CConstaterende datSimpelveld
Koppel je AI →
Document · PDF

11. Bijlage 4 Verordening openbare orde en veiligheid incl. bijlage.pdf

Commissie MID 29 juni 2021, gemeente SimpelveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Samenvoegen van de gemeentelijke verordeningen tot een Verordening fysieke leefomgeving en een Verordening openbare orde en veiligheid, incl. presentatie Omgevingswet20.901 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Besluit van de raad van de gemeente Simpelveld tot vaststelling van de Verordening openbare orde en veiligheid gemeente Simpelveld De raad van de gemeente Simpelveld, Gelezen het voorstel van het college van [1 juni 2021], gelet op (de) artikel(en):  149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154, 154a, 156, 172 en artikel 174 van de Gemeentewet:  3 en 4 van de Wet openbare manifestaties;  4 van de Alcoholwet  5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;  30c, lid 1 en 2, van de Wet op de kansspelen  2 en 3 van de Winkeltijdenwet  2a en artikel 173, lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit wegslepen van voertuigen;  10.23, lid 1 van de Wet milieubeheer Besluit vast te stellen de volgende verordening: De Verordening openbare orde en veiligheid (Vov)

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN 1.1 Definities 1. In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beheerder: de natuurlijke persoon die de feitelijke leiding uitoefent in een inrichting of bedrijf; - belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die: a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd; - bezoeker: degene die aanwezig is in een inrichting, bedrijf of bij een evenement, met uitzondering van de exploitant, de beheerder, de personen die werkzaam zijn in de inrichting, het bedrijf of bij het evenement dan wel andere personen waarvan aanwezigheid in de inrichting of het bedrijf niets direct van doen heeft met de reguliere activiteiten.

1

- bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; - bromfiets, snorfiets, scooter: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van deWegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Simpelveld; - consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit;. - evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, Onder evenement wordt mede verstaan een: a. herdenkingsplechtigheid; b. braderie; c. optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.2 van deze verordening, op de weg; d. feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement). f. wielertoertocht vanaf 101 deelnemers; g. georganiseerde toertocht vanaf 50 gemotoriseerde voertuigen; h. vechtsportwedstrijden en –gala’s. Onder evenement wordt niet verstaan: a. bioscoop-, muziek- en theatervoorstellingen, als deze plaatsvinden in (mede) daarvoor bestemde gebouwen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 7.4. van deze verordening; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d.

het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2.4 en 4.21 en 4.24 van deze verordening; g. sportwedstrijden met uitzondering van vechtsportwedstrijden; - exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inrichting of bedrijf uitbaat en de tot vertegenwoordiging van die natuurlijke of rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht; - reclame: iedere openbare aanprijzing van goederen, diensten en/of activiteiten;

2

- houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op andere wijze een inrichting drijft; - kampeermiddel: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, lid 1, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbare inrichting: a. een hotel, restaurant, pension, (waterpijp)café, cafetaria, snackbar, discotheek, shisha-bar of -lounge, buurthuis of clubhuis; b. elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid; c. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt; d.

Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. - openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; - Rvv 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren worden verkocht of verhuurd; - snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; b. een evenement als bedoeld in artikel 2.11.

3

- speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren; - standplaats: het vanaf een vaste, op een openbare en in de open lucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen. Onder standplaats wordt niet verstaan een vaste plaats op een: a. jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g van de Gemeentewet; b. evenement als bedoeld in artikel 2.11 - terras: een buiten het horecabedrijf gelegen besloten ruimte waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of eten voor directe consumptie ter plaatse kan worden bereid en/of aangeboden; , - toestemming: verzamelterm voor instemming van het bevoegde bestuursorgaan in de vorm van een vergunning of vrijstelling; - venten: het in de uitoefening van ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Onder venten wordt niet verstaan: a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet; b.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 7.4; c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 2.10 van de Verordening fysieke leefomgeving. - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet, tenzij hiervan in deze verordening wordt afgeweken. 2. De in het eerste lid opgenomen definities zijn ook van toepassing op de regels die bij of krachtens deze verordening zijn vastgesteld, tenzij in die regeling anders is bepaald. Artikel 1.2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist binnen acht weken op een aanvraag voor een toestemming, tenzij hiervan wordt afgeweken bij of krachtens de bepa-

