RVS Vaststellen bestemmingsplan Hoogenboomlaan 42 Renesse Bijlage Natuurtoets Julianahoeve 2.2 def 2022-06-08
Tekst van het document
NATUURTOETS RECRE‐ ATIEPARK JULIANA‐ HOEVE 8 juni 2022
1/23
DATUM PROJECTLEIDER
8 juni 2022 ir. J.J. van den Berg
OPDRACHTGEVER Recreatiepark Julianahoeve PROJECTNUMMER 20210993 AUTEUR STATUS
2/23
R.C.H. van Marrewijk/ir. E. van der Aa definitief
INHOUD 1.
2.
3.
4.
3/23
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3
5 5 6 6 6
Aanleiding en doel van deze rapportage Ligging en begrenzing Uitgevoerde toetsing 1.3.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en Natuurnetwerk 1.3.2 Soortbescherming
Wet‐ en regelgeving
7
2.1 2.2
Inleiding Wet natuurbescherming 2.2.1 Gebiedsbescherming 2.2.2 Soortenbescherming
7 7 7 8
2.3
Natuurnetwerk Nederland (NNN) 2.3.1 Algemeen 2.3.2 Provincie Zeeland
10 10 10
Voortoets Natura 2000
12
3.1 3.2
Inleiding Beschrijving kwalificerende habitats en soorten H2180C – Duinbossen – binnenduinrand H2180A ‐ Duinbossen – droog H2160 – Duindoornstruwelen H2130A – Grijze duinen – kalkrijk H2190A ‐ Vochtige duinvalleien – open water H2190D ‐ Vochtige duinvalleien – hoge moerasplanten H1014 – Nauwe korfslak H1340 ‐ Noordse woelmuis
12 15 15 15 15 15 15 16 16 16
3.3
Mogelijke effecten 3.3.1 Oppervlakteverlies 3.3.2 Versnippering 3.3.3 Verzuring en vermesting 3.3.4 Verontreiniging 3.3.5 Verdroging 3.3.6 Verstoring door geluid, licht, trillingen en/of optische verstoring
16 17 17 17 17 18 18
3.4
Effectbeoordeling 3.4.1 Vermesting en verzuring 3.4.2 Optische verstoring 3.4.3 Geluidverstoring 3.4.4 Lichtverstoring
18 18 18 19 19
3.5 3.6
Cumulatie Conclusie voortoets
20 20
Effecten op het Natuurnetwerk
21
4.1 4.2
5.
4/23
Natuurtypen Toetsing
21 21
Effecten op beschermde soorten
22
5.1 5.2
Inleiding Aanwezigheid beschermde soorten 5.2.1 Vogelrichtlijnsoorten 5.2.2 Habitatrichtlijnsoorten 5.2.3 Overige beschermde soorten
22 22 22 22 23
5.3
Conclusie soortbescherming
23
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding en doel van deze rapportage
Camping Julianahoeve speelt in op de veranderende vraag van haar gasten naar meer gemak en luxe. In 2019 zijn luxe ver‐ huurchalets geplaatst op een deel van park Zeemeeuw, het meest noordelijke gedeelte van de camping. Daarnaast is er het voornemen privé‐sanitair te plaatsen op het overige deel van park Zeemeeuw. Het blijkt dat van de 24 geplaatste luxe cha‐ lets er 4 planologisch gezien onder het begrip 'kampeerhuisje’ vallen. Op het terrein zijn deze formeel niet toegestaan. De gemeente wil medewerking verlenen om, net als op veel andere terreinen, kampeerhuisjes mogelijk te maken. Hiervoor dient het bestemmingsplan te worden herzien. Naast de realisatie van kampeerhuisjes wordt in de bestemmingsplanher‐ ziening de landschappelijke inpassing bestaande uit een standaardbreedte van 5 meter met wal meegenomen. Uitgezon‐ derd worden de parkgedeelten Kievit, Zwaan en Bosuil. Langs deze gedeelten wordt de huidige situatie vastgelegd (maat‐ werk)1. Ten behoeve van het nieuwe bestemmingsplan is een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Voor‐ liggend rapport is deze voortoets.
1.2
Ligging en begrenzing
Camping Julianahoeve ligt aan de Hoogenboomlaan te Renesse, vlak bij het strand. Aan drie zijden grenst de camping aan het Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen. Alleen aan de zuidkant grenst het park aan andere recreatieparken. Aan de oostzijde ligt de Luieweg, deze doorsnijdt het park op twee plaatsen. Figuur 1.1 Ligging van het plangebied
Gezien de locatie van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000 en het Natuurnetwerk (NNN) zijn negatieve effecten niet bij voorbaat uit te sluiten. Daarnaast zijn in het gebied mogelijk beschermde soorten aanwezig. Om eventuele effecten te identificeren en daar waar mogelijk uit te sluiten, is deze natuurtoets opgesteld.
1
) Langs de gedeelten Kievit en Zwaan wordt de 5 meter niet altijd gehaald. Daarom wordt hier een 3 meter brede strook aangehouden waarop in de herfst of winter een rietscherm wordt geplaatst en wordt in het bestemmingsplan voor deze parkgedeelten een aangepaste, lagere hoogteregeling voor gebouwen opgenomen. Voor het park Bosuil is aan de noordzijde een beplante grondwal aanwezig die in het vast te stellen bestemmingsplan wordt voorzien van de bestemming Groen‐ Landschappelijk (continuering huidige planologische regeling). Hiermee worden negatieve effecten op het aangrenzende Natura 2000‐ gebieden voorkomen. Aan de oostzijde is op het eigen terrein geen groenstrook aanwezig, maar dat is al het geval sinds de ontwikkeling van het terreinge‐ deelte (ruim 50 jaar geleden). Aan deze zijde wordt voor landschappelijke afscherming gebruik gemaakt van het bos dat hier aanwezig is. Tussen het parkge‐ deelte en het bos is een 2 meter hoog hekwerk aanwezig, waarmee betreding (en daarmee samenhangende negatieve effecten) worden uitgesloten.
