10. Bijlage 4c Antwoord SP RIB Taskforce robuust zorglandschap Limburg 13-08-2025
Tekst van het document
> RETOURADRES Postbus 1992, 6201 BZ Maastricht
BEZOEKADRES
Mosae Forum 10 6211 DW Maastricht Aan de fractie van SP mevrouw S. Blom
POSTADRES
Postbus 1992 6201 BZ Maastricht
ONDERWERP
DATUM
BIJLAGEN
Schriftelijke vragen inzake RIB taskforce
5 september 2025 Verz.: 05-09-2025
--
BEHANDELD DOOR
TELEFOONNUMMER
ONZE REFERENTIE
FJM (Frans) Mourmans
06 50898190
2025.02879
E-MAILADRES
FAXNUMMER
UW REFERENTIE
Frans.Mourmans@maastricht.nl
043 - 350 4141
---
Geachte mevrouw Blom, Onderstaand treft u de beantwoording aan van de schriftelijke vragen die uw fractie gesteld heeft.
Antwoord 1: Wij bepalen in onze rol als opdrachtgeven inderdaad de voorwaarden voor aanbestedingen. Dit gebeurt in afstemming met jeugdzorgaanbieders in zogenaamde marktconsultaties over zowel inhoudelijke zaken als tarieven. Wij zijn het niet eens met uw aanname dat de gemeenten door de aanbestedingen medeverantwoordelijk zijn voor het inschrijven op onrendabele aanbestedingen. In het antwoord op uw vraag 10 lichten wij toe hoe onze tarieven tot stand komen en de mogelijke oorzaken waardoor dit voor individuele jeugdzorgaanbieders geen reële tarieven zijn. Jeugdzorgaanbieders kunnen daardoor inderdaad in de problemen komen. Actuele voorbeelden zijn XONAR, Mutsaers en Pactum. In het herstelplan van XONAR zien wij bijvoorbeeld dat ondanks 3 verliesgevende jaren in 2022 via de combinatie JENS opnieuw is ingeschreven op de aanbesteding van ambulante zorg. Een ander voorbeeld is dat in onze voorwaarden voor de financiering van het herstelplan van XONAR is opgenomen dat verliesgevende Leefhuizen moesten worden afgestoten. De oorzaak van de verliesgevende exploitatie: lage productiviteit, hoog ziekteverzuim, onvoldoende sturing op bedbezetting en een verkeerde mix van vast en ingehuurd personeel. In de herstelplannen van Mutsaers en Pactum zien wij vergelijkbare problemen.
Op pagina 9 van het rapport van de Taskforce staat onder meer: ‘Een andere oorzaak die hierop aansluit is het onvoldoende zicht van sommige zorgaanbieders op de (opbouw van de) eigen kostprijs. Op het moment dat contracten getekend moesten worden, erkenden enkele aanbieders dat zij onvoldoende zicht hadden op de financiële gevolgen van het contract, met alle gevolgen van dien.’ PAGINA
1 van 7
Schriftelijke vragen
Vraag 1: Het college stelt dat financiële problemen bij zorgaanbieders mede hun oorzaak vinden in het “inschrijven op onrendabele aanbestedingen”. Erkent het college dat de gemeente als opdrachtgever zélf de voorwaarden van deze aanbestedingen opstelt en daarmee medeverantwoordelijk is voor het creëren van een markt waarin aanbieders blijkbaar niet op een rendabele manier kunnen werken? Zo nee, waarom bent u die mening niet toegedaan? Zo ja, kan uw college dan eindelijk eens kritisch reflecteren op de eigen rol in dit proces?
DATUM
5 september 2025
Samenvattend: bij de bepaling van oorzaak en gevolg dient onderscheid gemaakt te worden tussen de verantwoordelijkheden van de gemeenten als opdrachtgever en jeugdzorgaanbieders als opdrachtnemer. Vraag 2: Inleidende tekst: Middels de nieuwe ‘geschiktheidseis’ wordt voorgeschreven dat zorgaanbieders financieel kerngezond moeten zijn om een contract te krijgen. Echter, in eerdere aanbestedingen werd niet hard gehandhaafd op enige solvabiliteitseis, omdat volgens uw college in dat geval geen enkele van de grote aanbieders in aanmerking zou zijn gekomen voor de aanbesteding, aangezien geen van hen aan deze eis kon voldoen. Uw vraag: Hoeveel grote zorgbedrijven of conglomeraten die in onze regio actief zijn, zijn op dit moment überhaupt financieel gezond genoeg om deze nieuwe, strengere toets nu wél te doorstaan? Immers, zoals u zelf schetst in uw raadsinformatiebrief, waren het juist de vier grote systeemspelers die in de grote financiële problemen zijn gekomen.
