RVS Omgevingsvergunning Laone 11-13 Renesse - bijlage 5 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Gemeente Schouwen‐Duiveland Renesse ‐ Laone 11‐13, Ruimtelijke motivering behorende bij de omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Renesse Laone 11‐13
Ruimtelijke Onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning voor afwijken bestemmingsplan
identificatie
planstatus
opdrachtleider:
datum:
status:
ir. C.A. Louws
06‐08‐2019
concept
projectnummer:
44002202.20191096
Segeerssingel 6
aangesloten bij:
RBOI - Rotterdam postbusbv430 Delftseplein 27b 4330 AK Middelburg Postbus 150 T: 0118- 68 90 10 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85middelburg@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
2
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
3
Inhoudsopgave ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding en doel
5
1.2
Projectgebied
5
1.3
Geldend bestemmingsplan
6
1.4
Bestemmingsplan Renesse (in voorbereiding)
8
1.5
Procedure
8
Hoofdstuk 2
Huidige en toekomstige situatie
9
2.1
Inleiding
9
2.2
Huidige situatie projectgebied en omgeving
9
2.3
Beoogde ontwikkeling
10
2.4
Conclusies ruimtelijke onderbouwing
13
Hoofdstuk 3
Beleidskader
15
3.1
Inleiding
15
3.2
Provinciaal beleid
15
3.3
Gemeentelijk beleid
16
3.4
Conclusie
18
Hoofdstuk 4
Toetsing sectorale aspecten
19
4.1
Milieueffectrapportage
19
4.2
Duurzaamheid en energie
19
4.3
Verkeer en parkeren
20
4.4
Bodemkwaliteit
21
4.5
Water
21
4.6
Milieuhinder
22
4.7
Geluid
23
4.8
Luchtkwaliteit
24
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
25
4.10
Ecologie
25
4.11
Kabels en leidingen
28
4.12
Externe veiligheid
28
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
29
5.1
Financiële uitvoerbaarheid
29
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
29
Bijlagen
31
Bijlage 1
Aanmeldformulier watertoets
33
Bijlage 2
Memo Stikstofdepositie Laone 11‐13
35
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
4
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
5
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Aan de noordwestzijde van de weg Laone in Renesse bevinden zich momenteel twee braakliggende percelen, namelijk Laone 11 en 13. Er is een initiatief om hier 6 woningen (appartementen) te realiseren. Deze ontwikkeling past niet binnen de regeling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan Het college van Burgemeester en Wethouders heeft niettemin aangegeven bereid te zijn planologische medewerking te verlenen. Hiervoor wordt het instrument toegepast van een omgevingsvergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor afwijken van het geldende bestemmingsplan. Op basis van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 1 van deze wet kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Een aanvraag voor een dergelijke omgevingsvergunning dient daarom vergezeld te gaan van een goede ruimtelijke onderbouwing. Voorliggende rapportage bevat deze ruimtelijke onderbouwing.
1.2
Projectgebied
Het projectgebied ligt direct ten noorden van Renesse en omvat de kadastrale percelen WTS00‐A‐227 en WTS00‐A‐228. De situering van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
6
Figuur 1.1 Ligging projectgebied (luchtfoto: kadastralekaart.com)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het projectgebied zijn 3 bestemmingsplannen van kracht: Het bestemmingsplan Bebouwde kom Renesse, vastgesteld op 25 oktober 2007; De facetherziening Archeologie, vastgesteld 29 oktober 2009, onherroepelijk 29 oktober 2010; Het parapluplan parkeernormen Schouwen‐Duiveland, vastgesteld 27 september 2018. Bestemmingsplan Bebouwde kom Renesse Een fragment van de plankaart van dit bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2. Daaruit blijkt dat het projectgebied is bestemd voor Woondoeleinden. Gronden met deze bestemming mogen (uitsluitend) worden gebruikt voor (permanente) de huisvesting van personen. Daarnaast zijn bijbehorende tuinen, erven, paden, waterlopen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming toegestaan. Op de plankaart zijn met een gele kleur bouwvlakken met een (standaard)diepte van 12 meter aangeduid die zijn voorzien van de subbestemming (Wt). Op gronden met deze bestemming mogen twee aaneen gebouwde woningen worden gebouwd die door middel van
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
7
één gemeenschappelijke wand met elkaar zijn verbonden. Anders gezegd: een grondgebonden twee‐onder‐een kap of ‐dakwoning. De breedte van een woning dient minimaal 5 meter te bedragen en mag maximaal 15 meter breed zijn. De afstand tussen een woning – een aan‐ of uitbouw en/of aangebouwd bijgebouw niet meegerekend – en de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan één zijde minimaal 3 meter. De dakvoethoogte (goothoogte) van de woning bedraagt ten hoogste 4 meter en de maximum bouwhoogte (nokhoogte) 10 meter. Aan de achterzijde van het bouwvlak (het achtererf of de achtertuin) mogen de gronden voor maximaal 50% worden bebouwd met aan‐ en uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van 40 m². Deze erfbebouwing moet lager zijn dan het hoofdgebouw/de woning binnen het bouwvlak. De dakvoethoogte bedraagt ten hoogste 3,3 meter en de maximum bouwhoogte 6 meter. Aan de voorzijde, op gronden met de nadere aanwijzing (z), zijn geen gebouwen en overkappingen toegestaan. Bij toepassing van hellende dakvlakken bedraagt de dakhelling maximaal 55°.
