CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

12. Bijlage 2 Landelijke ontwikkelingen

Commissie BZ-MID-GGZ 29 januari 2026, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel 26-06 Erfgoedvisie 2025-203111.902 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.1 Gemeentelijke monumenten- of erfgoedverordening Bij de decentralisatie van de monumentenzorg heeft de VNG een modelverordening opgesteld, waarin ook een aantal autonome bevoegdheden van gemeenten zijn geregeld. In eerste instantie richtte deze verordening zich vooral op de aanwijzing van gemeentelijke monumenten, maar later is de bescherming van erfgoed verbreed. Dit omvat nu ook:  Groen- en landschapselementen  Archeologische monumenten  Beschermde stads- en dorpsgezichten  Roerende cultuurgoederen (met de komst van de Erfgoedwet) Daarnaast fungeerde de erfgoedverordening als vangnet voor de archeologische monumentenzorg. In gevallen waarin bestemmingsplannen geen archeologische bescherming bevatten, werd teruggevallen op de archeologische bepalingen uit de erfgoedverordening. Hierdoor konden ruimtelijke initiatieven alsnog worden getoetst aan de archeologische beleidskaart. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de bescherming van onroerend cultureel erfgoed (zoals rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten) overgegaan in het gemeentelijke omgevingsplan. Zodra een definitief omgevingsplan is vastgesteld, is een aparte erfgoedverordening voor onroerend erfgoed niet meer noodzakelijk. Op dit moment geldt echter nog een tijdelijk omgevingsplan, waarin de bestaande Erfgoedverordening als ‘bruidsschat’ is opgenomen.

Hierdoor behouden gemeenten de bevoegdheid om gemeentelijk erfgoed aan te wijzen, zolang het definitieve omgevingsplan nog niet is vastgesteld. Om die reden hebben veel gemeenten hun erfgoedverordening nog vlak voor de invoering van de Omgevingswet herzien. In de toekomst zal de aanwijzing van gemeentelijk erfgoed volledig via het definitieve omgevingsplan verlopen. Een erfgoedverordening kan echter in aangepaste vorm blijven bestaan voor de bescherming van roerende cultuurgoederen en collecties.

4.2 Subsidie Gemeenten hebben de vrijheid om subsidies te verstrekken ter ondersteuning van eigenaren bij de instandhouding van rijks- of gemeentelijk erfgoed. De mogelijkheden hiervoor worden verder uitgewerkt in hoofdstuk financiële erfgoedzorg.

29

30

financiële erfgoedzorg

31

32

5. financiële monumentenzorg 5.0 inleiding Uitgaande van de gedachte dat de monumenteneigenaar gecompenseerd moet worden voor het verlies van "vrijheid" ten gevolge van de aanwijzing van zijn pand tot rijksmonument, zijn bij de invoering van de Monumentenwet in de jaren ’60 van de vorige eeuw compensatieregelingen in het leven geroepen in de vorm van subsidieregelingen en fiscale aftrek voor het onderhoud aan monumentenpanden. Vanuit de traditionele monumentenzorg bestond de subsidieregeling met name uit een tegemoetkoming in de restauratiekosten van een monument. Daarnaast werden voor bepaalde categorieën monumenten tegemoetkomingen in het onderhoud van monumenten ingesteld. Het accent van de subsidieregelingen lag echter grotendeels op de restauratie van rijksmonumenten. In de loop der jaren is hierin verandering gekomen. Het accent ligt momenteel vooral op planmatig onderhoud van rijksmonumenten.

