar voldoet niet aan de instandhoudingsplicht als de onderhoudstermijn van een specifiek onderdeel van het monument (bijvoorbeeld dak, constructie of schilderwerk) aantoonbaar is verlopen, de eigenaar langdurig nalaat noodzakelijk onderhoud uit te voeren en deze situatie leidt tot verval van onderdelen en/of bouwdelen, waardoor de instandhouding van het rijksmonument niet is gewaarborgd. Hierbij maakt het niet uit of de verwaarlozing opzettelijk of onbewust plaatsvindt. Voor gemeenten als bevoegd gezag biedt de instandhoudingsplicht een expliciet handvat om met eigenaren in gesprek te gaan. Zo kan een gemeente een eigenaar bijvoorbeeld aanspreken op een niet onderhouden en beschadigd dak, waardoor weer en wind vrij spel krijgen en het rijksmonument verder wordt aangetast. Indien nodig kunnen gemeenten via het bestuursrecht en/of het strafrecht handhavend optreden om het noodzakelijke onderhoud af te dwingen.
De wetgever heeft ervoor gekozen dat het niet naleven van de instandhoudingsplicht een strafbaar feit is, waarvan aangifte kan worden gedaan. Handhaving moet echter proportioneel zijn: gemeenten dienen niet te wachten tot instandhouding alleen nog mogelijk is met een ingrijpende restauratie, maar ook niet bij ieder ontbrekend likje verf direct op de stoep te staan. Vergunningen De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden als opvolger van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) uit 2010. De Wabo had al meerdere oudere vergunningstelsels, zoals de bouwvergunning, milieuvergunning en monumentenvergunning, samengebracht. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is deze integratie verder doorgevoerd en is alle regelgeving binnen het domein van de fysieke leefomgeving onder één wet gebracht. Dit betekent dat initiatiefnemers nu bij één loket één omgevingsvergunning kunnen aanvragen, die verschillende activiteiten omvat. De Omgevingswet bevat ook de verbods- en vergunningenbepalingen voor rijks- en gemeentelijke monumenten. De beslissingsbevoegdheid over omgevingsvergunningen ligt bij het college van burgemeester en wethouders, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin hogere overheden de beslissing nemen.
Erfgoedverordening Sinds de inwerkingtreding van de Monumentenwet 1988 werd in de monumentenverordening of erfgoedverordening de gemeentelijke bevoegdheid geregeld om te beslissen over wijzigingen aan rijksmonumenten. Gemeenten waren verplicht hiervoor een adviescommissie (monumentencommissie) te benoemen. In de huidige Omgevingswet is deze verplichting opgenomen in artikel 17. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft bij de decentralisatie van de monumentenzorg een modelverordening opgesteld, waarin ook een aantal autonome bevoegdheden van gemeenten is vastgelegd. Aanvankelijk betrof dit vooral de aanwijzing van gemeentelijke monumenten, maar later is de bescherming van erfgoed verbreed. Hierdoor kunnen nu ook groen- en landschapselementen, archeologische monumenten en stads- of dorpsgezichten in de verordening worden opgenomen. Bij de
15
introductie van de Erfgoedwet heeft de VNG bovendien in de modelverordening de mogelijkheid gecreeerd om roerende cultuurgoederen te beschermen. De aanwijzing van gemeentelijk erfgoed zal in de toekomst plaatsvinden via het (definitieve) omgevingsplan. Momenteel geldt een tijdelijk omgevingsplan waarin de Erfgoedverordening als ‘bruidsschat’ is opgenomen. Dit geeft gemeenten de bevoegdheid om op basis van de Erfgoedverordening nog steeds gemeentelijk erfgoed aan te wijzen. Veel gemeenten hebben, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, hun erfgoedverordening herzien. procedure Voorafgaand aan het besluit wint de gemeente advies in bij de gemeentelijke adviescommissie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en – wanneer het object buiten de in de Wegenverkeerswet vastgestelde bebouwde kom ligt – tevens bij de provincie. De gemeente baseert haar besluit op deze adviezen. Tot enkele jaren geleden moesten alle aanvragen voor advies worden voorgelegd aan de RCE. Deze algemene adviesplicht is echter vervallen. Alleen in gevallen van gehele of gedeeltelijke sloop, reconstructie of herbestemming van een monument moet nog advies worden gevraagd aan de RCE. De wijziging van een adviesplicht naar een adviesbevoegdheid geldt ook voor de provincies. Indien het monument buiten de bebouwde kom ligt, adviseert de provincie over de voorgenomen wijziging.
