RVS Ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor realisatie van een drijvend zonnepark bijlage 10 rapport duurzame energie
Tekst van het document
RAPPORT Duurzame energie Krammersluizen Broedvogels, Slaapplaats en Vleermuizen Klant:
Rijkswaterstaat Zee en Delta
Referentie: BH3435WATRP2101260853 Status:
Concept/P01.01
Datum:
10 februari 2021
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Larixplein 1 5616 VB EINDHOVEN Water Trade register number: 56515154 +31 88 348 42 50 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Duurzame energie Krammersluizen Ondertitel: Duurzame energie Krammersluizen Referentie: BH3435WATRP2101260853 Status: P01.01/Concept Datum: 10 februari 2021 Projectnaam: Krammersluizen Projectnummer: BH3435 Auteur(s): B.J.H.M. Possen, C. Posthouwer, J. van de Pol
Opgesteld door: B.J.H.M. Possen, C. Posthouwer Gecontroleerd door: Martin de Haan Datum: 24 januari 2021 Goedgekeurd door: Boy Possen Datum: 11 februari 2021 Foto voorblad Zicht op het laagbekken bij zonsondergang © B.J.H.M. Possen
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doel
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Onderzoeksgebied
2
3
Vleermuizen
3
3.1
Werkwijze
3
3.2
Mogelijk voorkomen van vleermuissoorten
3
3.3
Functies van het onderzoeksgebied voor vleermuizen
3
3.4
Mogelijke effecten van drijvende zonneparken
5
3.4.1 3.4.2 3.4.3 3.4.4
Aanvaringsslachtoffers Problemen met navigatie tijdens de migratie Aantasten foerageergebied Synthese vleermuizen
5 5 5 6
4
Broedvogels
7
4.1
Werkwijze
7
4.2
Resultaten
7
4.3
Synthese broedvogels
7
5
Wintervogels
9
5.1
Werkwijze
9
5.2
Resultaten
9
5.3
Synthese wintervogels
10
6
Synthese
11
Referenties
12
Bijlagen 01 Resultaten broedvogels 02 Resultaten slaapplaatstellingen
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
Aii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De urgentie om duurzame energie op te wekken wordt breed gevoeld. Rijkswaterstaat kan en wil daaraan bijdragen door op het eigen areaal het opwekken van duurzame energie mogelijk te maken. Een potentiële locatie ligt in het Zeeuwse areaal van Rijkswaterstaat: de Krammersluizen. Rijkswaterstaat Zee en Delta verkent daarom de mogelijkheid voor het bijplaatsen van zonnepanelen op het Krammersluizencomplex. Aanwezige natuurwaarden zijn hierbij uiteraard een aandachtspunt. Moons et al. (2018) laten voor de bekkens van de Krammersluizen (Hoog- en Laagbekken) zien dat met name ten aanzien van de slaapplaatsfunctie voor niet-broedvogels, de aanwezigheid van broedvogels en gebruik door vleermuizen nog enige onzekerheid bestaat. Rijkswaterstaat Zee en Delta heeft Royal HaskoningDHV gevraagd te ondersteunen bij het wegnemen van deze onzekerheden met behulp van literatuur- (vleermuizen) en veldonderzoek (vogels).
1.2
Doel
In deze notitie zijn de resultaten van zowel het literatuuronderzoek als van het aanvullend veldwerk gevat. Met behulp van de verkregen resultaten wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre het Hoog- en het Laagbekken een functie (kunnen) hebben voor vleermuizen en broed- en wintervogels. Aan de hand daarvan wordt de vraag beantwoord in hoeverre het plaatsen van drijvende zonnepanelen op de Krammersluizen negatieve effecten kan hebben op die functies.
1.3
Leeswijzer
In het tweede hoofdstuk is het onderzoeksgebied gedefinieerd en beknopt beschreven. Het derde hoofdstuk bevat de resultaten van het literatuuronderzoek naar mogelijke effecten op vleermuizen. Het vierde hoofdstuk gaat in op broedvogels het vijfde op wintervogels (slaapplaatsfunctie). Het zesde en laatste hoofdstuk vat deze rapportage samen.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A1
Projectgerelateerd
2
Onderzoeksgebied
In figuur 2-1 zijn de potentiële locaties voor drijvende zonnepanelen binnen het Krammersluizencomplex weergegeven. Het Krammersluizencomplex ligt in de provincie Zeeland en grenst aan de Natura 2000gebieden “Oosterschelde” in het westen en “Krammer-Volkerak” in het oosten. Op de kades van beide bekkens zijn rondom windmolens aanwezig. De kades zelf bestaan uit asfalt en stortsteen. Alleen rond het Laagbekken zijn deze afdekt met gras en is (aan de noordzijde) hoger op de kade, richting de N257, lokaal wat struweel aanwezig. Lokaal groeit enig riet op de oever en nabij de parkeerplaats (oostzijde) is een klein “zandstrandje” aanwezig. Het onderzoeksgebied kenmerkt zich echter door een bij haar functie passende rationele (technische) inrichting.
Figuur 2-1 Potentiële locaties voor drijvende zonnepanelen (rode polygonen) en een beeld van het Laag- (rechts) en Hoogbekken (links).