Figuur 1.2 Fragment plankaart geldend bestemmingsplan met projectgebied Facetherziening Archeologie Aanvullend op het huidige bestemmingsplan is een facetherziening Archeologie van kracht met een adequaat beschermingsregime voor hoge of middelhoge archeologische (verwachtings)waarde(n). In deze facetherziening heeft het projectgebied de dubbelbestemming Waarde ‐ Archeologie ‐ 6. Op grond van deze bestemming geldt de verplichting van archeologisch onderzoek voor bodemverstoringen vanaf een bepaalde oppervlakte en diepte. Hiervoor en voor de toetsing daaraan wordt verwezen naar paragraaf 4.9. Parapluplan parkeernormen Schouwen‐Duiveland Het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeernormen Schouwen‐Duiveland' heeft betrekking op alle geldende bestemmingsplannen in Schouwen‐Duiveland. In dit plan zijn gemeentelijke parkeernormen opgenomen waaraan bouwplannen moeten worden getoetst. De parkeernormen zijn ontleend aan de landelijke CROW‐richtlijnen, die zijn vastgelegd in de CROW‐publicatie nummer 317 "Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie". Voor verschillende functies zijn parkeerkencijfers opgenomen, gebaseerd op de stedelijkheidsgraad en locatie. Voor de gemeente Schouwen‐Duiveland wordt de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' aangehouden. Voor de toetsing aan de parkeernormen wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
8
1.4
Bestemmingsplan Renesse (in voorbereiding)
Het huidige bestemmingsplan is al meer dan 10 jaar oud. Mede daarom is er een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding. Het voorontwerp daarvan (gedateerd 13 maart 2019) is gepubliceerd op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Ook in dit voorontwerp is vastgelegd dat woningen twee‐aaneen worden gebouwd, dat de breedte ten hoogste 15 meter mag zijn, de maximum bouwhoogte 10 meter en dat de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens aan één zijde minimaal 3 meter moet bedragen. Nieuw is dat met een aanduiding ook het maximum aantal woningen (2) wordt geregeld en dat de dakhelling maximaal 60° mag bedragen. De maximum hoogten zijn overgenomen uit het bestemmingsplan Bebouwde kom Renesse.
1.5
Procedure
Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van de vergunning. Het ontwerpbesluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd. waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. De terinzageleggingstermijn van het besluit is geen onderdeel van de 6 maanden beslistermijn. Na de bekendmaking van het besluit kan door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend beroep en hoger beroep. worden ingesteld. Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan is weliswaar een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, maar de omgevingsvergunning mag op grond van artikel 2.27 van de Wabo pas verleend worden als de gemeenteraad een 'verklaring van geen bedenking' heeft afgegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
9
Hoofdstuk 2
2.1
Huidige en toekomstige situatie
Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie in het projectgebied en de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling ligt aan de basis voor de te verlenen omgevingsvergunning.
2.2
Huidige situatie projectgebied en omgeving
De Laone is een oude in‐/uitvalsweg van Renesse in noordoostelijke richting. Deze weg heeft een smal profiel en overwegend een groen karakter (zie figuur 2.1). Op de weg is geen vracht‐ en fietsverkeer toegestaan. Recht voor de locatie ligt een verkeersdrempel. Voor fietsers ligt aan de westzijde een vrijliggend fietspad.
Figuur 2.1.
Laone ter hoogte van projectlocatie, augustus 2018 (foto: google)
Langs de Laone zijn verschillende functies aanwezig. Het projectgebied ligt in een gedeelte waar vooral woningen aanwezig zijn. Aan de noordzijde grenst het projectgebied aan een hotel (De Logerij), dat eigendom is van de initiatiefnemer van de beoogde nieuwbouw. Direct aan de achterzijde van het perceel bevindt zich het parkeerterrein van het naastgelegen hotel. Dit parkeerterrein wordt afgescheiden door middel van een houten erfafscheiding op de kavelgrens. Achter dit parkeerterrein bevindt zich het beschermde natuurgebied (Natura 2000) Kop van Schouwen.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
10
Aan de overzijde van de Laone en het vrijliggende fietspad bevindt zich een sportpark met bijbehorende parkeervoorzieningen.
Figuur 2.2.
Projectlocatie augustus 2018 (foto: google)
Het projectgebied ligt momenteel braak en vormt een dissonant in het straatbeeld. Tot en met 2016 heeft op het perceel Laone 11 een woning gestaan. De woning op het perceel Laone 13 is omstreeks 2004 gesloopt. Achter op dat perceel stond ook een groot bijgebouw. Dat gebouw is in 2016 gedeeltelijk afgebroken (zie figuur 2.1). De gezamenlijke breedte van de percelen is ongeveer 22 meter.
Figuur 2.3.