Het afschaffen van de verplichte advisering door de RCE levert met name bij eenvoudige plannen aanzienlijke tijdswinst op, wat de dienstverlening aan de aanvrager ten goede komt. Anderzijds moet de gemeentelijke adviescommissie over voldoende kennis beschikken om gedegen advies te geven. De commissie dient deskundigheid te hebben op het gebied van cultuurhistorie, bouwhistorie, restauratie en landschap/stedenbouw. Hoewel gemeenten alleen bij (gedeeltelijke) sloop, reconstructie en herbestemming verplicht zijn advies te vragen aan de RCE, kunnen zij in andere gevallen vrijwillig advies inwinnen. Dit is met name wenselijk bij specifieke monumenten, zoals molens, of bij specialistische werkzaamheden aan bijvoorbeeld natuursteen of wandschilderingen. Ook voor complexere plannen kan de gemeente ervoor kiezen advies te vragen aan de RCE. De mate waarin hiervan gebruik wordt gemaakt, hangt mede af van de samenstelling en deskundigheid van de gemeentelijke adviescommissie. De gemeente dient hiervoor beleid of gedragsregels te ontwikkelen. Behoud van monumentale waarden Behoud van monumentale waarden betreft niet alleen het exterieur, maar ook de structuur en interieuronderdelen. Vaak zijn details hierbij van groot belang, ook als deze in eerste instantie onbeduidend lijken.
Zo kan het vervangen van vensters historische waarden aantasten en daarmee het architectonische of historische karakter van een pand verstoren. Voor het interieur zijn niet alleen rijk versierde trappen en stucplafonds van waarde, maar bijvoorbeeld ook houten vloeren. Hoewel deze soms weinig monumentaal lijken, maken zij onlosmakelijk deel uit van het historische interieur. Ze vertellen, in relatie tot rijkere interieurelementen, iets over de wijze waarop men in het verleden interieurs vormgaf. Dergelijke details zijn van grote waarde voor het behoud van monumentale kenmerken. De hedendaagse monumentenzorg streeft naar functioneel gebruik van monumenten, omdat dit de beste garantie voor instandhouding biedt. Hoewel aanpassingen noodzakelijk kunnen zijn voor functionele bruikbaarheid, moeten deze met respect voor monumentale waarden en authentieke materialen worden uitgevoerd. De stelregel hierbij is: behoud gaat voor vernieuwing. Door onwetendheid bij eigenaren en doordat gemeenten en monumentencommissies zich bij vergunningverlening vaak richten op de hoofdlijnen van restauratie- of wijzigingsplannen, gaan in de praktijk veel waardevolle monumentale onderdelen verloren. Dit kan worden voorkomen door: Eigenaren vooraf goed te informeren. Een zorgvuldige vergunningprocedure met oog voor detail. Deskundige begeleiding van restauraties.
Richtlijnen voor behoud van monumentale kwaliteit Om eigenaren en architecten in een vroeg stadium te informeren over uitgangspunten voor restauratie en wijzigingen aan monumenten, hebben diverse gemeenten richtlijnen opgesteld voor het behoud van monumentale kwaliteit. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op twee kernprincipes van de monumentenzorg: 1. Behoud gaat voor vernieuwing. 2. Eerbiediging van de bouwgeschiedenis.
16
Naast deze uitgangspunten bevatten de richtlijnen uitvoeringseisen, een functionele toets of aanwijzing en indien nodig een aanvullende toelichting. Zowel gemeenten als eigenaren en architecten kunnen hiervan profiteren. Verbetering van de dienstverlening: waarden en ontwikkelingsperspectief Bij het wijzigen van een monument vormen de monumentale waarden altijd het uitgangspunt. Deze waarden zijn doorgaans summier vastgelegd in de redengevende omschrijving van het monument en soms aangevuld met een bouwhistorisch onderzoek. In de praktijk blijkt echter dat eigenaren en architecten vaak onvoldoende deskundig zijn om deze waarden te herkennen. Dit komt vooral doordat in het voortraject niet expliciet wordt aangegeven welke cultuurhistorische uitgangspunten relevant zijn voor de planontwikkeling. Feitelijke beschrijvingen en richtlijnen zijn niet altijd direct te vertalen naar concrete uitgangspunten voor de ontwikkeling van een plan, vooral wanneer eigenaren moeite hebben om cultuurhistorische waarden te herkennen. Het gevolg hiervan is dat er bouwplannen worden ontwikkeld waarin de monumentale waarden onvoldoende zijn gerespecteerd of geïntegreerd. Hierdoor moeten plannen vaak meerdere keren worden herzien voordat ze aanvaardbaar zijn, wat leidt tot vertraging, extra kosten en frustratie bij zowel eigenaren als de gemeente.
