RVS Uitgangspunten Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening bijlage 1
Tekst van het document
Uitgangspunten Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening
Gemeente Schouwen-Duiveland 20-01-2021
2
Inhoudsopgave.
1. Inleiding.’
4
2. Algemene Uitgangspunten. 2.1. Uitgangspunten met betrekking tot Energietransitie. 2.2. Uitgangspunten vanuit ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied. 2.2.1. Hoofdkeuzes voor het landelijk gebied. 2.2.2. Gebiedskwaliteiten. 2.2.3. Doelen.
5 5 6 6 7 7
3. Uitgangspunten met betrekking tot duurzame energievoorziening. 3.1. Energienetwerk. 3.2. Windenergie. 3.3. Zonne-energie. 3.4. Innovatie.
8 8 9 9 11
4. Uitgangspunten met betrekking tot landschappelijke inpassing. 4.1. Landschappelijke inpassing 150 kV station. 4.2. Landschappelijke inpassing windenergie. 4.3. Landschappelijk inpassing zonne-energie. 4.3.1. Kleinschalige opwek voor eigen gebruik. 4.3.2. Grootschalige opwek voor eigen gebruik .
11 11 12 13 13 13
5. Uitgangspunten met betrekking tot meervoudig ruimtegebruik.
14
6. Uitgangspunten met betrekking tot participatie.
14
7. Sturingsfilosofie. 7.1. Rollen overheid. 7.2. Sturingsfilosofie 150 kV station.
15 15 15
Bijlage 1. Impressiefoto’s van 150 kV station. Bijlage 2. Beleidsuitgangspunten zon-in-tuin.
3
1. Inleiding. Op 25 augustus 2020 (zaaknummer 337438) heeft het college ingestemd met de bestuursopdracht Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening en deze ter besluitvorming voorgelegd aan de gemeenteraad (gemeenteraadsvergadering van 24 september). De bestuursopdracht is een procesvoorstel ten behoeve van het opstellen van het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening. Door het stopzetten van het proces om te komen tot de Omgevingsvisie landelijk gebied is besloten om dit thema modulair op te pakken. De algemene ambitie van de gemeente Schouwen-Duiveland is het realiseren van een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040. Hiermee wordt mede tegemoet gekomen aan de urgentie om klimaatverandering tegen te gaan. Het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening moet hier een bijdrage aan leveren. Specifieke doelstellingen van het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening zijn: • Het bieden van een ruimtelijk kader voor de duurzame energievoorziening, bestaande uit duurzame energie opwekking en bijbehorende infrastructuur. • Opstellen van randvoorwaarden voor participatie (zowel proces als financiële participatie) Het beleidskader moet op de termijn geïntegreerd kan worden in een eilandelijke Omgevingsvisie voor Schouwen-Duiveland. In de bestuursopdracht is opgenomen dat de gemeenteraad nauw betrokken zal worden in alle stappen van het proces.
Deze stappen zijn: • stap 1: Vaststellen van de bestuursopdracht; • stap 2: Vaststellen van de uitgangspunten; • stap 3: Vaststellen ontwerp beleidskader; • stap 4: Vrijgeven van het ontwerpbeleidskader voor inspraak; • stap 5: Vaststellen van het definitieve beleidskader. Deze notitie bevat de uitgangspunten voor het opstellen van het ruimtelijk beleid zoals genoemd in stap 2. De notitie is opgebouwd uit: - Hoofdstuk 2: algemene uitgangspunten; - Hoofdstuk 3: uitgangspunten m.b.t. duurzame energievoorziening; - Hoofdstuk 4: uitgangspunten met betrekking tot landschappelijk inpassing; - Hoofdstuk 5: uitgangspunten met betrekking tot meervoudig ruimtegebruik; - Hoofdstuk 6: uitgangspunten met betrekking tot participatie; - Hoofdstuk 7: sturingsfilosofie.
4
2. Algemene uitgangspunten. De algemene uitgangspunten vormen de basis voor de kaders. Naast de uitgangspunten met betrekking tot energietransitie zijn de uitgangspunten zoals opgenomen in de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied relevant. Overeenstemming hierover is noodzakelijk om tot de juiste invulling van de kaders te kunnen komen.
2.1.
Uitgangspunten met betrekking tot energietransitie.
Uitgangspunten met betrekking tot energietransitie zijn vastgelegd in de Energie-Agenda 2018 – 2023 en de Regionale Energie Strategie Zeeland. De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft met het vaststellen van de Energie-Agenda op 21 december 2017 de ambitie uitgesproken om in 2040 energieneutraal te willen zijn. Dit betekent dat wij alle energie die we nodig hebben, zelf binnen onze gemeentegrenzen gaan opwekken. Omdat deze ambitie ingevuld kan worden door enerzijds energiebesparing en aan de andere kant door energie te verduurzamen, is er nog geen exacte weg uitgestippeld hoe we dat willen doen. In principe geven we in de energieagenda, in stappen van 5 jaar, aan wat we willen gaan doen om bovengenoemde doelstelling te bereiken. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag. Uit de Energiebalans 2020 van de gemeente SchouwenDuiveland blijkt dat de meeste duurzame energie die momenteel wordt opgewekt komt van grootschalige windenergie locaties. Om de doelstelling energieneutraal in 2040 te bereiken moet er naast energiebesparing nog ongeveer 1500 TJ (Terajoule of 1012 joule) aan duurzame energie worden opgewekt. De gemeenteraad heeft aangegeven dat zij geen nieuwe grootschalige windparken meer wil hebben binnen de gemeentegrenzen.
Er zal voor de opwekking van duurzame energie met name ingezet worden op zonne-energie. In de RES-regio’s werken overheden met maatschappelijke partners, netbeheerders (voor gas, elektriciteit en warmte), het bedrijfsleven en waar mogelijk bewoners regionaal gedragen keuzes uit. Zeeland is als gehele provincie één van de 30 RES regio’s. Met betrekking tot duurzame energieopwekking is de algemene doelstelling dat Zeeland 11 PJ (Petajoule of 1015 joule) aan hernieuwbare elektriciteit op wekt in 2030. In de Zeeuwse RES is voor iedere Zeeuwse gemeente specifiek beleid opgenomen. Het beleid van Schouwen-Duiveland is samengevat: • Schouwen-Duiveland ziet het als haar plicht om een bijdrage te leveren aan het totale op te wekken aandeel duurzame energie in onze regio Zeeland. • Naast de grote hoeveelheid windenergie die al in de gemeente wordt opgewekt willen wij ook een substantiële bijdrage leveren aan het bod zonne-energie. • De voorkeur van de gemeente ligt voor zonne-energie bij het plaatsen van zonnepanelen op daken. Alleen met zon-op-dak gaan we onze regionale doelstelling in 2030 niet halen. Zon-opwater en extra zon-op-land zal daarom vooralsnog nodig zijn. • De energietransitie heeft ook een ruimtelijke component.