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A2
Projectgerelateerd
3
Vleermuizen
3.1
Werkwijze
Mogelijke effecten van de voorgenomen activiteit op vleermuizen zijn uitgewerkt aan de hand van een literatuuronderzoek. Als eerste stap is met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en de resultaten van verschillende reeds uitgevoerde onderzoeken nagegaan welke vleermuissoorten op welke manier gebruik maken van het sluizencomplex. De resultaten zijn gevat in respectievelijk de paragrafen 3.2. en 3.3. Daarin worden de vragen gesteld “Welke vleermuissoorten komen mogelijk voor?” en “Welke functie kan het onderzoeksgebied voor vleermuizen hebben?”. Het antwoord op die vragen maakt het mogelijk om de literatuur zo gericht mogelijk te doorzoeken, waardoor mogelijke effecten van het plaatsen van zonnepanelen op het Hoog- en Laagbekken zo specifiek mogelijk kunnen worden beoordeeld. Daarnaast is gebruik gemaakt van meer algemene onderzoeksgegevens, zeker in geval functie- of soort specifieke informatie niet voor handen bleek. De resultaten zijn in de context van de Krammersluizen gevat in paragraaf 3.4 “Mogelijke effecten van drijvende zonneparken op vleermuizen”.
3.2
Mogelijk voorkomen van vleermuissoorten
Uit onderzoek dat in 2011 en 2012 is uitgevoerd (Baptist, 2014) is gebleken dat er in het Krammersluizencomplex waarnemingen bekend zijn van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Uit de Nationale Databank Flora en Fauna komen, met uitzondering van meervleermuis en rosse vleermuis dezelfde soorten naar voren (NDFF, 2020a, b). De meeste waarnemingen zijn bekend van de dijken, polders en bebouwing ten noorden en westen van het onderzoeksgebied. Pas in de ruime omgeving, dat wil zeggen op meer dan vijf kilometer van het onderzoeksgebied, zijn ook waarnemingen bekend van meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis.
3.3
Functies van het onderzoeksgebied voor vleermuizen
In paragraaf 3.2 zijn de mogelijk voorkomende soorten in het onderzoeksgebied beknopt weergegeven. In het Hoog- en Laagbekken zijn, door afwezigheid van bomen en gebouwen, geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Wel kan het water gebruikt worden als foerageergebied. Zoals af te leiden uit tabel 3-1 kunnen meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis foerageren bij en boven open water. Het onderzoeksgebied is, onder meer vanwege openheid, niet geschikt als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Het literatuuronderzoek heeft zich op hoofdlijnen beperkt tot de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, omdat andere soorten op grond van hun bekende verspreiding en de geraadpleegde literatuur niet in het onderzoeksgebied te verwachten zijn.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A3
Projectgerelateerd
Tabel 3-1 Mogelijk voorkomende soorten in het onderzoeksgebied. Soort
Verblijfplaatsen (Vleermuisnet, 2020) Foerageergedrag (Broekhuizen et al., 2016; Twisk et al., 2016)
Geschiktheid onderzoeksgebied
Gewone dwergvleermuis
In gebouwen, paarverblijfplaatsen Foerageert in gesloten tot half Ongeschikt soms in bomen open landschap (bijvoorbeeld stedelijk- of buitengebied), bij water, in en langs bossen en vaak rondom straatverlichting. Zoekt vaak beschutting langs hoge, brede en dichte bomenrijen. Foerageert tot 1-2,5 kilometer van verblijfplaats. Mijdt open terrein.
Laatvlieger
In gebouwen, zelden in vleermuiskasten
Foerageert op 3-5 meter hoogte Ongeschikt in kleinschalig agrarisch landschap, open structuurrijk bos, dorpen en aan de randen van steden. Bij winderig weer vliegen ze vooral in de beschutting van bomenrijen. Foerageert tot 12 kilometer van verblijfplaats.
Meervleermuis
In gebouwen, in de winter onder andere in bunkers, forten, steenfabrieken en kelders
Foerageert boven meren, vaarten, Geschikt kanalen en rivieren. Meestal binnen 10 kilometer van de verblijfplaats, maar kan tot 15 km van de verblijfplaats foerageren.
Rosse vleermuis
In bomen
Foerageert op 5-30 meter hoogte Geschikt in open gebied, boven weilanden, langs bosranden of boven water, maar ook hoog boven bossen, bebouwd gebied en boven (straat) verlichting. Foerageert tot meer dan 20 kilometer van verblijfplaats.
Ruige dwergvleermuis
In bomen en gebouwen
Foerageert langs bosranden, Geschikt houtwallen, boven water en in agrarisch gebied. Bij rustig weer in de herfst zijn ze regelmatig gehoord bij windmolenparken op zee, 15 en 23 kilometer uit de Nederlandse kust. Soms verblijven ze enkele dagen op windmolens of boorplatforms. Foerageert tot meer dan 6 kilometer van verblijfplaats.