Vaak worden de uitgangspunten pas expliciet geformuleerd bij de advisering door de gemeentelijke adviescommissie, waardoor planontwikkeling te lang in een ‘grijs gebied’ blijft hangen. Dit probleem ontstaat doordat de uitgangspunten voor planvorming vooraf onvoldoende duidelijk zijn. De gemeente zou in een vroeg stadium kenbaar moeten maken welke randvoorwaarden en beoordelingscriteria gelden. Aangezien deze randvoorwaarden afhankelijk zijn van de specifieke klantvraag en de kenmerken van het monument, is het lastig om hier algemene regels voor op te stellen. Om dit proces te verbeteren, is een waarden- en ontwikkelingsperspectief ontwikkeld. Dit is een relatief nieuw instrument binnen de gemeentelijke dienstverlening, waarin de uitgangspunten en randvoorwaarden voor het bouwplan aan het begin van het proces worden vastgelegd. Op deze manier weten eigenaren en architecten in een vroeg stadium waaraan moet worden voldaan. Het waarden- en ontwikkelingsperspectief slaat de brug tussen feitelijke beschrijvingen en de ontwikkelingsplannen van de eigenaar. Het bevat: Een inventarisatie van relevante cultuurhistorische waarden. Een analyse van de bouwkundige situatie. De voorwaarden en mogelijkheden voor wijzigingen aan het monument. Bouwhistorisch onderzoek Bij grotere of complexere verbouwingen is vaak een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk.
Zeker bij monumenten met meerdere bouwfasen zijn de monumentale waarden niet altijd direct zichtbaar. In dergelijke gevallen biedt een bouwhistorisch onderzoek uitkomst. De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van dit onderzoek ligt in eerste instantie bij de aanvrager. Tot voor kort was bouwhistorisch onderzoek het enige instrument om monumentale waarden zorgvuldig in kaart te brengen. Het onderzoek dient een objectief beeld te geven van de historische waarde van een pand, waarna wijzigingsplannen hieraan kunnen worden getoetst. Omdat het waarden- en ontwikkelingsperspectief nog relatief nieuw en onbekend is, eisen de meeste gemeenten nog steeds een bouwhistorisch onderzoek als basis voor de beoordeling van wijzigingen aan monumenten. De noodzaak voor een bouwhistorisch onderzoek hangt af van de aard en omvang van de geplande wijzigingen. Gemeenten maken hierbij doorgaans de volgende afwegingen: Is de monumentale waarde van het pand direct herkenbaar? Zijn er ingrepen gepland die de structuur of het interieur aantasten? Bevat het interieur nog veel authentieke elementen? Indien de bouwfasering of historische constructies niet direct duidelijk zijn, of indien ingrepen plaatsvinden waarbij de structuur of het interieur aanzienlijk wordt gewijzigd, is een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk.
De uitkomsten van een bouwhistorisch onderzoek kunnen vervolgens worden vertaald in een waardenen ontwikkelingsperspectief, waarin wordt vastgesteld welke wijzigingen mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Dit proces dient voorafgaand aan de planvorming plaats te vinden, zodat de architect al in een vroeg stadium rekening kan houden met waardevolle onderdelen en structuren. Bovendien kan het bouwhistorisch onderzoek als inspiratiebron dienen, wat bijdraagt aan de kwaliteit van het verbouwingsplan en het behoud van monumentale waarden.
17
Recent heeft de Stichting ERM in samenwerking met het Centraal College van Deskundigen Restauratiekwaliteit een nieuwe uitvoeringsrichtlijn (URL) vastgesteld voor bouwhistorisch onderzoek en waardenstelling. Deze richtlijn is te raadplegen via: www.stichtingerm.nl/kennis-richtlijnen/url2007. Een bouwhistorisch onderzoek en een waarden- en ontwikkelingsperspectief dienen vanwege de objectiviteit altijd te worden uitgevoerd door een onafhankelijke en gekwalificeerde bouwhistoricus. Uitvoering, toezicht en handhaving Zorgvuldige omgang met monumentale waarden en details is niet alleen van belang tijdens de planvorming en vergunningprocedure, maar ook tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. In de praktijk gaan door onwetendheid van eigenaren en uitvoerende partijen helaas nog steeds veel waardevolle monumentale onderdelen en authentieke materialen verloren. Dit kan worden voorkomen door voorafgaand aan de werkzaamheden overleg te voeren met de eigenaar en de betrokken partijen. In dit overleg worden: Het bouwplan en de uitvoering afgestemd op de vergunning. Belangrijke details en restauratietechnieken besproken. Daarnaast is deskundige begeleiding van de uitvoering noodzakelijk. Dit wordt echter bemoeilijkt door de functiescheiding die de Inspectie Leefomgeving en Transport oplegt tussen de medewerker die de vergunning verleent en de toezichthouder.
In de praktijk wordt toezicht vaak uitgevoerd door bouwkundigen die onvoldoende kennis hebben van kritische details en restauratietechnieken. Om dit te verbeteren, wordt aanbevolen: Gerichte training/opleiding voor toezichthouders om affiniteit met monumentenzorg te ontwikkelen. Nauwkeurige communicatie tussen de toezichthouder en de monumentenzorgmedewerker. Betrokkenheid van de toezichthouder bij het afstemmingsoverleg tussen opdrachtgever en uitvoerende partijen. Regelmatige communicatie en afstemming tussen de toezichthouder en de inhoudelijke monumentenzorgmedewerker. Specialistisch toezicht door een inhoudelijk deskundige op gezette tijden. Strikte handhaving is eveneens noodzakelijk. Afwijkingen van de vergunning of illegale wijzigingen kunnen onherstelbare schade veroorzaken aan monumentale constructies en materialen. Veel gemeenten hebben in hun handhavingsbeleid opgenomen dat naast een bestuursrechtelijk traject (legalisatieverzoek of herstelplicht) ook strafrechtelijke vervolging mogelijk is bij overtredingen. Instandhouding van monumenten Hedendaagse monumentenzorg streeft naar functioneel gebruik van monumenten, omdat dit de beste garantie is voor behoud en instandhouding. Om een monument een toekomstbestendige functie te geven, is een economisch rendabele herbestemming vaak noodzakelijk.