5/23
1.3
Uitgevoerde toetsing
1.3.1 Gebiedsbescherming: Natura 2000 en Natuurnetwerk Het bestemmingsplangebied grenst aan drie zijden aan het Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen. Deze begrenzing is vrij‐ wel identiek aan die van het Natuurnetwerk (zie figuur 1.2). Voordat een (bestemmings)plan met mogelijke gevolgen voor een Natura 2000‐ of NNN‐gebied kan worden vastgesteld moet duidelijk zijn of/en welke mogelijke effecten als gevolg van het plan kunnen plaatsvinden. De instandhoudingsdoelen van de betreffende Natura 2000‐gebieden vormen daarbij het belangrijkste toetsingscriterium. Voor het NNN zijn dit de wezenlijke kenmerken en waarden. De toets aan het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming die in dit rapport is opgenomen is te beschouwen als een voortoets in het kader van de Wet natuurbe‐ scherming. Figuur 1.2 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000 (geel) en het NNN (groen)
Voor de toetsing aan de Natura 2000‐doelen geldt een externe werking, zonder begrenzing. Voor het NNN geldt binnen de provincie Zeeland een afwegingszone van 100 meter, ontwikkelingen binnen 100 meter van het NNN mogen geen oneven‐ redige aantasting veroorzaken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het nabij gelegen natuurgebied (artikel 2.27). 1.3.2 Soortbescherming In het plangebied en de directe omgeving kunnen beschermde soorten voorkomen waardoor in de realisatie‐ en gebruiks‐ fase verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden overtreden. De in dit rapport beschreven soorten‐ bescherming dient om vast te stellen of kans is op het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten en zo ja, of daarvoor een ontheffing van de Wet natuurbescherming verleend kan worden en het bestemmingsplan op dat punt dus uitvoerbaar is.
6/23
2. WET‐ EN REGELGEVING 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming beschreven (paragraaf 2.2) en het beleidskader dat in de provincie Zeeland van toepassing is op het Natuurnetwerk Nederland (NNN, paragraaf 2.3).
2.2
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming (verder Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000‐gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstan‐ den, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van de voor dit rapport relevante delen van de wet gege‐ ven. 2.2.1 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000‐gebieden is beschreven in hoofdstuk 2 van de Wnb. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst Natura 2000‐gebieden aan. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000‐gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het om instandhoudingsdoelstellin‐ gen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
Op de aanwijzing of wijziging van de aanwijzing van gebieden is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het een wijziging van ondergeschikte aard is. Dit betekent dat deze besluiten openstaan voor bezwaar en beroep. Gedeputeerde Staten zijn ver‐ plicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000‐gebieden en moeten ook ‐ indien daar aanleiding voor bestaat ‐ passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000‐gebieden te voorkomen. Daarnaast moet er voor ieder Natura 2000‐gebied een beheerplan worden opgesteld.
PLAN, PROJECT OF ANDERE HANDELING? De Wnb maakt onderscheid in plannen, projecten en andere handelingen. Het verschil tussen een plan enerzijds en project en andere handeling anderzijds is duidelijk: Een plan gaat over het voornemen tot het verrichten van een handeling of om het scheppen van een (planologisch) kader voor een toekomstige handeling. Een project of andere handeling gaat altijd om een daadwerkelijk uit te voeren handeling. Het verschil tussen een project en een andere handeling is lastiger. Kort gezegd komt het erop neer dat er sprake is van een project in geval van een "fysieke ingreep in het natuurlijk milieu" en dat "activi‐ teiten waarbij geen sprake is van werken of ingrepen die de materiële toestand van een plaats veranderen", niet kunnen worden aangemerkt als een project. In de onderhavige situatie gaat het om het vaststellen van een plan, derhalve is alleen het deel van hoofdstuk 2 van de Wnb dat gaat over het toetsen van plannen relevant.
TOETSING VAN EEN PLAN Een plan dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, mag door het betreffende bestuursorgaan pas worden vastgesteld nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aan‐ getast (art. 2.8 lid 1 en art. 2.8 lid 3). Een uitzondering is een plan dat een herhaling of voortzetting is van een ander plan waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens of inzichten op kan leveren (art. 2.8 lid 2). Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen, mag het plan alleen worden vastgesteld wanneer er geen alternatieve oplossing is, er een dwingende reden van groot openbaar belang wordt gediend en er compenserende maatregelen worden getroffen (de ADC‐toets; art. 2.8 lid 4). Wanneer er sprake is van significante gevolgen voor een prioritair habitat of prioritaire soort en de dwingende reden van groot openbaar belang is of een reden van sociale of economische aard, dient in aanvulling op de ADC‐toets
7/23
door de minister een advies gevraagd te worden aan de Europese Commissie voordat het plan wordt vastgesteld (art. 2.8 lid 5). De te nemen compenserende maatregelen moeten onderdeel uitmaken van het betreffende plan (art. 2.8 lid 7). Een eventueel in te richten compensatiegebied dient de status van Natura 2000‐gebied te krijgen (art. 2.8 lid 8). Voorafgaand aan het vaststellen van een plan hoeft dus geen vergunning aangevraagd te worden. Wel dient het bestuursorgaan indien nodig middels een passende beoordeling de effecten op Natura 2000 te toetsen. Voorts moet worden onderzocht of voor de uitvoering van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt een vergunning Wnb nodig is, en indien dat het geval is, of deze kan worden verleend (uitvoerbaarheidstoets). De situatie kan zich voordoen dat het plan niet zal leiden tot significante effecten, en dus geen passende beoordeling nodig is, maar dat ten gevolge van de uitvoering van het pro‐ ject dat in het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wel sprake is van ‐ niet significante ‐ effecten2. 2.2.2
Soortenbescherming
CATEGORIEËN De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: ● Vogelrichtlijnsoorten; ● Habitatrichtlijnsoorten; ● Andere soorten.
VOGELRICHTLIJNSOORTEN Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in art. 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Neder‐ land beschermd. De soorten van art. 1 van de Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen. Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1).
HABITATRICHTLIJNSOORTEN In deze categorie vallen alle (in hun natuurlijk verspreidingsgebied) in het wild levende dieren zoals genoemd in: ● bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn; ● bijlage II bij het Verdrag van Bern of; ● bijlage I bij het Verdrag van Bonn (art. 3.5 lid 1); en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: ● bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; ● bijlage I bij het Verdrag van Bern (art. 3.5, lid 5). De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten op genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen.
ANDERE SOORTEN Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een "nationale kop" op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeld‐ zaam en/of bedreigd zijn, en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen in de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c).