Watervleermuis
In de zomer voornamelijk in Foerageert bij beschutte vijvers, bomen (maar ook op kerkzolders, plassen en sloten, maar bij in vleermuiskasten, bunkers en windstil weer ook boven open oude forten), in de winter water, zelfs boven zee. Ze voornamelijk ondergrondse vermijden plaatsen die ’s nachts objecten (zoals grotten, bunkers, verlicht zijn. Foerageert tot 10 forten en ijskelders) kilometer van verblijfplaats.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
Geschikt
BH3435WATRP2101260853
A4
Projectgerelateerd
3.4
Mogelijke effecten van drijvende zonneparken
Over de effecten van (drijvende) zonnepanelen op vleermuizen is nog weinig bekend, zo blijkt na literatuuronderzoek. In Harrison et al. (2017) worden een aantal mogelijke effecten van zonnepanelen op vleermuizen genoemd, die volgens hen nader onderzocht dienen te worden. Mogelijke effecten kunnen zijn dat vleermuizen tegen zonnepanelen opvliegen, dat ze problemen krijgen met navigeren tijdens de migratie (door veranderingen in het landschap) en dat er sprake is van ruimtebeslag door zonnepanelen op voor vleermuizen geschikt habitat. Deze aspecten komen hieronder voor de Krammersluizen aan bod.
3.4.1
Aanvaringsslachtoffers
Uit laboratoriumonderzoek (Greif en Siemers 2010) is gebleken dat vleermuizen uit zonnepanelen probeerden te drinken. In een aantal gevallen, vooral wanneer de panelen verticaal stonden opgesteld, kwamen vleermuizen hierdoor met de panelen in aanvaring. Het ging in deze gevallen echter om jonge dieren die nooit eerder een wateroppervlak hadden waargenomen. De kans dat deze situatie zich in het veld voordoet is klein. Zeker in relatie tot voorliggend voornemen, gegeven dat mogelijke verblijfplaatsen en de beide bekkens door water gescheiden zijn. Hierbij is van belang dat de zonnepanelen niet glad zijn, maar reliëf kennen. Reliëf maakt dat vleermuizen de panelen “zien” en kunnen ontwijken (pers. med. A-J Haarsma in Royal HaskoningDHV, 2020). Overigens worden gladde oppervlakken óók opgemerkt, maar kunnen ze verward worden met water. Een in situ onderzoek met glad perspex oppervlak heeft bovendien aangetoond dat vleermuizen gladde oppervlakken wel proberen te gebruiken om te drinken, maar na een mislukte poging weer doorvliegen. Over aanvaringen wordt niets gezegd (Russo et al. 2012). Negatieve effecten voor vleermuizen door botsingen met zonnepanelen drijvend op het Hoog- of Laagbekken worden daarom niet verwacht.
3.4.2
Problemen met navigatie tijdens de migratie
Vleermuizen gebruiken voornamelijk lijnvormige landschapselementen als vlieg- of migratieroute. Voorbeelden van lijnvormige landschapselementen zijn bomenrijen, bosranden, verhoogde dijktaluds, sloten, rivieren en kanalen (Haarsma, 2011). De literatuur bevat voor zover achterhaald kon worden geen relevant onderzoek als het gaat om effecten van zonnepanelen op de navigatie van vleermuizen. In de lijn der verwachting ligt, dat effecten zich beperken tot hetgeen is beschreven onder “Aanvaringsslachtoffers”, namelijk in hoofdzaak afleiding. Zo laten Russo et al. (2012) zien dat vleermuizen gladde oppervlakken wel proberen te gebruiken om te drinken, maar na een mislukte poging weer doorvliegen. Omdat voor het plangebied geldt dat de zonnepanelen altijd omgeven zijn (en blijven) door duidelijke lijnvormige elementen als kades en wegen, ligt niet voor de hand dat vleermuizen “gevangen” raken boven de zonnepanelen (denk aan vogels boven een boorplatform op zee, bijvoorbeeld). Daarbij speelt ook dat sommige soorten ook over open landschappen en groot open water vliegen en foerageren (Bij12, 2017a; 2017b en tabel 3-1). Daar ontbreken geleidende structuren per definitie. Aannemelijk is daarom, dat bij horizontale plaatsing van de panelen geen negatief effect op vleermuizen tijdens de migratie optreedt.
3.4.3
Aantasten foerageergebied
Het plaatsen van drijvende zonnepanelen in het Hoog- en Laagbekken zorgt voor ruimtebeslag op het wateroppervlak en daarmee mogelijk aantasting van foerageergebied van meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Meervleermuis en watervleermuis foerageren door insecten in hun vlucht van het wateroppervlak te vangen. Rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis vangen vooral prooien in de lucht (Haarsma, 2011). Uit een onderzoek naar foerageergedrag van watervleermuis in de Amsterdamse Waterleidingduinen is gebleken dat watervleermuis een voorkeur heeft voor beschutte plekken en plekken met steile oeverhellingen (Haarsma, 2001). Alleen bij windstil weer foerageert watervleermuis boven groot open water (Twisk et al., 2016).