Dit kan aanpassingen vereisen, maar deze dienen te worden uitgevoerd met respect voor de monumentale waarden en bij voorkeur reversibel te zijn. Bij herbestemming geldt: Behoud gaat voor vernieuwing. Authentieke materialen en structuren moeten zoveel mogelijk worden behouden. Aanpassingen moeten zorgvuldig worden ingepast en zo nodig omkeerbaar zijn. Door deze uitgangspunten te hanteren, kan een balans worden gevonden tussen het behoud van erfgoed en de functionele bruikbaarheid van monumenten.
2.4 subsidie In de Erfgoedwet zijn, evenals in de voorganger Monumentenwet 1988, de grondslagen voor subsidie ten behoeve van het behoud van cultureel erfgoed vastgelegd. Op basis hiervan worden onder andere subsidies en leningen voor rijksmonumenten verstrekt. De meest recente informatie over subsidieregelingen en laagrentende leningen is te vinden op de website www.monumenten.nl. Met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet is het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013 (Brim 2013) vervallen. Inhoudelijk zijn er echter geen wijzigingen voor de instandhoudings-subsidies. De Erfgoedwet (hoofdstuk 7) vormt nu de grondslag voor de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim). De bepalingen uit het Brim 2013 zijn overgenomen in de Erfgoedwet en de Sim. In het vervolg van deze nota wordt verder ingegaan op de financiering en subsidiemogelijkheden voor monumenten.
18
2.5 Stads- en dorpsgezichten De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 met betrekking tot beschermde stads- en dorpsgezichten zijn per 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet. Hoewel de terminologie is gewijzigd ("de aanwijzing" is vervangen door "een instructie"), blijft de bescherming inhoudelijk ongewijzigd. Volgens de begripsomschrijving zijn rijksbeschermde stads- of dorpsgezichten groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, of hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde. Binnen deze groepen bevinden zich vaak een of meerdere monumenten. Voorheen werden deze beschermde stads- of dorpsgezichten aangewezen door de ministers van OC&W en VROM. Op dit moment worden er geen nieuwe rijksbeschermde gezichten meer aangewezen. Bij aanwijzing van een stads- of dorpsgezicht was de gemeente verplicht een bestemmingsplan vast te stellen ter waarborging van de bescherming. Met de invoering van de Omgevingswet zijn deze beschermde bestemmingsplannen als 'bruidsschat' opgenomen in het tijdelijke omgevingsplan. De monumentenzorg ontwikkelt zich steeds meer van een objectgerichte naar een gebiedsgerichte benadering. De focus verschuift van afzonderlijke bouwwerken naar de historisch gegroeide omgeving als geheel.
Ook als een gemeente geen rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht kent, kunnen er waardevolle historische bebouwingsstructuren en ensembles aanwezig zijn. Het is daarom aan te bevelen hiermee rekening te houden in het gemeentelijke erfgoedbeleid en via het toekomstige omgevingsplan passende bescherming te regelen.
2.6 Archeologie
Inleiding Naast gebouwde monumenten kennen we ook archeologische monumenten. De omgang met archeologische monumenten was voorheen geregeld in de Monumentenwet 1988 en is in 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. Hierbij hebben enkele wijzigingen plaatsgevonden. Met de Erfgoedwet is de voormalige opgravingsvergunning van de minister van OCW vervangen door een wettelijke certificering van archeologische bedrijven. Alleen gecertificeerde bedrijven mogen opgravingen verrichten, waardoor de professionele uitvoering wordt gewaarborgd. Amateurarcheologen in verenigingsverband zijn in bepaalde gevallen vrijgesteld van de certificeringsplicht, bijvoorbeeld bij opgravingen op terreinen met beperkte archeologische waarden. De gemeente dient in dergelijke gevallen een besluit te nemen. Detector-amateurs mogen tot een diepte van 30 cm zoeken, maar niet binnen archeologische rijksmonumenten, op locaties met een archeologische bestemming of waar een gemeentelijk detectieverbod geldt. De voorwaarden voor vrijstellingen worden verder uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Achtergronden In 1992 werd in Valletta het Verdrag van Valletta (ook bekend als het Verdrag van Malta) ondertekend. Dit verdrag bevat Europese afspraken over archeologische bescherming, met als doel archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ te bewaren.