5.1 rijkssubsidies 5.1.1 Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (SIM) Eigenaren van rijksmonumenten die (oorspronkelijk) geen woonhuis zijn, kunnen in het kader van de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (SIM) een subsidie van 60% van de subsidiabele kosten krijgen voor onderhoud aan hun monument. Het gaat om sober en doelmatig onderhoud over een periode van zes jaar, op basis van een instandhoudingsplan. Indien de onderhoudskosten belastingtechnisch kunnen worden afgetrokken, bedraagt het subsidiepercentage maximaal 40%. De regeling staat open voor:  Kerkgebouwen en kerkelijke dienstwoningen die als zodanig in gebruik zijn  Kastelen  Landhuizen en de hoofdhuizen van een buitenplaats  Gebouwen van liefdadigheid  Molens of gemalen  Agrarische gebouwen  Watertorens  Gebouwen die deel uitmaken van een geregistreerd museum De maximale subsidiabele kosten bedragen 3% van de herbouwwaarde van het monument. Er geldt een ondergrens voor subsidies van €3.000. Dit betekent dat kleinere rijksmonumenten met een herbouwwaarde onder de €200.000 buiten de boot vallen, omdat de maximale subsidie onder de subsidiedrempel blijft. Kleine, veelal onrendabele rijksmonumenten, zoals wegkapellen, zijn hiervan de dupe. Ook door het Rijk aangewezen archeologische monumenten en groenmonumenten kunnen voor subsidie in aanmerking komen.

Aanvragen kunnen jaarlijks tussen 1 februari en 31 maart worden ingediend. Uit ervaring blijkt dat het budget voor gebouwde rijksmonumenten meestal wordt overvraagd. In dat geval wordt voorrang gegeven aan rijksmonumenten die deel uitmaken van een werelderfgoed of eigendom zijn van professionele organisaties voor monumentenbehoud. Daarna worden de aanvragen met de laagste kosten gehonoreerd. Het indienen van een aanvraag betekent dan ook niet automatisch dat er een subsidie wordt verleend.

5.1.2 Rijksmonumenten met een woonfunctie Tot 2018 konden particuliere eigenaren van rijksmonumenten de restauratie- en onderhoudskosten aan hun monument via de inkomstenbelasting fiscaal aftrekken. Daarnaast bestond de mogelijkheid om een laagrentende lening aan te vragen bij het Nationaal Restauratiefonds (NRF), waarbij de fiscaal aftrekbare kosten de hoogte van de lening bepaalden. Per 1 januari 2019 is de aftrekbaarheid van onderhoudskosten voor monumentenpanden vervangen door een subsidieregeling. De woonhuiseigenaar kan kiezen tussen deze subsidieregeling of een laagrentende lening. De minister van OCW heeft een conceptbeleidskader gepubliceerd voor de subsidieregeling voor de instandhouding van woonhuizen die als rijksmonument zijn aangewezen. De subsidie bedraagt 38% van de subsidiabele kosten. Bij overschrijding van het subsidieplafond wordt het subsidiepercentage verlaagd. Dit lijkt op dit moment niet aan de orde. Wanneer het beschikbare bedrag in een jaar niet wordt opgemaakt, wordt het restant toegevoegd aan de subsidiepot voor het volgende jaar.

33

Een aanvraag moet worden ingediend in de periode van 1 maart tot en met 30 april van het kalenderjaar na het jaar waarin de kosten zijn gemaakt. Uit de factuur moet blijken in welk jaar de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Per jaar kan per eigenaar-bewoner maximaal één aanvraag worden ingediend. Bij aanvragen van meer dan €70.000 aan kosten moet een inspectierapport worden toegevoegd. Dit rapport moet een adequate beschrijving bevatten van de staat van het rijksmonument voorafgaand aan de werkzaamheden waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

5.1.3 Restauratiesubsidie rijksmonumenten Er zijn geen structurele regelingen meer voor de restauratie van rijksmonumenten. Subsidies worden op basis van incidentele regelingen verstrekt. De laatste regeling voor restauratie van rijksmonumenten liep af in 2020. Momenteel kent de Rijksdienst dus geen restauratieregeling. Daarnaast heeft het Rijk ervoor gekozen om een deel van het restauratiebudget onder te brengen bij de provincies. Iedere provincie ontvangt jaarlijks een bedrag van het Rijk voor restauratiewerkzaamheden aan rijksmonumenten. Aan deze budgetten zijn geen voorwaarden verbonden. De provincies mogen zelf beleid ontwikkelen over de wijze waarop zij dit geld verdelen. Meer hierover staat in de paragraaf provinciale subsidies.