VERBODSBEPALINGEN Ten aanzien van Vogelrichtlijnsoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernie‐ len van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art. 3.1 lid 3) en het op‐ zettelijk storen van vogels (art. 3.1 lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt niet in het geval de storing niet van wezen‐ lijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de Habitat‐ richtlijnsoorten (diersoorten) verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art.
2
Ter toelichting: de Wnb stelt in art. 2.7 lid 1 het volgende: "Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000‐gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan art. 2.8, met uitzondering van het negende lid." Art. 2.8 schrijft voor dat voor plannen waarvan significante gevolgen niet zijn uit te sluiten een passende beoordeling moet worden opgesteld. Kortom, er kan slechts sprake zijn van een verplichting een passende beoordeling op te stellen voor een bestemmingsplan wanneer significante gevolgen als gevolg van dat plan niet zijn uit te sluiten.
8/23
3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art. 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantings‐ plaatsen of rustplaatsen (art. 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Habitatrichtlijnsoorten (plantensoorten) verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art. 3.5 lid 5). Ten aanzien van de andere soorten (diersoorten) geldt slechts een verbod tot het opzettelijk doden of vangen (art. 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk be‐ schadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art. 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de andere soor‐ ten (plantensoorten) geldt een verbod tot opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art. 3.10 lid 1 onder c).
GEDRAGSCODES, VRIJSTELLINGEN EN ONTHEFFINGEN Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aan‐ toonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van LNV vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1). Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: A. B. C. D.
een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vlieg‐ velden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; een bestendig gebruik; ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Vrijstelling Provinciale Staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art. 3.3 lid 2‐4; 3.8 lid 2‐5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikke‐ ling en inrichting een ontheffing worden verleend van de verbodsbepalingen van art. 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van LNV en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van LNV het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie. In onderstaand overzicht zijn de soorten opgenomen waarvoor in de provincie Zeeland een vrijstelling3 geldt bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Aardmuis Bruine kikker Dwergspitsmuis Gewone pad Huisspitsmuis Meerkikker Veldmuis Woelrat
Bastaardkikker Egel Kleine watersalamander Ree Vos Rosse woelmuis Dwergmuis Gewone bosspitsmuis
Bosmuis
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt, een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbe‐ paling van art. 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art. 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, ver‐ schillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent 3
Verordening uitvoering Wet natuurbescherming (Provinciaal blad 2020, 9543)
9/23
‐ ook in combinatie met de in art. 11.1 beschreven zorgplicht ‐ dat wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is, een ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtre‐ ding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden per cate‐ gorie verschillende aanvullende voorwaarden. Om het bestemmingsplan vast te kunnen stellen is nog geen ontheffing Wnb nodig, ook niet wanneer de uitvoering van het plan zou leiden tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Wel dient vastgesteld te worden of bij uitvoe‐ ring van de projecten die door het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, een ontheffing Wnb nodig zal zijn, en of die in dat geval verleend zal kunnen worden.
2.3
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
2.3.1 Algemeen Het NNN wordt in art. 2.10.1, eerste lid BARRO als volgt beschreven: "stelsel van natuurgebieden van internationaal of na‐ tionaal belang dat strekt tot veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten". Dit is een algemene be‐ schrijving van het NNN. De provincies omschrijven het NNN in eigen bewoording, veelal komt het op hetzelfde neer. Het NNN beschermt kort gezegd de natuur en versterkt deze door de natuurgebieden beter met elkaar en met het agrarisch gebied te verbinden. Het NNN is het netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. Door deze verbinding kunnen planten en dieren zich makkelijker verspreiden wat de overlevingskans vergroot. Hoe groter het natuurgebied wordt, hoe sterker het zal zijn tegen negatieve effecten van buitenaf. Het groter worden van het natuur‐ gebied zorgt er tevens voor dat de biodiversiteit niet achteruitgaat. 2.3.2 Provincie Zeeland De regels die in de provincie Zeeland gelden met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening. In de verordening is de bescherming van het NNN, voor zover relevant voor het plan dat hier wordt getoetst, als volgt geregeld: Artikel 6.24 Natuurnetwerk Nederland 1.
Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwa‐ liteit of samenhang van die gebieden. 2. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, kan door Provinciale Staten worden gewij‐ zigd in overeenstemming met art. 2.10.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. 3. Niet van toepassing voor plannen. 4. Bij compensatie, bedoeld in art. 6.31, onder b, worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: a. de compensatie leidt niet tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; b. de compensatie vindt plaats: i. aansluitend aan of nabij het aangetaste gebied, met dien verstande dat een duurzame situatie ontstaat; ii. door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied als fysieke compensatie aansluitend aan of nabij het gebied niet mogelijk is, of iii.
op financiële wijze als zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief gelijkwaardige waarden op korte termijn redelijkerwijs niet mogelijk is.
10/23
5.
6.
De toelichting bij het bestemmingsplan dat een ontwikkeling mogelijk maakt waarvoor ontheffing als bedoeld in art. 6.31 nodig is, bevat een verantwoording over de aard van de effect beperkende of compenserende maatregelen, de begrenzing van het compensatiegebied, en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd. Niet van toepassing voor plannen.
De NNN‐bepalingen van de verordening bevatten een externe werking met een straal van 100 meter. Dit betekent dat wanneer er binnen de 100 meter buffer rond het NNN ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, deze getoetst worden aan de betreffende bepalingen van de verordening.