De gedachte hierachter is dat archeologische resten het beste behouden blijven in hun oorspronkelijke context en dat toekomstige technieken mogelijk meer informatie kunnen opleveren. Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, dient de bodemverstoorder de kosten voor archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen te dragen. Sinds het Verdrag van Malta wordt archeologisch beleid bij ruimtelijke ordening al structureel meegenomen. Dit beleid is inmiddels verankerd in de Wet op de archeologische monumentenzorg (WamZ) en andere wetgeving. Rijk, provincies en gemeenten hebben elk hun eigen verantwoordelijkheden. Het rijk stelt wet- en regelgeving op en biedt ondersteuning via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), waaronder het beheer van het centrale archeologische informatiesysteem Archis. De provincie kan via verordeningen sturen op archeologische bescherming. De Provincie Limburg heeft ervoor gekozen om geen dwingende verordening vast te stellen, maar via convenanten met gemeenten samen te werken. In het Provinciaal Omgevingsplan (POL) is vastgelegd dat archeologische waarden in aandachtsgebieden, zoals Graetheide, bewaard moeten blijven. De verantwoordelijkheid voor archeologie ligt primair bij gemeenten, die archeologische waarden in hun omgevingsplan moeten vastleggen. Dit heeft consequenties voor ruimtelijke inrichtingsprojecten en vergunningverlening.
Gemeenten moeten archeologische waarden onderzoeken, beleid formuleren en regie voeren op opgravingen.
19
Afweging van archeologische belangen Voor een zorgvuldige afweging van archeologische belangen is een gedetailleerde archeologische kaart wenselijk. Op basis van deze kaart kunnen archeologische waarden worden gewaardeerd en geselecteerd. De resultaten worden vastgelegd in gemeentelijk archeologiebeleid. De mogelijkheden zijn: Behoud in situ: Archeologische relicten blijven ter plaatse behouden, eventueel door aanpassing van bouwplannen. Behoud ex situ: Relicten worden opgegraven en verder onderzocht. De kosten zijn voor rekening van de bodemverstoorder. Geen behoud: Als archeologische waarden gering zijn of weinig toevoegen aan de kennis van het verleden, kan het verwijderen zonder nader onderzoek worden toegestaan, mits goed gemotiveerd. Archeologie in het omgevingsplan Archeologie wordt momenteel verankerd in het tijdelijke omgevingsplan, waarin alle op 31 december 2023 geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. Bij het opstellen van een definitief omgevingsplan dient de gemeenteraad opnieuw rekening te houden met archeologische waarden. De kosten voor opgravingen kunnen alleen vooraf worden verhaald op de veroorzaker. Om archeologie juridisch te borgen, is een handreiking opgesteld door de RCE. Hierin zijn planologische mogelijkheden en voorbeeldvoorschriften opgenomen voor archeologische bestemmingen.
Vergunningen en bevoegd gezag Gemeenten kunnen archeologische voorwaarden verbinden aan omgevingsvergunningen, mits deze juridisch verankerd zijn in het omgevingsplan. Zij zijn tevens bevoegd gezag en dienen programma’s van eisen voor archeologische onderzoeken goed te keuren en de uitgevoerde onderzoeken te controleren. Gemeentelijk archeologiebeleid en samenwerking Het ontwikkelen van archeologiebeleid is voor gemeenten onontkoombaar. Een te stringent beleid kan leiden tot onnodig hoge kosten voor burgers, terwijl een te vrijblijvend beleid tot aanzienlijke gemeentelijke kosten en schadeclaims kan leiden. Kleine gemeenten kunnen archeologische taken beter in regionaal verband organiseren om efficiënter te werken en kennis te bundelen. Periodieke actualisatie van het beleid blijft noodzakelijk om nieuwe inzichten te integreren.
20
ruimtelijke erfgoedzorg
21
22
3. ruimtelijke erfgoedzorg 3.1 ruimtelijk rijksbeleid In de afgelopen jaren is er veel veranderd in de erfgoedzorg. De focus is verschoven van de zorg voor afzonderlijke bouwwerken naar de zorg voor de historisch gegroeide omgeving en daarmee voor het cultuurhistorisch erfgoed als geheel. Deze verandering is voortgekomen uit vernieuwende inzichten over ruimtelijke ordening, ontwikkeld door deskundigen op het gebied van historische geografie, monumentenzorg, planologie en volkshuisvesting. Zowel de rijksoverheid als de provincie hebben hieraan een belangrijke bijdrage geleverd. Deze ontwikkelingen hebben ook gevolgen voor het lokale ruimtelijke beleid en staan bekend onder de term van objectgericht naar omgevingsgericht. Daarnaast heeft de monumentenzorg zich verbreed van louter het behoud van monumenten naar het integreren van monumenten en erfgoed binnen ruimtelijke ontwikkelingen. Dit wordt ook wel aangeduid als van conserverend naar ontwikkelend of behoud door ontwikkeling. Het Rijk heeft deze transitie gestimuleerd met de beleidsnota Belvedere (1999) en verder uitgewerkt in één van de drie pijlers van de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) (2009).