We moeten zorgvuldig omgaan met de kwaliteiten van ons eiland en hier ook rekening mee houden bij de bepaling waar we welke ontwikkelingen, die bijdragen aan de energietransitie, willen. • Voor de ruimtelijk vraag zal een koppeling worden gelegd met de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied en de randvoorwaarden die uit dat proces voor de energietransitie gaan komen. Aangezien het proces m.b.t. de Omgevingsvisie landelijk gebied stil is gelegd wordt de ruimtelijke component opgepakt door middel van het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening. In de Regionale Energie Strategie van Zeeland is de Zeeuwse zonneladder opgenomen en zijn bepalingen opgenomen voor proces en financiële participatie. De energietransitie heeft grote impact op de energie-infrastructuur. Voor de Zeeuwse gemeenten is (op hoofdlijnen) in kaart gebracht hoeveel vrije ruimte er momenteel beschikbaar is voor de inpassing van duurzaam opgewekte elektriciteit in de Zeeuwse elektriciteitsnetten. Een algemene conclusie is dat er in sommige gemeenten significant meer ruimte beschikbaar is dan in andere gemeenten. Uit onderzoek komt naar voren dat o.a. verzwaring van de elektriciteitsvoorziening naar Schouwen-Duiveland en Tholen nodig is om de groeiende vraag als aanbod te faciliteren. Dit onderwerp komt verder aan de orde onder het thema energienetwerk.
5
Uitgangspunten energietransitie: - Schouwen-Duiveland wil in 2040 energieneutraal zijn wat betekent dat de energie die binnen de gemeente gebruikt wordt duurzaam moet worden opgewekt. - In stappen van vijf jaar zal worden bekeken wat er gedaan gaat worden om de doelstelling te behalen. - De meeste duurzame energie die nu wordt opgewekt komt uit grootschalige windenergie. Om de doelstelling energieneutraal in 2040 te behalen moet er, naast energiebesparing, nog ongeveer 1500 TJ aan duurzame energie worden opgewekt. - De gemeenteraad heeft aangegeven dat zij geen nieuwe grootschalige windparken meer wil hebben binnen de gemeentegrenzen. Er zal met name ingezet worden op zonne-energie. - De energietransitie heeft een ruimtelijke component. Hiervoor zal een koppeling worden gelegd met de Omgevingsvisie landelijk gebied. Aangezien het proces m.b.t. de Omgevingsvisie landelijk gebied stil is gelegd wordt dit modulair opgepakt door middel van het op te stellen Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening. - De energietransitie heeft invloed op het elektriciteitsnet. Uit onderzoek blijkt dat het elektriciteitsnet van Schouwen-Duiveland niet toereikend is om vraag en aanbod te faciliteren en dat verzwaring noodzakelijk is.
2.2.
Uitgangspunten vanuit ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied.
Al het beschikbaar materiaal van de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied zal als input worden gebruikt voor het opstellen van het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening. Algemene uitgangspunten vanuit de ontwerp Omgevingsvisie bestaan uit drie onderdelen namelijk: hoofdkeuzes, gebiedskwaliteiten en doelen.
2.2.1. Hoofdkeuzes voor landelijk gebied. Voor het landelijk gebied, het gebied waar de meeste duurzame energievoorzieningen zullen landen, zijn de volgende uitgangspunten relevant. Schouwen-Duiveland kiest voor een multifunctioneel landelijk gebied: Multifunctioneel betekent dat het landelijk gebied een veelzijdig gebied is waar gewerkt, gewoond en gerecreëerd wordt. Naast de landbouw hebben wonen, recreatie, (passende) economische activiteiten, natuur, water en cultuurhistorie hier een plek. De veelheid aan functies vormen de dragers van het fraaie landschap. Schouwen-Duiveland kiest voor een duurzaam landelijk gebied: Duurzaam betekent dat SchouwenDuiveland met grote zorg omgaat met de omgevings- en landschapskwaliteiten. Deze kwaliteiten worden beschermd en verbeterd om ze daarmee ook ten volle te kunnen benutten. Dit is een opgave voor een ieder die actief is in het landelijk gebied. Duurzaam betekent ook dat het landelijk gebied een veelheid aan functies kan herbergen zonder grote conflicten. Daarnaast zullen ook klimaatverandering, circulariteit en de energietransitie aandacht vragen. Schouwen-Duiveland kiest voor een vitaal landelijk gebied: Vitaal betekent dat (agrarische) ondernemers moderne bedrijven runnen met toekomstperspectief, bewoners naar tevredenheid en veilig wonen en de natuur, het landschap en het watersysteem tegen een stootje kunnen.
Schouwen-Duiveland kan adequaat inspelen op de vernieuwingsopgaven en is in staat te innoveren. Vitaal betekent ook een vitale samenleving. Samen, overheden, inwoners, ondernemers en beheerders zetten we de schouders onder de opgaven. Zo blijft het landelijk gebied veerkrachtig en toekomstbestendig.
6
2.2.2. Gebiedskwaliteiten. Belangrijk uitgangspunt is het behoud van de gebiedskwaliteiten. Deze opgave vloeit rechtstreeks voort uit de Omgevingswet: ruimte voor vernieuwing, met behoud van kwaliteit. De volgende gebiedskwaliteiten zijn het uitgangspunt 1. Landschapsbeeld: weidsheid en diepte; 2. Binnendijken; 3. Acht verschillende polders; 4. Duisternis; 5. Erfgoed; 6. De buitenrand/waterkeringen; 7. De beleving van de grote wateren; 8. De grote wateren; 9. Deltawerken; 10. Zeebeeld.