Uw aanname dat geen enkele grote jeugdzorgaanbieder in het verleden kon voldoen aan de geschiktheidseis is onjuist. Op pagina 4 laatste alinea van de RIB kunt u lezen dat de meeste financiële voorwaarden voor onze aanbestedingen ongewijzigd zijn. De inhoudelijke wijzigingen zijn 1) dat jeugdzorgaanbieders die niet (volledig) voldoen aan alle financiële voorwaarden niet langer ‘op proef’ zelfstandig kunnen inschrijven en 2) dat wij op basis van lessons learned de jeugdregio strikter gaat toetsen op de toelating van onderaannemers. Het is dus uitdrukkelijk niet zo dat de financiële voorwaarden in hun geheel zijn aangescherpt. Standaard onderdeel bij onze aanbestedingen is dat er vooraf een risicoanalyse en uitvoeringstoets wordt gedaan. Ook voor de aanbestedingen in 2025 en 2026 is dit gebeurd. Op basis daarvan is onze beoordeling dat voldoende jeugdzorgaanbieders kunnen voldoen aan de voorwaarden en dat wij een dekkend zorglandschap kunnen realiseren.. Vraag 3: Hoe voorkomt uw college dat dit nieuwe vereiste leidt tot een (nog grotere) ongewenste machtsconcentratie bij een (nog) kleiner aantal grote zorgbedrijven en een verschraling van het aanbod, waarbij kleinere, innovatieve aanbieders het onderspit delven? Antwoord 3: In het antwoord op vraag 2 hebben wij toegelicht dat de financiële voorwaarden minder nieuw zijn dan door u wordt verondersteld.
Wij zien niet hoe de wijzigingen gaan leiden tot ongewenste macht concentraties. Temeer omdat wij streven naar een pluriform zorglandschap waarin kleinere jeugdzorgaanbieders ook een kans krijgen via inschrijving op bijvoorbeeld deelpercelen.
PAGINA
2 van 7
Schriftelijke vragen
Antwoord 2: De uitvoeringseis wordt inderdaad vervangen door een geschiktheidseis, onder meer omdat een jeugdzorgaanbieder die bij inschrijving niet kan voldoen aan alle financiële voorwaarden binnen een herstelperiode van 2 jaar wel moet kunnen voldoen. Lukt dat niet, dan is er een grond voor contractontbinding. In de praktijk blijkt dat lastig te realiseren doordat de Jeugdwet ons verplicht voor de jeugdigen die door deze maatregel worden geraakt vervangende zorg te regelen. Dat is niet in het belang van de continuïteit van de jeugdzorg. Onder meer om deze reden wordt met ingang van 2026 de uitvoeringseis niet langer toegepast bij onze aanbestedingen.
DATUM
5 september 2025
Vraag 4: Is uw college voornemens om naast de solvabiliteitseis ook de andere aanbestedingsvoorwaarden uit het verleden, en dan met name het minimumaantal geschikte bedden of plaatsen dat een aanbieder beschikbaar moet hebben, te herzien? Zo ja, welke betreft dat en wat wijzigt er ten aanzien daarvan? Zo nee, waarom niet? Antwoord 4: De inhoudelijke voorwaarden waaraan een jeugdzorgaanbieder moet voldoen worden per aanbesteding bepaald aan de hand van wat nodig is om aan de zorgbehoefte te kunnen voldoen. In het antwoord op de vorige vraag hebben wij reeds aangeven dat wij streven naar een pluriform zorglandschap. Onder meer om de afhankelijkheid van grote jeugdzorgaanbieders te verkleinen bestaat dit pluriforme zorglandschap uit een goede mix van grotere en kleinere zorgaanbieders. Vraag 5: Door zorgcombinaties ‘hoofdelijk aansprakelijk’ te maken, lijkt het college de wettelijke (en dus ook financiële) verantwoordelijkheid voor de zorgcontinuïteit af te willen wentelen op de markt. Stel: in een combinatie is aanbieder A verantwoordelijk voor de financiën. Door wanbeleid van A komt de combinatie in problemen. Wordt er dan van aanbieders B en C verwacht dat zij zorg leveren waarvoor het geld al is overgemaakt aan, en verdwenen bij, aanbieder A?