4

lingen van deze verordening. Deze acht weken-termijn begint de eerste dag na de ontvangst van de aanvraag. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de beslistermijn met maximaal zes weken verlengen. 3. Het eerste en tweede lid gelden niet als daarvan wordt afgeweken bij of krachtens de bepalingen van deze verordening. Artikel 1.3 Indienen aanvraag Bij een toestemmingaanvraag wordt gebruik gemaakt van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier. Artikel 1.4 Voorschriften 1. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Het doel van deze voorschriften mag alleen bescherming zijn van het belang waarvoor de toestemming vereist is. 2. Degene voor wie de toestemming geldt, moet zich zo gedragen dat geen strijd met de toestemmingsvoorschriften ontstaat. Artikel 1.5 Persoonlijke karakter vergunning De toestemming is persoonlijk, tenzij bij of krachtens de bepalingen van deze verordening anders is bepaald. Artikel 1.6 Intrekking en wijziging van toestemming De toestemming kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. onjuiste of onvolledige gegevens zijn ingediend om de toestemming te krijgen; b. vanwege een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de toestemming, intrekking of wijziging noodzakelijk is door het belang ter bescherming waarvan de toestemming vereist is; c.

aan de toestemming verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen; d. van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn, of e. de toestemminghouder daarom verzoekt. Artikel 1.7 Geldigheidsduur toestemming De toestemming geldt voor onbepaalde tijd, tenzij a. in de toestemming de geldigheidsduur is beperkt, of b. de aard van de toestemming zich daartegen verzet.

5

Artikel 1.8 Weigeringsgronden 1. De toestemming kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde, b. de openbare veiligheid, c. de zedelijkheid en volksgezondheid, of d. de bescherming van milieu 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan besluiten de toestemmingaanvraag te weigeren als deze aanvraag wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de toestemming nodig heeft, en een zorgvuldige behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is. 3. De toestemming wordt geweigerd als: a. de aanvrager geen belang heeft bij de toestemming, of b. door gebruikmaking van de toestemming duidelijke strijd ontstaat met andere wettelijke voorschriften. Artikel 1.9 Hogere wetgeving De in deze verordening genoemde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hogere wetgeving. Artikel 1.10 Naleving voorschriften Het is verboden voorschriften te overtreden die zijn verbonden aan besluiten bij of krachtens deze verordening.

HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot (dreigende) ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een publiek trekkende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden (dreigen) ontstaan of c. aanwezig is bij of in een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie en/of buitengewone opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of in de door hen aangewezen richting te gaan.

6

3. Het is verboden zich te bevinden op of te gaan naar openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan zijn afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden. 4. Het in het derde lid bedoelde verbod geldt niet voor buitengewone opsporingsambtenaren, toezichthouders, ambtenaren van politie en hulpdiensten. 5. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van het in het derde lid gestelde verbod. 6. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 2. Betoging Artikel 2.2 Melding betoging op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, meldt dit schriftelijk aan de burgemeester voorafgaand aan de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden. 2. De schriftelijke melding bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden, het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en route; e. de wijze van samenstelling en f. de maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die schriftelijk meldt ontvangt daarvan een ontvangstbevestiging met daarin het tijdstip van de melding. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke melding valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, dan wordt de schriftelijke melding gedaan vóór 12.00 uur op de laatste werkdag voorafgaand aan de genoemde dagen. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een melding in behandeling nemen buiten deze termijn.

7

Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 2.3 Beperking aanbieden e.d. van geschreven en gedrukte stukken alsmede afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte en geschreven stukken alsmede afbeeldingen onder publiek te verspreiden of openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg Artikel 2.4 Straatartiest en dergelijke 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester voor publiek op te treden als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids, voor publiek vermaak. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 5. Veiligheid op de weg Artikel 2.5 Gevaar door water Degene die verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van water op de openbare weg moet er voor zorgen dat die aanwezigheid niet leidt tot gevaarlijke situaties. Artikel 2:6 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is verplicht deze a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten. Artikel 2.7 Openen straatkolken en dergelijke

8

Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken, af te dekken of te beschadigen. Artikel 2.8 Voorkomen brand in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen en heide dan wel binnen een afstand van dertig meter daarvan zich zodanig te gedragen dat daardoor brand kan ontstaan. a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden zijn niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2.9 Gevaarlijke voorwerpen 1. Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde en veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.

