CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS Ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor realisatie van een drijvend zonnepark bijlage 11 zonnepanelen en vleermuizen

Gemeenteraad 27 januari 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen voorrealisatie van een drijvend zonnepark op het hoog- enlaagbekken van de Krammersluizen (508735)2.366 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

HaskoningDHV Nederland B.V. Water

Notitie / Memo Aan: Rijkswaterstaat Zee en Delta Van: C. Posthouwer Datum: 8 juni 2020 Kopie: Ons kenmerk: BH3435WATNT2006081440 Classificatie: Projectgerelateerd Goedgekeurd door B.J.H.M. Possen Onderwerp:

Zonnepanelen en vleermuizen bij de Krammersluizen

Inleiding De urgentie om duurzame energie op te wekken wordt breed gevoeld. Rijkswaterstaat kan en wil daaraan bijdragen door duurzame energieopwekking mogelijk te maken op het eigen areaal. Rijkswaterstaat Zee en Delta verkent daarom de mogelijkheid voor het bijplaatsen van zonnepanelen op het Krammersluizencomplex. Hiervoor dienen onder andere de effecten op beschermde natuurwaarden te worden onderzocht. In deze notitie worden de resultaten van een literatuuronderzoek naar het voorkomen van vleermuizen bij het Hoogbekken en Laagbekken in het Krammersluizencomplex en de eventueel te verwachten effecten van drijvende zonneparken op deze soorten weergegeven. Als eerste stap is met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna en verschillende reeds uitgevoerde onderzoeken nagegaan welke vleermuissoorten op welke manier gebruik maken van het sluizencomplex. De resultaten zijn gevat in respectievelijk de paragrafen “Welke vleermuissoorten komen mogelijk voor?” en “Welke functie kan het onderzoeksgebied voor vleermuizen hebben?”. Dit stelt ons in staat om de literatuur zo gericht mogelijk te bevragen, waardoor zo specifiek mogelijk invulling gegeven kan worden aan mogelijke effecten van het plaatsen van zonnepanelen op het Hoog- en Laagbekken.

Overigens is uiteraard ook gebruik gemaakt van meer algemene onderzoeksgegevens, zeker in geval functie- of soort specifieke informatie niet voor handen bleek. De resultaten zijn in de context van de Krammersluizen gevat in de paragraaf “Wat zijn de mogelijke effecten van drijvende zonneparken op vleermuizen?”. De notitie sluit met conclusies. Gestart wordt echter met een beknopte beschrijving van het onderzoeksgebied. Onderzoeksgebied In Figuur 1 zijn de potentiële locaties voor drijvende zonneparken binnen het Krammersluizencomplex weergegeven. Het Krammersluizencomplex ligt in de provincie Zeeland en grenst aan de Natura 2000gebieden Oosterschelde in het westen en Krammer-Volkerak in het oosten.

8 juni 2020

BH3435WATNT2006081440

1/6

Figuur 1. Potentiële locaties voor drijvende zonneparken.

Welke vleermuissoorten komen mogelijk voor? Uit onderzoek dat in 2011 en 2012 is uitgevoerd (Baptist, 2014) is gebleken dat er in het Krammersluizencomplex waarnemingen bekend zijn van gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) komen, met uitzondering van meervleermuis en rosse vleermuis dezelfde soorten naar voren (NDFF, 2020a, b). De meeste waarnemingen zijn bekend van de dijken, polders en bebouwing ten noorden en westen van het onderzoeksgebied. Pas in de ruime omgeving, dat wil zeggen op meer dan 5 kilometer van het onderzoeksgebied, zijn ook waarnemingen bekend van meervleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis. De zoekinspanning heeft zich op hoofdlijnen beperkt tot de soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, omdat andere soorten op grond van hun bekende verspreiding en de geraadpleegde literatuur niet in het onderzoeksgebied te verwachten zijn. Welke functie kan het onderzoeksgebied voor vleermuizen hebben? In tabel 1 zijn de mogelijk voorkomende soorten in het onderzoeksgebied en hun ecologie beknopt weergegeven.

In het Hoog- en Laagbekken zijn, door afwezigheid van bomen en gebouwen, geen verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Wel kan het water mogelijk gebruikt worden als foerageergebied. Zoals af te leiden uit tabel 1 kunnen meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis foerageren bij en boven open water. Het onderzoeksgebied is, onder meer vanwege openheid, niet geschikt als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

8 juni 2020

BH3435WATNT2006081440

2/6

Tabel 1. Mogelijk voorkomende soorten in het onderzoeksgebied. Soort

Verblijfplaatsen (Vleermuisnet, 2020) Foerageergedrag (Broekhuizen et al., 2016; Twisk et al., 2016)

Geschiktheid onderzoeksgebied

Gewone dwergvleermuis

In gebouwen, paarverblijfplaatsen Foerageert in gesloten tot half soms in bomen open landschap (bijvoorbeeld stedelijk- of buitengebied), bij water, in en langs bossen en vaak rondom straatverlichting. Zoekt vaak beschutting langs hoge, brede en dichte bomenrijen. Foerageert tot 1-2,5 kilometer van verblijfplaats. Mijdt open terrein.