In antwoord op de geschetste casus het volgende voorbeeld. Wij hebben de raad daarover enkele keren via onze voortgangs-RIB gerapporteerd. In verband met de hoofdelijke aansprakelijkheid heeft de jeugdregio een garantie aan IJZ moeten afgeven omdat de combinatie bij discontinuïteit van onderaannemer XONAR in problemen zou komen. IJZ zou door de hoofdelijke aansprakelijkheid aan de onderaannemer betaalde maar niet geleverde zorg om niet moeten leveren. Wij hebben hier het belang van de continuïteit van de jeugdzorg en het belang van de 26 andere deelnemers in IJZ zwaarder laten wegen dan de contractuele bepalingen. Zie ook het antwoord op vraag 2 over de lessons learned. Vraag 6: Als het antwoord op de vorige vraag ‘ja’ luidt, welke gevolgen van deze strenge eis voorziet het college ten aanzien van de bereidheid van zorgaanbieders om met elkander een dergelijk samenwerkingsverband aan te willen gaan? En wat gebeurt er als een complete, cruciale zorgcombinatie omvalt? Wie garandeert dan de zorg voor de betrokken kinderen, en uit welke middelen wordt die zorg dan betaald? Antwoord 6: Aangezien het grotendeels om bestaande financiële voorwaarden gaat verwachten wij dat jeugdzorgaanbieders ook in de toekomst combinaties en samenwerkingsverbanden zullen aangaan. Wij verwachten wel dat men kritischer zal zijn in de beoordeling van de financiële gezondheid van deelnemers.
Dat is ook goed zo. Dat individuele jeugdzorgaanbieders in financiële problemen komen is ondanks alle maatregelen niet uit te sluiten. Combinaties bestaan uit een aantal zelfstandige partijen. Financiële problemen bij individuele partijen betekent niet automatisch dat ook de combinatie financiële problemen heeft. Wij zien
PAGINA
3 van 7
Schriftelijke vragen
Antwoord 5: Er worden geen risico’s afgewenteld op de markt. De gemeenten kopen zorg in bij jeugdzorgaanbieders die een contractuele leveringsplicht hebben. Indien als combinatie wordt ingeschreven wordt de combinatie als één geheel gezien. De leden van de combinatie zijn gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk voor de levering van de zorg. De hoofdelijke aansprakelijkheid is ook niet nieuw. Het is reeds opgenomen in onze contracten.
DATUM
5 september 2025
bijvoorbeeld bij IJZ dat in de combinatie per kwartaal de financiële situatie van deelnemers wordt beoordeeld. Bij verslechtering wordt bijgestuurd, bijvoorbeeld door de bevoorschotting aan te passen van betaling ineens vooraf naar maandbetaling. Op deze manier wordt het risico voor de combinatie gemitigeerd. Enkele maanden geleden heeft onderaannemer PsyCare van de combinatie IJZ het eigen faillissement moeten aanvragen. De leden van de combinatie IJZ hebben daarop conform contractuele afspraken voor eigen rekening en risico de continuïteit van de jeugdzorg gegarandeerd totdat de curator een partij had gevonden voor de overname van de bedrijfsactiviteiten en de jeugdzorg. Wij hebben de raad hierover in een RIB geïnformeerd. Vraag 7: In de RIB wordt meermaals gesteld dat de ‘governance’ van de jeugdregio wordt herzien. Kunt u in concrete en begrijpelijke taal uitleggen wat er precies schort aan de huidige bestuursstructuur en hoe de nieuwe ‘governance’ de democratische controle en sturingsmogelijkheden van onze inwoners en de gemeenteraad daadwerkelijk versterkt, in plaats van verder uitholt? Antwoord 7: Er wordt in de RIB niet gesproken over een aanpassing van de centrumregeling of een wijziging van de formele bestuursstructuur. Die blijven in eerste instantie gelijk.
Waar het nu vooral om gaat, is de manier waarop wij de samenwerking organiseren en laten werken in de praktijk.
De herziening van de governance gaat dus vooral over het verbeteren van deze verbindingen en werkafspraken, zodat: gemeenteraden beter en tijdiger betrokken worden bij de keuzes die we regionaal maken; de uitvoering duidelijker mandaat en richting krijgt, waardoor afspraken sneller en consistenter worden uitgevoerd, en; er meer transparantie ontstaat in de besluitvorming, zodat raadsleden beter kunnen controleren en inwoners beter begrijpen hoe besluiten tot stand komen. Met andere woorden: de bedoeling van deze herziening is niet om de democratische controle uit te hollen, maar juist om deze te versterken. Door de lijnen tussen regio, gemeenten en raden korter en duidelijker te maken, zorgen we ervoor dat raadsleden steviger hun kaderstellende en controlerende rol kunnen vervullen. Vraag 8: Het college wil strenger sturen op fusies en overnames. Recent hebben Koraal en VIA Jeugd een fusie aangekondigd. Kan het college schetsen hoe de nieuwe, aangescherpte beoordelingscriteria op deze specifieke casus zouden zijn toegepast en wat de uitkomst van die beoordeling zou zijn geweest?
