11. Bijlage 5 Toelichting Vov.pdf
Tekst van het document
Toelichting Verordening openbare orde en veiligheid (Vov) Deze verordening vervangt (gedeeltelijk) de volgende verordeningen: 1. Algemene plaatselijke verordening gemeente Simpelveld, vastgesteld op 6 juli 2017 en gewijzigd op 10 april 2019 en 16 januari 2020; 2. Verordening winkeltijden Simpelveld 2018, in werking getreden op 25 december 2018; 3. Verordening speelhalautomaten Simpelveld, vastgesteld op 31 mei 2001; 4. Parkeerverordening Simpelveld 1995, vastgesteld op 27 april 1995; 5. Wegsleepverordening Simpelveld, vastgesteld op 26 juni 2014; 6. Afvalstoffenverordening gemeente Simpelveld 2017, vastgesteld 14 december 2017. Wettelijke grondslag artikel 149 Gemeentewet artikel 149a Gemeentewet (binnentreden woningen) artikel 151a Gemeentewet (prostitutie) artikel 151b Gemeentewet (veiligheidsrisicogebied) artikel 151c Gemeentewet (cameratoezicht) artikel 151d Gemeentewet (woonoverlast) artikel 154 Gemeentewet (strafbepaling) artikel 154a Gemeentewet (bestuurlijke ophouding) Artikel 174 Gemeentewet artikelen 3 en 4 Wom (kennisgeving samenkomst/betoging) artikel 4 (en 25a, 25b, 25c en 25d) Dhw dan wel na inwerkingtreding daarvan de Alcoholwet artikel 30c, tweede lid, Wok (aantal kansspelautomaten) artikel 2 en 3 Wtw (vrijstelling/ontheffing winkeltijden) artikel 2a Wvw1994 (verordenende bevoegdheid) Artikel 173, lid 2 Wvw 1994 Artikel 10.23 Wm
Vov algemene verordenende bevoegdheid artikel 10.3 hoofdstuk 9 artikel 5.39 artikel 5.40 artikel 5.2 artikel 10.1 artikel 5.38 Hoofdstuk 4, afdeling 2 artikel 2.2 artikel 4.6 t/m 4.15 Vov
Hoofdstuk 4, afdeling 6 Hoofdstuk 3 hoofdstuk 6, afdeling 1 Hoofdstuk 6, afdeling 3 Hoofdstuk 8
Deze verordening gaat niet over de fysieke leefomgeving De fysieke leefomgeving staat centraal in de Omgevingswet. De verordeningen die regels bevatten die betrekking hebben op de wijziging van of gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving, zullen onder vigeur van de Omgevingswet onderdeel worden van het omgevingsplan. In de Verordening fysieke leefomgeving zijn alle gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving daarom samengebracht, als bouwsteen van het omgevingsplan. Wat onder de fysieke leefomgeving moet worden verstaan, is ten tijd van het schrijven van deze toelichting echter nog niet met 100% zekerheid te zeggen. De toelichting bij de Omgevingwet (TK 2013-2014, 33962, nr. 3) beschrijft het als volgt. Wetgeving die inhoudelijk niet direct samenhangt met de zorg voor de fysieke leefomgeving blijft daarom buiten de Omgevingswet. Het wetsvoorstel bestrijkt dan ook niet de onderlinge Pagina 1 van 27
verhoudingen van private actoren die actief zijn in de fysieke leefomgeving. Onderwerpen als veilig verkeersgedrag en dierenwelzijn blijven daarom buiten de Omgevingswet. Ook de verhouding tussen de overheid en private actoren die publieke diensten verrichten, is geen onderdeel van de Omgevingswet. Er blijven dus diverse sectorwetten bestaan voor bijvoorbeeld spoorbedrijven, energiebedrijven, drinkwaterbedrijven en woningcorporaties. In enkele gevallen is de integratie van omgevingsrecht in doelgroepregelgeving inzichtelijker en gemakkelijker voor de gebruiker dan integratie in de Omgevingswet. Dit speelt bijvoorbeeld bij verkeerswetgeving: het is wenselijk om verkeersgedrag te reguleren via verkeerswetgeving, ook als het motief voor de regels de bescherming van de fysieke leefomgeving is. Artikel 1.4 van de Omgevingswet bepaalt dat de wet niet van toepassing is op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze wet anders blijkt. Artikel 2.1, lid 2 van het Omgevingsbesluit bepaalt dat de burgemeestersbevoegdheden op grond van Gemeentewet die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid, niet in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Om deze reden wordt de openbare orde en veiligheid géén onderdeel van de Verordening fysieke leefomgeving.
Deze bepalingen in de bestaande gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de openbare orde en veiligheid en/of de bepalingen in de gemeentelijke verordening die géén betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, worden in deze Verordening openbare orde en veiligheid samengevoegd. Dit betreffen uitsluitend de gemeentelijke verordeningen die van betekenis zijn voor de uitvoeringspraktijk van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Feitcodes Daarnaast bevat deze verordening onderdelen uit bestaande gemeentelijke verordeningen die krachtens de Wet OM-afdoening zijn aangemerkt als een strafbaar feit, waarvoor de politie of gemeentelijke buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) een bekeuring kunnen uitschrijven. Naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, wordt bij of krachtens de Omgevingswet de Wet OM-afdoening namelijk niet gewijzigd. De Wet OM-afdoening verwijst uitdrukkelijk naar overtredingen/strafbare feiten die bij gemeentelijke verordening zijn vastgesteld. De strafbare gedragingen zullen daarom in een gemeentelijke verordening moeten worden gehandhaafd, en niet opgaan in het omgevingsplan. Om deze reden zijn de volgende bepalingen in deze verordening opgenomen die tot heden waren opgenomen in de: Parkeerverordening; Afvalstoffenverordening; bepaalde hoofdstukken van de Algemene plaatselijke verordening.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Definities Er is voor gekozen zoveel mogelijk definities in dit artikel op te nemen, in plaats van benoeming c.q. herhaling bij elk hoofdstuk of afdeling apart. Het blijft echter onvermijdelijk sommige definities apart bij het onderwerp zelf op te nemen. Bebouwde kom De bebouwde kom als bedoeld in deze verordening, is de bebouwde kom die wordt vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. De grens van deze bebouwde kom wordt vastgesteld bij raadsbesluit van de gemeenteraad en moet op grond van artikel 156a van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangeduid (met de bekende Pagina 2 van 27
blauwe borden). Dit is de meest duidelijke manier van bebouwde kom aanwijzen, het is gelet op de komborden direct voor iedereen duidelijk. In andere wetgeving kan de bebouwde kom op een andere wijze worden bepaald. Zo geldt in het omgevingsrecht een andere bebouwde kom grens, die wordt bepaald door de feitelijk samenhangende structuur van bebouwing. Deze manier van bebouwde kom bepalen is aldus niet van toepassing op deze verordening. Openbare inrichting De definitie van openbare inrichting (horeca) is aangevuld met de shisha lounges/ waterpijpcafés. Dit om te verduidelijken dat de regels in Afdeling 2 ‘Exploitatie openbare inrichting horeca’ hierop van toepassing zijn. Het artikel is aangevuld in het kader van de ondermijningsproblematiek. Shisha lounges en soortgelijke inrichtingen die het roken van waterpijp aanbieden, oefenen een bepaalde aantrekkingskracht uit op jongeren. In dit soort inrichtingen wordt naast de waterpijpactiviteiten ook vaak gedeald of illegaal gegokt en is vaak sprake van vernielingen, geluid- en parkeeroverlast, bedreiging en mishandeling. Tot slot kunnen er ook banden zijn met criminele organisaties. Alhoewel onze gemeente dergelijke problematiek (nog) niet kent, is gelet op regionale afstemming de wijziging doorgevoerd.