5.1.4 Herbestemming monumenten In de beleidsbrief "Modernisering Monumentenzorg" werd gepleit voor het bevorderen van herbestemming. Onze leefomgeving transformeert voortdurend. Met het veranderen van onze maatschappij veranderen ook leefstijlen en het ruimtegebruik. Dit heeft gevolgen voor gebouwen, complexen, terreinen en landschappen, die hun functie en daarmee hun gebruik kunnen verliezen. Wanneer vervolgens het verval toeslaat, kunnen belangrijke cultuurhistorische waarden verloren gaan. We moeten meebewegen met ontwikkelingen in de maatschappij. Het beleid in de derde pijler van de MoMo is erop gericht gebouwen tegen verloedering te beschermen en rust, ruimte en tijd te bieden om plannen te ontwikkelen en financiers te vinden. De Subsidieregeling stimulering herbestemming monumenten bevordert een duurzaam gebruik van monumenten en van gebouwen met een cultuurhistorische waarde. De regeling is bedoeld voor monumenten waarvoor een nieuwe functie lastig te vinden is, die langere tijd leeg staan en daardoor snel achteruitgaan. De subsidie geldt zowel voor rijksmonumenten als voor gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen zonder monumentale status. Voor gebouwen zonder monumentenstatus moet het college van burgemeester en wethouders in een verklaring aangeven dat het de bijzondere cultuurhistorische waarde van het bouwwerk erkent.

Haalbaarheidsonderzoek Om de herbestemming van het monument te bevorderen, bestaat de mogelijkheid om subsidie te krijgen voor een haalbaarheidsonderzoek. Dit onderzoek kan bestaan uit:  De bouwhistorische en cultuurhistorische kenmerken en de functies die daar het best bij passen.  De bouwkundige staat van het monument.  De mogelijke nieuwe functies van het monument. Dit kan worden onderzocht via een marktverkenning, bureauonderzoek, een vlekkenplan of ontwerpschetsen ter inspiratie.  De financiële haalbaarheid van de herbestemming. Hiermee krijgt u een globaal beeld van noodzakelijke investeringen of inzicht in de toekomstige exploitatie. Per aanvraag geldt een minimumbedrag aan subsidiabele kosten van € 10.000 en een maximum van € 15.000. Bij de subsidieverlening wordt een subsidiepercentage van 70% gehanteerd. Voor gelijktijdig onderzoek naar verduurzaming van het gebouw geldt een maximaal bedrag van € 4.000 per aanvraag. Wind- en waterdichtmaatregelen Daarnaast bestaat de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor noodmaatregelen die een gebouw beschermen tegen weersinvloeden. Ook maatregelen om het gebouw te behoeden voor verzakking of instorting worden gesubsidieerd.

Het gaat nadrukkelijk om tijdelijke en sobere maatregelen, zoals het dichttimmeren van kapotte ramen, het oplappen van dakbedekking, noodafdichtingen met zeilen of golfplaten, het ontstoppen van hemelwaterafvoeren en het stutten van aangetaste constructies. De subsidie voor het wind- en waterdicht maken kan alleen worden aangevraagd indien er ook subsidie is aangevraagd voor een haalbaarheidsstudie of als een dergelijk onderzoek in de afgelopen twee jaar heeft plaatsgevonden. Per aanvraag geldt een minimumbedrag aan subsidiabele kosten van €

34

10.000 en een maximum van € 50.000. Bij de subsidieverlening wordt bovendien een subsidiepercentage van 70% gehanteerd. Aanvraag Subsidie kan jaarlijks worden aangevraagd van 1 oktober t/m 30 november. In de afgelopen jaren waren er telkens meer aanvragen dan er budget beschikbaar was. In dat geval krijgen de aanvragen van professionele organisaties voor monumentenbehoud voorrang ten opzichte van de overige aanvragers. Binnen de categorie overige aanvragers krijgen de aanvragers waarvoor de laagste subsidie wordt gevraagd voorrang.