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A5
Projectgerelateerd
Rosse vleermuis foerageert hoog boven (groot) open water en ruige dwergvleermuis foerageert met name langs de oevers van dergelijk water. Bij het foerageren van vleermuizen spelen waterdiepte en stroomsnelheid een rol. Bij een waterdiepte van meer dan twee meter is de productie aan vliegende insecten veel lager dan in ondieper water of in de oeverzone. Stilstaand of nauwelijks stromend water warmt sneller op waardoor de productie van insecten eerder opgang komt en waardoor het water een gunstig microklimaat heeft voor insecten in de avond (Limpens, 2001). Groot open ondiep water (tot 1 meter), oeverzones en ondiepe waterwegen behoren tot essentieel foerageergebied van meervleermuis. Diepe waterwegen zijn matig geschikt. Groot open diep water (dieper dan 1 meter) is niet-essentieel (Pers. med. A.J. Haarsma, 4 november 2019). Het water in zowel het Hoog- als Laagbekken is zout water uit de Oosterschelde. Dit water wordt gebruikt om, door middel van een zout/zoet-scheidingssysteem, te voorkomen dat tijdens het openen van de sluizen grote hoeveelheden zout water uit de Oosterschelde in het zoete water van het KrammerVolkerak-Zoommeer terecht komt en andersom (Deltares, 2012)1. Het Hoog- en Laagbekken fungeren als waterreservoirs waar bij het openen van de sluizen steeds zout water in of uitstroomt.
Dit betekent ook constante in- en uitstroom van water, waardoor het Hoog- en Laagbekken minder snel opwarmen. Het Laagbekken (uitgezonderd de oeverzones) is meer dan een meter diep (RoyalHaskoning, 2010; AHN, 2019), het Hoogbekken is minder dan 1 meter diep. In het Laagbekken ontbreekt het, door aanwezigheid van zout water, het continue in- en uitstromen van water en de waterdiepte, aan gunstige omstandigheden voor insecten. Er is daarom voor vleermuizen geen geschikt foerageergebied aanwezig. Ook in het Hoogbekken is geen geschikt foerageergebied aanwezig. Het Hoogbekken is wel ondiep, maar is geheel onbeschut waardoor verwacht wordt dat er te veel wind staat voor vleermuizen om te foerageren. Bovendien is er door aanwezigheid van zout water geen optimaal geschikt leefgebied voor insecten. Bij windstil weer en langs de oevers is er voor vleermuizen mogelijk wel foerageergebied aanwezig. In de nabije omgeving is echter het KrammerVolkerak gelegen waar veel geschikter foerageergebied aanwezig is. Er zal bij het aanleggen van drijvende zonnepanelen in het Hoog- en Laagbekken daarom geen essentieel foerageergebied verloren gaan. Er zijn zelfs aanwijzingen dat zonnepanelen insecten aantrekken (Horvath et al., 2010), waardoor het gebied mogelijk aantrekkelijker wordt voor vleermuizen om te foerageren.
3.4.4
Synthese vleermuizen
In en rondom het Krammersluizencomplex komen mogelijk gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor. Boven het Hoog- en Laagbekken kunnen meervleermuizen, rosse vleermuizen, ruige dwergvleermuizen en watervleermuizen foerageren. Naar verwachting behoort het gebied echter niet tot essentieel foerageergebied voor deze soorten, omdat er in de omgeving geschikter alternatief foerageergebied aanwezig is. Negatieve effecten van drijvende zonnepanelen in het Hoog- en Laagbekken op essentieel foerageergebied van vleermuizen worden daarom niet verwacht. Ook andere negatieve effecten worden niet verwacht, omdat nabij de bekkens geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn.
1
De zonnepanelen zullen pas na de renovatie van de Krammersluizen geplaatst worden, waarna het water in het Laagbekken brak in plaats van zout wordt en een kortere verblijftijd zal kennen, terwijl het water in het Hoogbekken een langere verblijftijd zal krijgen maar wat betreft saliniteit ongewijzigd blijft. Dit betekent geen wijziging van betekenis voor de uitgangssituatie voor bijvoorbeeld waterplanten of insecten, bijvoorbeeld omdat de inrichting niet in betekende mate wijzigt. De hier getrokken conclusies gelden dan ook onder het toekomstige regime. 10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A6
Projectgerelateerd
4
Broedvogels
4.1
Werkwijze
Om een beeld te krijgen van de functie van het Hoog- en Laagbekken voor broedvogels is op hoofdlijnen aangesloten bij de systematiek die SOVON hanteert voor haar broedvogelmonitoring (Vergeer et al. 2016). Een volledige territoriumkartering is niet uitgevoerd. De vraag die beantwoord moet worden is of aannemelijk is dat het Hoog- en Laagbekken een functie hebben voor broedvogels die mogelijk beïnvloed wordt door drijvende zonnepanelen. Daarom zijn twee veldbezoeken gebracht in de voor de te verwachten soorten geschikte periode en onder geschikte weersomstandigheden (tabel 4-1; cf. Vergeer et al. (2016)). Het veldwerk is uitgevoerd door J. van der Pol en B.J.H.M. Possen, werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Tabel 4-1 Veldbezoek broedvogels en weersomstandigheden Veldbezoek
Tijd
Temperatuur (°C)
Wind (m s-1)
Neerslag
24-04-2020
06:00-07:30
11,6
W5
Nee
13-05-2020
05:30-07:15
8,6
W5
Ja, eerste 15min
4.2
Resultaten
De resultaten zijn samengevat in figuur 4-1. De volledige telresultaten zijn terug te vinden in bijlage 1. Belangrijkste conclusie is dat de inrichting van zowel het Hoog- als het Laagbekken zodanig is, dat deze geen geschikt broedbiotoop biedt voor watervogels. Alle waarnemingen die betrekking hebben op watervogels of steltlopers betreffende foeragerende of rustende vogels (bijlage 1). Zo is de in- en uitstroom populair bij viseters als aalscholver (Phalacrocorax carbo). Tijdens beide bezoeken is geen gedrag vastgesteld (bij watervogels) dat aanwezigheid van een territorium indiceert. Denk dan aan balts of zang, nestbouw, alarmeren of jongen. Anders ligt dat voor struweel- en rietvogels (bijlage 1). Voor die soorten zijn de bosschages tussen het Hoogbekken en de Philipsdam van belang. Zingende fitis (Phylloscopus trochilus), braamsluiper (Sylvia curruca) en grasmus (Sylvia communis) mogen gezien worden als indicatie voor een territorium voor die soorten. Dat geldt ook voor graspieper (Anthus pratensis) en rietzanger (Acrocephalus schoenobaenus), die in de vegetatie boven de stortstenen verharding van het Hoogbekken verbleven. Met drijvende zonnepanelen hebben zij echter geen raakvlakken. Leuke waarneming was een paartje Middelste zaagbek (Mergus serrator).