Artikel 1.3 Indienen aanvraag In de Algemene plaatselijke verordening 2020 stond in dit artikel opgenomen dat een aanvraag ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, geweigerd kon worden. Deze bepaling is overgeheveld naar artikel 1.8, lid 2 dat de weigeringsgronden bevat. Artikel 1.4 Voorschriften Lid 2 In lid 2 is de tekst gewijzigd ten opzichte van artikel 1.4 van de Algemene plaatselijke verordening 2020, waar dit artikel zijn oorsprong vindt. De oorspronkelijke tekst luidde: Degene aan wie een toestemming is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Het komt voor dat aan een gemachtigde (namens de eigenaar/belanghebbende) toestemming is verleend. Als wordt vastgehouden aan vorengenoemde tekst, zouden de voorschriften niet gelden voor de daadwerkelijke aanvrager. Er is daarom voor gekozen de volgende vervangende tekst op te nemen: Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd met de toestemmingsvoorschriften ontstaat. Daarmee wordt tevens bewerkstelligd dat het strijdigheidsverbod ook voor de rechtsopvolger van de toestemminghouder gaat gelden. Artikel 1.8 Weigeringsgronden Dit artikel heeft zijn oorsprong in de Algemene plaatselijke verordening 2020.
Lid 1 Onder de openbare veiligheid, zoals genoemd in artikel 1.8, lid 1, onder b van deze verordening, moet mede worden verstaan de verkeers- en dierenveiligheid. Geoordeeld zou kunnen worden dat artikel 1.8, lid 1, onder d van deze verordening, dat als weigeringsgrond ‘de bescherming van het milieu’ benoemd, niet langer thuishoort in deze verordening, maar onderdeel is van de fysieke leefomgeving en derhalve in het omgevingsplan/Verordening fysieke leefomgeving hoort. Omdat de Omgevingswet echter op Pagina 3 van 27
onderdelen de keuze laat aan de gemeente, zoals in artikel 10.23 Wet milieubeheer, zoals dat onder vigeur van de Omgevingswet zal komen te luiden (zie onderstaande bij afvalstoffen) blijft ook het belang van milieu in deze verordening nog steeds betekenis houden. Lid 2 Het artikel is overgenomen uit artikel 1.3 van de Algemene plaatselijke verordening 2020, zie uitwerking bij artikel 1.3. Lid 3 Aan artikel 1.8 is een tweede lid toegevoegd. Het betreft verplichte weigeringsgronden. Deze betreffen in de eerste plaats het vereiste van het hebben van een belang bij de aanvraag om een vergunning. Ontbreekt dit belang, dan is geen sprake van een aanvraag. Op grond van artikel 1:3, derde lid Awb moet een aanvrager namelijk een belang daarbij hebben. Het ontbrekende belang kan zijn gelegen in het niet hebben en/of niet kunnen krijgen van een andere vergunning of toestemmingsvorm, die nodig is om de aangevraagde activiteit te kunnen uitvoeren. Zo moet de verlening van een exploitatievergunning voor een terras worden geweigerd als de eigenaar van de grond waarop het terras zou komen te staan, daarvoor geen toestemming geeft. De exploitatievergunning mag eveneens niet worden verleend als de exploitatie er toe leidt dat strijd met bijvoorbeeld het Bouwbesluit of het bestemmingsplan ontstaat of al bestaat.
In al deze gevallen ontbreekt het vereiste belang bij de aanvrager om de exploitatievergunning. Een belang als bedoeld in artikel 1:3 Awb en artikel 1.8 van deze verordening kan namelijk nooit zijn gelegen in een gedraging die leidt tot strijd met een privaat- of bestuursrechtelijk wettelijk voorschrift. Verder geldt als verplichte weigeringsgrond de situatie dat verlening van de toestemming duidelijk leidt tot strijd met een ander wettelijk voorschrift. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan duidelijke strijd met het bestemmingsplan. De term ‘duidelijke strijd’ is gekozen om te voorkomen dat de toestemmingverlener bij de beoordeling van de aanvraag een volledige toets aan andere wettelijke voorschriften moet verrichten. Slechts een marginale beoordeling van de aanvraag wordt verlangd. Dit is in lijn met de Wet samenhangende besluiten die het bevoegd gezag een inspanningsverplichting oplegt om de aanvrager te wijzen op andere benodigde toestemmingen. Tevens wordt hiermee de benadering gevolgd zoals die wordt gehanteerd bij de vaststelling van bestemmingsplannen. Daarbij moet namelijk worden onderzocht of het bestemmingsplan uitvoerbaar is. Onderdeel van dit onderzoek is dat marginaal moet worden nagegaan of de vereiste toestemmingen kunnen worden verkregen die nodig zijn om het bestemmingsplan te kunnen uitvoeren.