2.3
De voormalige woningen Laone 11 en 13
Beoogde ontwikkeling
2.3.1 Toelichting op het ontwerp Om een dissonant in het straatbeeld op te lossen en belangrijke ruimtelijke kwaliteitswinst te realiseren, is het gewenst dat de locatie een nieuwe invulling krijgt. Het braak laten liggen van de locatie is dan ook geen optie. Een andere invulling dan woningbouw (bijvoorbeeld recreatie of horeca) op de plek waar voorheen de woningen Laone 11 en 13 hebben gestaan, is ruimtelijk‐stedenbouwkundig en gezien het woonmilieu ter plaatse niet gewenst. Daarom wordt ingezet op een herontwikkeling met woningbouw.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
11
In het plan dat is opgesteld, wordt een appartementengebouw in 1 en 2 bouwlagen gebouwd. Het gebouw wordt gebouwd in de rooilijn die in het bestemmingsplan is vastgelegd. Aan de voorzijde zijn de bouwlagen afgedekt met een kap (zie figuur 2.4a), terwijl aan de achterzijde een platte afdekking wordt toegepast (zie figuur 2.4b). De kappen hebben een hellinghoek die niet groter is dan 45°. Op dit punt wordt voldaan het geldende en toekomstige bestemmingsplan. De voorzijde van het gebouw krijgt een langskap die rechts van het midden wordt onderbroken door een doorlopende gevel met een dwarskap. De langskap heeft een nokhoogte van 7,1 meter en de dwarskap een nokhoogte van 8,1 meter. De platte afdekking aan de achterzijde heeft een hoogte van circa 6 meter. Alle hoogten blijven daarmee ruim onder de in het (toekomstige) bestemmingsplan vastgelegde maximaal toelaatbare hoogte van 10 meter.
Figuur 2.4a.
Voorgevel
Figuur 2.4b.
Achtergevel
Het hoofdgebouw krijgt een diepte van 12,9 meter, ofwel 0,9 meter meer dan volgens het geldende en toekomstige bestemmingsplan is toegestaan. Een dergelijke kleine overschrijding is ruimtelijk niet van betekenis. In praktisch opzicht geldt de overschrijding alleen voor de 2e bouwlaag omdat op de begane grond aan‐ en uitbouwen buiten het bouwvlak zijn toegestaan. De appartementen worden via de achterzijde ontsloten. De verdiepingsappartementen zijn met een buitentrap en een galerij bereikbaar. Het gevelontwerp (zie figuur 2.4a) sluit aan bij de authentieke sfeer van het straatbeeld van de Laone. Gevelindeling en materiaalgebruik (rode baksteen met rollagen in een andere kleur) refereren aan bebouwing van begin 20ste eeuw en doorbreken de eentonigheid van de lintbebouwing van de Laone. Zowel in de kap als langs de verticale gevel van de achteruitbouw worden blauw gesmoorde keramische pannen toegepast. Ook de hoogten Het nieuwe gebouw sluit door dit alles harmonieus aan op de bebouwing aan de linker‐ en rechterzijde (+/‐ gelijke hoogte).
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
12
Het hoofdgebouw krijgt een breedte van circa 16,8 meter. De afstand tot het perceel Laone 9 bedraagt 1 meter en tot het perceel Laone 15 ten minste 4 meter. Aan de zijde van Laone 9 wordt daarmee niet voldaan aan de afstandseis uit het geldende en toekomstige bestemmingsplan van ten minste 3 meter voor woningen die maximaal twee‐aaneen mogen worden gebouwd. Voor gestapelde woningen waar nu sprake van is, geldt echter geen minimumafstand tot de perceelsgrens. En ook voor de twee‐aaneengebouwde woningen is een kortere afstand tot 1 minimaal meter mogelijk mits dit passend is in het straat‐ en bebouwingsbeeld. Aangezien het nieuwe gebouw zich wat betreft hoogte en uitstraling goed voegt in het straat‐ en bebouwingsbeeld en langs dit deel van de Laone verschillende (vrijstaande) woningen zijn gebouwd op minder dan 3 meter afstand van de zijdelingse perceelsgrens, is een afstand van 1 meter ruimtelijk‐stedenbouwkundig goed te verantwoorden.
Figuur 2.5 Situatietekening Het gebouw wordt gebouwd aan de noordnoordoostzijde van het perceel Laone 9. Het gebouw heeft daardoor vrijwel geen schaduwwerking richting dat perceel. Alleen in de vroege ochtenduren in het voorjaar raakt de schaduw van het gebouw wellicht kortstondig een deel van de achtertuin. Er is wel enige schaduwwerking richting het naastgelegen hotel, maar dat is van initiatiefnemer. Vanuit de nieuwe appartementen is geen direct zicht op het perceel Laone 9 omdat er er geen ramen worden ingebouwd aan de linkerzijde van het gebouw.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
13
Aan de achterzijde van het hoofdgebouw wordt een gemeenschappelijke buitenruimte aangelegd met daarin ook een gemeenschappelijke berging en een overkapping. Op eigen terrein, aan de voorzijde van het gebouw, worden haaks op de weg 6 parkeerplaatsen gerealiseerd voor de bewoners. Aan de voorzijde van het gebouw worden ook enkele bomen aangeplant. 2.3.2 Programma en doelgroep In het gebouw worden 6 kleine appartementen (61m² BVO) gerealiseerd, 3 appartementen per bouwlaag. De appartementen worden aangeboden als wooneenheden voor 1 ‐ 2 persoonshuishoudens. De specifieke doelgroep bestaat uit jonge economisch gebonden starters op de woningmarkt met een inkomen onder de sociale huurgrens. Uit een enquête uit mei 2019 kwam naar voren dat er in Renesse vraag is naar kleine huisjes ('Tiny houses'). De hoofdreden voor deze behoefte is het gebrek aan betaalbare kleine woningen voor starters. Een andere enquête uitgevoerd door de gemeente uitgevoerd in augustus 2015 voorspelde de groeiende vraag naar starterswoningen in het goedkope segment. Dit is een trend die doorzet in heel Schouwen‐Duiveland. De ontwikkeling van tiny houses is niet voor alle starters toegankelijk vanwege de hoge huurprijs, de beoogde appartementen zullen dit gat in de markt invullen.