5.2 Provinciale subsidies Limburg heeft 5.339 rijksmonumenten en bijna evenveel gemeentelijke monumenten. De provincie Limburg ziet in haar recente beleidskader 2024-2027, Cultuur en erfgoed voor iedereen, het behoud van erfgoed voor huidige en toekomstige generaties als een van de speerpunten van beleid. Dit betreft erfgoed in materiële zin, zowel boven als onder de grond, evenals immaterieel erfgoed. In haar beleidskader schrijft de provincie: "Dat erfgoed onderdeel uitmaakt van onze leefomgeving wordt door de komst van de Omgevingswet alleen maar bevestigd. Erfgoed is binnen deze wet een van de pijlers van onze leefomgeving. Dat betekent dat erfgoed integraal wordt meegenomen in alle ontwikkelingen die zich voordoen binnen onze leefomgeving. Erfgoed is namelijk van cruciaal belang voor de leefbaarheid in heel Limburg. Daarom zetten wij in op het behoud van ons erfgoed." Het is helaas een feit dat, hoewel de provincie het erfgoed als 'van cruciaal belang' beschouwt, de subsidieregelingen en bijbehorende budgetten steeds schaarser, complexer en moeilijker bereikbaar worden. "

5.2.1 Aanvullende subsidie instandhouding monumenten

Recent heeft de provincie opnieuw de Monalisaregeling vastgesteld. Hierdoor kunnen eigenaren van kerkgebouwen, molens en groenmonumenten tot eind 2028 een subsidie van 15% ontvangen voor de instandhouding van hun rijksmonument. De subsidie bedraagt maximaal € 60.000 en is gekoppeld aan de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten (SIM). Onlangs is het subsidiepercentage van het Rijk met 10% verlaagd. Daarnaast verstrekken steeds meer gemeenten geen aanvullende subsidie meer voor het onderhoud van onrendabele rijksmonumenten. Hierdoor worden kerkbesturen en stichtingen die eigenaar zijn van molens plotseling geconfronteerd met een aanzienlijk hogere eigen bijdrage. Waar voorheen een eigen bijdrage van 10% gold, moet de eigenaar nu 35% tot 45% van de onderhoudskosten zelf bekostigen. Dit is problematisch, aangezien veel kerken en onrendabele monumenten al kampen met een negatieve exploitatie. Een gemeentelijke subsidiebijdrage voor onrendabele rijksmonumenten blijft daarom essentieel om het voortbestaan van deze monumenten te waarborgen.

5.2.2 klein erfgoed en archeologie Tot voor kort had de provincie een ruimhartige subsidieregeling voor klein erfgoed, zoals wegkruisen, kapellen, bakhuizen, beelden en gedenkstenen, evenals voor archeologie. Deze regeling is per 31 december 2024 komen te vervallen. We gaan er echter vanuit dat de provincie een nieuwe regeling voor deze categorie Limburgs erfgoed zal opzetten.

5.2.3 Grootschalige restauraties Daarnaast kent de provincie een regeling voor urgente, grootschalige restauraties van zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten. De provincie ontvangt jaarlijks €1,9 miljoen van het Rijk om te verdelen onder restauratieopgaven binnen de provincie. De nadruk ligt echter vooral op grote restauratieprojecten. Er is een regeling voor kerken en overige monumenten, mits deze geen woonhuis zijn. Voor kerken kan een subsidie van 50% van de subsidiabele restauratiekosten worden verkregen. Een nadeel van deze regeling is dat de minimale restauratiekosten €200.000 moeten bedragen. Dit betekent dat bij een noodzakelijke deelrestauratie, bijvoorbeeld van een dak met restauratiekosten van €150.000, geen subsidie wordt verstrekt. Veel kerken hebben momenteel al moeite om financieel rond te komen, laat staan om een restauratie van €150.000 of meer te bekostigen. Voor urgente restauraties van overige monumenten geldt een regeling waarbij 40% subsidie van de vastgestelde subsidiabele restauratiekosten kan worden verkregen. De minimale subsidie bedraagt €32.000 en de maximale subsidie €400.000.