Duidelijke strijd met een ander wettelijk voorschrift leidt er toe dat van de toestemming geen gebruik kan worden gemaakt. De aanvrager heeft daardoor geen belang. De toestemming is niet uitvoerbaar. Eigenlijk is deze weigeringsgrond dus een verbijzondering van de weigeringsgrond onder a: de afwezigheid van een belang. Ten slotte is van belang dat door deze bepaling niet buiten de (specifieke) toetsingscriteria wordt getreden zoals die in de wettelijke regels staan op grond waarvan de toestemming is vereist. De verplichte weigeringsgronden vloeien immers voort uit artikel 1:3 Awb. Artikel 1.9 Hogere wetgeving Artikel 1.9 bepaalt dat de artikelen in deze verordening niet van toepassing zijn op situaties die worden geregeld in hogere wetgeving. Hierdoor is een reeks van verwijzingen naar wetten in formele zin in de verdere bepalingen bij elk artikel apart, overbodig. Zie ook artikel 122 van de Gemeentewet. Verboden op grond van deze verordening die o.a. in hogere wetgeving zijn geregeld, betreffen:
Pagina 4 van 27
1. Verbod op reclame is niet van toepassing op openbaarmakingen van gevoelens en/of gedachten als bedoeld in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, artikel 10 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en artikel 7 van de Grondwet. 2. Verbod op samenscholing is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 3. Het verbod op tentoonstellen van afbeeldingen is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. 4. Parkeerverboden de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 zijn geregeld. Artikel 1.11 Naleving voorschriften Dit betreft een nieuw artikel. Door het hier generiek op te nemen, hoeft dit verbod niet bij elke vergunning apart te worden opgenomen.
Hoofdstuk 2 openbare orde en veiligheid Artikel 2.3 Beperking aanbieden e.d. van geschreven en gedrukte stukken alsmede afbeeldingen Dit artikel is overgenomen uit de Algemene plaatselijke verordening 2020. Er is één wijziging doorgevoerd, namelijk het laten vervallen van lid 2 dat bepaalde dat: Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Deze bevoegdheid heeft het college reeds op grond van het eerste lid, waardoor dit geen toegevoegde waarde heeft. Artikel 2.5 Gevaar voor water Het betreft water dat op de openbare weg terechtkomt door toedoen van iemand die handelingen verricht met water op een perceel, of handelingen nalaat om het afstromen van water te voorkomen. Artikel 2.8 Voorkomen brand (rookverbod) in bossen en natuurterreinen Dit betreft een feitcode krachtens de Wet OM-afdoening, waardoor deze bepaling in deze verordening is opgenomen.
Naast het gebruik van dit artikel kan de politie handhavend optreden op grond van artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het WvSr dat bepaalt: “Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.” Artikel 2.9 Gevaarlijke voorwerpen Dit artikel komt niet meer voor in de modelverordening van de VNG, maar wordt in het land wel nog veel in een verordening opgenomen. De Algemene plaatselijke verordening 2020 bepaalde dat het college plaatsen kon aanwijzen. Dit lijkt echter in strijd met de Gemeentewet, dat de burgemeester hieromtrent bevoegdheden geeft (zie o.a. artikel 151b en 174 Gemeentewet). Wij hebben dit artikel derhalve gewijzigd door ‘het college’ te vervangen door ‘de burgemeester’. Artikel 2.12 Ordeverstoring bij evenementen De leden vier en vijf zijn nieuw toegevoegd in het kader van de aanpak van Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s). Minister Grapperhaus werkt al jaren aan sluitende strafrechtelijke, privaatrechtelijke en bestuurlijke maatregelen om de verschillende OMG’s een halt toe te roepen. Eén van de bestuurlijke maatregelen die een gemeente kan nemen is Pagina 5 van 27
het opnemen van een artikel in de Apv inhoudende een verbod op het dragen van zogeheten colours door leden van een OMG die bij rechterlijk uitspraak verboden is. Vanuit een oogpunt van openbare orde kan het om bestuurlijke redenen wenselijk zijn om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden of ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot een onherroepelijk vonnis voorhanden. Het RIEC heeft inmiddels ook verzocht de betreffende bepaling in de Apv op te nemen. Om dezelfde reden is artikel 2.13 toegevoegd. Artikel 2.13 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties Dit is een geheel nieuw artikel om Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) tegen te gaan. Zie verder onder artikel 2.12. 2.15 Lachgas Dit artikel is nieuw toegevoegd op verzoek van de lokale driehoek. De negatieve gevolgen en gevaren van het oneigenlijk gebruik van en de verkoop van lachgas zijn al een tijd onderwerp van zowel het maatschappelijke als bestuurlijke debat. Inmiddels is er sprake van een kabinetsvoornemen om het oneigenlijk gebruik van lachgas tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst II van het Opiumbesluit. Hierdoor zal onder meer de verkoop, het afleveren, het verstrekken en het aanwezig hebben van lachgas voor oneigenlijk gebruik verboden worden. Dat heeft een gunstig effect op de mate van overlast in de openbare ruimte.
Inmiddels heeft dit kabinetsvoornemen geleid tot een internetconsultatievoorstel. Ondanks dit kabinetsvoornemen hebben vele gemeenten in Nederland behoefte om in hun Apv een bepaling inzake lachgas op te nemen, met name om de overlast als gevolg van oneigenlijk gebruik en verkoop tegen te gaan. In de zomercirculaire van de VNG is een voorstel gedaan voor het opnemen van een artikel inzake lachgas, dat meer recht doet aan de wensen van gemeenten. Wij sluiten hier bij aan. Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke.
Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid).
Hoofdstuk 3 Winkeltijden Dit hoofdstuk vervangt de Verordening winkeltijden Simpelveld 2018 en is gebaseerd op artikel 149 en 156 van de Gemeentewet en artikel 2 en 3 van de Winkeltijdenwet. Pagina 6 van 27
Naar de huidige stand van de wet gaan wij er vanuit dat de Winkeltijdenverordening niet hoeft te worden opgenomen in het Omgevingsplan, waardoor deze regels niet zijn opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Artikel 1.4 Omgevingswet bepaalt namelijk dat deze wet niet van toepassing is op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze wet anders blijkt. Voor zover bekend wordt de Winkeltijdenwet niet aangepast ten behoeve van de Omgevingswet. Artikel 3.3 Ontheffing zon- en feestdagen voor afzonderlijke situaties Een van de uitgangspunt van deze verordening is uniformiteit aanbrengen in terminologie van de regels. In de Apv 2020 komen vier toestemmingsstelsels voor: - een ontheffingsstelsel; - een vergunningstelsel; - een meldingsstelsel; - vrijstelling Om meer uniformiteit aan te brengen, is gekozen om overal de term ‘vergunning’ te gebruiken en niet meer de term ‘ontheffing’. Echter, in artikel 3.3 wordt nog steeds gebruik gemaakt van een ‘ontheffingsmogelijkheid’, omdat de onderliggende Winkeltijdenwet ook deze term gebruikt. Wij dienen daarom in dit geval aansluiting te zoeken bij die wet. Lid 3, onder b Met de term ‘evenementen’ in dit artikel wordt niet bedoeld een evenement als gedefinieerd in hoofdstuk 1.