2.2.3. Doelen. Er bestaat een spanningsveld tussen strakke regels (sturen op regels) en flexibiliteit (sturen op doelen). Het dilemma waar initiatiefnemers en overheid mee zitten is dat er enerzijds zo vroeg mogelijk duidelijkheid gewenst is over wat wel en niet kan (dan verloopt een initiatief het snelste en soepelste), terwijl je anderzijds ruimte wilt geven aan specifieke wensen van initiatiefnemers en dus van individuele gevallen (wat veel tijd en discussie vraagt). Dit is een van de dilemma’s waar de wetgever met de Omgevingswet een antwoord op wil bieden. We bewegen van generiek beleid naar maatwerkoplossingen. Hiervoor is het belangrijk om de doelen van het maatwerkbeleid helder te hebben. Initiatieven kunnen dan worden getoetst aan doelen in plaats van concrete, gedetailleerde regels en er is zo meer ruimte en flexibiliteit. Voor het Ruimtelijke Beleid Duurzame Energievoorziening zijn de volgende doelen, afkomstig uit de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied, geformuleerd. • We willen dat alle erven en randen langs bebouwingsconcentraties een groene uitstraling hebben. • We willen waardevolle verschillen tussen de polders behouden. • We willen duisternis behouden. • We willen bestaande waardevolle zichtlijnen en silhouetten behouden. • We willen de natuurgebieden behouden. • We willen het aspect gezondheid meewegen. • We willen het aspect biodiversiteit meewegen.
Uitgangspunten uit de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied: - Aangezien de meeste duurzame energieopwekking plaats vindt in het landelijk gebied zijn de volgende hoofdkeuzes van belang: 1. Multifunctioneel landelijk gebied; 2. Duurzaam landelijk gebied en 3. Vitaal landelijk gebied. - Als uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid worden de tien gebiedskwaliteiten uit de ontwerpomgevingsvisie gehanteerd. - Initiatieven in het kader van energietransitie moeten bijdragen aan de doelen uit de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied.
7
3. Uitgangspunten met betrekking tot duurzame energievoorziening. Om te kunnen voldoen aan de doelstelling om energie-neutraal te worden zal met name ingezet worden op zonne-energie. Hiervoor wordt de zonneladder gehanteerd. Wat betreft grootschalige windenergie wordt ingezet op de optimalisatie van de bestaande drie windenergielocaties. Daarnaast wordt onder voorwaarden ruimte geboden voor kleine windturbines bij agrarische bedrijven. Door middel van pilots zal er ruimte zijn voor innovatie. Om de doelstelling voor een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040 te behalen is het noodzakelijk om het elektriciteitsnet toekomstbestendig te maken. In de volgende paragrafen zullen achtereenvolgens de thema’s: energienetwerk, windenergie, zonne-energie, en innovatie worden behandeld.
3.1.
Energienetwerk.
Voor de Zeeuwse gemeenten is (op hoofdlijnen) in kaart gebracht hoeveel vrije ruimte er momenteel beschikbaar is voor de inpassing van duurzaam opgewekte elektriciteit in de Zeeuwse elektriciteitsnetten. Een algemene conclusie is dat er in sommige gemeenten significant meer ruimte beschikbaar is dan in andere gemeenten. De beschikbare capaciteit per Zeeuwse gemeenten is weergegeven in figuur 1. Figuur 1. Beschikbare capaciteit op het elektriciteitsnet per Zeeuwse gemeenten
Bron: RES-Zeeland, 2020, p. 80.
Uit de onderzoeken komt naar voren dat onder anderen verzwaring van de elektriciteitsvoorziening naar Schouwen-Duiveland en Tholen nodig is om zowel de groeiende vraag als het aanbod te faciliteren. Inmiddels heeft Enduris een congestie onderzoek uitgevoerd. Uit het congestie-onderzoek is gebleken dat het net nu al overbelast is en dat congestie management geen oplossing biedt voor dit probleem. Er geldt nu een transportbeperking voor de invoeding middels grootverbruikers aansluitingen wat er in resulteert dat er geen nieuwe aanvragen worden gehonoreerd en geen tranportindicaties meer worden afgegeven. Hierdoor wordt er geen SDE subsidie meer toegekend. Zolang er geen ruimte op het net gevonden wordt kunnen grootverbruikers die nu duurzame energie willen opwekken geen elektriciteit terug leveren aan het net. Dit geldt onder anderen voor zonneparken nabij bebouwingslocaties. Zonnepanelen bij de windenergielocaties Roggeplaat en Krammer is wel mogelijk omdat deze projecten de elektriciteit via een ander kanaal afvoeren. Voor de verzwaring van het elektriciteitsnet is het noodzakelijk om een 150 kV station binnen Schouwen-Duiveland te plaatsen. Het gaat om een HS/MS – station hoogspanning (Tennet) naar middenspanning (Enduris). Voor de keuze van de locatie voor een 150 kV station zijn een aantal randvoorwaarden gesteld door de netbeheerders.
Deze zijn als volgt: - De randvoorwaarde van Tennet is dat het nieuwe 150 kV station op Schouwen-Duiveland niet verder dan 25 kilometer afstand van het nieuw te bouwen 380 kV station nabij Bergen op zoom komt te liggen (om technische redenen). - Toekomstige zonne- en windparken dienen binnen een cirkel van 20 kilometer vanuit het 150 kV station te blijven. - Het 150 kV station dient op een dergelijke locatie te komen zodat de twee huidige 50 kV stations in Zierikzee en Oosterland op een efficiënte wijze kunnen worden gekoppeld. - Het 150 kV station moet een minimale afstand houden tot Natura 2000 gebieden. - Het 150 kV station moet een minimale afstand van 300 meter tot woningen hebben. - Voor de locatie moet rekening gehouden worden met overstromingsgevaar. - De locatie moet dicht bij transportwegen liggen in verband met het transport van zware transformatoren (gevuld 100-150 ton). - De grootte van de locatie is ongeveer 180 bij 250 meter (6 voetbalvelden).
8
Uitgangspunten energienetwerk: - Om de doelstelling om in 2040 energieneutraal te kunnen halen is het noodzakelijk om het bestaande elektriciteitsnet te verzwaren door middel van het realiseren van een 150 kV station op Schouwen-Duiveland. - In het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening wordt, op basis van de door de netbeheerder gestelde randvoorwaarden, een zoekgebied geïdentificeerd waar het 150 kV station gerealiseerd kan worden en worden er randvoorwaarden gesteld voor landschappelijke inpassing.