2.4
Conclusies ruimtelijke onderbouwing
Aan de noordwestzijde van de weg Laone in Renesse bevinden zich momenteel twee braakliggende percelen, namelijk Laone 11 en 13. Er is een initiatief om hier 6 kleine woningen (appartementen) in de huursector te realiseren. De sloop van de bebouwing en het invullen van een open gat in de bebouwing zorgt voor belangrijke ruimtelijke kwaliteitswinst. Het bouwplan dat is vervaardigd, wijkt op enkele onderdelen af van het geldende bestemmingsplan. De afwijkingen zijn echter beperkt. Het bouwvolume en de situering daarvan, alsmede het de architectonische vormgeving passen in het straatbeeld van de Laone en sluiten harmonieus aan op de bebouwing aan de linker‐ en rechterzijde. Aan de zijde van Laone 9 wordt een afstand aangehouden van minder dan 3 meter tot de perceelsgrens. Ruimtelijk‐stedenbouwkundig is dit goed te verantwoorden. Het gebouw veroorzaakt vrijwel geen schaduwwerking richting het perceel Laone 9. Alleen in de vroege ochtenduren in het voorjaar raakt de schaduw van het gebouw wellicht kortstondig een deel van de achtertuin. Er is wel enige schaduwwerking richting het naastgelegen hotel, maar dat is van initiatiefnemer. Op eigen terrein, aan de voorzijde van het gebouw, worden voldoende parkeerplaatsen voor bewoners gerealiseerd.
Uit de opvolgende hoofdstukken blijkt dat er in Renesse vraag naar de beoogde woningen en dat er vanuit sectoraal beleid en wetgeving op het gebied van milieu geen belemmeringen bestaan tegen het voornemen. De financiële uitvoerbaarheid is afdoende aangetoond.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
14
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
15
Hoofdstuk 3
3.1
Beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan het ruimtelijk beleidskader dat van toepassing is op het plangebied. In paragraaf 3.2 en 3.3 wordt het relevante beleid op provinciaal‐ en gemeentelijk niveau beschreven. In paragraaf 3.4 wordt afgesloten met conclusie.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsplan Provincie Zeeland 2018 Het omgevingsplan Zeeland 2012 ‐ 2018 geeft de provinciale visie op de toekomstige ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in Zeeland. De Provincie zet in op een sterke economie, een goed woon‐ en werkklimaat en kwaliteit van water en landelijk gebied. Voor woningbouw zijn de volgende beleidslijnen relevant; goed woonklimaat en een goed werkende woningmarkt in steden en dorpen, regionale woningmarktafspraken zijn van belang voor een goed en gezond functioneren van de markt, woningbouw vindt voornamelijk plaats binnen bestaand bebouwd gebied en tot slot moeten gemeenten inzetten op verbetering van de bestaande woningvoorraad. Toetsing De beoogde ontwikkeling vindt plaats in bestaand bebouwd gebied en draagt bij aan de verbetering van zowel de ruimtelijke structuur als de ruimtelijke kwaliteit. Verordening Ruimte In de verordening is ten aanzien van woningbouw aangegeven dat in de toelichting van een ruimtelijke ontwikkeling aannemelijk wordt gemaakt dat het plan voorziet in een aantoonbare regionale behoefte waarbij de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Toetsing De beoogde ontwikkeling is geen stedelijke ontwikkeling, gezien de kleinschaligheid. Wel vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Het gaat om een inbreidingslocatie. Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Regionale woningmarktafspraken (2014 ‐ 2023) De gemeente Schouwen‐Duiveland heeft regionale woningmarktafspraken opgesteld voor de regio. Hier in staat dat woningbouwafspraken in ieder geval de volgende zaken moeten bevatten: Een kwantitatief en kwalitatief woningbouwprogramma voor de komende 10 jaar; de invulling van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik; de aanpak en afspraken over de herstructureringsopgaven in de bestaande woningvoorraad (inclusief particuliere sector); aandacht en prioriteit voor het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing; visie op en afspraken over deeltijdwonen. De gemaakte woningmarktafspraken uit 2014 worden binnen afzienbare termijn in overleg met de provincie geactualiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de gemeentelijke Woonvisie 2018‐2027
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
16
(zie paragraaf 3.3). Toetsing Ten tijde van het opstellen van de regionale woningmarktafspraken was de woningbehoefte voor starterswoningen niet concreet.Woningbouw op de beoogde locatie sluit aan op de doelstelling van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. In zoverre past de ontwikkeling binnen het regionale woningbouwprogramma.
