10. Wijzigingen Verordening openbare orde en veiligheid 2025
Tekst van het document
Wijzigingen Verordening openbare orde en veiligheid Artikel 1.1 definities - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bBijlage 1A bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgevingde Omgevingswet;
Artikel 4.6 Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning geweigerd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. de woon- en leefsituatiebaarheid in de omgevinghet gebied van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen drie jaar vóór de indiending van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. g. door de leidinggevende(n) en/of ondernemer(s) c.q.
diegene(n) die de rechtspersoon rechtsgeldig vertegenwoordigt(/en) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, eerste lid sub b en c, en tweede lid van de Alcoholwet worden gesteld. 3.De vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 4.Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet als de activiteiten van het horecabedrijf een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit. b. zorginstelling; c. museum of d. bedrijfskantine of –restaurant. 5.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 5.2 Woonoverlast 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf dan wel in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2.De burgemeester kan bij schending van de zorgplicht in het eerste lid aan de overtreder een last onder bestuursdwang of onder dwangsom opleggen. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit als de ernstige en herhaaldelijke hinder
redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan. Daarbij kan hij aanwijzingen geven over wat de overtreder moet (laten) doen om verdere schending te voorkomen. 3.een sanctie als bedoeld in lid 2 kan een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken. 4.De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid of geurhinder; b. hinder van dieren en/of ongedierte; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 7.1 Inzameling van geld of goederen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden: a. in besloten kring, of b. door een instelling die is ingedeeld in het door het college CBF vastgestelde landelijke collecte en wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt en beschikt over een CBF-erkenning (erkenning goede doelen). 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Hoofdstuk 8 (afvalstoffenverordening) wordt geheel nieuw opgezet. Artikel 10.1 Strafbepaling 1. Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften, wordt gestraft met hechtenis van maximaal drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van lid 1 wordt overtreding van het bepaalde in de artikelen 4.24 en 6.12 en 6.13 van deze verordening gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie. 3. In afwijking van lid 1 en 2 is artikel 1a onderdeel 3 van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen: • 8.5 4, 8.6, 8.8 t/m 8.120 en , 8.123 t/m 8.18 19a en 8.21 t/m 8.23 van deze verordening;