3.2.
Windenergie.
In de gemeente zijn drie grotere windparken namelijk: Windpark Zierikzee met 3 windturbines, Windpark Roggenplaat met 6 turbines (4 aan de oost zijde en 2 aan de westzijde) en Windpark Krammer met 34 turbines. De gemeenteraad heeft aangegeven dat zij geen nieuwe windparken meer wil binnen onze gemeentegrenzen. Enkel op de bovengenoemde locaties zijn grote windturbines toegestaan. Uitgangspunt hierbij is een optimale invulling van bestaande locaties. Daarnaast zijn er nog een drietal locaties met kleinere windturbines die al vele jaren actief zijn. De kleinere windturbines staan aan de Langeweg te Bruinisse, Verseputseweg te Kerkwerve en de Meeldijk te Burgh-Haamstede. Het bestemmingsplan buitengebied maakt het onder voorwaarden mogelijk om één kleine windturbines per bouwvlak toe te staan met een maximale ashoogte van 15 meter. De ashoogte is de hoogte van de mast zelf. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening is een maximale tiphoogte van 20 meter toegestaan. De tiphoogte is de hoogte tot de tip van de wiek. Kleine windturbines kunnen een goed alternatief zijn het opwekken van energie voor eigen gebruik bij agrarische bedrijven in het buitengebied.
Kleine windturbines, in combinatie met zonne-energie, hebben als voordeel dat de energie beter verdeeld over de dag wordt opgewekt daardoor er geen grootverbruik aansluiting noodzakelijk is en het elektriciteitsnet ontlast wordt. Veel toegepaste kleine windturbines hebben een hogere tiphoogte dan 20 meter namelijk 25 meter. Uit de eerste concept versies van de Zeeuwse Omgevingsvisie (ZOVI) blijkt dat de provincie nog geen hogere tiphoogte in het beleid wil opnemen. In het kader van het overleg met de provincie over de ZOVI zullen we deze gewenste verhoging van de tiphoogte meenemen. Uitgangspunten windenergie: - Geen realisatie van nieuwe grootschalige windparken binnen de gemeente maar wel optimalisatie van de bestaande drie locaties. - Bij optimalisatie van grote windlocaties zal in vroegtijdig stadium overleg worden gevoerd met relevante stakeholders (als VRZ, GGD, RUD, etc.) - Voor agrarische bedrijven in het landelijk gebied wordt per bouwvlak één windturbine toegestaan. - Inspanning richting de provincie om een tiphoogte tot 25 meter op te nemen in de nog op te stellen provinciale Omgevingsverordening. - Kleine windturbines op bedrijventerreinen of in stedelijk gebied worden niet toegestaan.
3.3.
Zonne-energie.
In het collegeprogramma is aangeven dat er met name ingezet moet worden op zonne-energie. Hierbij willen wij gebruik maken van de gemeentelijke zonneladder: •
•
Een zonneladder is een middel om de locaties waar zonne-energie ontwikkeld kan worden, te prioriteren. Hoe hoger de locatie op de ladder staat, des te minder problemen er zijn met de komst van zonne-energie op dat soort locaties. Iedere ‘tree’ op de ladder benoemt een andere soort locatie. Een zonneladder kan gebruikt worden om duidelijkheid te scheppen hoeveel er op welke locatie mogelijkheid is en onder welke voorwaarden, om te voorkomen dat er te snel de makkelijkste weg wordt gekozen op locaties waar je het maar beperkt wil toestaan. Omdat je ook aan iedere tree aparte voorschriften kan verbinden, kan je als gemeente veel beter in de hand houden waar de zonne-energie opgewekt kan en mag worden.
9
De zonneladder bestaat uit 8 treden waarbij de eerste vier treden hoofdzakelijk bestemd zijn voor zonne-energieopwekking voor eigen gebruik en de laatste vier treden voor grootschalige duurzame zonne-energieopwekking voor derden. De zonneladder voor Schouwen-Duiveland is weergegeven in kader 1. Kader 1: Zonneladder Schouwen-Duiveland Trede 1: Zon-op-dak • Stimuleren van zonnepanelen op daken. • Ook postcoderroos trajecten vallen hieronder en opwek van zon-op-dak voor derden Trede 2: Zon-op-erf binnen de bebouwde kom • Bij particulier woningen of bedrijven in stedelijk gebied is het mogelijk zonnepanelen op het erf te plaatsen als de bebouwde oppervlakte ter plaatse daarmee de maximaal toegestane maat niet overschrijdt. • De beleidslijn voor particulieren zoals vastgesteld door de gemeenteraad in december 2017 – zie bijlage 2 wordt op aantal punten aangepast waarbij onderscheid wordt gemaakt in stedelijk en buitengebied. Trede 3: Zon-op-erf buiten de bebouwde kom • Voor particuliere woningen en bedrijven in het buitengebied is het mogelijk zonnepanelen op de grond op het erf te plaatsen als de bebouwde oppervlakte ter plaatse daarmee de maximaal toegestane maat niet overschrijdt. Zie verder onder trede 2.
Trede 4: Zon-Energieneutraal • Indien voor eigenaren van een bedrijf in het landelijke gebied optie 1 (de daken) en 3 (de erven) onvoldoende mogelijkheden bieden om energieneutraal te zijn, is realisatie van zonnepanelen buiten het bouwvlak mogelijk. Trede 5: Energielandschap • Er zijn mogelijkheden voor een ‘energielandschap’: een combinatie van wind- en zonne-energie. Concreet betekent dit dat de aanleg van zonneparken mogelijk is bij de bestaande windparken Krammer, Roggenplaat en Zierikzee. Trede 6: Zon- op-Water • Er zijn mogelijkheden voor zonnepanelen op water, bijvoorbeeld op het hoogbekken bij de Krammersluizen. • Er zijn mogelijkheden om zonnepanelen aan te leggen op bestaande watergangen die niet gelegen zijn langs wegen (watergangen tussen de akkers). Trede 7: Zon-nabij-bebouwingsconcentraties • Aangrenzend aan bebouwd gebied, zoals de kernen, bedrijventerreinen en recreatieconcentraties, is ruimte voor 50 hectare zonneparken. Trede 8: Zon- in-open landschap zijn niet toegestaan.