3.1.1 Belvedere In 1999 is de rijksnota Belvedere geïntroduceerd, die een vernieuwende visie biedt op de relatie tussen ruimtelijke ordening en cultuurhistorie. Traditioneel staan deze twee disciplines vaak tegenover elkaar: cultuurhistorie richt zich op het beschermen van het verleden, terwijl ruimtelijke ordening zich richt op het ontwerpen van de toekomst. Om deze kloof tussen verleden en toekomst te overbruggen, hebben de toenmalige ministeries van OCW, LNV, VROM en V&W de Nota Belvedere opgesteld. Hoewel de beleidsperiode van Belvedere al geruime tijd is afgerond, blijven de uitgangspunten van kracht en zijn deze geïntegreerd in andere landelijke beleidsnota’s en wetgeving. De essentie van Belvedere is het verbinden van cultuurhistorie en ruimtelijke ordening, waarbij beide elkaar versterken via een ontwikkelingsgerichte benadering. Het uitgangspunt is de ruimtelijke dynamiek die kenmerkend is voor Nederland. Daarbij wordt onderzocht hoe cultuurhistorie de ruimtelijke inrichting kan verrijken en vice versa. Cultuurhistorie moet niet als een op zichzelf staand element buiten het economisch verkeer worden geplaatst, maar er juist onderdeel van uitmaken en eraan bijdragen. Om deze visie te realiseren, is een integrale benadering van het cultureel erfgoed (archeologie, gebouwde monumentenzorg en historisch landschap) noodzakelijk.
Daarnaast moet de nadruk liggen op een ontwikkelingsgerichte aanpak, waardoor een nieuwe balans ontstaat tussen behoud en ontwikkeling. Het motto van Belvedere is dan ook: behoud door ontwikkeling. Deze ontwikkelingsgerichte benadering biedt de mogelijkheid om cultuurhistorie niet als een beperking, maar juist als een kans te zien. Het beleid is erop gericht cultuurhistorie als inspiratiebron voor ruimtelijke planvorming te benutten. Zo wordt voorkomen dat Nederland eenvormig wordt en dat de eigen identiteit van steden, dorpen en regio’s verloren gaat. Cultureel erfgoed draagt bij aan de identiteit die mensen ontlenen aan een gebied en fungeert als inspiratiebron en kwaliteitsimpuls voor ruimtelijke ontwikkelingen.
3.1.2. modernisering monumentenzorg (MoMo)
In de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg werd gepleit voor het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening. Om de borging van cultuurhistorie binnen de ruimtelijke ordening verder vorm en inhoud te geven, moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met cultuurhistorische waarden. Dit betekent dat gemeenten een analyse moeten uitvoeren van de cultuurhistorische waarden in het gebied waarvoor een omgevingsplan wordt opgesteld. Op basis van deze analyse moeten zij conclusies trekken en deze verankeren in het omgevingsplan.
3.1.3. Nationale omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze vaststelling was noodzakelijk in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) uit 2012. Dit beleid werd vastgesteld om te zorgen voor één geïntegreerde Rijksvisie op de leefomgeving als onderdeel van de Omgevingswet. Met de NOVI biedt het Rijk een langetermijnvisie op de ontwikkeling en toekomst van de Nederlandse leefomgeving tot 2050. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dragen samen de
23
verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving. Sommige opgaven en belangen overstijgen echter het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit worden nationale belangen genoemd. Het Rijk heeft een systeemverantwoordelijkheid voor al deze belangen. Voor sommige belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk, terwijl voor andere nationale belangen de medeoverheden verantwoordelijk zijn. De NOVI richt zich op ontwikkelingen waarbij meerdere nationale belangen samenkomen en waarbij in samenhang keuzes moeten worden gemaakt. In de visie worden 21 nationale belangen benoemd die moeten worden gewaarborgd in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Dit omvat onder andere het behoud en de versterking van cultureel erfgoed en landschappelijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Het Nederlandse landschap is een essentieel onderdeel van de nationale identiteit. Daarom moet het belang van het landschap sterker worden meegewogen in toekomstige ruimtelijke keuzes, en moeten verrommeling en versnippering worden voorkomen. Andere belangrijke keuzes in de NOVI: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte creëren voor de overgang naar een circulaire economie; Woningbouw stimuleren binnen een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; Landgebruik beter in balans brengen met natuurlijke systemen.