11/23
3. VOORTOETS NATURA 2000 3.1
Inleiding
De Kop van Schouwen is een groot en afwisselend duingebied op de westkant van Schouwen‐Duiveland. Van grote beteke‐ nis zijn de kalkarme vroongronden, met bijzondere graslanden en valleibegroeiingen, en de kalkrijke valleien in jonge duin‐ gedeelten. De natte, ruigere duingedeelten vormen een leefgebied voor de noordse woelmuis. De Zoute Haard, in het noordoosten van het gebied, is van belang voor de sterk bedreigde harlekijn. In de onderstaande tabel zijn de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen weergegeven. Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelen Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen Habitat
Oppervlakte
Kwaliteit
Landelijke SvI
=
=
‐
H1330A ‐ Schorren en zilte graslanden ‐ buitendijks H2110 ‐ Embryonale duinen
=
=
+
H2120 ‐ Witte duinen
=
>
‐
H2130A* ‐ Grijze duinen – kalkrijk
>
>
‐‐
H2130B* ‐ Grijze duinen – kalkarm
>
>
‐‐
H2130C* ‐ Grijze duinen ‐ heischraal
>
>
‐‐
H2150* ‐ Duinheiden met struikhei
=
=
+
H2160 – Duindoornstruwelen
=(<)
=
+
H2170 – Kruipwilgstruwelen
=(<)
=
+
H2180A ‐ Duinbossen – droog
=(<)
=
+
H2180B ‐ Duinbossen – vochtig
=(<)
>
‐
H2180C ‐ Duinbossen – binnenduinrand
=(<)
=
‐
H2190A ‐ Vochtige duinvalleien – open water
>
>
‐
H2190B ‐ Vochtige duinvalleien – kalkrijk
>
>
‐
H2190C ‐ Vochtige duinvalleien – ontkalkt
>
>
‐
H2190D ‐ Vochtige duinvalleien – hoge moerasplanten
=
=
‐
H6410 – Blauwgraslanden
=
=
‐‐
Oppervlakte en kwaliteit
Landelijke SvI
=
Behoud
+
Gunstig
>
Uitbreiding
=
Stabiel
=(<)
Achteruitgang ten gunste van ander habitattype toegestaan
‐
Ongunstig
‐‐
Zeer ongunstig
Soort
oppervlakte
kwaliteit
populatie
Landelijk SvI
H1014 – Nauwe korfslak
=
=
=
‐
H1340* ‐ Noordse woelmuis
=
>
=
‐‐
H1903 – Groenknolorchis
>
>
>
‐‐
12/23
Onderstaande afbeelding toont het voorkomen van de instandhoudingsdoelen (habitats) in de omgeving van het plange‐ bied. Figuur 3.1 Ligging kwalificerende habitats Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen rond het plangebied
13/23
Van de habitatsoorten zijn in de omgeving van het plangebied twee soorten niet bij voorbaat uit te sluiten. Volgens het beheerplan is de groenknolorchis alleen bekend op circa 3 km afstand in het gebied ‘Buiten Verklikker’ bekend en daarmee uit te sluiten in de directe omgeving van het plangebied. De nauwe korfslak is daarentegen bekend in twee kleine popula‐ ties. De soort is waargenomen in duindoornstruweel langs de infiltratieplas bij Boswachterij Westerschouwen en in de zee‐ reep nabij woongemeenschap De Haard, tussen Renesse en Scharendijke langs extensief beheerd grasland. In figuur 3.2 zijn de leefgebieden en de potentiële leefgebieden van deze soort aangegeven. De noordse woelmuis is op ongeveer 2 km afstand van het plangebied waargenomen. Deze soort maakt voornamelijk gebruik van natte graslanden en vochtige duin‐ valleivegetatie in de directe omgeving van het plangebied. Figuur 3.2 waarnemingen van nauwe korfslak en in potentie geschikt leefgebied, zoals gegeven in het beheerplan voor de Kop van Schouwen
14/23
3.2
Beschrijving kwalificerende habitats en soorten
De habitats en de soorten in de nabijheid van het plangebied (ca. 150 m en waargenomen in de afgelopen 10 jaar) zijn on‐ derstaand beschreven (zie ook figuren 3.1 en 3.2). Binnen een habitattype gaat het om de typische soorten, en de twee niet bij voorbaat uit te sluiten kwalificerende soorten. H2180C – Duinbossen – binnenduinrand Dit habitattype bestaat in zijn optimale verschijningsvorm uit oude duinbossen met een goed ontwikkelde structuur en soortensamenstelling. Tot de typische soorten van dit habitattype behoren wilde hyacint, grote bonte specht en houtsnip. Van de wilde hyacint zijn geen waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend, de dichtstbijzijnde waarneming is op 3,5 km. Van de grote bonte specht zijn zowel in de directe omgeving als op het vakantiepark zelf meerdere waarne‐ mingen bekend. De houtsnip is op het park 1 keer waargenomen in de afgelopen 10 jaar, met meerdere waarnemingen in de directe omgeving van het park, met name in de zuidzijde en in het najaar in het noordelijk duinstruweel. H2180A ‐ Duinbossen – droog Tot dit subtype behoren de bossen op de meest voedselarme en droge standplaatsen. Het gaat met name om Berken‐Ei‐ kenbossen en bossen met beuk. Ze komen vooral voor in de oude duinen, op de hogere delen van de strandwallen en op de meest diep ontkalkte delen in de binnenduinrand van de jonge duinen.
Het zijn de oudste bossen in het duingebied, deels met een verleden als hakhoutbos. De meeste droge duinbossen zijn hier aangeplant en worden niet zelden aan de loefzijde geleidelijk weer door de wind opgerold. Een uitzondering is de droge vorm van het Meidoorn‐Berkenbos in be‐ schutte valleien. Typische soorten voor deze bossen zijn de eikenpage en de grote bonte specht. Van de grote bonte specht zijn zowel in de directe omgeving als op het vakantiepark zelf meerdere waarnemingen bekend. De eikenpage heeft een populatie rond Haamstede, direct grenzend aan het park is 1 waarneming van de soort bekend. H2160 – Duindoornstruwelen Dit habitattype bestaat uit duindoorn gedomineerde duinen (met vergelijkbare plaatsen elders in het kustgebied). Naast duindoorn kunnen ook andere struiken met hoge bedekkingen voorkomen, waaronder gewone vlier, wilde liguster en een‐ stijlige meidoorn. Egelantier en nachtegaal vormen de typische soorten voor dit habitat. In het duindoornstruweel in de hele Kop van Schouwen is de egelantier een algemene soort. Ondanks dat er geen openbare waarnemingen van de soort rondom het plangebied bekend zijn, is het aannemelijk dat de soort hier voorkomt. Van de nachtegaal zijn vele tientallen waarnemingen bekend, met name in het noordelijk duindoornstruweel.