Het capaciteitsprobleem van het elektriciteitsnet heeft consequenties voor nieuwe zonne-energieprojecten. Deze zijn als volgt: -
-
-
Trede 1 tot en met 4 zijn mogelijk zolang de energie die wordt opgewekt ingezet wordt voor eigen verbruik. Voor klein verbruikers aansluitingen is het nog wel mogelijk om terug te leveren aan het elektriciteitsnet. Voor grootverbruikersaansluitingen geldt dat als er geen ruimte wordt gevonden op het elektriciteitsnet er voor nieuwe projecten niet terug geleverd kan worden. Belangrijk is dat er tijdig overleg plaats vindt met de netbeheerder. Trede 5 is mogelijk als het zonneproject gebruik maakt van een kabel die niet is aangesloten op het elektriciteitsnet van Schouwen-Duiveland maar die de elektriciteit via andere kanalen afvoert zoals bijvoorbeeld bij windpark Krammer en windpark Roggeplaat het geval is. Dit geldt ook voor zon-op-water (trede 6) voor wat betreft zonnepanelen op water op het hoogbekken bij de Krammersluizen. Trede 7, zon-nabij-bebouwingslocaties is niet mogelijk totdat het 150 kV station is gerealiseerd (planning 2025 of later).
Uitgangspunten zonne-energie; - De zonneladder voor Schouwen-Duiveland is leidend. - Er zal sterk worden ingezet op het stimuleren van zonne-energie voor eigen gebruik. - Zolang er geen ruimte wordt gevonden op het elektriciteitsnet, is het voor grootverbruiksaansluitingen niet mogelijk om nieuwe zonne-energie projecten te realiseren die de opgewekte elektriciteit terug leveren aan het net. Overleg met de netbeheerder is noodzakelijk. - Grootschalige opwek van zonne-energie bij de bestaande windenergie-locaties (energielandschappen) is mogelijk als deze in eigen transport voorzien. - Totdat het 150 kV station is gerealiseerd (2025 of later) is zon-nabij-bebouwingslocaties niet mogelijk. - Bij de ontwikkeling van grootschalige zonneparken zal in vroegtijdig stadium overleg worden gevoerd met relevante stakeholders (als VRZ, GGD, RUD, etc.)
10
3.4.
Innovatie.
De energietransitie kent nog veel onzekerheden wat betreft de technieken die kunnen worden ingezet voor de verduurzaming. Ontwikkelingen gaan snel. Om deze reden is gekozen om in stappen van 5 jaar aan te geven wat we gaan doen om de doelstelling van energieneutraal in 2040 te behalen. Dit om in ieder geval tussentijds rekening te kunnen houden met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van verduurzaming van de energievraag. Met name voor wat betreft de alternatieven voor aardgas (warmtetransitie) en energieopslag is nog veel onzekerheid. De gemeente Schouwen-Duiveland wil bijdragen aan de verdere ontwikkelingen van alternatieve technieken door middel van pilots. Op dit moment worden twee pilots uitgevoerd namelijk: een pilot op het gebied van getijdenenergie en een pilot op het gebied van energie uit oppervlaktewater (aquathermie). Voor beide pilots is een subsidie toegekend. Belangrijke aandachtspunten binnen de pilots is de monitoring en evaluatie. Opslag is nog in ontwikkeling en zou een oplossing kunnen zijn voor de ontlasten van het elektriciteitsnetwerk. Uitgangspunten innovatie: - De gemeente Schouwen-Duiveland wil bijdragen aan de verdere ontwikkelingen van alternatieve technieken door middel van het uitvoeren van pilots.
- Inzet zal plaats vinden op ontwikkeling van alternatieven voor aardgas (als bij voorbeeld energie uit oppervlaktewater, waterstof), getijdenenergie en energieopslag. - Belangrijke aandachtspunten binnen de pilots zijn monitoring en evaluatie. - Bij innovaties zal in vroegtijdig stadium overleg worden gevoerd met relevante stakeholders (als VRZ, GGD, RUD, etc.).
4. Uitgangspunten met betrekking tot landschappelijke inpassing. Landschappelijke inpassing is maatwerk en is gerelateerd aan het type duurzame energievoorziening en het landschapstype waar het initiatief plaats gaat vinden. Basis voor landschappelijke inpassing zijn de wet en regelgeving, vigerende bestemmingsplannen, de vigerende Structuurvisie Buitengebied van 2009 en de algemene gebiedskwaliteiten en doelen beschreven in de ontwerp omgevingsvisie landelijk gebied. Achtereenvolgens zullen de uitgangspunten voor landschappelijke inpassing beschreven worden van het 150kV station, windenergie en zonne-energie.
4.1.
Landschappelijke inpassing van 150 kV station.
Een 150 kV station heeft grote impact op de omgeving. De grootte van het station is 180 bij 240 meter (6 voetbalvelden). Transformatoren nemen veel plaats in, worden ombouwt met muren en zijn rond de 3 a 4 meter hoog. Daar boven op komen nog connectoren e.d. De meeste ruimte wordt ingenomen door de schakelvelden. Na de transformatoren volgt de midden-spanningsruimte. Deze is dicht en is daarmee de grootste afgedichte ruimte. Dit kan een of meerdere verdiepingen zijn. Daarnaast heeft een dergelijke ruimte vaak een diepe kelder. Om het hele gebied staat een hek van minimaal 2 meter hoog en voorzien van prikkeldraad of pinnen om buitenstaanders buiten te houden. In bijlage 1 zijn voorbeelden gegeven hoe een 150 kV station er ongeveer uitziet. Uitgangspunten landschappelijke inpassing van 150 kV station: - Het 150 kV station zo goed mogelijk landschappelijk inpassen. - De landschappelijke inpassing is afhankelijk van de locatie en de omgeving. - Binnen het zoekgebied voor het 150 kV station zullen per landschapstype randvoorwaarden worden opgesteld voor landschappelijke inpassing. - Landschappelijke inpassing moet bijdragen aan de hoofdkeuzes, doelen en gebiedskwaliteiten zoals genoemd in paragraaf 2.2.
11
4.2.
Landschappelijke inpassing van windenergie.