Afdeling 6. Evenementen Artikel 2.11 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. de begin- en eindtijden liggen tussen 09.00 en 22.00 uur op zondag tot en met donderdag en tussen 09.00 en 23.00 uur op vrijdag en zaterdag; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 9.00 uur en na 22.00 uur (zo-do) of na 23.00 uur (vr-za); d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer of de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 20 m2 per object; f. er een organisator is en

9

g. de organisator tenminste 20 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester, door middel van een meldingsformulier. 3. De burgemeester kan besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8 van deze verordening kan de vergunning worden geweigerd: a. ter voorkoming of beperken van overlast en/of b. vanwege de verkeersveiligheid dan wel de veiligheid van personen of goederen 5. De burgemeester weigert de vergunning: a. als de organisator van een vechtsportwedstrijd of -gala van slecht levensgedrag is; b. het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de gezondheid, de veiligheid, de zedelijkheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan van wanordelijkheden en/of c. een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is. 6. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor ééndaagse evenementen, indien het een wielertoertocht betreft van 101 tot en met 250 deelnemers. Voor deze wielertochten geldt een meldingsplicht. 7.De melding voor een wielertoertocht moet minimaal 20 werkdagen voor het evenement worden ingediend. 8.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor ééndaagse evenementen, als het een toertocht voor gemotoriseerde voertuigen betreft van 50 tot 99 deelnemers. Voor deze tochten geldt een meldingsplicht. 9. De melding voor een toertocht voor gemotoriseerde voertuigen moet minimaal 20 werkdagen voor het evenement worden ingediend. Als binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding geen tegenbericht is verzonden, kan het evenement zoals gemeld plaatsvinden. 10. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8 kan de evenementenvergunning ook worden geweigerd als strijd bestaat met: a. het evenementenbeleid of b. het wielerbeleid. 11. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 12. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8, lid 2 kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag voor een vergunning te weigeren als deze niet binnen de juiste indieningstermijnen, zoals gesteld in het door het college vastgestelde “Handboek evenementenbeleid”, is ingediend.

10

Artikel 2.12 Ordeverstoring bij evenementen 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. 3. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 4. Iedereen is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid onmiddellijk precies op te volgen. 5. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 6. Het verbod in het lid 5 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.13 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1.

Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.14 Ordeverstoring bij voetbalwedstrijden 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a. organisator: degene die een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken; b. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a. 2. De organisator van een voetbalwedstrijd is verplicht ten minste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag dit schriftelijk te melden bij de Burgemeester. In de door de Burgemeester te bepalen bijzondere gevallen geldt een termijn van zeven dagen.

11

3. De melding als bedoeld in het tweede lid bevat een opgave van het verwachte aantal toeschouwers en een omschrijving van de wanordelijkheden die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. 4. De burgemeester kan het spelen of laten spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: a. a uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde; b. als de verplichte melding als bedoeld in het tweede lid niet of niet tijdig is gedaan. 5. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en/of veiligheid met betrekking tot een voetbalwedstrijd voorschriften geven aan de organisator. Artikel 2.15 Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3.

Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

HOOFDSTUK 3 WINKELTIJDEN Artikel 3.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. Wet: de Winkeltijdenwet; b. feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste Kerstdag en tweede Kerstdag; c. werkdagen: maandag tot en met zaterdag. d. winkel: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Wet; e. bedrijf: winkel of ‘uitstalling, anders dan een winkel’, waaruit in de uitoefening van een bedrijf goederen te koop worden aangeboden of worden verkocht aan en in rechtstreekse aanraking met particulieren.