In de Uitvoeringsagenda bij de NOVI wordt toegelicht hoe het Rijk deze visie in de praktijk wil brengen. Naast de bestaande instrumenten van de Omgevingswet worden nieuwe instrumenten en programma’s ingezet, zoals: Programma Energiehoofdstructuur; Programma Gezonde Leefomgeving; Nationaal Programma Landelijk Gebied. Daarnaast beschrijft de uitvoeringsagenda hoe de NOVI wordt vertaald naar regionale beleidsplannen. Voor bepaalde gebieden waar grote en urgente ruimtelijk-fysieke opgaven samenkomen, is een meerjarige en vernieuwende aanpak vereist. Het Rijk stelt hiervoor extra capaciteit en middelen beschikbaar en werkt samen met andere overheden aan een integrale aanpak. Deze gebieden worden aangewezen als NOVI-gebieden, zoals de Peel en Zuid-Limburg. Hoewel de NOVI zelfbindend is voor het Rijk, stimuleert de rijksoverheid provincies en gemeenten om bij het opstellen van hun eigen omgevingsvisies rekening te houden met de uitgangspunten van de NOVI.
3.1.4. Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet bundelt de regels voor ruimtelijke projecten met als doel om dergelijke projecten eenvoudiger en sneller te kunnen starten. Een van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving samenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Voor gemeenten betekent dit de invoering van het omgevingsplan. Dit plan bevat een integraal en samenhangend geheel van regels die gelden voor een specifieke locatie.
3.2 provinciaal ruimtelijke beleid Naast het Rijk voert ook de provincie al lange tijd een actief beleid op het gebied van planologische erfgoedzorg
3.2.1.Provinciale Omgevingsplan (POVI) In dit kader heeft de provincie Limburg in april 2021 de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg vastgesteld. Ook deze vaststelling was noodzakelijk in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op het gebied van cultuurhistorie en landschap sluit de Provinciale Omgevingsvisie Limburg grotendeels aan bij het eerder vastgestelde ruimtelijke beleid uit het POL2014. In de ontwerp-POVI zijn de Bronsgroene landschapszone en de Zilvergroene natuurzone uit het POL2014 samengevoegd tot de Groenblauwe mantel. De Goudgroene natuurzone is hernoemd tot het Natuurnetwerk. De provincie zet zich samen met eigenaren, het Rijk en gemeenten in voor het behoud en de herbestemming van zowel religieuze als niet-religieuze beschermde monumenten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk rekening gehouden met het behoud van monumenten. Hierbij kijkt de provincie niet alleen naar het monument zelf, maar ook naar de omgeving en het erfgoedensemble als geheel. De provincie beschouwt de vrijetijdseconomie als een belangrijke economische pijler van Limburg. Voor een florerende vrijetijdseconomie zijn de kwaliteit van landschap en natuur en de aantrekkelijkheid van
24
steden en dorpen van groot belang. De provincie streeft naar een evenwichtige balans tussen de beleving en bescherming van landschap, natuur en erfgoed, waarbij zowel toeristen en recreanten als inwoners worden betrokken. De provincie wil al in een vroeg stadium betrokken zijn bij het afwegingsproces rondom ruimtelijke ontwikkelingen. Dit draagt bij aan de totstandkoming van integrale ontwerpen. Daarnaast speelt de provincie een verbindende rol bij de uitvoering van het programma Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De provincie blijft zich inzetten voor het behoud, beheer, ontwikkeling en beleefbaarheid van de kernkwaliteiten van dit beschermde landschap, evenals voor andere kwetsbare gebieden. De Groenblauwe mantel, zoals opgenomen in de POVI, omvat onder andere het Maasdal en de cultuurhistorisch waardevolle beekdalen. Deze gebieden fungeren vaak als bufferzones en verbindingsgebieden tussen bestaande natuurgebieden en bevatten een mix van extensieve landbouw, monumenten, kleinschalige landschapselementen en waterlopen. Binnen de Limburgse regio’s bestaan grote verschillen in agrarische en landschappelijke structuren en de interactie daartussen. In Zuid-Limburg heeft de grondgebonden land- en tuinbouw van oudsher sterk bijgedragen aan het onderhoud en de ontwikkeling van het karakteristieke cultuurlandschap.
Dit erfgoed is uniek binnen Nederland, mede door bijzondere bouwstijlen zoals de vakwerkboerderijen en carréboerderijen met kasteelachtige uitstraling. Het beheer en behoud van deze landschaps- en cultuurwaarden is essentieel en vereist de ontwikkeling van nieuwe verdienmodellen.
3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 In 2021 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld. Deze verordening bevat de juridische regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit de POVI bindend te maken en die in acht moeten worden genomen bij het opstellen van onder andere omgevingsplannen. De omgevingsverordening bevat bepalingen over de bescherming en versterking van kernkwaliteiten in de NOVEX-gebieden De Peel en Zuid-Limburg, evenals de in de POVI aangegeven natuurnetwerken. Voor wat betreft de landschappelijke kernkwaliteiten gaat het onder andere om: Behoud van het reliëf Het open-besloten karakter Het groene karakter Behoud van cultuurhistorisch erfgoed Hoewel de Omgevingsverordening Limburg in 2021 is vastgesteld, treedt deze pas in werking op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, wat op 1 januari 2024 is gebeurd. De thema’s in de nieuwe omgevingsverordening komen grotendeels overeen met die uit de oude verordening uit 2014. De Omgevingsverordening Limburg 2014 richtte zich al op het behoud en de duurzame herbestemming van monumenten en beeldbepalende gebouwen. Daarbij werd niet alleen gekeken naar het monument of gebouw zelf, maar ook naar de samenhang met de cultuurhistorische waarden in de omgeving—het zogeheten erfgoedensemble.