Dit laat onverlet dat wel sprake kan zijn van dergelijk evenement.
Hoofdstuk 4 Exploitatie van bedrijven Afdeling 1 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Dit betreft een geheel nieuwe afdeling ingevoegd naar aanleiding van regionaal overleg hieromtrent. Het terugdringen van ondermijnende (drugs)criminaliteit lukt alleen met een integrale aanpak. Als het gaat om de bijdrage van gemeenten, is, naast het toepassen van het wettelijk instrumentarium op grond van de Wet bibob en de Opiumwet, ook de gemeentelijke verordening een belangrijk juridisch instrument. Om in een bestuurlijke aanpak van ondermijning te ondersteunen heeft het Aanjaagteam Ondermijning, onderdeel van het ministerie van J&V, een Handreiking Apv en Ondermijning opgesteld. Een aantal van de voorstellen die gedaan worden in deze Handreiking lijken goed toepasbaar binnen de SVBBL-gemeenten1. Om deze reden is afdeling 1 toegevoegd dat artikelen bevat om ondermijning tegen te gaan. De artikelen zijn overgenomen van een standaard van de VNG. Artikel 4.1 Vergunningplicht exploitatie bedrijf Het doel is het tegengaan van een malafide ondernemersklimaat. Aldus omschreven kan dit tot het belang van de gemeentelijke huishouding worden gerekend. Deze vergunningplicht kan worden ingezet voor bepaalde panden, gebieden en branches.
Het aanwijzen van een specifiek gebied of specifieke branche dient in een apart door de burgemeester te nemen aanwijzingsbesluit vorm te krijgen. Lokale overwegingen zijn daarbij leidend, waarbij weliswaar regionale afstemming van belang is. Voor die lokale overweging om een bepaald gebied of een bepaalde branche vergunningplichtig te maken is input van onder andere de Politie en het RIEC van belang. Een voorbeeld van een branche die in
1
Dit betreffen Simpelveld, Voerendaal, Beekdaelen, Brunssum en Landgraaf, die gezamenlijk de veiligheidsproblematieken proberen aan te pakken.
Pagina 7 van 27
bepaalde gemeenten inmiddels aan een vergunningplicht is onderworpen is de autoverhuurbranche. Artikel 4.5 Sluiting voor publiek openstaande gebouwen Lid 1 In artikel 4.8, 5.41 en 9.7 van deze verordening zijn reeds artikelen opgenomen die betrekking hebben op de bevelsbevoegdheid van de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bevoegdheden moeten los worden gezien van de bevoegdheid op grond van de Opiumwet. Omdat de artikelen 4.8 en 9.7 deze bevoegdheid apart hebben uitgewerkt voor een horeca-inrichting en een seks- of escortbedrijf, zijn deze in dit artikel uitgezonderd. Tijdelijke sluiting van openbare gebouwen vindt zijn grondslag in artikel 174 van de Gemeentewet. In gevallen waarbij dus de openbare orde in het geding is, kan een openbaar gebouw tijdelijk worden gesloten. Dat kan ook het geval zijn indien er situaties zijn waarbij, vanwege ondermijnende activiteiten, het betreffende gebouw een sleutelrol vervult. De genoemde sluitingsgronden moeten dan vanzelfsprekend aan de orde zijn. Onder andere de gemeente Amsterdam heeft een dergelijk artikel opgenomen en zelfs juridisch succesvolle procedures doorlopen naar aanleiding van sluiting op grond van dit artikel. Lid 2 Dit lid is geheel nieuw en toegevoegd om ondermijning tegen te gaan.
Artikel 4.6 Exploitatie openbare inrichting Voor vergunningverlening van een exploitatievergunning wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van een drank- en horecavergunning. Dit betekent in elk geval dat: 1. de burgemeester in een vergunning vermeldt: a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakten van de horeca- of slijtlokaliteiten, terrassen en andere aanhorigheden; e. de voorschriften welke aan de vergunning zijn verbonden. 2. de burgemeester in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevende(n) vermeldt. 3. Indien een leidinggevende, voor wier rekening en risico de activiteiten in de openbare inrichting worden uitgeoefend, geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting, waarvoor de vergunning wordt gevraagd, en de aanvrager van de vergunning dit in een schriftelijke verklaring bevestigt, maakt de burgemeester daarvan een aantekening op het aanhangsel maakt. 4. de voorwaarde wordt opgenomen in dat de vergunning en het daarbij behorende aanhangsel, of afschriften daarvan, in de inrichting aanwezig moeten zijn. 5. het aanhangsel bij de vergunning gewijzigd kan worden indien: a.
de vergunninghouder binnen een maand nadat de situatie is gewijzigd aanvraagt om het aanhangsel vanwege de volgende redenen te wijzigen: i. een persoon moet als leidinggevende worden bijgeschreven op, dan wel worden verwijderd van, het aanhangsel; ii. de aantekening dat een leidinggevende geen bemoeienis heeft met de bedrijfsvoering of de exploitatie van de openbare inrichting moet worden doorgehaald dan wel toegevoegd. b. de aanvraag schriftelijk bij de burgemeester is ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier.
Pagina 8 van 27
6. de burgemeester de wijziging van het aanhangsel weigert indien de toe te voegen persoon, niet voldoet aan de in artikel 8, eerste lid sub b en c, en tweede lid van de Alcoholwet gestelde eisen; 7. Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, om een advies bedoeld in artikel 9 van die Wet kan worden gevraagd. Afdeling 3 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Deze afdeling vindt haar grondslag in artikel 4 van de Alcoholwet. Artikel 1.4 Omgevingswet bepaalt dat deze wet niet van toepassing is op onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, tenzij uit de bepalingen van deze wet anders blijkt. Voor zover bekend wordt de Alcoholwet, niet aangepast ten behoeve van de Omgevingswet. Hierdoor voorziet de Alcoholwet in een uitputtende regeling. Artikel 4.14, lid 4 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen Artikel 4.14 van deze verordening is overgenomen van artikel 2.30 van de Algemene plaatselijke verordening. Ter verduidelijking van wat onder een evenement in het kader van dit artikel wordt bedoeld, is een definitie van ‘evenement’ opgenomen in lid 2.