PAGINA
4 van 7
Schriftelijke vragen
Concreet zien we dat er knelpunten zijn in de huidige manier van samenwerken: Besluiten die regionaal worden genomen, landen niet altijd goed bij de gemeentelijke praktijk en raden. Er is sprake van versnippering; afspraken worden niet altijd eenduidig uitgewerkt en uitgevoerd. Soms is onduidelijk wie waarvoor bevoegd en verantwoordelijk is, waardoor tempo en effectiviteit verloren gaan. De samenwerking vraagt dat bestuurders, ambtenaren en professionals persoonlijk verantwoordelijkheid nemen en elkaar ook aanspreken. Dat kan sterker.
DATUM
5 september 2025
Antwoord 8: De jeugdregio heeft ingestemd met een bestuurlijke fusie tussen VIA jeugd en Koraal. De bestuurlijke fusie verandert het regionale zorglandschap nauwelijks, maar versterkt de positie van de fusie-organisatie in bovenregionale samenwerkingen. Dit biedt schaalvoordelen voor de ontwikkeling van alternatieven voor gesloten jeugdzorg. Aangezien bij een bestuurlijke fusie de bestaande rechtspersonen ongewijzigd blijven, heeft de bestuurlijke fusie geen effect op bestaande contracten en nieuwe aanbestedingen. ‘Too big to fail’ is daarom op dit moment niet aan de orde. Over de geplande juridische fusie heeft de jeugdregio nog geen standpunt ingenomen. Vraag 9: Er wordt sterk ingezet op het Early Warning System (EWS). Hoe ‘early’ is dit systeem in de praktijk? Signaleert het systeem problemen op een moment dat er nog preventief ingegrepen kan worden, of is het in feite een ‘Late Warning System’ dat pas afgaat als een aanbieder al in de financiële gevarenzone zit? Antwoord 9: De verplichting om de kwartaalrapportages van het EWS te delen met de gemeenten wordt toegevoegd aan onze contracten bij contractvernieuwingen of nieuwe aanbestedingen. Momenteel is deze verplichting doorgevoerd in de contracten voor GIK-J. Daardoor zijn intussen 4 cruciale zorgaanbieders verplicht hun kwartaalrapportages te delen.
In de overige contracten zal bij een volgende verlenging de verplichting worden toegevoegd.
Vraag 10: Het college stelt dat de geboden tarieven voldoen aan de AMvB reële prijzen Jeugdwet. Hoe is het dan mogelijk dat zorgaanbieders toch in financiële problemen komen? Zijn deze ‘reële’ tarieven wel toereikend voor het leveren van hoogcomplexe zorg én het onderhouden van een gezonde bedrijfsvoering, of dwingen de krappe marges aanbieders tot de ‘onrendabele’ keuzes waar het college hen (ook in deze raadsinformatiebrief opnieuw) steeds op afrekent? Antwoord 10: De wijze waarop onze tarieven worden bepaald voldoet reeds grotendeels aan de AMvB reële prijzen Jeugdwet. De noodzakelijke verbeteringen zijn een beperkt aantal aandachtspunten die landelijk spelen zoals vergoeding van no show en een uniforme berekeningswijze van overhead. Daarnaast een verfijning van onze werkwijze. Tarieven zijn onder meer gebaseerd op een landelijk benchmark van vergelijkbare jeugdzorgaanbieders waarbij rekening wordt gehouden met CAO’s, productiviteit, overhead etc. Daarnaast wordt ook gekeken naar de kostenopbouw van de regionale jeugdzorgaanbieders. Daarvoor worden geïnteresseerde jeugdzorgaanbieders gevraagd gegevens te delen. Op die manier ontstaan reële, generieke tarieven die van toepassing zijn op alle jeugdzorgaanbieders.