Ongeschikt

Laatvlieger

In gebouwen, zelden in vleermuiskasten

Foerageert op 3-5 meter hoogte in kleinschalig agrarisch landschap, open structuurrijk bos, dorpen en aan de randen van steden. Bij winderig weer vliegen ze vooral in de beschutting van bomenrijen. Foerageert tot 12 kilometer van verblijfplaats.

Ongeschikt

Meervleermuis

In gebouwen, in de winter onder andere in bunkers, forten, steenfabrieken en kelders

Foerageert boven meren, vaarten, kanalen en rivieren. Meestal binnen 10 kilometer van de verblijfplaats, maar kan tot 15 km van de verblijfplaats foerageren.

Geschikt

Rosse vleermuis

In bomen

Foerageert op 5-30 meter hoogte in open gebied, boven weilanden, langs bosranden of boven water, maar ook hoog boven bossen, bebouwd gebied en boven (straat) verlichting. Foerageert tot meer dan 20 kilometer van verblijfplaats.

Geschikt

Ruige dwergvleermuis

In bomen en gebouwen

Foerageert langs bosranden, houtwallen, boven water en in agrarisch gebied. Bij rustig weer in de herfst zijn ze regelmatig gehoord bij windmolenparken op zee, 15 en 23 kilometer uit de Nederlandse kust. Soms verblijven ze enkele dagen op windmolens of boorplatforms. Foerageert tot meer dan 6 kilometer van verblijfplaats.

Geschikt

Watervleermuis

In de zomer voornamelijk in Foerageert bij beschutte vijvers, bomen (maar ook op kerkzolders, plassen en sloten, maar bij in vleermuiskasten, bunkers en windstil weer ook boven open oude forten), in de winter water, zelfs boven zee. Ze voornamelijk ondergrondse vermijden plaatsen die ’s nachts objecten (zoals grotten, bunkers, verlicht zijn. Foerageert tot 10 forten en ijskelders) kilometer van verblijfplaats.

Geschikt

8 juni 2020

BH3435WATNT2006081440

3/6

Wat zijn de mogelijke effecten van drijvende zonneparken op vleermuizen? Over de effecten van (drijvende) zonneparken op vleermuizen is nog weinig bekend, zo blijkt na literatuuronderzoek. In Harrison et al. (2017) worden een aantal mogelijke effecten van zonnepanelen op vleermuizen genoemd, die volgens hen nader onderzocht dienen te worden. Mogelijke effecten kunnen zijn dat vleermuizen tegen zonnepanelen opvliegen, dat ze problemen krijgen met navigeren tijdens de migratie (door veranderingen in het landschap) en dat er sprake is van ruimtebeslag door zonnepanelen op voor vleermuizen geschikt habitat. Aanvaringsslachtoffers Uit laboratoriumonderzoek (Greif en Siemers 2010) is gebleken dat vleermuizen uit zonnepanelen probeerden te drinken. In een aantal gevallen, vooral wanneer de panelen verticaal stonden opgesteld, kwamen vleermuizen hierdoor met de panelen in aanvaring. Het ging in deze gevallen echter om juvenielen die nooit eerder een wateroppervlak hadden waargenomen. De kans dat deze situatie zich in het veld voordoet, is klein. Zeker in relatie tot voorliggend voornemen, gegeven dat mogelijke verblijfplaatsen en de beide bekkens door water gescheiden zijn. Hierbij is van belang dat de zonnepanelen niet glad zijn, maar reliëf kennen. Reliëf maakt dat vleermuizen de panelen “zien” en kunnen ontwijken (pers. med. A-J Haarsma in RoyalHaskoningDHV, 2020).

Overigens worden gladde oppervlakken óók opgemerkt, maar kunnen ze verward worden met water. Een in situ onderzoek met glad Perspex oppervlak heeft bovendien aangetoond dat vleermuizen gladde oppervlakken wel proberen te gebruiken om te drinken, maar na een mislukte poging weer doorvliegen. Over aanvaringen wordt niets gezegd. (Russo et al. 2012). Negatieve effecten door opvliegen tegen zonnepanelen op vleermuizen worden daarom niet verwacht. Problemen met navigatie tijdens de migratie Vleermuizen gebruiken voornamelijk lijnvormige landschapselementen als vlieg- of migratieroute. Voorbeelden van lijnvormige landschapselementen zijn bomenrijen, bosranden, verhoogde dijktaluds, sloten, rivieren en kanalen (Haarsma, 2011). De literatuur bevat voor zover achterhaald kon worden geen relevant onderzoek als het gaat om effecten van zonnepanelen op de navigatie van vleermuizen. In de lijn der verwachting ligt, dat effecten zich beperken tot hetgeen beschreven onder “Aanvaringsslachtoffers”, namelijk in hoofdzaak afleiding. Zo laten Russo et al. (2012) zien dat vleermuizen gladde oppervlakken wel proberen te gebruiken om te drinken, maar na een mislukte poging weer doorvliegen.