Daarnaast is een vierde lid toegevoegd, dat bepaalt dat deze artikelen ook van toepassing zijn als de Alcoholwet niet van toepassing is. Hiermee wordt bewerkstelligd dat ook geen feesten van persoonlijke aard of evenementen zijn toegestaan als er geen alcoholhoudende drank wordt geschonken. Afdeling 5. Speelgelegenheden Gebleken is dat de gemeente Simpelveld over twee regelingen beschikt met betrekking tot speelautomaten. Enerzijds is op 31 mei 2001 de Verordening speelautomaten Simpelveld vastgesteld door de gemeenteraad, terwijl in de Algemene plaatselijke verordening eveneens in artikel 2:39 een bepaling over de exploitatie van een speelgelegenheid is opgenomen. Het verschil is echter dat de Verordening speelhalautomaten regels stelt aan speelautomatenhallen, terwijl de Apv invulling geeft aan een aanwezigheidsvergunning speelautomaten in cafés, cafetaria’s, etc.. In dit hoofdstuk voegen wij beide regelingen echter samen. De juridische grondslag voor de Verordening speelhalautomaten betreft artikel 30c. lid 1, onder c van de Wet op de kansspelen. Dit artikel bestaat thans niet meer, waardoor de bepalingen uit de verordening actualisatie behoeven.
Artikel 30b, lid 1 van de Wet op de kansspelen bepaalt dat een aanwezigheidsvergunning is vereist voor het opstellen van kansspelautomaten (a) langs de openbare weg, (b) in voor het publiek toegankelijke plaatsen, of (c) in een scala aan horeca-achtige inrichtingen, zoals hotels, pensions, restaurants, cafés, cafetaria’s, lunchrooms, partycateringbedrijven en dergelijke. De aanwezigheidsvergunning wordt rechtstreeks op grond van de wet verleend, waardoor deze verordening niet van toepassing is. De aanwezigheidsvergunning wordt afgegeven door de burgemeester en bestaat in twee soorten: 1. Voor hoogdrempelige horeca2, dat wil zeggen Alcoholwet-inrichtingen waar het café- of restaurantbedrijf uitgeoefend wordt en waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op meerderjarigen. 2. Voor speelautomatenhallen (volgens de wet ‘een inrichting, anders dan een hoogdrempelige, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door 2
Artikel 30, onder d, Wok.
Pagina 9 van 27
middel van kansspelautomaten te beoefenen’). Aanwezigheidsvergunningen voor speelautomatenhallen mogen alleen worden afgegeven als de gemeenteraad het houden van een speelautomatenhal middels een (exploitatie)vergunning bij gemeentelijke verordening heeft toegestaan. Gemeenten hebben veel vrijheid bij het formuleren van een eigen speelautomatenhallenbeleid. Er is overigens geen aanwezigheidsvergunning vereist voor • behendigheidsautomaten; • speelautomaten in speelcasino’s; • kermisautomaten op kermissen. Ter invulling van het vereiste voor speelautomatenhallen is in deze verordening in artikel 4.24 de exploitatievergunningplicht opgenomen voor speelautomatenhallen. Artikel 4.20 Definities Lid 1 Het begrip ‘speelgelegenheid’ betreft iedere openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. In de Wok is een uitputtende regeling neergelegd voor de kansspelen bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Deze restcategorie van speelgelegenheden voor behendigheidsspelen wordt hier bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waarop de Wok geen betrekking heeft.
Lid 2 In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wok zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 30 en artikel 30c, vierde lid, van de wet bevatten definities van: - speelautomaat; - behendigheidsautomaat; - kansspelautomaat; - hoogdrempelige inrichting; - laagdrempelige inrichting. Artikel 4.21 Speelgelegenheden Lid 1, onder a Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is daarom vereist om apart in deze verordening artikelen op te nemen die betrekking hebben speelautomatenhallen, nu de gemeente één speelautomatenhal kent. Met Afdeling 6 Speelautomatenhallen wordt hieraan invulling gegeven en wordt de aparte Verordening speelhalautomaten Simpelveld 2001 vervangen (zie artikelen 4.23 en verder). Artikel 4.21 kansspelautomaten Artikel 30c, lid 2 van de wet op de kansspelen stelt een maximum van twee kansspelautomaten. Artikel 4.22 Kansspelautomaten Artikel 30c, lid 2 van de Wet op de kansspelen stelt een maximum van twee kansspelautomaten. Dit is in dit artikel benadrukt. Afdeling 6 Speelautomatenhallen Zie de toelichting bij Afdeling 5 Speelgelegenheden. Pagina 10 van 27
Artikel 4.24 Speelautomatenhallen Lid 1 In dit artikel wordt de vergunningplicht als bedoeld in artikel 30c, lid 1, onder b van de Wet op de kansspelen bedoeld, waarmee de vergunningsplicht voor specifiek speelautomatenhallen wordt geregeld. Lid 3 en 4 Deze leden zijn nieuw toegevoegd, omdat de vergunning voor een speelautomatenhal een schaarse vergunning betreft (zie uitleg onderstaand). Deze vergunning mogen (in beginsel) niet voor onbepaalde tijd worden verleend op grond van de Dienstenrichtlijn. Om deze reden is in lid 2 opgenomen dat de vergunning slechts tijdelijk wordt verleend. De huidige praktijk is dat jaarlijks een vergunning wordt verleend. Als sprake is van een schaarse vergunning, moeten gegadigde gelijke kans hebben op een vergunning. Het is daarom vereist een toewijzingsprocedure vast te stellen. Dit kan in beleidsregels. Schaarse vergunning Voor ‘Dienstenwetvergunningen’ waarbij het aantal potentiële gegadigden het aantal beschikbare vergunningen overtreft (‘schaarse vergunningen’), geldt volgens de richtlijn dat die vergunningen niet voor onbepaalde tijd mogen worden verleend (HvJ-EU 1 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:641, Trijber en Harmsen). Voor het bepalen van een redelijke looptijd van de vergunning kan aansluiting gezocht worden bij de jurisprudentie over concessieverleningen.