12

Artikel 3.2 Vrijstelling zon- en feestdagen Voor de in artikel 2, eerste lid onder a en b, van de Wet vervatte verboden geldt een algemene vrijstelling op zon- en feestdagen van 10.00 uur tot 20.00 uur, met uitzondering van Nieuwjaarsdag, eerste Paasdag, eerste Pinksterdag en eerste Kerstdag, als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet. Artikel 3.3 Ontheffing zon- en feestdagenregeling voor afzonderlijke situaties 1. Het college kan op verzoek ontheffing verlenen van het in artikel 2, eerste lid, onder a van de Wet vervatte verbod, voor zover het betrekking heeft op 24 december en/of 31 december. 2. Ontheffingen als bedoeld in het eerste lid, worden uitsluitend verleend voor een gewijzigde openingstijd die niet eerder dan 8.00 uur kan beginnen. 3. Het college kan op verzoek ontheffing verlenen van de in artikel 2, tweede lid van de Wet vervatte verboden, voor zover deze betrekking hebben op de zondag, Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag, voor: a. evenementen van tijdelijke aard; b. het uitstallen van goederen; c. de verkoop van seizoensgebonden etenswaren voor directe consumptie, zoals oliebollen. 4. De in het tweede lid, onder a en b, genoemde ontheffing kan worden verleend in geval van: a. braderieën, straatmarkten, veilingen, beurzen, modeshows, bedrijfsjubilea en bedrijfsopeningen; b.

feestelijkheden, bijeenkomsten en tentoonstellingen, voor zover deze evenementen niet uitsluitend dan wel in hoofdzaak bestaan uit de verkoop aan consumenten, of c. bijzondere omstandigheden. 5. Het college kan voorschriften verbinden aan ontheffingen. 6. Het college kan weigeren een ontheffing te verlenen, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen, dat de exploitatie van de winkel, of het bedrijf zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid van de Wet, gevaar zal opleveren voor de openbare orde of veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse op ontoelaatbare wijze nadelig zal beïnvloeden. Artikel 3.4 Beslistermijn Het college beslist op verzoek voor een ontheffing conform regels van artikel 1.2 als ware het een vergunningaanvraag.

13

Artikel 3.5 Overdracht ontheffing 1. Ontheffingen op grond van deze Afdeling zijn overdraagbaar na verkregen toestemming van het college. 2. In geval van een voorgenomen overdracht van de in het eerste lid bedoelde ontheffingen deelt de houder van de ontheffing dit onmiddellijk schriftelijk mede aan het college met vermelding van de naam en het adres van de voorgestelde rechtverkrijgende. Artikel 3.6 Intrekken of wijzigen ontheffing In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.6 kan het college de ontheffing intrekking of wijzigen als de exploitatie van de winkel of de uitoefening van een bedrijf anders dan in een winkel op basis van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat ter plaatse;

HOOFDSTUK 4 EXPLOITATIE VAN BEDRIJVEN Afdeling 1 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Artikel 4.1. Vergunningplicht exploitatie bedrijf 1.De burgemeester kan gebouwen, gebieden, straten of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar het verboden is om zonder vergunning bepaalde categorieën bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen die naar zijn oordeel de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken. 2. Hij wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht geldt en geeft desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht worden verbonden. 3. De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar zijn oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins ondermijning veroorzaken.” Artikel 4.2 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, wordt een vergunning als bedoeld in artikel 4.1 geweigerd indien: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

14

e. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiending van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 2.De vergunning als bedoeld in artikel 4.1 kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Artikel 4.3 Beheerder 1.De exploitant van een bedrijf als bedoeld in artikel 4.1, kan beheerders aanstellen. 2. De exploitant verzoekt de burgemeester om de beheerder bij te schrijven op het aanhangsel bij de vergunning. Bij dit verzoek dient de exploitant het arbeidscontract met de beheerder te overleggen. 3. Een beheerder die in enig opzicht van slecht levensgedrag is, wordt geweigerd of verwijderd van het aanhangsel. 4. Het is verboden een bedrijf als bedoeld in artikel 4.1 voor het publiek geopend te hebben indien in het bedrijf geen exploitant of beheerder feitelijk aanwezig is.