3.3 lokaal en ruimtelijk beleid Het Rijk en de provincie hebben een belangrijke sturende en richtinggevende rol, maar de uitvoering van de planologische erfgoedzorg ligt op gemeentelijk niveau. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de bestuurlijke verhoudingen gewijzigd en hebben gemeenten meer autonome bevoegdheden gekregen. Desondanks zullen de Limburgse gemeenten hun ruimtelijk beleid grotendeels moeten blijven afstemmen op de uitgangspunten van het Rijk en de provincie. 3.3.1 Instrumenten voor lokale ruimtelijke erfgoedzorg. Een van de belangrijkste instrumenten om cultuurhistorische waarden zorgvuldig in kaart te brengen, is een cultuurhistorisch onderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan het opstellen van een ruimtelijk plan. Afhankelijk van de aard van het ruimtelijke plan kan dit onderzoek bestaan uit: Een globale cultuurhistorische verkenning voor de gehele gemeente Een gedetailleerd onderzoek voor de invulling of realisatie van een concreet projectgebied Dit onderzoek brengt in kaart welke waarden bepalend zijn voor de kwaliteit en identiteit van het gebied. Daarnaast biedt het inzicht in de kansen en risico’s die bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen. Naast cultuurhistorisch onderzoek hebben ook andere gemeentelijke beleidsvelden, zoals groen- en landschapsbeleid en welstandsbeleid, raakvlakken met cultureel erfgoed.
In de toekomst worden al deze beleidsterreinen samengebracht in het definitieve omgevingsplan.
25
3.3.1 instrumenten voor lokale ruimtelijke erfgoedzorg Een van de instrumenten om de cultuurhistorische waarden op een zorgvuldige wijze in beeld te brengen is een cultuurhistorisch onderzoek, dat voorafgaande aan het opstellen van een ruimtelijk plan wordt gemaakt. Afhankelijk van de aard van het ruimtelijke plan kan ofwel een globale cultuurhistorische verkenning voor de gehele gemeente of een gedetailleerd onderzoek plaatsvinden voor de invulling of realisatie van een concreet projectgebied. Op basis van het onderzoek moet blijken welke waarden bepalend zijn voor de specifieke kwaliteit en identiteit van het gebied en kan worden aangegeven welke kansen en risico’s bij de ontwikkeling van het gebied aan de orde zijn. Ook ander gemeentelijk beleid zoals groen- en landschapsbeleid en welstandsbeleid hebben raakvlakken met het cultureel erfgoed. Al deze beleidsterreinen worden straks in het definitieve omgevingsplan bij elkaar gebracht.
3.3.2 bestemmings- en omgevingsplan Voorheen was het bestemmingsplan het belangrijkste juridische instrument voor het reguleren van ruimtelijke ontwikkelingen in cultuurhistorisch waardevolle gebieden. Hoewel het afwegen van cultuurhistorische belangen al verplicht was, maakten veel gemeenten onvoldoende gebruik van de mogelijkheden van het bestemmingsplan om erfgoed te beschermen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 kan de bescherming van ruimtelijk erfgoed uitsluitend nog via het omgevingsplan plaatsvinden. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om een definitief omgevingsplan op te stellen waarin ook ruimtelijk cultuurhistorisch erfgoed wordt verankerd. Aangezien het proces van inventarisatie, selectie, beschrijving en bescherming van erfgoed tijd vergt, wordt gemeenten zonder een volledig inzicht in hun ruimtelijk erfgoed geadviseerd om tijdig te beginnen met dit proces. Dit stelt hen in staat om afgewogen keuzes te maken over de bescherming van erfgoed.
26
autonome erfgoedzorg
27
28
4. autonome erfgoedzorg 4.0 inleiding In de voorgaande hoofdstukken is met name aandacht besteed aan de taken die de gemeente vanuit haar wettelijke verplichtingen (de zogenaamde medebewindstaken) moet uitvoeren. Dit hoofdstuk richt zich op de autonome, vrijwillige erfgoedzorg. Sinds de decentralisatie van de Monumentenwet in 1988 ligt de verantwoordelijkheid voor objectgerichte monumentenzorg primair bij de gemeenten. Om deze bevoegdheden te verkrijgen, moesten gemeenten een Monumentenverordening vaststellen, waarin onder andere de inschakeling van een adviescommissie werd geregeld. Veel gemeenten kozen ervoor om de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over te nemen. Deze decentralisatie en de invoering van de monumentenverordening vormden voor veel gemeenten de aanleiding om een autonoom monumentenbeleid te voeren. Een belangrijk speerpunt hiervan was de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.