3.3
Gemeentelijk beleid
Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' (2011) De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie zijn drie strategische doelen uitgewerkt, namelijk Wonen, Werken en Verblijven. In de Strategische Visie wordt aangegeven dat de vervanging van verouderde woningen wordt gestimuleerd. Verdere uitwerking van het thema Wonen staat in de Woonvisie. Toetsing Op de locatie hebben 2 oude woningen gestaan. Deze woningen voldeden niet meer aan de woontechnische eisen en wensen van de moderne tijd. Renovatie van deze woningen was financieel niet verantwoord. Daarom zijn deze woningen gesloopt en is gekozen voor nieuwbouw. De beoogde ontwikkeling sluit daarmee aan op de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst'. Woonvisie 2018‐2027 Deze Woonvisie moet er voor zorgen dat tot 2027 de juiste keuzes worden gemaakt om in 2040 het strategische doel te hebben bereikt: We wonen prettig naar wens en behoefte. Howel die aan veranderingen onderhevig zijn is, wel duidelijk dat de krimp van de bevolkingsomvang op Schouwen‐Duiveland doorzet. Het aantal huishoudens neemt nog wel een aantal jaar toe. Maar op de langere termijn (rond 2025) zal het aantal huishoudens stagneren en uiteindelijk afnemen. Daarnaast neemt het aantal ouderen verder toe, terwijl het aantal jongeren daalt.
Zo'n 80‐85% van de woningopgave tot 2040 wordt veroorzaakt door de groei van het aantal éénpersoonshuishoudens. Er is vooral een stijging door het aantal alleenstaande ouderen 75+ en door toename van het aantal echtscheidingen. Om het strategische doel te bereiken, zet de gemeente tot 2027 in op de volgende speerpunten: verbeteren van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad; onttrekken van woningen die verouderd of incourant zijn; toevoegen van woningen, waar er te weinig van zijn. Deze speerpunten zijn vervolgens uitgesplitst in: kwantitatieve ambities voor eigen behoefte; kwalitatieve ambities voor eigen behoefte; pakken van woonkansen voor vestigers. Uitbreiding van de woningvoorraad is alleen gewenst in de groeikernen (Zierikzee, Burgh‐Haamstede en Bruinisse). In de overige kernen (balans‐ en transitiekernen) kan er sprake zijn van een beperkte specifieke kwalitatieve opgave op structuurversterkende plekken, waardoor dit kan leiden tot het tijdelijk toevoegen van extra woningen. Er zal worden gezorgd voor voldoende huurwoningen voor huishoudens met een laag inkomen. Starters worden in beginsel bediend in de bestaande woningvoorraad. Speciale aandacht ligt op het op lange termijn leefbaar houden van de bestaande kernen. Hierbij moet de opgave om de bestaande woningvoorraad aan te pakken, het invulling geven aan vrijvallende locaties
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
17
in de kernen en het herbestemmen van bestaande (beeldbepalende) panden in de kernen voorrang krijgen boven nieuwbouw aan de randen van de stad/dorp. Voor het behoud van leefbare kernen wordt nieuwbouw gerealiseerd op structuurversterkende plekken binnen de kernen. Voor de Woonvisie zijn drie categorieën woonmilieus onderscheiden: Wonen aan de kust/water, Dorpswonen en Zierikzee. Renesse valt onder het woonmilieu Wonen aan de kust / water. in dit woonmilieu is voor de invulling van de lokale behoefte door huishoudensverdunning nog een redelijke uitbreidingsvraag in de groeikern Burgh‐Haamstede, in de overige kernen is uitbreiding van de woningvoorraad niet meer nodig. Renesse is in de woonvisie aangemerkt als 'balanskern': In de balanskernen is voor de komende tien jaar een stagnatie van de groei of lichte afname van de woningvraag te verwachten: de huishoudensontwikkeling is te verwaarlozen. In de bestaande voorraad zou de aandacht daarom op instandhouding moeten liggen. Voor nieuwbouw enkel aandacht voor de vervangingsvraag (sloop/nieuwbouw) waar dit nodig is, maar in principe geen tot weinig toevoegingen. In bijna alle planologisch harde woningbouwplannen (Burgh‐Haamstede en Renesse; ongeveer 95 woningen die in aanbouw zijn of binnenkort van start gaan) ligt het accent op de doelgroep ouderen en in mindere mate starters, maar wel met een diversiteit aan koop en huur.
Opgave ligt overwegend bij woningen voor ouderen en doorstromers, soms (beperkt) starters; Dan gaat het om kleinere woningen, levensloopbestendig, middenhuur (€600‐€900); dicht bij voorzieningen (past bij wensen ouderen, starters). Op de behoefte van starters wordt primair ingespeeld via de bestaande voorraad. Er wordt ingespeeld op alle doelgroepen, met een nadruk op levensloopgeschikt wonen voor de doelgroep 1‐ en 2 persoons oudere huishoudens/zorgvragers en woningen die verleiden tot doorstromen. Minder expliciete aandacht tot nu toe krijgen de starters. Er wordt terughoudend omgegaan met het aanwijzen van plannen expliciet voor starters, omdat hierdoor geen doorstroming in de bestaande woningvoorraad op gang komt. In samenspraak met Zeeuwland een experiment uitwerken voor het huisvesten van jongeren en tijdelijke medewerkers in tijdelijke verhuurbare huisvesting, bijvoorbeeld in Tiny Houses, in of rondom de kern Renesse en hiertoe in het eerste helft van 2019 aan de gemeenteraad een voorstel doen. Tevens nagaan welke overige locaties op Schouwen‐Duiveland voor dergelijke huisvesting geschikt zijn. Een aanvullend uitgangspunt bij het realiseren van nieuwe woningbouwplannen voor de kwalitatieve behoefte (sloop en nieuwbouw) in de kernen is, dat de gemeente terughoudend omgaat met het toevoegen van het aantal woningen per woningbouwinitiatief.