Omdat voor het plangebied geldt dat de zonnepanelen altijd omgeven zijn (en blijven) door duidelijke lijnvormige elementen als kades en wegen, ligt niet voor de hand dat vleermuizen “gevangen” (vergelijkbaar met vogels boven een boorplatform op zee, bijvoorbeeld) raken boven de zonnepanelen. Daarbij speelt ook dat sommige soorten ook over open landschappen en groot open water vliegen en foerageren (Bij12, 2017a; 2017b en tabel 1). Daar ontbreken geleidende structuren per definitie. Aannemelijk is daarom, dat bij horizontale plaatsing van de panelen geen negatief effect op vleermuizen tijdens de migratie optreedt. Aantasten foerageergebied Het plaatsen van drijvende zonneparken in het Hoog- en Laagbekken zorgt voor ruimtebeslag op het wateroppervlak en daarmee mogelijk aantasting van foerageergebied van meervleermuis, watervleermuis, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Meervleermuis en watervleermuis foerageren door laagvliegende insecten in hun vlucht van het wateroppervlak te vangen. Rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis vangen vooral prooien in de lucht (Haarsma, 2011). Uit een onderzoek naar foerageergedrag van watervleermuis in de Amsterdamse Waterleidingduinen is gebleken dat watervleermuis een voorkeur heeft voor beschutte plekken en plekken met steile oeverhellingen (Haarsma, 2001).

Alleen bij windstil weer foerageert watervleermuis boven groot open water (Twisk et al., 2016). Rosse vleermuis foerageert hoog boven (groot) open water en ruige dwergvleermuis foerageert met name langs de oever. Bij het foerageren van vleermuizen speelt waterdiepte en stroomsnelheid een rol. Bij een

8 juni 2020

BH3435WATNT2006081440

4/6

waterdiepte van meer dan twee meter is de productie aan vliegende insecten veel lager dan in ondieper water of in de oeverzone. Stilstaand of nauwelijks stromend water warmt sneller op, waardoor de productie van insecten eerder opgang komt en waardoor het water een gunstig microklimaat heeft voor insecten in de avond (Limpens, 2001). Groot open ondiep water (tot 1 meter), oeverzones en ondiepe waterwegen behoren tot essentieel foerageergebied van meervleermuis. Diepe waterwegen zijn matig geschikt. Groot open diep water (dieper dan 1 meter) is niet-essentieel (Pers. med. A.J. Haarsma, 4 november 2019). Het water in zowel het Hoog- als Laagbekken is zout water uit de Oosterschelde. Dit water wordt gebruikt om, door middel van een zout/zoet-scheidingssysteem, te voorkomen dat tijdens het openen van de sluizen grote hoeveelheden zout water uit de Oosterschelde in het zoete water van het Krammer-VolkerakZoommeer terecht komt en andersom (Deltares, 2012) 1 . Het Hoog- en Laagbekken fungeren als waterreservoirs waar bij het openen van de sluizen steeds zout water in of uitstroomt. Dit betekent ook constante in en uitstroom van water, waardoor het Hoog- en Laagbekken minder snel opwarmen. Het Laagbekken (uitgezonderd de oeverzones) is meer dan een meter diep (RoyalHaskoning, 2010; AHN, 2019), het Hoogbekken is minder dan 1 meter diep.

In het laagbekken ontbreekt het, door aanwezigheid van zout water, het continue in en uitstromen van water en de waterdiepte, aan gunstige omstandigheden voor insecten. Er is daarom voor vleermuizen geen geschikt foerageergebied aanwezig. Ook in het Hoogbekken is geen geschikt foerageergebied aanwezig. Het Hoogbekken is wel ondiep, maar deze ligt geheel zonder beschutting van bomen of land waardoor verwacht wordt dat er teveel wind staat voor vleermuizen om te foerageren. Bovendien is er door aanwezigheid van zout water geen optimaal geschikt leefgebied voor insecten. Bij windstil weer en langs de oevers is er voor vleermuizen mogelijk wel foerageergebied aanwezig. In de nabije omgeving is echter het Krammer-Volkerak gelegen waar veel geschikter foerageergebied aanwezig is. Er zal bij het aanleggen van drijvende zonnepanelen in het Hoogen Laagbekken daarom geen essentieel foerageergebied verloren gaan. Er zijn zelfs aanwijzingen dat zonnepanelen insecten aantrekken (Horvath et al., 2010), waardoor het gebied mogelijk aantrekkelijker wordt voor vleermuizen om te foerageren. Conclusie In en rondom het Krammersluizencomplex komen mogelijk gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis voor.