35

5.3 Herbestemming en alternatieve financieringsmogelijkheden De hedendaagse monumentenzorg streeft naar een functioneel gebruik van monumenten, omdat dit de beste garantie biedt voor hun instandhouding. Wanneer reguliere financieringsinstrumenten niet toereikend zijn, moet worden gezocht naar alternatieve mogelijkheden om restauratie en instandhouding te financieren. In dat geval zullen de restauratiekosten uit de toekomstige exploitatie van de herbestemming moeten worden gedekt. Er moet dus worden gezocht naar een rendabele bestemming. Dit is echter niet in alle gevallen mogelijk. In zulke situaties kan het monument bijvoorbeeld worden betrokken in een groter (woningbouw)project, waardoor de onrendabele kosten van de restauratie aan het grotere project kunnen worden toegerekend. Vaak worden restauraties van monumenten gerealiseerd door middel van bijdragen van verschillende partijen, zoals aangewezen organisaties voor monumentenbehoud, woningstichtingen of projectontwikkelaars. Verschillende vormen van publiek-private samenwerking (PPS) blijken mogelijk bij restauratie, onderhoud en exploitatie van monumenten. Zo kunnen afspraken worden gemaakt tussen publieke en private partijen, bijvoorbeeld in de vorm van onderhouds- en exploitatieovereenkomsten.

36

cultuurtoerisme, erfgoededucatie voorlichting en communicatie

37

38

6. cultuurtoerisme, participatie educatie, voorlichting en communicatie 6.0 het verdrag van Faro en inleiding Het Verdrag van Faro is een kaderverdrag van de Raad van Europa dat werd aangenomen in 2005 in de Portugese stad Faro. Het richt zich op de maatschappelijke waarde van cultureel erfgoed en benadrukt dat erfgoed een recht is van iedereen. Het verdrag moedigt burgers aan om actief deel te nemen aan het behoud en beheer van erfgoed en erkent dat erfgoed een belangrijke rol speelt in duurzame ontwikkeling en sociale cohesie. De belangrijke principes van het Verdrag van Faro: 1. Mensenrecht: Iedereen heeft het recht om zijn of haar cultureel erfgoed te waarderen en eraan deel te nemen. 2. Burgerparticipatie: Niet alleen overheden, maar ook burgers en gemeenschappen spelen een cruciale rol in het behoud en gebruik van erfgoed. 3. sociale en economische factor: Erfgoed draagt bij aan maatschappelijke ontwikkeling, toerisme en werkgelegenheid. 4. inclusiviteit en diversiteit: Het verdrag erkent dat erfgoed niet statisch is, maar gevormd wordt door diverse perspectieven en gemeenschappen. 5. duurzaamheid et behoud van erfgoed moet samengaan met ecologische en sociale duurzaamheid. Nederland heeft het verdrag nog niet geratificeerd, maar er wordt al wel gewerkt volgens de principes ervan.

De Nederlandse overheid stimuleert burgerinitiatieven en participatie in erfgoedzorg, bijvoorbeeld via lokale erfgoedprojecten en open monumentendagen. Ook is het besef van cultuur en historie in algemene zin de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen. Doordat steeds meer mensen hun vrije tijd in hun directe woon- en leefomgeving doorbrengen, groeit ook de aandacht voor de kwaliteit van die omgeving. De belevingswaarde van een gebied is een belangrijke factor voor mensen om zich daar te vestigen. De identiteit van een dorp of stad wordt grotendeels bepaald door het culturele erfgoed, dat een essentieel onderdeel vormt van deze identiteit. Daarnaast heeft het hogere opleidingsniveau bijgedragen aan een toenemende interesse in cultureel erfgoed. Deze groeiende belangstelling is ook economisch relevant, aangezien zij een belangrijke impuls geeft aan cultuurtoerisme en recreatie.