De looptijd wordt dan afgestemd op de terugverdientijd van de investeringen die door de vergunninghouder gedaan moeten worden. Bovendien moet het bestuursorgaan een passende mate van openbaarheid betrachten en potentiële gegadigden tijdig op de hoogte stellen van de beschikbaarheid van een vergunning, de aanvraagperiode, de verdeelwijze en de criteria voor de toewijzing. De toewijzingscriteria moeten objectief, duidelijk en niet discriminatoir zijn. Een soortgelijk regime vloeit naar nationaal recht voort uit het gelijkheidsbeginsel, waarin het ‘beginsel van gelijke kansen’ besloten ligt (ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, De Vries/Vlaardingen). Het betreft dus niet alleen de ‘Dienstenwetvergunningen’, maar alle schaarse vergunningen c.a. Artikel 4.27 Inhoud vergunning Ingevolge artikel 1.5 van deze verordening is de vergunning persoonsgebonden en kan deze niet worden overgedragen. Aanvullend is in dit artikel geregeld dat ook de beheerder op de vergunning moet zijn vermeld. Artikel 4.28 Maximum Artikel 30c, lid 2 van de Wet op de kansspelen stelt dat bij verordening het maximale aantal kansspelautomaten moet worden bepaald. De Verordening speelhalautomaten 2001 bepaalt dat dit er maximaal 26 speelautomaten mogen zijn.
Wij verlenen jaarlijks één vergunning voor een speelautomatenhal, gesitueerd aan de Minister Ruijsstraat 30 te Bocholtz, voor 30 kansspelautomaten, zodat wij het aantal hierop hebben aangepast. Het zou in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, om nu terug te gaan naar 26. Tevens hebben wij het aantal spelersplaatsen vastgelegd, conform verleende vergunning, op 61.
Hoofdstuk 5 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 5.1 Betreden gesloten woning of lokaal De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot sluiting van woningen, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij de woning of het lokaal behorend erf van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Daarnaast is de burgmeester op Pagina 11 van 27
grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd om bestuursdwang toe te passen als in woningen of lokalen, dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen en bijbehorende erven, drugs als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd, verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Dit betreffen aldus burgemeestersbevoegdheden, die reeds om deze reden geen onderdeel kunnen zijn van een omgevingsplan, waardoor deze niet kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan. Daarnaast is het doel van het artikel gelegen in de openbare orde en veiligheid, waardoor dit artikel in deze verordening moet worden opgenomen.
Artikel 5.2 Woonoverlast Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet ter zake van overtreding van het door de raad bij verordening gestelde voorschrift. Een sanctie op grond van dit artikel kan (ingevolge artikel 151d, lid 3 Gemeentewet) inhouden het verbod om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.
Op grond van artikel 2.1, lid 2, onder a van het Omgevingsbesluit mag deze bepaling niet worden opgenomen in het omgevingsplan, waardoor het in deze verordening is opgenomen. Wijzigingen Dit artikel is gewijzigd ten opzichte van de Algemene plaatselijke verordening 2020. Het bestaande artikel was een kopie van artikel 151d van de Gemeentewet. In het tweede lid is nu toegevoegd dat naast bestuursdwang ook een last onder dwangsom kan worden opgelegd. Deze bevoegdheid vloeit namelijk voort uit artikel 5:32, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 125 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, daarvan in plaats aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Dit vloeit weliswaar rechtstreeks voort uit de wet, maar het wordt hier voor de kenbaarheid toegevoegd. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Een van de genoemde gevallen is “ernstige vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf”. De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft.
Er is een vierder lid toegevoegd, waarin wordt verduidelijkt welke vormen van overlast zich kunnen voordoen. Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, Pagina 12 van 27
tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen zal de burgemeester dus moeten motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom zal er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag moeten liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten als buurtbemiddeling al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Artikel 5.3 Plakken en bekladden Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring.
Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Daarnaast heeft dit artikel ook geen betrekking op het wijzigen van de fysieke leefomgeving. Artikel 5.5 Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde tassen Er is gekozen voor het begrip ‘openbare plaats’ omdat de strekking van het begrip openbare plaats verder gaat dan het begrip weg als bedoeld in de Wvw 1994. Dit artikel is nieuw toegevoegd op verzoek van politie – Lokale Driehoek (24-06-2020) De Politie heeft verzocht om aansluiting te zoeken bij de praktijk dat steeds meer gemeenten een last onder dwangsom inzetten om inbraak tegen te gaan. Met dit bestuurlijk instrument kunnen potentiële inbrekers een stevige dwangsom opgelegd krijgen wanneer zij inbrekerswerktuigen vervoeren. Het voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen, werd tot 2014 alleen bestraft met een OM-afdoening. Deze - meestal kleine - geldboete had echter nauwelijks een afschrikkende werking, met hoge recidive als gevolg. Om inbrekers toch te ontmoedigen, legt een aantal gemeenten tegenwoordig een last onder dwangsom op, als aanvulling op het strafrecht.
Het bedrag van zo’n dwangsom kan in sommige gevallen wel oplopen tot 10.000 euro. Het handhavingsbeleid om bestuursrechtelijk te kunnen optreden tegen inbrekers valt binnen de bevoegdheid van de burgemeester en dient in een nadere beleidsregel uitgewerkt te worden. Om te beschikken over het juiste juridische kader voor handhaving is het noodzakelijk dat de Apv-bepaling inzake inbrekerswerktuig zeer nauwkeurig omschreven is. Artikel 5.7 Betredings- en verblijfsverbod Dit betreft een geheel nieuw artikel. Dit artikel kan gemeentebreed worden toegepast, maar de concrete aanleiding is het voorkomen van baldadigheid in het hellingbos en het nieuw aangelegde weiland. Er wordt een huisreglement/toegangsreglement opgehangen bij de ingang van het nieuwe weiland, waarin o.a. is opgenomen dat het weiland vrij toegankelijk is tussen zonopkomst en zonsondergang. Dergelijke regel is echter niet handhaafbaar, tenzij hieraan een wettelijk verbod ten grondslag ligt. Met dit artikel is hiervoor een wettelijke grondslag gecreëerd. Na aanwijzing van het weiland door het college, kan er handhavend worden opgetreden tegen negeren van het verbod om na zonsondergang in het weiland en/of hellingbos te verblijven.
Pagina 13 van 27
Artikel 5.12 Verboden drankgebruik Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Daarnaast heeft dit artikel ook geen betrekking op het wijzigen van de fysieke leefomgeving, maar heeft het te maken met gedragingen van personen. Artikel 5.13 Verboden gedrag bij of in gebouwen Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Daarnaast heeft dit artikel ook geen betrekking op het wijzigen van de fysieke leefomgeving, maar heeft het te maken met gedragingen van personen.
Artikel 5.14 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Daarnaast heeft dit artikel ook geen betrekking op het wijzigen van de fysieke leefomgeving, maar heeft het te maken met gedragingen van personen. Artikel 5.15 Plaatsen en lopend vervoeren van fietsen, bromfietsen en scootmobielen Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Daarnaast heeft dit artikel ook geen betrekking op het wijzigen van de fysieke leefomgeving, maar heeft het te maken met gedragingen van personen.