Bij optimalisatie van grootschalige windenergielocaties moet landschappelijke inpassing bijdragen aan de hoofdkeuzes, doelen en gebiedskwaliteiten vanuit de ontwerp omgevingsvisie landelijk gebied zoals genoemd in paragraaf 2.2. Het bestemmingsplan buitengebied maakt het onder voorwaarden mogelijk om één kleine windturbines per bouwvlak toe te staan met een maximale ashoogte van 15 meter (Zie kader 2). In het kader van de provinciale verordening is een maximale tiphoogte van 20 meter toegestaan. Kader 2: Ontheffing bouwen windturbine in bestemmingsplan buitengebied. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3.2 voor het bouwen van een windturbine ter plaatse van een bouwvlak of bouwstede, met inachtneming van het volgende: a. de hoogte van een windturbine bedraagt ten hoogste 15 meter; b. de afstand van de windturbine tot de weg bedraagt ten minste 20 meter; afstand van de windturbine gebouwen bedraagt minste 10 meter; buitengebied zullen hierbij -c. deDe voorwaarden, zoalstot opgenomen in het ten bestemmingsplan d. ontheffing wordt niet verleend: gehandhaafd blijven (Marleen en Miranda – is dat voldoende of moeten de voorwaarden 1. binnen een afstand van 100 meter van gronden met de bestemming Natuur, of gronden met de bestemming Water en aangepast worden?). – landschappelijke inpassing de aanduiding 'deltawater'; 2.
ter plaatse van de aanduiding 'natuurwaarden'; 3. ter plaatse van de aanduiding 'uitbreiding natuur'; 4. ter plaatse van de aanduiding 'randzone'; e. per bouwvlak of bouwstede is ten hoogste 1 windturbine toegestaan; f. ontheffing wordt slechts verleend als daardoor de landschappelijke karakteristiek zoals benoemd in het Landschappelijk Raamwerk niet onevenredig wordt aangetast; alvorens de ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige; g. ontheffing leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
De meest toegepaste kleine windturbines hebben een hogere tiphoogte dan 20 meter. Om deze reden willen wij, als het provinciale beleid dit toestaat en in de nieuwe provinciale verordening een hogere maatvoering is opgenomen, een maximale tiphoogte toe staan van 25 meter. Aanvullend op de bestaande bestemmingsplanregels willen we toevoegen dat de positie van de windturbine altijd achter op het erf moet zijn. Na vaststellen van het ruimtelijk beleid moet dit in het bestemmingsplan geborgd worden. Uitgangspunten landschappelijke inpassing van windenergie: - Bij optimalisatie van grootschalige windenergielocaties moet landschappelijke inpassing bijdragen aan de hoofdkeuzes, doelen en gebiedskwaliteiten zoals genoemd in paragraaf 2.2. - De regels voor kleine windturbines zoals opgenomen in het bestemmingsplan buitengebied willen we op de volgende punten aanpassen: o Indien provinciale Omgevingsverordening dit toestaat de hoogte wijzigen in maximale tiphoogte van 25 meter. o Toevoegen dat de positie van de windturbines altijd achter op het erf moet zijn. - Na vaststelling van Ruimtelijk Beleid Duurzame Energievoorziening moet dit geborgd worden in het bestemmingsplan.
12
4.3.
Landschappelijke inpassing van zonne-energie.
Het algemene uitgangspunt voor landschappelijke inpassing van zonne-energie is dat zonnepanelen goed worden ingepast in de bebouwde omgeving en in het landschap. We maken onderscheid tussen kleinschalige opwek voor eigen gebruik en grootschalige opwek van zonne-energie voor derden. 4.3.1. Kleinschalige opwek voor eigen gebruik Voor kleinschalige opwek van zonne-energie voor hoofdzakelijk eigen gebruik (trede 1 tot en met 4 op de zonneladder) hanteren we de volgende uitgangspunten: Trede 1: Zon-op-dak Bij beeldbepalende daken heeft de aanleg van zonnepanelen vanuit landschappelijk oogpunt niet de voorkeur heeft. Maar omdat zonnepanelen vergunningsvrij kunnen worden aangelegd, gelden er geen extra voorwaarden. Voor zonnepanelen op daken van monumenten of woningen binnen beschermd dorps en stadsgezicht geldt de voorwaarde dat deze alleen kunnen worden geplaatst als deze niet vanuit de openbare weg worden gezien. Deze zonnepanelen zijn wel vergunning plichtig en moeten altijd ter advisering worden voorgelegd aan de welstandcommissie. Trede 2: Zon-op-erf in bebouwde kom Voor zon-op-erf in bebouwde kom zal de beleidslijn zoals vastgesteld door de gemeenteraad in december 2017 worden aangepast. De beleidslijn is weergegeven in bijlage 2. Trede 3: Zon-op-erf buiten bebouwde kom Een goede landschappelijke inpassing van het erf in het landelijk gebied is een vereiste.
Hierbij hanteren we de uitgangspunten uit de Ontwerp omgevingsvisie landelijk gebied zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze worden in het proces verder uitgewerkt. Ook hier zal de beleidslijn zoals eerder is vastgesteld (zie trede 2) worden aangepast. Trede 4: Zon-energieneutraal Een goede landschappelijke inpassing is een vereiste op een wijze die aansluit bij de omgeving. Hierbij hanteren we de uitgangspunten uit de ontwerp Omgevingsvisie landelijk gebied zoals beschreven in paragraaf 2.2. Deze worden in het proces verder uitgewerkt.
4.3.2. Grootschalige opwek voor derden. Voor grootschalige opwek van zonne-energie voor derden komen we tot een landschappelijke inpassingsstrategie die moet voldoen aan de volgende uitgangspunten: - De groene sfeer op het eiland blijft behouden, daarom gaan we zonneparken inbedden in het landschap. - De strategie is zowel bruikbaar bij de inpassing van een enkel veld in de komende jaren als bij de inpassing van een groot aantal velden in de verre toekomst. - De strategie levert een bruikbaar en waardevol nieuw landschap op. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in energielandschappen en zonneparken nabij bebouwingsconcentraties. Voor energielandschappen geldt dat het zichtbaar mag zijn. Wel worden aanvullende randvoorwaarden opgesteld. Voor zonneparken nabij bebouwingsconcentraties worden, afhankelijk van het gebiedstype, randvoorwaarden voor landschappelijke inpassing opgesteld. Uitgangspunt hierbij is de landschapsstrategie voor zon bij bebouwingslocaties die is opgenomen in de ontwerp omgevingsvisie landelijk gebied. Uitgangspunten landschappelijke inpassing zonne-energie: - We maken gebruik van bestaande regels in het vigerend beleid. - Voor zon-op-erf en zon-energieneutraal zullen de randvoorwaarden voor landschappelijke inpassing verder worden uitgewerkt.