H2130A – Grijze duinen – kalkrijk Dit habitattype bestaat uit min of meer droge graslanden van het duingebied (met vergelijkbare plaatsen in aangrenzende delen van het kustgebied). Het gaat hierbij om soortenrijke begroeiingen met dominantie van laagblijvende grassen, krui‐ den, mossen en/of korstmossen. Vermengd met deze begroeiingen kunnen kruidenrijke zoombegroeide graslanden met dominantie van de dwergstruik duinroos ( voorkomen. Voor de kalkrijke grijze duinen geldt een groot aantal typische soor‐ ten met 5 dagvlindersoorten, 5 korstmossen, 1 mos, 3 sprinkhanen, 9 vaatplanten, 2 vogels en 1 zoogdier. Van de tapuit zijn in de directe omgeving zowel najaars‐ als voorjaarswaarnemingen bekend, in totaal gaat het hier om enkele tientallen waarnemingen die gebruik maken van het gebied. Van de velduil is een waarneming in 2011 bekend in de directe omgeving van het plangebied. Het konijn is in de directe omgeving van het plangebied meervoudig aangetroffen, zowel binnen als buiten het plangebied. Van de 8 insectensoorten zijn het bruin blauwtje (enkele waarneming), de heivlinder (1 waarne‐ ming), de blauwvleugelsprinkhaan (tientallen waarnemingen), de duinsabelsprinkhaan (enkele waarnemingen) en het knopsprietje (honderden waarnemingen) de kenmerkende soorten in de directe omgeving van het plangebied.
Het zwaar‐ tepunt van de insectenrijkdom ligt aan de zuidzijde van het vakantiepark. H2190A ‐ Vochtige duinvalleien – open water Duinwateren komen voor in de laagste delen van het duingebied, waar in ‘gemiddelde’ jaren het water tot ver in het groei‐ seizoen boven maaiveld staat en die hooguit kort droogvallen in het groeiseizoen. Binnen de duinwateren bestaat grote variatie in ecologische omstandigheden, variërend van brak tot zoet, van voedselarm tot voedselrijk, en van basisch tot
15/23
zuur. Als typische soorten voor dit habitat zijn 5 vaatplanten, de rugstreeppad en de dodaars opgenomen. De plantensoor‐ ten zijn direct verbonden aan het duinwater en effecten die geen rechtstreekste impact hebben op de duinvallei hebben dan ook geen effect op deze soorten. De rugstreeppad is voor de voortplanting gebonden aan de duinwateren, maar be‐ vindt zich buiten de voortplantingsperioden ook buiten het water, in de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen van de soort bekend. Binnen het plangebied is een melding van een overvliegende dodaars bekend, er zijn geen waarnemingen van de soort in direct verband gebracht met de naastgelegen duinmeren of andere binding met het plangebied. H2190D ‐ Vochtige duinvalleien – hoge moerasplanten Vegetaties met hoge moerasplanten als riet en grote zeggen komen vooral voor aan de randen van duinmeertjes, waar ze langdurig of permanent in ondiep water staan. Het zwaartepunt van dergelijke vegetaties ligt in kalkrijke of tenminste kalk‐ houdende duingebieden. De vegetaties zijn vooral van belang voor de fauna, onder meer als broedbiotoop van allerlei moerasvogels. Als typische soorten zijn dan ook twee moerasvogels aangewezen: de dodaars en de sprinkhaanzanger.
Bin‐ nen het plangebied is een melding van een overvliegende dodaars bekend, er zijn geen waarnemingen van de soort in di‐ rect verband gebracht met de naastgelegen duinmeren of andere binding met het plangebied. De sprinkhaanzanger is in de directe omgeving van het plangebied enkele tientallen keren waargenomen tussen april en juli. Het zwaartepunt van de waarnemingen bevindt zich in het noordelijk duinstruweel. H1014 – Nauwe korfslak De nauwe korfslak leeft in en onder het bodemstrooisel en tussen de begroeiing op vochtige, vaak min of meer kalkrijke terreinen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van de soort bekend, echter is er volgens het beheerplan wel geschikt habitat aanwezig in het noordelijk duinstruweel. Uit recente monitoring en onderzoeksgegevens van de beheerder(ongepubliceerd) blijkt dat de soort niet voorkomt in de directe omgeving van het plangebied. H1340 ‐ Noordse woelmuis In Nederland komen vijf van elkaar geïsoleerde populaties van de noordse woelmuis voor: in Friesland, op Texel, in Noord‐ Holland Midden (ten noorden van het IJ), het veenweidegebied Holland‐Utrecht en in het Deltagebied. Bij afstanden van 1 tot 3 km tussen leefgebieden is uitwisseling mogelijk en is sprake van een netwerkpopulatie. Hoe groter een leefgebied, des te groter de kans op voldoende oppervlak geschikt biotoop.
Gebieden met een omvang van minimaal 7,5 hectare aan geschikte biotopen lijken een duurzame populatie van de soort te kunnen herbergen. De noordse woelmuis is een soort die vooral in de nattere weide‐ en veengebieden voorkomt, en alleen in drogere gebieden voorkomt als er geen concurrentie met andere (woel)muissoorten aanwezig is. Binnen de Kop van schouwen komt leefgebied van de noordse woelmuis vooral voor op natte ruigere delen van de vochtige duinvalleien. Binnen het Natura 2000‐gebied zijn er 5 potentiële leefgebieden van de soort, verspreid over het gehele Natura 2000‐gebied. In de directe omgeving van het plangebied is alleen ten wes‐ ten een mogelijk geschikte natte duinvegetatie aanwezig. Uit recente monitoring en onderzoeksgegevens van de beheer‐ der(ongepubliceerd) blijkt dat de soort niet voorkomt in de directe omgeving van het plangebied.
3.3
Mogelijke effecten
Als gevolg van de ontwikkeling en het daaropvolgende gebruik van het plangebied kan een aantal effecten optreden. Met behulp van de "Effectenindicator gebieden" van het ministerie van LNV is, aangevuld met expertkennis, het navolgende overzicht van mogelijk optredende effecten bepaald. Hierbij is woningbouw gekozen als activiteit, deze activiteit komt het dichtst in de buurt van de beoogde recreatie‐ontwikkeling. Daarbij zijn alleen de kwalificerende soorten en habitats in de tabel opgenomen die binnen de reikwijdte van de effecten door de activiteiten die in het bestemmingsplan zullen worden toegestaan, voorkomen (zie paragraaf 3.2). Effecten ten gevolge van stikstofdepositie (vermesting en verzuring) treden in potentie op in alle habitats en leefgebieden van soorten in het Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen en een groot aantal andere Natura 2000‐gebieden op grotere afstand. In verband met de leesbaarheid zijn die niet allemaal afzonderlijk in de tabel opgenomen.