Naast bromfietsen en fietsen is het artikel ten opzichte van het artikel 2.52 Apv aangevuld met scootmobielen. Hiermee wordt een nieuwe handhavingsgrondslag gecreëerd. Dit geeft alleen een bevoegdheid voor bestuursrechtelijk handhaven. De boa’s kunnen voor het onrechtmatig plaatsen van een scootmobiel geen bekeuring uitschrijven, omdat de feitcode deze toevoeging niet kent. Artikel 5.16 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Artikel 5.20 Verontreiniging door honden; Artikel 5.21 Verplicht opruimmiddel (hondenuitwerpselen); Artikel 5.22 Gevaarlijke en hinderlijke honden
Pagina 14 van 27
Dit betreffen op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening. Daarnaast heeft dit artikel ook geen betrekking op het wijzigen van de fysieke leefomgeving, maar heeft het te maken met gedragingen van personen en dieren.
Artikel 5.23 Gevaarlijke honden op eigen terrein Dit artikel is gebaseerd op het artikel 2.58a van de Algemene plaatselijke verordening 2020, alhoewel het artikel in die verordening slechts 58a is genoemd. Het artikel bevatte typefouten die hierbij zijn hersteld. Artikel 5.28 Bedelarij Bedelaars gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde in het geding. Omdat de strafbaarstelling van bedelarij in 2000 uit het WvSr (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling ter zake van bedelarij in het leven te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren. Dit artikel, dat beoogt bedelarij tegen te gaan, voorziet daarin. Op grond van dit artikel kan het college gebieden aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer naar het oordeel van het college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus een verbod instellen. Het verbod geldt op openbare plaatsen in zo’n aangewezen gebied.
Gelet op de definitie van ‘openbare plaats’ in artikel 1.1 geldt het verbod dus voor wegen, parken, plantsoenen en in voor het publiek toegankelijke gebouwen waarin het verblijf door de rechthebbende niet aan een bepaald doel is gebonden. Het verbod geldt dus niet voor bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen, kerken en gemeentehuizen. De eigenaren/exploitanten daarvan moeten zelf reguleren. Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod, maar onder artikel 2.4. Ook de verkoop van daklozenkranten valt niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. Artikel 5.33 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens jaarwisseling Gelet op de uitspraak van 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3342) mag dit een collegebevoegdheid zijn (is nl. niet in strijd met artikel 172 van de Gemeentewet). Deze gedraging is gekoppeld aan een feitcode, ingevolge de Wet OM-afdoening, waarvoor de politie of boa een bekeuring kan uitschrijven. Om deze reden is deze bepaling niet opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving.
Artikel 5.38 Bestuurlijke ophouding Dit artikel is gebaseerd op artikel 154a van de Gemeentewet, waardoor het op grond van artikel 2.1, lid 2 van het Omgevingsbesluit niet in het omgevingsplan mag worden opgenomen.
Pagina 15 van 27
Artikel 5.39 Veiligheidsrisicogebieden Dit artikel is gebaseerd op artikel 151b van de Gemeentewet, waardoor het op grond van artikel 2.1, lid 2 van het Omgevingsbesluit niet in het omgevingsplan mag worden opgenomen. Artikel 5.40 Cameratoezicht op openbare plaatsen Dit artikel is gebaseerd op artikel 151c van de Gemeentewet, waardoor het op grond van artikel 2.1, lid 2 van het Omgevingsbesluit niet in het omgevingsplan mag worden opgenomen.
Artikel 5.41 Gebiedsontzeggingen (Handhaving bij diverse vormen van overlast) In het geval van (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag, kan een burgemeester een gebiedsontzegging opleggen. De bevoegdheid kan de burgemeester ontlenen aan een verordening. Deze bepaling strekt daartoe. Dit artikel was, hoewel niet geheel identiek, twee keer opgenomen in de Algemene plaatselijke verordening 2020, namelijk in artikel 2.64 en 2.79. Omdat artikel 2.64 in elk geval in de bestaande vorm in strijd is met artikel 172 van de Gemeentewet, nu daarin ten onrechte het college als bevoegd gezag werd aangeduid, is dit artikel in deze verordening opgenomen als artikel 4.5, maar omgeschreven naar uitsluitend de sluiting van gebouwen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de regionale afspraken. Zie verder onder artikel 4.5. Artikel 5.42 Geluidhinder Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening.
5.43 Ultrasoon geluid door geluidapparatuur Omdat dit artikel een burgemeester bevoegdheid betreft in het kader van de openbare orde, en gerelateerd is aan artikel 5.42 van deze verordening, kan dit artikel niet worden opgenomen in het omgevingsplan, zodat het in deze verordening wordt opgenomen. Artikel 5.45 Natuurlijke behoefte doen Dit betreft op grond van de Wet OM-afdoening een gedraging waarvoor een feitcode is vastgesteld, waardoor politie en boa’s hierop kunnen handhaven middels een bekeuring. Omdat de Omgevingswet, naar de huidige stand van de parlementaire behandeling, geen wijzigingen doorvoert in deze wetgeving, en wel is vereist dat bij gemeentelijke verordening de gedraging strafbaar is gesteld (niet in een omgevingsplan), is deze bepaling opgenomen in deze verordening.
Hoofdstuk 6 Parkeren Parkeerverordening en parkeerexcessen De parkeerverordening Simpelveld 1995 vindt haar grondslag in artikel 149 Gemeentewet en artikel 2a Wegenverkeerswet 1994. De vraag of de regels in de parkeerverordening de fysieke leefomgeving wijzigt kan verschillend worden beantwoord. Naar onze mening moeten deze regels niet in het omgevingsplan worden opgenomen, gelet op artikel 1.4 Omgevingswet.
Pagina 16 van 27
Artikel 1.4 van de Omgevingswet bepaalt dat onderwerpen met betrekking tot de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan die bij of krachtens een andere wet uitputtend zijn geregeld, buiten de werkingssfeer van de Omgevingswet blijven. Dit brengt bijvoorbeeld mee dat het reguleren van het autoverkeer op een weg niet onder de Omgevingswet komt te vallen. De wegenverkeerswetgeving regelt dit onderwerp namelijk uitputtend. De verordening regelt het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren. Daarmee wordt het verkeer ons inziens gereguleerd, waardoor dit niet in het omgevingsplan thuishoort. Wij kiezen er derhalve voor deze regels in de Verordening openbare orde en veiligheid op te nemen. Voorts bevat deze verordening bepalingen die op grond van de Wet OM-afdoening een feitcode hebben gekregen, waardoor onze boa’s (alsook politie) bevoegd zijn op overtreding van sommige regels een bekeuring uit te schrijven. Als deze regels zouden overgaan naar het omgevingsplan, vervalt deze bevoegdheid (naar de huidige stand van de wet). Daarnaast bevat de Algemene plaatselijke verordening gemeente Simpelveld 2020 bepalingen over parkeerexcessen. Bij deze bepalingen speelt eveneens de vraag of dit betrekking heeft op de fysieke leefomgeving als bedoeld in 2.4 van de Omgevingswet.