6.1 cultuurtoerisme Cultureel erfgoed wordt inmiddels erkend als een belangrijke economische factor. Het biedt grote mogelijkheden voor recreatie en toerisme. In de afgelopen 25 jaar is de belangstelling voor cultuur en cultuurhistorie onder de Nederlandse bevolking gestegen. Dit komt onder meer tot uiting in de groei van het binnenlandse toerisme, waarin cultuurhistorie een belangrijke economische rol speelt. Door het stijgende opleidingsniveau en de veranderende bevolkingssamenstelling wordt een verdere groei verwacht.Het verleden voegt belevingswaarde toe aan historische steden, dorpen en landschappen. De aantrekkingskracht van historische bebouwing is niet beperkt tot cultuurtoeristen; ook winkelend publiek voelt zich hierdoor aangetrokken. Monumenten zijn meer dan alleen stenen gebouwen: de omgeving waarin ze staan, draagt bij aan hun uitstraling. Daarom is het van belang om het historische erfgoed te koesteren en waar nodig beter te benutten en te ontwikkelen. Ook het cultuurhistorische landschap heeft aantrekkingskracht op toeristen en recreanten. Dit landschap biedt kansen voor kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie. Steeds vaker zijn boeren actief in groene recreatie en agrotoerisme. Het platteland, met zijn rust en ruimte, biedt verrassende en onontdekte plekken. Voor de agrarische sector ontstaan hierdoor interessante mogelijkheden.

Historische boerderijen die economisch niet langer rendabel zijn als landbouwbedrijf, kunnen behouden blijven door een nieuwe bestemming te krijgen, zoals bed & breakfasts, vakantieappartementen of groepsaccommodaties. Erfgoed kan bovendien effectief bijdragen aan toeristisch beleid, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van wandel- en fietsroutes langs historische locaties.

6.2 voorlichting en communicatie Een van de belangrijkste aspecten van erfgoedbeleid is de voorlichting en communicatie met diverse betrokken partijen, zoals monumenteneigenaren, architectenbureaus, aannemers, makelaars en gemeentelijke organisaties. Voorlichting is essentieel om draagvlak te creëren voor cultuurhistorie en monumentenzorg, en om deze partijen wegwijs te maken in de complexe regelgeving en procedures rondom erfgoedbeheer.

39

6.2.1 monumenteigenaren Monumenteneigenaren gaan er vaak ten onrechte van uit dat de monumentale status van hun pand uitsluitend beperkingen met zich meebrengt en de verkoopwaarde negatief beïnvloedt. Goede communicatie en voorlichting kunnen deze misvattingen wegnemen en bijdragen aan een betere instandhouding van monumenten. Erfgoed Nederland heeft onderzoek gedaan naar de communicatie tussen gemeenten en monumenteneigenaren. Dit heeft geleid tot een communicatiehandleiding. Veel eigenaren zijn niet op de hoogte van de rechten en plichten die de monumentstatus met zich meebrengt. Informatieavonden kunnen helpen om eigenaren te informeren over wet- en regelgeving, restauratiemogelijkheden en subsidies. Persoonlijk contact via bijeenkomsten of een rondgang langs monumenten kan bijdragen aan wederzijds begrip en een beter onderhoud van het erfgoed. Daarnaast heeft de gemeente, als gevolg van de decentralisatie van de Monumentenwet, een loketfunctie voor monumenteneigenaren. Via internettoepassingen kan de eigenaar op elk gewenst moment informatie verkrijgen over procedures en financiële mogelijkheden. Platforms zoals monumenten.nl bieden een eerste oriëntatie, maar uiteindelijk blijft maatwerkadvies in een persoonlijk gesprek noodzakelijk.

6.2.2 professionals Ook professionals zoals architecten, makelaars en notarissen moeten beschikken over de juiste informatie. Een gemeentelijke lijst met rijks- en gemeentelijke monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten kan raadpleegbaar worden gemaakt op de website. Dit voorkomt vragen en onnodige belasting van de gemeentelijke organisatie. Architecten hebben vaak behoefte aan specifieke en op maat afgestemde informatie. Hoewel sommige architecten gespecialiseerd zijn in monumentenzorg, worden veel restauratieplannen ontwikkeld door architecten zonder diepgaande kennis van de omgang met monumenten. Het organiseren van informatieavonden, eventueel in samenwerking met regiogemeenten, kan bijdragen aan efficiëntere procedures en een betere samenwerking tussen architecten en de gemeente.