In principe worden alleen plannen die geen nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn. Als grens daarvoor worden 11 woningen aangehouden. Een andere belangrijke opgave is het energetisch duurzamer maken van de woningvoorraad. Toetsing Het terugbouwen van een twee‐onder‐een‐kap of ‐dakwoning in de koopsector sluit niet aan op de woningbehoefte en ‐vraag in Renesse. Gezien de ligging dicht op het centrum van Renesse met de daar aanwezige voorzieningen is de locatie bij uitstek geschikt voor jonge economisch gebonden starters op de woningmarkt. Daarom zijn de sterk verouderde en incourante woningen gesloopt en wordt ingezet op de bouw van kleine appartementen in de huursector voor starters met een inkomen onder de sociale huurgrens (zie ook paragraaf 2.3.2). Een financieel uitvoerbaar plan is niet mogelijk met 2 woningen. Hoewel uitbreiding van de woningvoorraad in Renesse niet meer nodig wordt geacht en er voor nieuwbouw enkel aandacht zou
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
18
moeten zijn voor vervangingsvraag, is voor de ontwikkeling van de locatie extra woningbouwprogramma nodig. In het plan zijn 6 woningen voorzien. De uitbreiding blijft daarmee beperkt tot 4 woningen. Ook al wordt op de behoefte van starters primair ingespeeld via de bestaande voorraad, door het bouwplan krijgt ook de doelgroep de beschikking over nieuwe woningen die energetisch duurzaam zijn. Met dit beperkte aantal extra woningen wordt bovendien een beeldverstorende situatie in het bebouwingslint opgelost. De bebouwingsstructuur langs dit deel van de Laone wordt door een invulling met woningbouw versterkt en verbeterd. In kwantitatief opzicht gaat het om een uitbreiding met 4 woningen die daarmee ruim onder de hiervoor genoemde grens van 11 woningen blijft.
3.4
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is getoetst aan het relevante ruimtelijke beleidskader. De woningbouwontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en sluit daarmee aan op de provinciale doelstelling van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. Gezien de ligging dicht op het centrum van Renesse met de daar aanwezige voorzieningen is de locatie bij uitstek geschikt voor jonge economisch gebonden starters. Hoewel in het gemeentelijk beleid voor Renesse geen uitbreiding van de woningvoorraad wordt voorgestaan, is voor de ontwikkeling van de locatie extra woningbouwprogramma nodig om een financieel uitvoerbaar plan te krijgen. Met woningbouw ter plaatse wordt een beeldverstorende situatie in het bebouwingslint opgelost. In dat opzicht past het initiatief binnen het gemeentelijk (woon)beleid.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
19
Hoofdstuk 4
4.1
Toetsing sectorale aspecten
Milieueffectrapportage
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken en plaats van de projecten en de kenmerken van potentiële effecten Onderzoek en conclusies In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 6 woningen op een perceel waar reeds (een andere vorm van) wonen is toegestaan. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en kan niet gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeldt in het Besluit m.e.r.
Het nemen van een m.e.r.‐beoordelingsbeslissing is dan ook niet noodzakelijk.
4.2
Duurzaamheid en energie
Beleids‐/toetsingskader In het klimaatverdrag van Parijs (2015) hebben 195 landen ervoor getekend om de mondiale temperatuurstijging tot ruim onder 2 graden Celsius te beperken, en daarbij te streven naar een verdere beperking van de opwarming tot maximaal 1,5 graad Celsius. De Europese Unie heeft namens alle lidstaten harde toezeggingen gedaan om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 40 procent te verminderen ten opzichte van 1990. De Nederlandse Rijksoverheid legt de lat echter hoger dan deze toezegging en acht maatregelen noodzakelijk die voorbereiden op een extra reductie van 9 procent. In het verlengde hiervan is in het regeerakkoord van het Kabinet Rutte III onder andere vastgelegd dat de aansluitplicht van woningen en andere gebouwen op gas per 1 juli 2018 vervallen en vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet. Als gevolg daarvan worden ook de energieprestatie‐eisen uit het Bouwbesluit voor nieuwbouw aangescherpt. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). De EPC norm is vastgesteld aan de hand van de energetische efficiëntie van een 'modelwoning' uit 1990. Deze ‘modelwoning’ heeft als EPC‐waarde 1,0 meegekregen en wordt sindsdien als referentie aangehouden. Voor nieuwbouw van woningen geldt nu een EPC‐eis van 0,40.
Toetsing/onderzoek Uit het voorgaande blijkt dat voor het plan niet meer de verplichting geldt om op het gasnet te worden aangesloten. Dat wordt dan ook niet gedaan. In plaats daarvan worden aan de achterzijde 6
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
20
luchtwarmtepompen voor verwarming en warmwater voorziening geplaatst. Hiermee wordt warmte uit de buitenlucht onttrokken en omgezet in bruikbare warmte om de woning te verwarmen. Deze techniek in combinatie met een balansventilatiesysteem biedt mogelijkheden om binnen een pand op een energiezuinige manier met warmte en koude te 'spelen'. Daarnaast worden op de dakruimte zonnepanelen aangebracht. De woningen zijn daarmee energie‐neutraal. Het woongebouw krijgt een EPC van 0,36. Daarmee wordt aan de EPC‐eis uit het Bouwbesluit voldaan. Verder is op het niveau van het planologische besluitvorming de duurzame combinatie tussen water en ruimtelijke ontwikkeling van belang. Met dit thema kan gezien de ligging van de locatie nauwelijks iets worden gedaan. Het realiseren van open water voor berging van schoon hemelwater is niet mogelijk. Daar waar mogelijk zal infiltratie van regenwater worden toegepast. De overige thema's spelen vooral op het niveau van bouwplannen een rol. Het nieuwe gebouw zal voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Er zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen, dat wil zeggen hout, betongranulaat, pvc, gips en zo min mogelijk tot geen lood en geen koper. Kozijnen, goten, windveren worden uitgevoerd in kunststof. Lood door loodvervangers waar mogelijk.