Voor grootschalige duurzame opwek van zonne-energie voor derden stellen we een landschap strategie op waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen energielandschappen en zon bij bebouwingsconcentraties. - Voor energielandschappen geldt dat de zonnepanelen zichtbaar mogen zijn. Per locatie worden er specifieke randvoorwaarden opgesteld met betrekking tot landschappelijke inpassing. - Voor zon-bij-bebouwingsconcentraties worden algemene randvoorwaarden opgesteld die verder uitgewerkt zullen worden in de nog op te stellen eilandelijke omgevingsvisie.
13
5. Uitgangspunten met betrekking tot meervoudig ruimte gebruik. Meervoudig ruimte gebruik is het gebruik van dezelfde grond of wateroppervlakte voor meerdere doeleinden. Meervoudig ruimte gebruik is alleen van toepassing voor grootschalige opwek van zonneenergie en dan met name de treden 5 (energielandschap), 6 (zon-op-water) en 7 (zon-nabijbebouwingsconcentraties) van de zonneladder. Bij meervoudig ruimtegebruik denken we aan zonnepanelen gecombineerd met andere opgaven in het zoals: landbouw, recreatie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Uit studies blijkt dat wanneer een zonnepark meerdere functies heeft het draagvlak toeneemt. Een belangrijk uitgangspunt voor grootschalige zonneenergie projecten is dat er, naast duurzame energie opwekking, gezocht wordt naar een koppeling met andere opgaven. Uitgangspunten meervoudig ruimtegebruik: - Bij grootschalige zonne-energieprojecten met energieopwekking voor derden wordt een koppeling gemaakt met andere opgaven (recreatie, biodiversiteit, klimaatadaptatie, behoud van bodem en waterkwaliteit.
6. Uitgangspunten met betrekking tot participatie. Participatie is met name van toepassing bij grootschalige duurzame energieopwekking. In de Regionale Energie Strategie Zeeland zijn uitgangspunten opgenomen voor participatie. De energietransitie is niet alleen een technisch en economisch vraagstuk, maar ook een maatschappelijke beweging. Om die beweging te kunnen maken is het belangrijk inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de energietransitie. Daarin maken we onderscheid tussen procesparticipatie en financiële participatie. In de Regionale Energie Strategie Zeeland is afgesproken dat Zeeuwse partners zich inspannen om, in de helft van alle wind- en zonprojecten, een vorm van burgerparticipatie te realiseren. Hierbij wordt een belangrijk onderscheid gemaakt in de soort participatie: 1. Procesparticipatie in het project 2. Mede-eigenaarschap 3. Financiële deelneming 4. Omgevingsfonds 5. Omwonendenregeling. Procesparticipatie: De initiatiefnemer doorloopt samen met de omgeving een proces om te komen tot een wenselijke en haalbare vormgeving van participatie. Hieruit volgen afspraken over het ontwerp van het energieproject, over de ruimtelijke inpassing en /of over financiële participatie en opbrengsten voor de omgeving. Financiële Participatie: Financiële participatie kan verschillende vormen aannemen.
Deze zijn: - Mede-eigenaarschap: Omwonenden profiteren mee als mede-eigenaar van een wind- of zonneproject, via een vereniging of coöperatie. - Financiële deelneming: Omwonenden nemen deel aan een project bijvoorbeeld door aandelen, certificaten of obligaties. - Omgevingsfonds: Een deel van de opbrengsten komt ten goede aan maatschappelijke doelen in de buurt, zoals een sportclub of wijkvereniging. - Omwonendenregeling: Direct omwonenden ontvangen een voordeel bijvoorbeeld in de vorm van verduurzaming van hun woning of korting op groene stroom. Uitgangspunten participatie: - Proces en financiële participatie zijn belangrijke uitgangspunten bij grootschalige duurzame energieopwekking (zowel zon, wind of andere innovaties). - Met betrekking tot procesparticipatie stelt de initiatiefnemer een participatieplan op, waarmee afspraken over participatie door burgers, bedrijven of andere belangenorganisaties vast komen te liggen. - Met betrekking tot financiële participatie zijn er de volgende uitgangspunten: o Bij grootschalige commerciële duurzame energieprojecten is het beleid om zoveel mogelijk in eigendom van lokale en/of regionale partijen en inwoners te laten komen. Gestreefd wordt naar 50% mede-eigenaarschap en / of financiële deelneming.
o Bijdrage voor een omgevingsfonds of omwonendenregeling is € 0,50 /MWh voor zonneenergie projecten en € 1.00 / MWh voor windenergieprojecten. - In alle gevallen van financiële participatie geldt als uitgangspunt dat de initiatiefnemer een haalbare businesscase moet kunnen behalen.
14
7. Sturingsfilosofie. De uitgangspunten, gebiedskwaliteiten en doelen uit het algemene deel worden vertaald in ruimtelijke kaders voor duurzame energievoorzieningen. Het is voor de wijze waarop de kaders worden ingevuld van belang om de rol van de overheid vast te stellen. De taken van de overheid met betrekking tot de fysieke leefomgeving zijn in principe een gemeentelijke aangelegenheid zoals de toedeling van de ruimte aan functies en het beheer van de openbare ruimte. De gemeentelijke overheid heeft verschillende rollen. Er kunnen drie basisrollen kunnen worden onderscheiden namelijk: 1. reguleren; 2. samenwerken; 3. ondersteunen. De gemeentelijke overheid moet duidelijk zijn welke rol ze heeft. Zo is duidelijk welke inspanning er van de overheid verwacht mag worden. De gemeentelijke overheid kan kiezen welke rol zij wil innemen in een vraagstuk. Dit kan per vraagstuk verschillen en afhangen van bijvoorbeeld de urgentie die vanuit de gemeente en in de omgeving wordt ervaren. In het ruimtelijk beleid duurzame energievoorziening komen de drie verschillende rollen aan de orde. 7.1. Opstellen ruimtelijk beleid duurzame energievoorziening. Bij het opstellen van het beleid duurzame energievoorziening heeft de gemeente een regulerende en kader stellende rol. In het ruimtelijk beleid worden kaders opgesteld waar initiatiefnemers voor duurzame energieprojecten aan moeten voldoen.