Sinds de inwerkingtreding van de Wvw 1994 kunnen verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie artikel 2, tweede lid, van de Wvw 1994). Er is een artikel 2a Wvw ingevoegd dat de gemeenteraad bevoegd maakt om bij verordening parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149 van de Gemeentewet. Omdat het doel van deze bepaling voornamelijk is gelegen in het voorkomen van gevaar en overlast, is er voor gekozen deze bepalingen in deze verordening op te nemen. Niet is uitgesloten dat de wetgever of de rechtspraak hierin een andere keuze voorschrijft in de toekomst.
Hierbij is mede van belang dat ingevolge de Wet OM-afdoening de volgende bepalingen feitcodes betreffen, waarop de politie of boa een bekeuring kunnen uitschrijven: artikel 6.3 Defecte voertuigen artikel 6.2 Te koop aanbieden van voertuigen artikel 6.4 Voertuigwrakken artikel 6.6 Parkeren grote voertuigen Artikel 6.7 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Parkeervergunningen Afdeling 2 van hoofdstuk 6 komt voort uit de Parkeerverordening uit 1995. Deze was verouderd. Zo werd uitgegaan van de aanwezigheid van parkeermeters en parkeerautomaten. Deze zijn echter niet aanwezig, zodat de bepalingen hieromtrent zijn komen te vervallen. Wat resteert zijn de regels voor parkeervergunningen. Deze regels zijn beleidsarm geactualiseerd, met uitzondering van de vergunningsduur. In de Parkeerverordening uit 1995 stond opgenomen dat een parkeervergunning uitsluitend wordt verleend voor een periode van 3 maanden. Dit is gewijzigd in een vergunning voor ‘bepaalde tijd’. Dit vanwege de huidige praktijk, waarbij per concreet geval wordt beoordeeld wat de duur van de vergunning zal moeten zijn.
Let wel de gehandicaptenparkeerkaart valt buiten de werkinssfeer van dit hoofdstuk, omdat dit door hogere wetgeving wordt geregeld: artikel 13, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 49 en 55 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer en de artikelen 85 en 86 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de Regeling gehandicaptenparkeerkaart. Pagina 17 van 27
Wegsleepregeling Op grond van artikel 173, lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 kan bij gemeentelijke verordening regels worden gesteld ten aanzien van (kortgezegd) het wegslepen van voertuigen. De juridische kwalificatie betreft het toepassen van een last onder bestuursdwang. Hoewel de bevoegdheid tot het wegslepen van voertuigen in de wet is neergelegd, kan het college pas goed van deze bevoegdheid gebruikmaken wanneer de gemeenteraad in een verordening nadere regels heeft gesteld over de toepassing van deze bevoegdheid, zoals in artikel 173, tweede lid van de wet wordt voorgeschreven. In deze verordening dienen in elk geval regels te worden gesteld over de plaats van bewaring, de kostenberekening en de aanwijzing van weggedeelten en wegen, waar de wegsleepregeling van toepassing is. Wanneer een voertuig fout geparkeerd staat en wegsleepwaardig is, zijn er in principe twee naast elkaar bestaande manieren om hiertegen op te treden3. Allereerst door politie en justitie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WetMulder) via het opmaken van een proces-verbaal. Daarnaast door het uitvoeren van bestuursdwang (lees: het laten wegslepen en bewaren van dat voertuig) door het college van burgemeester en wethouders.
Aangezien in artikel 173, tweede lid van de wet wordt aangegeven dat de nadere regels bij gemeentelijke verordening moeten worden gesteld, kunnen de hiervoor genoemde onderwerpen niet worden gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. De uitwerking van de nadere regels van de verordening kan wel door het college van burgemeester en wethouders geschieden (bijvoorbeeld door middel van beleidsregels). Artikel 6.14 Definities Het begrip 'motorrijtuig' is apart omschreven omdat artikel 6.18 van de deze verordening alleen betrekking heeft op dit soort voertuigen. In artikel 1.1, is ‘motorvoertuig’ als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (Rvv 1990) reeds gedefinieerd. artikel 6.16 en 6.17 bewaring van weggesleepte voertuigen Deze artikelen hebben betrekking op het wegslepen van voertuigen. In artikel 6.17 is een lid geschrapt dat bepaalde dat het college de openingstijden vaststelt waarop de bewaarplaats bezocht kan worden. In de praktijk wordt gebruik gemaakt van een bergingsbedrijf, zodat wij aan de openingstijden van het bedrijf zijn gebonden. De aanwijzing van de openingstijden is op grond van artikel 173, lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 ook niet vereist. In artikel 6.18 is een lid geschrapt dat bepaalde dat het college de tarieven voor bewaring vaststelt.
Ook deze bepaling is geschrapt omdat dit volledig wordt uitbesteed aan een bergingsbedrijf. Het college kan niet de tarieven voor een bergingsbedrijf vaststellen. In artikel 13 tot en met 15 van het Besluit wegslepen van voertuigen is geregeld welke soorten van kosten die verbonden zijn aan het wegslepen en in bewaring stellen van voertuigen, in rekening kunnen worden gebracht. Het gaat hierbij niet alleen om personele en materiële kosten die direct verband houden met het wegslepen en in bewaring stellen van voertuigen, maar ook om kosten die verbonden zijn aan bekendmaking van beschikkingen, verkoop, eigendomsoverdracht om niet of vernietiging van voertuigen, inclusief de taxatie van deze voertuigen, renteverlies, WA-verzekering en dergelijke. In de wegsleepverordening hoeven deze kostencomponenten niet allemaal inzichtelijk te
3
Tot 2009 waren deze procedures aan elkaar gekoppeld, en moest op grond van een proces-verbaal een last onder bestuursdwang worden opgelegd. Dit bracht procedurerisico’s met zich mee.
Pagina 18 van 27
worden gemaakt. Volstaan kan worden met een uitsplitsing van de kosten die verbonden zijn aan het wegslepen van voertuigen enerzijds en de bewaring van deze voertuigen anderzijds.