Boven het Hoog- en Laagbekken kunnen potentieel meervleermuizen, rosse vleermuizen, ruige dwergvleermuizen en watervleermuizen foerageren. Naar verwachting behoort het gebied echter niet tot essentieel foerageergebied voor deze soorten, omdat er in de omgeving geschikter alternatief foerageergebied aanwezig is. Negatieve effecten van drijvende zonnepanelen in het Hoog- en Laagbekken op essentieel foerageergebied van vleermuizen worden daarom niet verwacht. Ook andere negatieve effecten worden niet verwacht, gegeven dat de bekkens voor vleermuizen geen andere functie kunnen vervullen.

1

De zonnepanelen zullen pas na de renovatie van de Krammersluizen geplaatst worden, waarna het water in het Laagbekken brak in plaats van zout wordt en een kortere verblijftijd zal kennen, terwijl het water in het Hoogbekken een langere verblijftijd zal krijgen maar wat betreft saliniteit ongewijzigd blijft. Dit betekent geen wijziging van betekenis voor de uitgangssituatie voor bijvoorbeeld waterplanten of insecten, bijvoorbeeld omdat de inrichting niet in betekende mate wijzigt. De hier getrokken conclusies gelden dan ook onder het toekomstige regime.

8 juni 2020

BH3435WATNT2006081440

5/6

Literatuurlijst ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢

➢

➢ ➢ ➢ ➢ ➢

➢ ➢ ➢

AHN, 2019. Website Actueel Hoogtebestand Nederland. Versie 2 februari 2019. https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/, geraadpleegd op 8 mei 2020 Baptist, H, 2014. Windpark Krammer. Natuurtoets in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Ecologisch adviesbureau Henk Baptist. Rapportnummer 2013/15 Bij12, 2017a. Kennisdocument Rosse Vleermuis. Bij12, Utrecht Bij12, 2017b. Kennisdocument Ruige Dwergvleermuis. Bij12, Utrecht Broekhuizen, S. et al., 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist Deltares, 2012. Verkennend onderzoek haalbaarheid innovatief zout/zoet-scheidingssysteem Krammersluizen. Rapportnummer 1205977-000-VEB-0007 Greif, S. & Siemers, B.M., 2010. Innate recognition of water bodies in echolocating bats. Nature Communications 1(8), 107 Haarsma, A.J., 2001. Watervleermuizen in de Waterleidingduinen. Onderzoek naar voedsel en habitat. Verkregen op http://natuurtijdschriften.nl/search?identifier=589970 Haarsma, A.J., 2011. De meervleermuis in Nederland. Rapportnummer 2011.40. Zoogdiervereniging, Nijmegen Harrison, C., Lloyd, H., & Field, C., 2017. Evidence review of the impact of solar farms on birds, bats and general ecology. Natural England. Verkregen op http://publications.naturalengland.org.uk/file/6000213410447360 Horváth, G., Blahó, M., Egri, Á., Kriska, G., Seres, I. & Robertson, B., 2010.

Reducing the maladaptive attractiveness of solar panels to polarotactic insects. Conservation Biology 24:1644– 1653 Limpens, H.J.G.A., 2001. Beschermingsplan Vleermuizen van Moerassen. Rapportnummer 2001.05. Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming NDFF, 2020a. Website NDFF. Versie 6.1.0. https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/, geraadpleegd op 6 mei 2020 NDFF, 2020b. Website Verspreidingsatlas. https://www.verspreidingsatlas.nl/, geraadpleegd op 6 mei 2020 Vleermuisnet, 2020. Website Vleermuisnet. https://www.vleermuis.net/vleermuis-soorten, geraadpleegd op 5 april 2020 RoyalHaskoning, 2010. Update detailadvies Philipsdam. Rapportnummer 9V9006.A0/N0160/EARN/ILAN?Rott1. Verkregen op https://www.zeeweringenwiki.nl/images/6/65/PZDT-M-10313.pdf RoyalHaskoningDHV, 2020. Aanvulling natuurtoets zandwinplas Balderhaar – Ontbrekende gegevens. Rapportnummer BG1754WATN2003031055 Russo, D. Cistrone, L. en Jones, G., 2012. Sensory ecology of water detection by bats: a field experiment. PLos One. 7(10): e48144 Twisk, P. et al., 2016. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist

8 juni 2020

BH3435WATNT2006081440

6/6

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10963065/1