16/23
Tabel 3.2 Effectenindicator (bron: Ministerie van LNV)
3.3.1 Oppervlakteverlies Het plangebied ligt buiten Natura 2000. Areaalverlies treedt daarom niet op. 3.3.2 Versnippering Versnippering treedt op wanneer habitats of leefgebieden van soorten worden doorsneden en uitwisseling binnen popula‐ ties wordt bemoeilijkt. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die dergelijke relaties doorsnijden: er zal als gevolg van de planontwikkeling daarom geen sprake zijn van versnippering van kwalificerende habitats, of van het leef‐ gebied van de typische soorten van deze habitats of kwalificerende soorten. 3.3.3 Verzuring en vermesting Verzuring en vermesting zijn gevolgen van stikstofdepositie in een natuurgebied. Zowel in de aanlegfase als in de gebruiks‐ fase is uitstoot van NOx en NH3 als onderdeel van de verkeersbewegingen niet uit te sluiten. 3.3.4 Verontreiniging Het bestemmingsplan staat geen nieuwe ontwikkelingen toe die kunnen leiden tot verontreiniging in het Natura 2000‐ge‐ bied. Verontreiniging is derhalve niet aan de orde.
17/23
3.3.5 Verdroging Als gevolg van het bestemmingsplan wordt geen wijziging in de grondwaterstand of het peilbeheer aangebracht. Daarnaast vinden er geen grootschalige bodemwerkzaamheden plaats, zoals het graven van vijvers of het aanleggen van kunstmatige duinen. Hiermee kunnen effecten op de hydrologie worden uitgesloten. 3.3.6 Verstoring door geluid, licht, trillingen en/of optische verstoring Verstoring door geluid en licht is volgens de Effectenindicator niet relevant, verstoring door trilling is alleen relevant voor de nauwe korfslak. De werkzaamheden die in de buurt van het Natura 2000‐gebied ten gevolge van de planontwikkeling worden uitgevoerd zullen niet leiden tot zodanige trilling dat dit tot mogelijke effecten op de nauwe korfslak kan leiden. Optische verstoring is relevant voor de drie aanwezige habitattypen. Omdat een deel van de typische soorten (vogels, ko‐ nijn en rugstreeppad) van de kwalificerende habitats gevoelig is voor verstoring door geluid, licht en/of trillingen is dit thema ook relevant Verstoring door geluid en licht valt niet uit te sluiten en hierop wordt getoetst voor de habitattypen H2180A, H2180C, H2160, H2130A, H2190A en H2190D. Het gaat daarbij dan om verstoring van de aan de habitattypen ver‐ bonden typische diersoorten, die ook voorkomen in de directe omgeving van het plangebied en een directe binding met het plangebied hebben.
Dit zijn: ● grote bonte specht ● tapuit ● houtsnip ● nachtegaal ● sprinkhaanzanger ● rugstreeppad ● konijn Alleen de effecten van verstoring door geluid, licht, optische en mechanische verstoring worden daarom nader onderzocht.
3.4
Effectbeoordeling
Uit het voorgaande volgt dat slechts verstorende effecten ten gevolge van vermesting en verzuring, optische verstoring en geluid en licht (voor typische soorten van het habitat Duinbossen) op kunnen treden. 3.4.1 Vermesting en verzuring Wanneer de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, leiden tot verandering in de stikstofdepositie op een Natura 2000‐habitat dat al overbelast is, kan een significant effect niet op voorhand worden uitgesloten en is nader onder‐ zoek noodzakelijk. Het gaat daarbij om een wijziging ten opzichte van de feitelijke huidige (planologisch legale) situatie. De wijzigingen ten opzichte van het huidige planologisch kader zijn beperkt. Uit de berekening van de verkeersgeneratie blijkt dat het aantal verkeersbewegingen afneemt. Daarnaast worden de nieuwe chalets gasloos uitgevoerd. In de aanleg‐ fase is gebruik gemaakt van elektrisch materieel. Tevens wordt het maximaal toegestaan aantal eenheden (139 terugge‐ bracht naar de feitelijke situatie (66). Dit betekent dat de totale stikstofemissie afneemt ten opzichte van de huidige plano‐ logisch situatie. Het aspect stikstof is om die reden niet relevant. Een toename van de vermesting van het omliggende Na‐ tura 2000‐gebied is niet aan de orde.
3.4.2 Optische verstoring Optische verstoring wordt veroorzaakt door een toename aan activiteiten en/of objecten binnen het zichtveld van de aan het habitat verbonden soorten. Het bestemmingsplan maakt de omvorming van de 64 campingplaatsen naar 24 luxere va‐ kantiehuisjes mogelijk. 20 van deze vakantiehuisjes steken niet uit boven de al aanwezige wal rondom het vakantiepark. Negatieve effecten van deze 20 vakantiehuisjes zijn dan ook uitgesloten. Er zijn echter 4 vakantiehuisjes die wel boven de wal uitsteken met de tweede verdieping. Voor optische verstoring binnen de gebruiks‐ en aanlegfase is het aantal verkeersbewegingen niet significant toegenomen ten opzichte van aantal verkeersbewegingen in het plangebied in de referentiesituatie. Voor gebruiksfase is zelfs sprake van een afname. Van bouwverkeer is geen sprake aangezien de huisjes al bestaand zijn. Bovendien betrof het een inciden‐ tele, kortdurende en minimale verstoring die in het niet valt bij de verstoring door vele mensen die zich op korte afstand
18/23
begeven over pad achter de duinen en de strandovergang. Verkeersbewegingen als gevolg van het gebruik van de huisjes vallen in het niet tegen de verkeersbewegingen die werden gegenereerd door de voormalige 64 campingplaatsen. Daar‐ naast zal geen van de voertuigen boven de groenwal rondom het plangebied uitsteken. In de gebruiksfase is er mogelijk een wijziging van het aantal recreanten en het seizoen dat deze aanwezig zijn binnen Na‐ tura 2000. Verstoring van natuur door wandelaars en fietsers is een ingewikkeld proces en kent geen rechtlijnige dosis‐ effectrelatie. Omtrent de verstoringsgevoeligheid van vogels bestaat veel onderzoeksliteratuur met onderling soms sterk wisselende uitkomsten. Over enkele kwalitatieve “vuistregels” bestaat echter wel overeenstemming. In gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke dreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, reageren vogels steeds minder op de verstoringsbron. Het type verstoring is daarbij bepalend voor de verstoringsafstand (Krijgsveld, K.L.