Vanaf eind jaren zeventig van de vorige eeuw broedt deze soort jaarlijks in kleine aantallen in Nederland, met name in het Deltagebied (Haringvliet, Grevelingen). In de bekkens ontbreekt voor de soort echter geschikt broedbiotoop.
4.3
Synthese broedvogels
De beide veldbezoeken geven een goede indruk van het belang van het Hoog- en Laagbekken voor broedvogels. Dat belang zit in de rietkragen en struwelen ten oosten en noorden van het Hoogbekken, niet in het open water. Het wateroppervlak zelf heeft, mede door het ontbreken van nagenoeg elke vorm van beschutting, vrijwel zeker geen functie voor broedvogels. Gegeven de aantallen (bijlage 1) is uitgesloten dat het Hoog- en Laagbekken (die zelf geen onderdeel zijn van enig Natura 2000-gebied) een relatie hebben met de voor broedvogels geldende instandhoudingsdoelstellingen in Natura 2000-gebieden “Oosterschelde” en “Krammer-Volkerak”. 10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A7
Projectgerelateerd
Kortom: drijvende zonnepanelen hebben geen invloed van betekenis op de broedvogels van het Hoog- en Laagbekken, met name vanwege het ontbreken van geschikt biotoop en de aanwezigheid van optimaal geschikt biotoop in de directe omgeving (e.g. Plaat van Vliet).
Figuur 4-1 Territorium indicerende (oranje) en losse (blauw) waarnemingen, waarbij witte cirkels overvliegende exemplaren aanduiden.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A8
Projectgerelateerd
5
Wintervogels
5.1
Werkwijze
Het nader onderzoek is zoveel mogelijk uitgevoerd conform de Handleiding Watervogel- en slaapplaatstellingen (Hornman et al 2012). Conform deze handleiding zijn 2 tot 3 slaapplaatstellingen nodig (de twee voorkeursdata voor de landelijke tellingen liggen in november en januari) om een goed beeld te krijgen van een locatie. Tellingen worden zoveel mogelijk uitgevoerd rond het midden van de maand. Deze richtlijnen zijn ook voor de hier gerapporteerde slaapplaatstellingen aangehouden (Tabel 5-1). Het veldwerk is uitgevoerd door B.J.H.M. Possen, werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Omwille van de geldende maatregelen ter beteugeling van COVID-19 is het veldwerk telkens door een persoon uitgevoerd. Gegeven dat beide bekkens gelijktijdig goed te overzien zijn, heeft dit geen gevolgen gehad voor de nauwkeurigheid. De starttijd lag uiterlijk een uur vóór zonsondergang en eindtijd tot een uur ná zonsondergang. Daarbij werd eerst het aantal reeds aanwezige vogels vastgesteld en werden vervolgens eventueel aanvliegende vogels geteld. Gegeven dat het veldwerk kon worden uitgevoerd onder verschillende weersomstandigheden (e.g. verschillende dominante windrichtingen; Tabel 5-1) geven de resultaten een goed beeld van de mogelijke slaapplaatsfunctie van beide bekkens. Tabel 5-1 Veldbezoek wintervogels en weersomstandigheden Veldbezoek
Tijd
Temperatuur (°C)
Wind (m s-1)
Neerslag
18-11-2020
15:35-17:20
12,9
7ZW
Nee
16-12-2020
15:40-17:00
7,8
4ZO
Nee
14-01-2021
15:50-17:15
1,8
5O
Nee
5.2
Resultaten
De resultaten van de slaaplaatstellingen zijn opgenomen in bijlage 2. De vastgestelde soorten en hun aantallen zijn in hoge mate vergelijkbaar voor de drie veldbezoeken (bijlage 2), waarbij de aantallen voor het Hoogbekken consistent veel lager zijn dan voor het Laagbekken. Middelste zaagbek, geoorde fuut (Podiceps nigricollis), fuut (Podiceps cristatus) en meerkoet (Fulica atra) kennen de hoogte aantallen en zijn telkens foeragerend waargenomen. Dat geldt ook voor de groep rotganzen (Branta bernicla), die het gras op de kades gebruiken om te foerageren. Het zandstrandje in het oosten kende kleine aantallen foeragerende steltlopers (vooral scholekster (Haematopus ostralegus)) en plevieren (zilverplevier (Pluvialis squatarola)). Het hoge aantal overvliegende spreeuwen (Sturnus vulgaris) hangt samen met de aanwezigheid van een gezamenlijke slaapplaats noordelijk van de N257. Gedurende het vallen van de avond trekken de spreeuwen over de beide bekkens daar vanuit de zuidelijk gelegen akkergebieden naartoe. Invallende vogels zijn nooit waargenomen. Wel vertrokken (groepen) vogels met het vallen van de avond vanuit de bekkens, met name in noordelijke richting (Krammer-Volkerak).