Artikel 4.4 Intrekken vergunning In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.6 kan een vergunning als bedoeld in artikel 4.1 kan worden ingetrokken indien: a. de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; a. b.de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; b. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; c. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; f. de vestiging of exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan; g. er sprake is van het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; h.

zich in het betrokken bedrijf feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven der vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid;

15

i. naar het oordeel van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het bedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door het laten voortbestaan van de vergunning. Artikel 4.5 Sluiting voor publiek openstaande gebouwen (in relatie tot ondermijning) 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting te bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw – niet zijnde een openbare inrichting (horeca) of seks- of escortbedrijf - of een bij dat gebouw behorende erf. 2. De burgemeester kan de sluiting in elk geval bevelen als bedoeld in lid 1 van een voor publiek toegankelijk gebouw of bijbehorend erf als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; d.

wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.

Afdeling 2 Exploitatie openbare inrichting horeca Artikel 4.6 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning geweigerd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiending van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder

16

begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. g. door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q. diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste lid sub b en c, en tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld. 3. De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet als de activiteiten van het horecabedrijf een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. b. zorginstelling; c. museum of d. bedrijfskantine of –restaurant. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 4.7 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur. 2.

In afwijking van het eerste lid, is het verboden een terras geopend te hebben en daar bezoekers toe te laten van zondag tot en met donderdag tussen 23.00 uur en 10.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 24.00 uur en 10.00 uur. 3. Paracommerciële instellingen (afdeling 3) moeten een half uur na einde van de schenktijd als bedoeld in artikel 4.13 zijn gesloten waarbij in ieder geval de in het eerste lid genoemde tijden niet mogen worden overschreden. 4. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers toe te laten na sluitingstijd. 5. De burgemeester kan een vergunning verlenen om af te wijken van de sluitingstijd. 6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 4.6, lid 4, onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

17

Artikel 4.8 Afwijking sluitingstijd en tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of in geval van bijzondere omstandigheden, voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Artikel 4.9 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. aanwezig te zijn na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn op grond van een besluit krachtens artikel 4.8, tenzij het personeel betreft; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras. Artikel 4.10 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht of een voor hem handelend persoon in die inrichting een voorwerp verwerft, verkoopt of op andere wijze overdraagt. Artikel 4.11 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 4.6 tot en met 4.8 op als bevoegd bestuursorgaan.

Afdeling 3. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 4.12 Definitie De in de Alcoholwet opgenomen definities gelden eveneens voor de begrippen in deze Afdeling. Artikel 4.13 Schenktijden paracommerciële rechtspersonen 1. Paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van sportieve aard, verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op: a. maandag tot en met vrijdag na 16.00 uur tot 24.00 uur; b. zaterdag na 13.00 uur tot 23.00 uur; c. zondag na 11.00 uur tot 19.00 uur; d. voor tennisverenigingen gelden afwijkende tijden: elke dag van de week na 10.00 uur tot 0.30 uur; en e. voor gymnastiekverenigingen met een eigen accommodatie gelden afwijkende tijden: maandag tot en met woensdag na 19.00 uur tot 24.00 uur,

18

donderdag tot en met zaterdag na 19.00 uur 11.00 uur tot 19.00 uur.

tot 01.00 uur, zondag na

2. Paracommerciële rechtspersonen waarbij het faciliteren van sociale interactie direct voortvloeit uit de doelstellingen, zoals studenten(sport)verenigingen, verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank na 19.00 uur tot 24.00 uur. 3. Cultuurhuizen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank op: a. maandag tot en met donderdag na 19.00 uur tot 24.00 uur; b. vrijdag na 19.00 uur tot 1.00 uur; c. zaterdag na 11.00 uur tot 2.00 uur; en d. zondag na 11.00 uur tot 2.00 uur. 4. Overige paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank na 19.00 uur tot 24.00 uur. Artikel 4.14 Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen 1. Het is aan paracommerciële rechtspersonen verboden om per kalenderjaar meer dan drie evenementen te (laten) houden. 2. onder evenement als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, die geen verband houdt met de hoofdactiviteit van de paracommerciële rechtspersoon. 3. Het is aan paracommerciële rechtspersonen verboden om bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten te houden of laten houden die gericht zijn op personen die niet bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn. 4. De vorengenoemde leden zijn eveneens van toepassing op evenementen en bijeenkomsten, waarop de Alcoholwet niet van toepassing is.