et al (2008): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels, update van literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie'): ● voorspelbaarheid: voorspelbare gebeurtenissen of gedrag leiden tot minder verstoring en kortere verstoringsafstan‐ den; ● gedrag verstoorder: richting (langs versus naderend), gedrag (rustig doorgaand versus alternerend stilhoudend en roe‐ pen), vervoer (lopend met hond versus fiets, roeiboot versus motorboot) van verstoorder beïnvloeden de verstorings‐ afstand; ● duur en frequentie: continue verstoring heeft ernstiger gevolgen dan infrequente verstoring. Bij verstoring zijn onver‐ stoorde perioden waarin de vogels kunnen compenseren voor verloren tijd essentieel. Het relatief (zeer) kleine aantal bezoekers voegt zich in de bestaande, voorspelbare recreatiestromen waar de aanwezige natuurwaarden al aan gewend zijn. Daarnaast zijn de meest kwetsbare gebieden binnen het beheerplan extra beschermd door de zonering voor recreatie binnen het Natura 2000‐gebied. Negatieve aanvullende verstoringseffecten als gevolg van het plan kunnen derhalve worden uitgesloten. 3.4.3 Geluidverstoring Algemeen Vogels zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring door geluid. De mate van gevoeligheid hangt onder andere af van het geluidniveau, de duur van de verstoring, de periode en het tijdstip waarin verstoring plaatsvindt, de locatie en de gevoelig‐ heid van de soort zelf.
De verstoringgevoeligheid van vogels hangt verder af van andere factoren, zoals de voedselbeschik‐ baarheid, de grootte van de groep en de mate van gewenning aan de verstoring. Verstoring door geluid kan ertoe leiden dat vogels onvoldoende mogelijkheid hebben om te foerageren, onvoldoende op hun broedsel en jongen kunnen passen, stressreacties krijgen zoals een verhoogde hartslag en uiteindelijk dat ze uitwijken naar andere leefgebieden. Voor de in de directe omgeving van het plangebied gelegen habitattypen geldt dat er 5 vogelsoorten worden aangemerkt als typische soorten. Daarnaast is er 1 zoogdier aangewezen dat ook als geluidgevoelig kan worden bestempeld. Gebruiksfase Het aantal stand/verblijfplaatsen en daarmee het samenhangend het aantal verkeersbewegingen zal in de nieuwe bestem‐ ming afnemen. De geluidintensiteit is bij recreatie ook afhankelijk van het aantal mensen, door het afnemen van het aantal standplaatsen zal hierdoor de intensiteit en daarmee de verstoring afnemen. De overige mogelijkheden en functies blijven binnen het plangebied gelijk. Een toename aan geluidverstoring genererende activiteiten is niet mogelijk, waardoor extra verstoring uitgesloten kan worden. 3.4.4 Lichtverstoring De voormalig kampeerplaatsen zijn op enkele navigatieverlichtingen na onverlicht.
In de nieuwe vakantiewoningen en langs de bijbehorende infrastructuur is kunstmatige verlichting aanwezig. In de openbare ruimte bestaat die uit zeer lage verlichting (zie figuur 3.3), deze is gericht op wegen en paden, en heeft geen uitstraling buiten de paden. De vakantiewo‐ ningen zelf zijn ook verlicht. Om uit te sluiten dat er effecten van deze verlichting zijn, is door Peutz een lichtonderzoek uit‐ gevoerd (zie figuur 3.3 voor de meetpunten). Hierbij is binnen het Natura 2000‐gebied een maximale toename van 0.02 lux
19/23
met een gemiddelde van 0.01 lux gemeten. Alle waarden die zijn gemeten, zijn zeer laag en bevinden zich in de buurt van de nauwkeurigheid van de klasse‐A meetapparatuur waarmee dit onderzoek is uitgevoerd. Uit de meetresultaten volgt derhalve dat de lichtbelasting ten gevolge van de betreffende chalets op het nabijgelegen natuurgebied zodanig beperkt is dat dat deze vrijwel niet meetbaar is. De gevonden waarden zijn dermate laag (0,01‐0,02 lux) dat hiermee voldaan wordt aan de in bijlage 13 van de NSVV‐richtlijn genoemde drempelwaarde voor nacht‐actieve zoogdieren van 0,25 lux en de door experts genoemde waarde van 1 lux. Conclusie: de waarden zijn dermate laag dat enig verstoringseffect van verlichting kan worden uitgesloten. Figuur 3.3 voorbeeld van verlichting rondom de nieuwe vakantiehuisjes en meetpunten lichtonderzoek
3.5
Cumulatie
Uit artikel 6, lid 3, Hrl en artikel 2.7, lid 1 en lid 2, Wnb volgt dat moet worden beoordeeld of een plan of project zelfstandig of in combinatie met andere plannen of projecten (mogelijk) significante gevolgen kan hebben. In de cumulatietoets moe‐ ten plannen en projecten worden betrokken waarvoor al wel toestemming is verleend, maar die nog niet (geheel) zijn uit‐ gevoerd. Er zijn geen dergelijke projecten in bekend Die in combinatie met het onderhavige plan kunnen leiden tot cumula‐ tieve effecten op Natura 2000.
3.6
Conclusie voortoets
Met de inrichting die is uitgevoerd binnen het vernieuwde bestemmingsplan wordt de bestaande functie toekomstbesten‐ dig gemaakt. Hierbij is een vermindering in de verkeersaantrekkende werking en wordt het aantal recreatiewonin‐ gen/plaatsen in het plangebied verkleind van 64 naar 24 verblijfplaatsen. Directe verstorende effecten op het Natura 2000‐ gebied Kop van Schouwen zijn, vanwege de afname in recreatiedichtheid, omgeving en inrichting van het plangebied uit te sluiten.
20/23
4. EFFECTEN OP HET NATUURNETWERK 4.1
Natuurtypen
Het provinciaal Natuurbeheerplan onderscheidt de volgende natuurtypen binnen 100 meter rondom het plangebied: ● ● ● ● ● ●
N01.02 Duinbos N05.04 Dynamisch moeras N08.02 Open duin N10.02 Vochtig schraalland N17.06 Vochtig en hellinghakhout N12.02 Kruiden—en faunarijk grasland
Voor de beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze natuurtypen wordt verwezen naar Natuurtypen ‐ BIJ12
4.2
Toetsing
De effecten op het NNN zijn identiek aan die op Natura 2000. Kort samengevat zijn deze: ● Door de ligging van het plangebied buiten het natuurnetwerk treden areaalverlies en versnippering niet op. ● Door een verlaging van het aantal recreatieve eenheden van 64 naar 24 zal er sprake zijn van een afname in verkeers‐ bewegingen en recreatiedruk. Verstoring door geluid en beweging zal daardoor niet toenemen. ● Lichtmetingen hebben aangetoond dat enig verstoringseffect van verlichting kan worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt daarom dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot negatieve effecten op de wezenlijke kenmer‐ ken en waarden van het omliggende Natuurnetwerk.