Voorts zijn de “drijvers” (verondersteld is dat deze in gebruik zijn voor oester- of mosselkweek) ten zuiden van het Laagbekken in gebruik als rustplaats voor onder meer bonte strandloper (Calidris alpina), steenloper (Arenaria interpres), wulp (Numenius arquata) en kievit (Vanellus vanellus). Deze bevinden zich echter buiten de invloedssfeer van het voornemen.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A9
Projectgerelateerd
Leuke waarnemingen waren een ijsvogel (Alcedo atthis) en een jagende slechtvalk (Falco peregrinus). In beide gevallen betrof het eenmalige waarnemingen.
5.3
Synthese wintervogels
Tijdens de drie veldbezoeken zijn alleen overvliegende, geen invallende (groepen) vogels gezien en viel op dat (groepen) vogels de bekkens verlieten met het vallen van de avond. Daarmee is niet aannemelijk dat beide bekkens een noemenswaardige slaapplaatsfunctie voor vogels hebben. De waargenomen individuen gebruikten de bekkens om te foerageren; het Laagbekken intensiever dan het Hoogbekken. Dat betekent dat deze functie beperkt wordt, wanneer het water wordt voorzien van drijvende zonnepanelen. Immers, het aandeel open water neem af. Gegeven dat de beide bekkens geen bescherming genieten op grond van natuurwetgeving of -beleid en de aanwezige aantallen laag zijn (zeker vergeleken met de tellingen uit de omliggende Natura 2000-gebieden, die meer geschikt zijn) is niet te verwachten dat het realiseren van drijvende zonnepanelen meetbare effecten heeft op de (lokale) populaties van de aangetroffen soorten. Japanse oesters Hoewel geen onderdeel van deze rapportage viel tijdens elk veldbezoek het grote aantal kapotte schelpen van (met name) Japanse oesters (Crassostrea gigas) met een lengte van doorgaans ruim 8 centimeter op de kades van de bekkens op. Dergelijke waarnemingen passen bij het gedrag dat meeuwen laten zien om de inhoud van de schelp te bemachtigen, namelijk deze vanaf enige hoogte op de harde ondergrond laten vallen waardoor de schelpen breken.
De gedachte kwam op dat de vogels dit ook met de zonnepanelen zouden kunnen proberen. Een korte blik in de literatuur gaf geen verdere informatie. De scheefstelling van zonnepanelen maakt ze hier niet ideaal geschikt voor, uiteraard, maar daar is vanuit de vogels bezien een leerproces voor nodig. Het kan verstandig zijn om voor plaatsing van de panelen na te gaan, of deze bestand zijn tegen vallende schelpen.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A10
Projectgerelateerd
6
Synthese
Wat betreft broedvogels hebben de resultaten van het veldwerk laten zien dat niet het open water van de beide bekkens, maar uitsluitend de omgeving van het Laagbekken -daar waar struweel of riet aanwezig isenige betekenis heeft als biotoop voor broedvogels. Omdat het hier terrestrische soorten betreft, is er geen sprake van negatieve effecten op deze vogels door aanleg van drijvende zonnepanelen. Vogels aanwezig op het open water gebruiken dit om te foerageren. Voor wintervogels hebben de beide bekkens geen slaapplaatsfunctie, zo heeft het veldwerk uitgewezen. De aanwezige soorten gebruiken de bekkens om te foerageren. Drijvende zonnepanelen maken de bekkens (nog) minder aantrekkelijk voor (foeragerende) vogels. Het is echter niet te verwachten dat het realiseren van drijvende zonnepanelen meetbare effecten heeft op de (lokale) populaties van de aangetroffen soorten, omdat de aanwezige aantallen laag zijn (zeker vergeleken met de tellingen uit de veel geschiktere omliggende Natura 2000-gebieden). Daarnaast is relevant dat beide bekkens geen bescherming genieten op grond van natuurwetgeving of -beleid. Het literatuuronderzoek heeft ten aanzien van vleermuizen laten zien dat de bekkens voor de verwachte soorten niet tot essentieel foerageergebied gerekend kunnen worden. Daarbij is in de directe omgeving geschikter foerageergebied aanwezig.