Artikel 4.15 Verbod happy hours Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of gratis alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in het desbetreffende horecabedrijf of het terras gewoonlijk wordt gevraagd.

Afdeling 4. Inrichtingen die gelegenheid geven voor overnachting Artikel 4.16 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

19

Artikel 4.17 Melding exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst dan wel de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht dit binnen drie dagen daarna schriftelijk te melden bij de burgemeester. Artikel 4.18 Nachtregister 1. De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model (digitale nachtregister). 2. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. Artikel 4.19 Gegevens nachtregister 1. Degene die in een inrichting overnacht en de kampeerder zijn verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, geboortedatum, dag van aankomst en de dag van vertrek te geven. 2. De in het eerste lid bedoelde exploitant en leidinggevende zijn verplicht op het eerste verzoek van de toezichthouder de gegevens te verstrekken zoals bedoeld in het eerste lid, voor zover niet reeds verwerkt in het digitale nachtregister.

Afdeling 5. Speelgelegenheden Artikel 4.20 Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 4.21 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te (laten) exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 4.23 juncto artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en

20

c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of d. de handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten 2. Aanvullend op artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 4.22 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen kan vergunning worden verleend voor ten hoogste twee kansspelautomaten toegestaan; 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Afdeling 6 Speelautomatenhallen Artikel 4.23 Definities 1. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn gedefinieerd, hebben dezelfde betekenis als in die wet. 2. Onder een speelautomatenhal wordt verstaan: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder b van de Wet; Artikel 4.24 Speelautomatenhallen 1. het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te (laten) exploiteren. 2. De burgemeester kan voor maximaal 1 speelautomatenhal een vergunning verlenen. 3. De vergunning wordt verleend voor bepaalde tijd voor een door de burgemeester nader te bepalen termijn. 4. De burgemeester stelt beleidsregels vast over speelautomaten en de verdeling-/toedelingsprocedure van een speelautomatenhalvergunning. 5. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beschikken) is niet van toepassing.

21

Artikel 4.25 Indienen aanvraag De vergunning wordt aangevraagd onder overlegging van: a. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld; b. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van koophandel en fabrieken; c. een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager gerechtigd is over de ruimte te beschikken; Artikel 4.26 Beslistermijn De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor maximaal twaalf weken worden verdaagd. Artikel 4.27 Inhoud vergunning 1. In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld. 2. In aanvulling op artikel 1.4 kan aan de vergunning voorschriften worden verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op: a. de sluitingstijden van de speelautomatenhal; b. het toezicht in de speelautomatenhal; c. het aantal en type spelersplaatsen en speelautomaten dat mag worden opgesteld, en d. de exploitatie van de hal. Artikel 4.28 Maximum aantal speelautomaten Het aantal speelautomaten dat mag worden opgesteld bedraagt maximaal 30 kansspelautomaten met een maximum van 61 spelersplaatsen. Artikel 4.29 Weigeren vergunning 1.

In aanvulling op artikel 1.8 wordt de vergunning geweigerd als: a. reeds een vergunning voor speelautomatenhallen is verleend; b. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is; c. de beheerder jonger is dan 25 jaar; d. de vergunninghouder of de beheerder onder curatele staat (staan) of onder bewind is ingesteld met betrekking tot één of meer aan hen toebeho-

22

rende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19, van het Burgerlijk Wetboek; e. De exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan. 2. De burgemeester kan een vergunning verlenen om af te wijken van het leeftijdsvereiste, gesteld in het vorige lid, onder c. Artikel 4.30 Beheerder 1. Als een overeenkomstig artikel 4.27, lid 1 in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, moet de vergunninghouder binnen twee weken een nieuwe vergunning aanvragen. 2. De vergunning vervalt als de beslissing op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het vestigen of exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid. Artikel 4.31 Andere vergunninghouder 1. Als een vergunninghouder overlijdt moet, indien voortzetting van de exploitatie wordt beoogd, binnen twaalf weken na het overlijden een nieuwe vergunning worden aangevraagd. 2. In alle andere gevallen van wisseling van de vergunninghouder moet binnen vier weken na overname van de speelautomatenhal een nieuwe vergunning worden aangevraagd. 3.