4.3
Verkeer en parkeren
Beleid en normstelling Zowel de verkeersgeneratie van de ontwikkeling als de parkeerbehoefte worden bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Het 'Parapluplan parkeernormen Schouwen‐Duiveland' geeft namelijk aan dat in het Parkeerbeleid 2017 ‐ 2020 bewust geen parkeernormen zijn opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Vanwege deze reden worden de kencijfers van het CROW gehanteerd. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte wordt uitgegaan van een ligging in een 'niet‐stedelijk gebied' en de 'schil rondom het centrum van een dorp'. Onderzoek Verkeersintensiteit en ‐ generatie gebruiksfase Er is geen verkeersintensiteit bekend voor de Laone. De Laone is 4,5 meter breed, dit houdt in dat er max. 1000 motorvoertuigen per etmaal gebruik kunnen maken van de weg zonder bermschade te veroorzaken. Er zijn geen aanwijzingen hiervoor, zodat wordt geconcludeerd dat de weg haar maximale capaciteit nog niet heeft bereikt. Op basis van de CROW kencijfers moet voor etagewoningen in de huursector, prijscategorie middengoedkoop) worden gerekend met 3,7 tot 4,5 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal. Dat komt neer op maximaal (6 x 4,5 =) 27 mtv/etmaal.
Hierop kan in mindering worden gebracht het aantal motorvoertuigbewegingen van de 2 woningen die op het perceel hebben gestaan. Uitgaande van 2 aaneengebouwde woningen zijn dat er (2 x 7,3 tot 8,1=) circa 15. De toename komt daarmee op circa 12 mtv/etmaal. De nieuwe ontwikkeling draagt niet bij aan een relevante groei van de verkeersintensiteit. Parkeerbehoefte Op basis van de CROW kencijfers moet voor etagewoningen worden gerekend met een parkeerkencijfer van 0,8 tot 1,6 plaatsen per woning. Omdat de woningen zijn bedoeld voor kleine huishoudens met inkomens die vallen binnen de grens voor huurtoeslag, is het niet aannemelijk dat er meer dan 1 auto per huishouden zal zijn. Er wordt daarom gerekend met maximaal 1 parkeerplaats per appartement. Er is vrijwel geen ruimte beschikbaar voor parkeren door bezoekers. Die zullen hun auto dan ook moeten parkeren in de omgeving, bijvoorbeeld op het parkeerterrein van het eerder genoemde tegenoverliggende sportcomplex.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
21
Conclusie De verkeersgeneratie zal nauwelijks leiden tot een verkeerstoename op de Laone. Het verkeer van en naar de locatie zal vrij snel (binnen enkele honderden meters) dan ook opgaan in het heersende verkeersbeeld. In de eigen parkeerbehoefte kan op het eigen terrein worden voorzien. Voor bezoekersparkeren zal gebruik moeten worden gemaakt van openbare parkeervoorzieningen in de omgeving. Die zijn in voldoende mate aanwezig. De aspecten verkeer en parkeren staan de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.4
Bodemkwaliteit
Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond‐ en materiaalstromen en hoe deze toe te passen. Onderzoek De omgevingsvergunning maakt geen functiewijziging mogelijk. In de huidige en beoogde situatie zijn de gronden bestemd voor wonen. Uit de topografische kaart Zeeland 1916 en luchtfoto's van daarna blijkt dat de percelen de afgelopen honderd jaar altijd gebruikt zijn voor het wonen. Gelet hierop worden ter plaatse van het projectgebied geen verontreinigingen verwacht en is geen nader bodemonderzoek noodzakelijk. Conclusie De bodem ter plaatse van het projectgebied is geschikt voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Water
Beleid en normstelling Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder. Dat is in Zeeland het Waterschap Scheldestromen. De opmerkingen van het waterschap worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. De reactie van het waterschap wordt vervolgens verwerkt in deze tabel en opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
22
Onderzoek Voor dit project is een watertoetstabel ingevuld, de tabel is bijgevoegd als bijlage 1. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Uit de toets blijkt dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. De inritten over de watergang om de parkeerplaatsen te kunnen bereiken, zijn een aandachtspunt dat in samenspraak met het waterschap wordt opgelost. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Over de inritten over de watergang vindt nog overleg plaats met het waterschap.
4.6
Milieuhinder
Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheid gemaakt tussen rustige woongebieden, gemengde gebieden en rustige buitengebieden. Onderzoek Het plangebied is te kenmerken als een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het projectgebied bevinden zich een sportcomplex en een hotel. In de onderstaande tabel worden de bedrijfshinderveroorzakende functies buiten het plangebied weergegeven waarbij wordt aangegeven om welke overlast(categorie) het gaat en welke aan te houden afstand geldt.