Negatieve effecten van drijvende zonnepanelen in het Hoog- en Laagbekken op essentieel foerageergebied van vleermuizen worden daarom niet verwacht. Ook andere negatieve effecten worden niet verwacht, gegeven dat de bekkens voor vleermuizen geen andere functie kunnen vervullen. Wel geldt dat het Hoogbekken voor alle hier beschouwde soorten het minst interessant is. Vanuit natuurbelang bezien ligt het voor de hand om juist hier de drijvende zonnepanelen te projecteren en niet of in mindere mate in het Laagbekken.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A11
Projectgerelateerd
Referenties AHN, 2019. Website Actueel Hoogtebestand Nederland. Versie 2 februari 2019. https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/, geraadpleegd op 8 mei 2020 Baptist, H, 2014. Windpark Krammer. Natuurtoets in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Ecologisch adviesbureau Henk Baptist. Rapportnummer 2013/15 Bij12, 2017a. Kennisdocument Rosse Vleermuis. Bij12, Utrecht Bij12, 2017b. Kennisdocument Ruige Dwergvleermuis. Bij12, Utrecht Broekhuizen, S. et al., 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist Deltares, 2012. Verkennend onderzoek haalbaarheid innovatief zout/zoet-scheidingssysteem Krammersluizen. Rapportnummer 1205977-000-VEB-0007 Greif, S. & Siemers, B.M., 2010. Innate recognition of water bodies in echolocating bats. Nature Communications 1(8), 107 Haarsma, A.J., 2001. Watervleermuizen in de Waterleidingduinen. Onderzoek naar voedsel en habitat. Verkregen op http://natuurtijdschriften.nl/search?identifier=589970 Haarsma, A.J., 2011. De meervleermuis in Nederland. Rapportnummer 2011.40. Zoogdiervereniging, Nijmegen Harrison, C., Lloyd, H., & Field, C., 2017. Evidence review of the impact of solar farms on birds, bats and general ecology. Natural England. Verkregen op http://publications.naturalengland.org.uk/file/6000213410447360 Hornman M., Hustings F., Koffijberg K. & Klaassen O. 2012. Handleiding Sovon Watervogel- en slaapplaatstellingen.
Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Horváth, G., Blahó, M., Egri, Á., Kriska, G., Seres, I. & Robertson, B., 2010. Reducing the maladaptive attractiveness of solar panels to polarotactic insects. Conservation Biology 24:1644–1653 Limpens, H.J.G.A., 2001. Beschermingsplan Vleermuizen van Moerassen. Rapportnummer 2001.05. Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming Moons S., M.de Haan, F. Sierdsma & S. den Held 2018. Zonne-energie bij bestaande windparken op areaal van Rijkswaterstaat. Potentiële effecten op natuur. Rapportnummer BG6299WATRP180. Royal HaskoningDHV. NDFF, 2020a. Website NDFF. Versie 6.1.0. https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/, geraadpleegd op 6 mei 2020 NDFF, 2020b. Website Verspreidingsatlas. https://www.verspreidingsatlas.nl/, geraadpleegd op 6 mei 2020 Vleermuisnet, 2020. Website Vleermuisnet. https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten, geraadpleegd op 5 april 2020 RoyalHaskoning, 2010. Update detailadvies Philipsdam. Rapportnummer 9V9006.A0/N0160/EARN/ILAN?Rott1. Verkregen op https://www.zeeweringenwiki.nl/images/6/65/PZDT-M-10313.pdf Royal HaskoningDHV, 2020. Aanvulling natuurtoets zandwinplas Balderhaar – Ontbrekende gegevens. Rapportnummer BG1754WATN2003031055 Russo, D. Cistrone, L. en Jones, G., 2012. Sensory ecology of water detection by bats: a field experiment. PLos One. 7(10): e48144 Twisk, P. et al., 2016.
Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist Vergeer JW, van Dijk AJ, Boele A, van Bruggen J, Hustings F. 2016. Handleiding Sovon broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. Sovon vogelonderzoek Nederland. Nijmegen.
10 februari 2021
DUURZAME ENERGIE KRAMMERSLUIZEN
BH3435WATRP2101260853
A12
Bijlage 01 Resultaten broedvogels
Projectgerelateerd
Bezoek
Aantal
Opmerking1
X
Y
4
L
69995
408274
Bergeend
8
L
69899
408122
Fuut
1
L
69899
408122
Fuut
1
L
69942
408192
Graspieper
1
L
69942
408192
Grauwe Gans
9
L
69933
408179
Kauw
1
L
69998
408270
Kneu