Zolang op een binnen de daarvoor geldende termijn ingediende aanvraag niet is beslist, is voortzetting van de exploitatie toegestaan, met inachtneming van de voorschriften verbonden aan de van rechtswege vervallen vergunning. Artikel 4.32 Intrekkingsgronden In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.6 van deze verordening kan de burgemeester de ontheffing intrekken als de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken.

HOOFDSTUK 5 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID Afdeling 1 Overlast en hinder Artikel 5.1 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf, te betreden.

23

2. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen waarvan de aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens een dringende reden noodzakelijk is. Artikel 5.2 Woonoverlast 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf dan wel in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of onder dwangsom opleggen. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit als de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Daarbij kan hij aanwijzingen geven over wat de overtreder moet (laten) doen om verdere schending te voorkomen. 3. een sanctie als bedoeld in lid 2 kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen.

De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken. 4. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren en/of ongedierte; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Artikel 5.3 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te (laten) plakken, op andere wijze aan te (laten) brengen of b. met kalk, krijt, teer of een kleur dan wel verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te (laten) brengen. 3.

Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing als wordt gehandeld bij of krachtens wettelijk voorschrift.

24

4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan algemene of nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering onmiddellijk ter inzage af te geven. Artikel 5.4 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Dit verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 5.3. Artikel 5.5 Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde tassen 1. Het is verboden op een openbare plaats een werktuig, gereedschap of andere zaak te vervoeren of bij zicht te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.

Het is verboden op een openbare plaats of in de nabijheid van winkels een tas of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben die er kennelijk toe dient c.q. is uitgerust om het plegen van diefstal te vergemakkelijken. 3. De verboden gelden niet als aanstond aannemelijk is de in lid 1 en 2 bedoelde zaken niet bestemd zijn voor de daar bedoelde handelingen. Artikel 5.6 Betreden van plantsoenen en dergelijke 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder vergunning van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

25

Artikel 5.7 Betredings- en verblijfsverbod 1. Het college is bevoegd ter voorkoming van overlast of baldadigheid plaatsen of gebieden aan te wijzen, waar het verboden is, zich tussen bepaalde tijdstippen te bevinden dan wel zich op te houden. 2. Het is een ieder verboden zonder vergunning zich gedurende de krachtens het eerste lid bepaalde tijdstippen op de krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen te bevinden, dan wel zich aldaar op te houden. 3. Dit verbod is niet van toepassing op personen waarvan de aanwezigheid binnen het krachtens lid 1 aangewezen gebied, op het bepaalde tijdstip, wegens een dringende reden noodzakelijk is. Artikel 5.8 Rijden over bermen en dergelijke Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. Artikel 5.9 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich zodanig te gedragen dat voor andere gebruikers of bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder ontstaat. Artikel 5.10 Verplichte route 1.

Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2. De burgemeester kan vergunning verlenen om af te wijken van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 5.11 Gebruik lasers 1. Het is verboden op een openbare plaats zodanig met laserlicht te schijnen dat daardoor de openbare orde wordt verstoord of overlast wordt veroorzaakt. 2. Het is verboden op een openbare plaats lasers, laserpennen of dergelijke apparatuur in bezit te hebben of met zich mee te voeren, anders dan voor professioneel gebruik.

26

Artikel 5.12 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat hoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 5.13 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden zonder redelijk doel en/of overlast veroorzakend: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn dan wel een drempel van een gebouw te zitten of liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw of soortgelijk meergezinsgebouw of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 5.14 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en/of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Tot deze ruimten worden in elk geval gerekend: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 5.15 Plaatsen en lopend vervoeren van fietsen, bromfietsen en scootmobielen Het is verboden op een openbare plaats een fiets, bromfiets of scootmobiel te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of portiek of b. daardoor die ingang wordt versperd. Artikel 5.16 Overlast door fiets, bromfiets en scootmobiel Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

27

Artikel 5.17 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 5.18 Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden. 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt, te bespieden. Artikel 5.19 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; of d.

op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk herkenbaar maakt. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die: a. zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of b. deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel 5.20 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd en verwijderd blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Simpelveld&id=51ecfbfa-ff78-4153-8b20-5d9978ddc9e3