21/23
5. EFFECTEN OP BESCHERMDE SOORTEN 5.1
Inleiding
Binnen dit plan gaat het om een legalisatie van een bestaande situatie. Er wordt dan ook uitsluitend gekeken naar de mo‐ gelijke gevolgen van het in gebruik nemen van de vakantiewoningen.
5.2
Aanwezigheid beschermde soorten
Als een soort niet worden genoemd is er geen aanwijzing dat de soort voorkomt in het plangebied, en wordt ervan uitge‐ gaan dat deze niet aanwezig is. 5.2.1 Vogelrichtlijnsoorten Jaarrond beschermde nesten Het park kent beplanting in de vorm van hagen tussen de verschillende locaties. De huismus is alleen aangetroffen op het centrumdeel van het vakantiepark. Rond de standplaatsen zijn geen mussen aangetroffen. Roofvogels en boomnesten kun‐ nen worden uitgesloten, aangezien de kenmerkende nesten volledig ontbreken. Categorie 5 De inrichting van het plangebied is gelijk aan de directe omgeving. Zwaarwegende ecologische redenen van bescherming binnen het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Algemene soorten Het plangebied is geschikt voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen. Het plangebied is al vele jaren in gebruik als recreatieterrein met zowel zomer‐ als voorjaarsrecreatie. De in het gebied aanwezige soorten zullen dan ook bekend zijn met de aanwezige recreatiedrukte. Met de huidige invulling van het recreatieterrein zal de recreatiedruk afne‐ men en daarmee meer rust ontstaan in het plangebied. Verstoring van algemene soorten wordt dan ook uitgesloten.
5.2.2 Habitatrichtlijnsoorten Grondgebonden zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens en gebiedskenmerken is geconcludeerd dat in en rond het plangebied geen (strikt) beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals bever en otter (behorende bij art. 3.5 Wet natuurbescherming, Habitat‐ richtlijn, bijlage IV) voorkomen. Uit recente nog niet verwerkte monitoringsdata van de beheerder blijkt dat de soort in de directe omgeving van het plangebied niet voorkomt. Hierdoor zijn eventuele effecten van het in gebruik nemen van de huisjes uitgesloten. Conclusie: Het voorkomen van (strikt) beschermde grondgebonden zoogdiersoorten in en rond het plangebied wordt uitge‐ sloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Vleermuizen Het plangebied was intensief in gebruik zonder permanente bebouwing, verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten zijn hierdoor uitgesloten. Het plangebied was geheel beplant met struweel en struikachtige gewassen, verblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn hierdoor uit te sluiten. Alleen een foerageer en/of vliegroutefunctie is aanwezig. Het plange‐ bied is direct gelegen naast het Natura 2000‐gebied Kop van Schouwen, dit functioneert als een optimaal foerageergebied. De 2,6 ha suboptimaal habitat die het plangebied beslaat, valt in het niet tegen de 2.242 ha van het Natura 2000 gebied.
Een essentiële foerageerfunctie kan dan ook bij voorbaat worden uitgesloten. Effecten op mogelijke vliegrouten waren al eerder uitgesloten in het lichtonderzoek van Peutz. De verlichtingswaarden komen niet boven de waarnemingsgrens voor nachtactieve zoogdieren. Effecten op vleermuizen zijn uitgesloten.
22/23
Amfibieën De rugstreeppad is wijdverspreid in de duinen van de Kop van Schouwen. Binnen het plangebied is ruigte, vergraafbaar zand en alternatieve verschuilmogelijkheden. Het habitat binnen het plangebied is dan ook geschikt als winter‐ en zomer‐ habitat van de soort, het ontbreken van water sluit voortplantingslocaties uit. Het voorkomen van de soort binnen het plangebied is daarom niet uitgesloten. Effecten op de soort zijn echter uitgesloten, er vinden immers geen grondverplaat‐ singen of aanpassingen van de inrichting van het plangebied plaats bij de legalisatie. 5.2.3 Overige beschermde soorten Zoogdieren Het konijn is waargenomen in het plangebied. Voor deze soort geldt in de provincie Zeeland geen algemene vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. De soort is algemeen aanwezig op recreatieterreinen en in de omgeving van menselijke activiteiten. Het in gebruik nemen van de locatie zal dan ook geen directe effecten op het konijn hebben. Daarnaast is de beplante wal rondom het plangebied geschikt voor kleine marterachtigen, echter op de aarde wal vinden geen activiteiten plaats en worden recreanten geweerd door duindoornstruweel. Algemene soorten (zorgplicht en broedseizoen) Er is geen ontheffing nodig voor beschermde soorten waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke inrichting. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht.
Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voor‐ komende planten en dieren en hun leefomgeving. Tijdens werkzaamheden en onderhoud aan de woningen dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Ver‐ storing van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen op te starten en te voorkomen dat broedende vogels zich vestigen. In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgeval‐ len (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde.
5.3
Conclusie soortbescherming
Op basis van de verschillende onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd: ● In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig; ● In het centrumdeel van het vakantiepark zijn huismussen aanwezig. De legalisatie van de huidige situatie heeft geen effect op deze verblijfplaats. ● Verlichting binnen het plangebied komt niet boven de waarneembare waarde voor vleermuizen, verstoring als gevolg van verlichting is dan ook uitgesloten. Overige vormen van verstoring vinden bij voorbaat niet plaats bij de legalisatie van het plan. ● Door legalisatie van de bestaande situatie is verstoring van de rugstreeppad uitgesloten. ● Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door mogelijk verstorende (grootscha‐ lige) werkzaamheden voor onderhoud buiten het broedseizoen op te starten en te voorkomen dat broedende vogels zich vestigen. Zolang recreanten zich binnen het voor recreatie aangewezen gebied bevinden is verstoring als gevolg van het in gebruik nemen van de vakantiewoningen uitgesloten.
23/23