Om er voor te zorgen dat het beleid breed gedragen wordt door de samenleving wordt aan stakeholders gevraagd mee te denken in de uitgangspunten en de verdere uitwerking van het beleid.
7.2. Locatie voor 150 kV station. Voor het bepalen van een locatie van het 150 kV station heeft de gemeente een samenwerkende rol. Hierbij kunnen twee sub-rollen worden onderscheiden namelijk: A. Rol als trekker: Wij nemen als gemeente actief deel aan het proces met als doel om snel tot besluitvorming te kunnen overgaan. Er wordt uiteindelijk, in nauw overleg met stakeholders, een locatie aangewezen rekening houdend met de eerder genoemde randvoorwaarden en uitgangspunten. De raad wordt actief geïnformeerd. Wij hebben een actieve rol in de participatie met de omgeving. Positief -
-
Negatief -
De realisatie van een 150 kV station is noodzakelijk voor de voortgang van de energietransitie. Wij vinden dit een belangrijke stap in de energietransitie. Dat benadrukken we nog eens door een actieve rol aan te nemen. Een 150 kV station is landschappelijk gezien geen “aanwinst”. Daarnaast zijn er externe partijen zoals TenneT die randvoorwaarden stellen. Als wij actief deelnemen zal op zo kort mogelijke termijn de keuze voor een locatie kunnen worden gemaakt en de benodigde procedures worden gestart.
Het draagvlak voor een dergelijk voorziening zal in algemene zin vermoedelijk al niet hoog zijn. Als wij duidelijk het voortouw nemen, wordt dit naar verwachting niet beter.
B. Rol als partner. Wij nemen deel aan het overleg met stakeholders. Wij beoordelen de voorgestelde locatie en starten vervolgens de benodigde procedures. Positief -
Deze rol vraagt minder capaciteit van de organisatie.
Negatief
15
-
-
De voorziening is noodzakelijk voor de energietransitie en heeft daarmee veel prioriteit. Het is nu onduidelijk hoeveel prioriteit de omgeving hieraan geeft. Dit kan de voortgang van het proces negatief beïnvloeden. Daarnaast geven wij zelf minder prioriteit aan het vinden van een locatie en de benodigde procedures. In de rol als partner staan wij niet aan het roer. Wij kunnen zelf minder sturen op zowel inhoud als voortgang.
Advies Geadviseerd wordt om te kiezen voor optie A en dit als uitgangspunt te nemen voor de invulling van de beleidskaders.
7.3. Initiatieven in het kader van duurzame energieopwekking Bij initiatieven in het kader van duurzame energieopwekking kan de gemeente alle drie de rollen aannemen. In de nog op te stellen eilandelijk omgevingsvisie zal worden opgenomen welke rol de gemeente aanneemt om tot een invulling van het doel, energieneutraal 2040, te komen.
16
Bijlage 1: Impressiefoto’s van 150 kV station
17
18
Bijlage 2: Beleidsuitgangspunten zon-in-tuin. 1. Grondgebonden zonnepanelen zijn alleen toegestaan op een erf bij een woning; 2. De grondgebonden zonnepanelen zijn alleen voor eigen gebruik. 3. Grondgebonden zonnepanelen zijn een bouwwerk geen gebouw zijnde en moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd; 4. De totale bebouwde oppervlakte van het zij- en achtererf gelegen buiten het bouwaanduidingsvlak, overkappingen en grondgebonden zonnepanelen meegerekend, bedraagt maximaal 50% met een maximum van 40 m²; 5. indien het achtererf gelegen buiten het bouwaanduidingsvlak groter is dan 240 m², bedraagt het totale bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken – overkappingen en grondgebonden zonnepanelen meegerekend - ten hoogste 1/6 deel van het zij- en achtererf buiten het bouwaanduidingsvlak, met een maximum van 100 m²; 6. De maximale hoogte bedraagt 2 meter; 7. Grondgebonden zonnepanelen worden ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw gebouwd; 8. De afstand tussen grondgebonden zonnepanelen en de erfgrens ter plaatse van de bouwaanduiding vrijstaand bedraagt niet minder dan 3 meter, ter plaatse van de overige bouwaanduidingen geldt een afstand van minimaal 1 meter.
Toelichting op uitgangspunten Niet alle van de hierboven genoemde uitgangspunten kunnen in een bestemmingsplan worden geregeld. Een aantal zaken spreken voor zich, bijvoorbeeld dat een energieleverancier niet passend is in de bestemming Wonen. Daarnaast is een grondgebonden zonnepaneel per definitie een bouwwerk geen gebouw zijnde. De regeling voor een bestemmingsplan of in het afwijkingenbeleid ziet er als volgt uit: 1. Grondgebonden zonnepanelen zijn alleen toegestaan op een erf bij een woning; 2. Grondgebonden zonnepanelen moeten binnen het bouwvlak worden gerealiseerd; 3. De totale bebouwde oppervlakte van het zij- en achtererf gelegen buiten het bouwaanduidingsvlak, overkappingen en grondgebonden zonnepanelen meegerekend, bedraagt maximaal 50% met een maximum van 40 m²; 4. indien het achtererf gelegen buiten het bouwaanduidingsvlak groter is dan 240 m², bedraagt het totale bebouwde oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken – overkappingen en grondgebonden zonnepanelen meegerekend - ten hoogste 1/6 deel van het zij- en achtererf buiten het bouwaanduidingsvlak, met een maximum van 100 m²; 5. De maximale hoogte bedraagt 2 meter; 6. Grondgebonden zonnepanelen worden ten minste 3 meter achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw gebouwd; 7.
De afstand tussen grondgebonden zonnepanelen en de erfgrens ter plaatse van de bouwaanduiding vrijstaand bedraagt niet minder dan 3 meter, ter plaatse van de overige bouwaanduidingen geldt een afstand van minimaal 1 meter.
19