2
L
69922
408158
Kokmeeuw
2
L
69899
408122
Krakeend
2
L
69952
408207
Scholekster
2
L
69959
408213
Wilde Eend
3
L
69899
408122
Witte Kwikstaart
1
L
69922
408158
Zilvermeeuw
6
L
69899
408122
Laagbekken Aalscholver
3
L
70451
407943
Bergeend
3
L
71129
407346
Blauwe Reiger
1
L
71058
407235
Braamsluiper
1
B
71154
407395
Fitis
1
B
70838
407692
Fitis
1
B
70617
407807
Fuut
2
L
70287
408179
Fuut
1
L
70822
407319
Fuut
1
L
69941
407901
Grasmus
1
B
70544
407861
Grasmus
1
B
71050
407585
Graspieper
1
B
70500
407894
Graspieper
2
B
70439
407960
Graspieper
1
B
70822
407319
Grauwe Gans
13
O
70548
407854
Heggenmus
1
B
70192
408484
Heggenmus
1
B
70770
407619
Krakeend
2
L
71058
407235
Krakeend
1
L
69941
407901
Rietzanger
1
B
70677
407773
Rietzanger
1
B
70560
407846
Gebied
Naam
29-04-2020 Hoogbekken Aalscholver
10 februari 2021
BIJLAGE
BH3435WATRP2101260853
A1
Projectgerelateerd
Aantal
Opmerking1
X
Y
29-04-2020 Laagbekken Scholekster
3
L
71123
407332
Scholekster
2
L
70287
408179
Scholekster
12
O
70495
407902
Steenloper
5
L
70986
407231
Steenloper
1
L
70822
407319
Tureluur
1
L
70986
407231
Visdief
2
L
70081
407806
Wilde Eend
2
L
71145
407533
Wilde Eend
2
L
70404
407996
Wilde Eend
2
L
70287
408179
Wilde Eend
2
L
71058
407235
Wilde Eend
1
L
69941
407901
Zilvermeeuw
8
L
71137
407360
Zwartkop
1
B
71157
407410
1
L
69948
408192
Kauw
3
L
69948
408193
Kokmeeuw
4
L
69947
408194
Lepelaar
4
O
69848
407998
L
69877
408083
L
69950
408196
L
70295
408147
Bezoek
Gebied
Naam
13-05-2020 Hoogbekken Aalscholver
Zilvermeeuw Zwarte Kraai
1
Laagbekken Aalscholver
10 februari 2021
Bergeend
1
O
69996
407866
Bergeend
1
L
70278
408185
Braamsluiper
1
B
71051
407593
Fazant
1
L
69914
407923
Fitis
1
B
70558
407858
Fuut
L
69996
407866
Fuut
L
71175
407521
Grasmus
1
B
70999
407225
Grasmus
2
B
71184
407448
Grasmus
1
B
71018
407608
Grasmus
1
B
70929
407651
Grasmus
1
B
70758
407725
Graspieper
B
70807
407325
Graspieper
B
70826
407690
Grauwe Gans
7
L
70435
407563
Houtduif
1
O
71156
407398
BIJLAGE
BH3435WATRP2101260853
A2
Projectgerelateerd
Bezoek
Gebied
Aantal
Opmerking1
X
Y
3
O
70295
408147
Kneu
2
L
71133
407350
Kneu
8
L
70320
407642
Koekoek
1
L
70947
407642
Kokmeeuw
1
L
70650
407797
Krakeend
1
L
69914
407923
L
70996
407622
Naam
13-05-2020 Laagbekken Kleine Zilverreiger
Krakeend Kuifeend
6
L
70177
407742
Middelste Zaagbek
2
L
70741
407736
Oeverloper
1
L
70575
407824
Oeverloper
4
L
70409
407972
Rietzanger
1
B
70695
407754
Rotgans
10
L
71127
407337
L
70636
407422
Scholekster Scholekster
2
L
71133
407345
Steenloper
1
L
70936
407238
Visdief
1
L
69877
408083
Visdief
2
L
70805
407699
Wilde Eend
L
70626
407430
Wilde Eend
L
71125
407340
Witte Kwikstaart
2
L
69947
408194
Zilvermeeuw
2
L
71125
407340
Zilverplevier
3
L
71133
407345
1
: L: Losse waarneming (i.e. geen territorium indicerend gedrag); B: Broedvogel (i.e. territorium indicerend gedrag vastgesteld). O: Overvliegend.
10 februari 2021
BIJLAGE
BH3435WATRP2101260853
A3
Bijlage 02 Resultaten slaapplaatstellingen
Projectgerelateerd
Bezoek
Gebied1
Soort
Bezoek
Hoogbekken Laagbekken 18-11-2020 Aalscholver Brilduiker
Gebied1
Soort
Hoogbekken Laagbekken
2. 1ov
10
16-12-2020 Wilde Eend
2
1
2
3
Zilvermeeuw
10
2
13
14-01-2021 Aalscholver
Fuut
1, 1ov
Geoorde Fuut
2
2
Brilduiker
Graspieper
1, 2ov
3
Fuut
2
3
Kievit
60
Geoorde Fuut
3
3
Kokmeeuw
70
Graspieper
1
Meerkoet
17
Houtduif
23ov
Middelste Zaagbek
30
Kleine Mantelmeeuw
65
Kokmeeuw
49
Krakeend
13
Meerkoet
66
Rotgans
5ov
Scholekster Spreeuw
2414ov
5
1 5
Stadsduif
6
Middelste Zaagbek
20
26
Wilde Eend
2
Rotgans
7
66
Wulp
8
Scholekster
4
2
3
Slechtvalk
Zilvermeeuw
7, 6ov
Zwarte Kraai
1ov
Steenloper
16-12-2020 Aalscholver
1
Torenvalk
1
4
Tureluur
3
Wilde Eend
2
Brilduiker Fuut
2
16
Geoorde Fuut
1
11
Zilvermeeuw 1
Graspieper
3
Grauwe Gans
23ov
Grote Mantelmeeuw
2ov
Holenduif
2ov 1
Kokmeeuw
2
Krakeend
15
Meerkoet
74
Middelste Zaagbek
24
16
Rotgans
5
143
Spreeuw
4
2
4
ov: overvliegend
32 275ov
Toendrarietgans Torenvalk
13 1
Tureluur
10 februari 2021
1
1
IJsvogel
Scholekster
1
3
BIJLAGE
BH3435WATRP2101260853
A5