6.2.3 inwoners en het brede publiek Bij waardevolle historische stads- of dorpsstructuren is het belangrijk dat ook inwoners en het bredere publiek waardering krijgen voor erfgoed, zodat er draagvlak ontstaat voor monumentenzorg. Publicaties in gemeentelijke uitgaven en lokale kranten kunnen daaraan bijdragen. De Open Monumentendag, al dan niet gecombineerd met tentoonstellingen en rondleidingen, is een effectief instrument om erfgoed onder de aandacht te brengen.

6.3. moderne technieken voor het ontsluiten van erfgoed Om een breed publiek te bereiken, wordt de voorkeur gegeven aan moderne technologieën. Een interactieve applicatie voor mobiele telefoons kan erfgoedinformatie op een laagdrempelige en visueel aantrekkelijke manier presenteren. Wandel- en fietsroutes kunnen worden verrijkt met GPS-gestuurde informatie, variërend van tekst en historische foto’s tot gesproken verhalen, muziek en 3D-reconstructies. Dit verhoogt niet alleen het draagvlak onder inwoners, maar versterkt ook de aantrekkingskracht van erfgoed voor toerisme en recreatie.

6.4 erfgoededucatie in het onderwijs De overheid stimuleert het gebruik van cultureel erfgoed in het onderwijs, omdat dit een rijke bron van lesmateriaal biedt. Het project Cultuur en School, waarin erfgoed, kunsten en media centraal staan, is de afgelopen jaren geïntensiveerd. Leerlingen, van basisschool tot voortgezet onderwijs, nemen hierdoor actief deel aan culturele activiteiten binnen het lesprogramma. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en Erfgoed Nederland erkennen het belang van erfgoededucatie en ontwikkelen projecten om jongeren bewust te maken van hun culturele omgeving. Door monumenten te integreren in het omgevingsonderwijs worden leerlingen zich bewust van de waarde van erfgoedbehoud. Dit vergroot op termijn het respect voor het historisch gevormde landschap en de gebouwde omgeving. Initiatieven zoals “Scholen adopteren Monumenten” dragen bij aan de betrokkenheid van jongeren bij erfgoed en erfgoedzorg. Door een combinatie van voorlichting, communicatie, technologie en educatie wordt een breed draagvlak gecreëerd voor het behoud en de ontwikkeling van cultureel erfgoed, zowel voor inwoners als toeristen.

40

bronvermeldingen

41

42

7. bronvermelding 7.1 literatuur Gelders genootschap Erfgoedinspectie Ministerie Infrastructuur en Milieu Ministerie Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Nelissen, J. N. M., e.a. Provincie Limburg Rijksdienst voor het cultureel erfgoed

Stichting ERM Vereniging Nederlandse gemeenten

Omgevingswet en Kernkwaliteiten Participatie en omgevingskwalititeit Op weg naar een professionele monumentenzorg Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Nota Belvedere Visie op de modernisering van de monumentenzorg Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg Visie Erfgoed en Ruimte Herbestemming van grote monumenten Beleidskader Cultuur en erfgoed 2024-2027 POL (Provinciaal Omgevingsplan Limburg), Atlas van het landschappelijke groen erfgoed van Nederland Duurzame monumentenzorg O&A Erfgoedwet. Zonne energieplannen en monumenten, Zonne-energie en uw monument, Zonne-energie in de historische omgeving Uw monument energiezuinig Ledenbrief naar-een-nieuw-cultuur-en-erfgoedbeleid

7.2 overige bronnen aandeslagmetdeomgevingswet.nl www.limburg.nl www.omgevingswetportaal.nl www.monumenten.nl

43

Diverse informatie nieuwe omgevingswet Beleid en subsidieregelgeving Diverse informatie omgevingswet Diverse subsidieregelingen

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=3ddd860a-973a-4013-99ad-412819e4f60a