Voor jeugdzorgaanbieders die de bedrijfsvoering niet op orde hebben, bijvoorbeeld doordat de productiviteit, het ziekteverzuim of de overhead afwijken van wat gebruikelijk is bij vergelijkbare jeugdzorgaanbieders in de benchmark kunnen de reële tarieven niet toereikend zijn. Zowel XONAR, Mutsaers als Pactum zijn mede hierdoor in de problemen gekomen. PAGINA
5 van 7
Schriftelijke vragen
De opzet van het EWS is vroegsignalering door ontwikkelingen via de kwartaalrapportages op de voet te volgen. Met ‘early’ wordt bedoeld dat er op een zo vroeg mogelijk moment de juiste informatie voorhanden is, zodat er ook zo vroeg mogelijk kan worden gesignaleerd en ingegrepen. Dit helpt daadwerkelijk om eerder en preventiever in te grijpen en zo aanbieders beter te ondersteunen voordat financiele problemen onomkeerbaar worden.
DATUM
5 september 2025
Samenvattend: Het is de verantwoordelijkheid van de gemeenten om reële tarieven te bieden wat ook gebeurt. Het is de verantwoordelijkheid van de jeugdzorgaanbieders om hun bedrijfsvoering op orde te hebben zodat zorg geleverd kan worden tegen de geboden reële tarieven. Vraag 11: De oplossing wordt deels gezocht in bovenregionale en zelfs provinciale samenwerking en inkoop. Hoe waarborgt het college dat bij deze verdere opschaling de lokale Maastrichtse context, de couleur locale en de specifieke zorgbehoeften van onze inwoners niet ondersneeuwen in een provinciaal compromis? Antwoord 11: Ambulante zorg en begeleiding blijven wij kort bij huis regelen. Voor hoog-specialistische zorg al dan niet in combinatie met verblijf onderzoeken wij de mogelijkheden om dit op bovenregionaal/provinciaal niveau te regelen.
Antwoord 12: Indien de aanbieders de verplichte kwartaalrapportages voor het EWS niet aanleveren, kan de gemeente een ingebrekestelling sturen met daarin een hersteltermijn. Indien herstel uitblijft, verkeert de aanbieder in verzuim en dan kan de gemeente gebruik maken van haar rechten zoals; opschorting van de betaling, opleggen van een boete, geheel/gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (niet wenselijk gelet op de zorgcontinuïteit) en/of schadevergoeding vorderen. Zie ook het antwoord op vraag 9. Vraag 13: De hele operatie wordt gepresenteerd als een stap richting een 'duurzaam zorglandschap'. De maatregelen zijn echter (wederom) uitsluitend financieel en juridisch van aard. Kan het college ook maar één concreet voorbeeld schetsen van hoe deze technocratische aanpak direct zal leiden tot een inhoudelijke verbetering van de hulpverlening aan een kind met een complexe zorgvraag in onze stad? Antwoord 13: Het vergroten van de robuustheid van het jeugdzorglandschap is noodzakelijk. Alleen met financieel gezonde en stabiele organisaties kan de continuïteit van zorg geborgd blijven en kan de inhoudelijke kwaliteit van hulpverlening daadwerkelijk verbeteren. Dat betekent dat we, in deze fase, nadrukkelijk ook moeten sturen op cijfers en financiële posities.
Die sturing is geen doel op zich, maar een middel om een stevig fundament te leggen voor duurzame, kwalitatief goede jeugdzorg. Een concreet voorbeeld hoe deze sturing kan leiden tot inhoudelijke verbetering voor kinderen in Zuid-Limburg is de wachtlijstenproblematiek.. Zuid-Limburg kampt met wachtlijsten voor hoogspecialistische zorg, terwijl in Noord-Limburg sprake is van onderbezetting in een deel van de capaciteit.
PAGINA
6 van 7
Schriftelijke vragen
Vraag 12: Het college wil dat aanbieders verplicht de kwartaalrapportages uit het EWS integraal aanleveren. Hoe wordt deze verplichting afgedwongen als een aanbieder dit, uit vrees voor de consequenties, weigert? Welke sancties staan hierop, en zijn die in de praktijk ook daadwerkelijk uitvoerbaar zonder de zorgcontinuïteit in gevaar te brengen?
DATUM
5 september 2025
Wij onderzoeken daarom of voor cliënten met complexe zorgvragen, die in Zuid-Limburg door de wachtlijsten niet tijdig de noodzakelijke zorg kunnen krijgen, een oplossing kan worden gevonden via contractering van zorg elders in de provincie.
Hoogachtend, Namens het college van burgemeester en wethouders van Maastricht,
Hubert Mackus Wethouder Economie, Sport, Jeugdzorg, Water, Natuur en Landschap
Schriftelijke vragen PAGINA
7 van 7