Ook wordt de afstand tot het plangebied weergegeven en of een bedrijf potentieel overlast veroorzaakt op de omgeving. Tabel 4.1 Richtafstanden op basis van VNG‐publicatie Code Categorie Bedrijfssoort Naam Adres 931 2
5510 2
Veldsportcomplex Stichting Laone 8 (met verlichting) Sportpark SV Renesse Hotels en Hotel de Laone 15 pensions met Logerij keuken
Richt‐ Afstand Overlast afstand plangebied 50 75 P
10
15
P
Uit de tabel komt naar voren dat aan de richtafstanden wordt voldaan. Op basis hiervan is de verwachting dat sprake is van een goed woon‐ en leefmilieu en dat de omliggende functies niet worden beperkt. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het project.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
23
4.7
Geluid
Inleiding De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein of van een spoorweg. Daarmee is alleen het aspect wegverkeerslawaai van belang. op dit aspect wordt in deze paragraaf ingegaan. Normstelling en beleid Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, aannemelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan de wettelijke geluidnormen indien deze zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone van gezoneerde wegen. Wegen zijn gezoneerd indien hier een maximum snelheid geldt van 50 km/uur of hoger. De breedte van de geluidzone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen‐ of buitenstedelijke ligging. Indien gelegen binnen de geluidzone van een weg dient in principe voldaan te worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan.
De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen‐ of buitenstedelijk). Onderhavig plan kent een ligging binnen de bebouwde kom. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB. Zoals gesteld zijn wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur of lager op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doelmatig zijn. Onderzoek Op de Laone geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Volgens de Wgh is akoestisch onderzoek dan ook niet vereist. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is niettemin afgewogen of er wordt voldaan aan de 48 dB contour op de gevel. Zoals beschreven in paragraaf 4.3 zullen er niet meer dan 1.000 mvt/etmaal rijden op de Laone. Uit ervaringscijfers blijkt dat de 48 dB contour bij 1.000 mvt/etmaal en 50 km/uur op 12 tot 14 meter uit de wegas ligt. Omdat er een lagere maximumsnelheid geldt, zal de contour dus nog wat dichter op de weg liggen. De gevel van de geplande ontwikkeling ligt op 12,5 meter van de wegas.
Daarmee staat vast dat op de gevel van de woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
24
4.8
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24‐uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Gemeentelijk beleid De gemeente Schouwen‐Duiveland heeft in de module 'Luchtkwaliteit' als onderdeel van het Milieubeleidsplan uitgangspunten beschreven ten aanzien van luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit binnen de gemeente Schouwen‐Duiveland is, zeker vergeleken met andere gebieden in Nederland, uitzonderlijk goed. Voor onder andere landbouw en verkeer zijn uitgangspunten richting de toekomst geformuleerd. Onderzoek Deze ontwikkeling is dusdanig klein dat dit ten opzichte van de huidige situatie voor een beperkte verkeersaantrekkende werking zorgt. Het effect op de luchtkwaliteit bedraagt in geen geval meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarden voor PM10 en NO2. Op het plan is daarom het besluit NIBM van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
25
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Beleid en normstelling Archeologiebeleid Schouwen‐Duiveland Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid opgesteld. Dat beleid is planologisch‐juridisch geregeld in de Facetherziening Archeologie. Facetherziening Archeologie Zoals vermeld in paragraaf 1.3 geldt er een facetherziening archeologie voor het projectgebied die gebieden met een hoog‐ of middelhoge archeologie waarde moet beschermen. Onderzoek Het projectgebied heeft volgens het bestemmingsplan Facetherziening Archeologie ‐ 6. Hier geldt een onderzoeksplicht indien het bouwplan betrekking heeft op een bouwwerk met een oppervlakte van groter dan 2500m² en waarbij bovendien grond‐ of graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm beneden het maaiveld plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling beslaat een gebied van 216m² en gaat 40 cm de diepte in. Dat betekent dat geen archeologisch onderzoek nodig is. Conclusie Het aspect archeologie staat de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg.
4.10
Ecologie
Beleid en normstelling Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het NatuurNetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura‐2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. NatuurNetwerk Nederland (NNN). Daarvan zijn de Natura‐2000‐gebieden en het NatuurNetwerk Zeeland (als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland van belang). Natura‐2000 gebieden Dit zijn gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden en waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar in niet‐verwaarloosbare hoeveelheden aanwezig zijn.
Projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000‐gebied, kunnen uitsluitend doorgang vinden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
26
natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland Gebieden die deel uitmaken van het NNN worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; de bescherming van overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Deze lijst is in de provincie Zeeland ongeveer vergelijkbaar met de “Tabel 1‐soorten”, dus de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel‐ en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd Onderzoek Beschermde natuurgebieden Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 of van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. De locatie ligt wel op korte afstand van het Natura 2000 Kop van Schouwen. De kortste afstand tot het projectgebied bedraagt 20 meter, maar voor het grootste deel is de afstand
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
27
veel groter. Gezien de afstanden en omdat er geen grondwater wordt onttrokken (zie bijlage 1) kunnen effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding ook worden uitgesloten. In het Natura 2000‐gebied zijn zogenoemde 'kwalificerende' habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Op grond van de Wet natuurbescherming kan een nieuwe ontwikkeling niet plaatsvinden als dat leidt tot overbelaste situatie. In verband hiermee is onderzocht wat de stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn en of een eventuele depositietoename ook leidt tot overschrijding van de kritische depositiewaarden van de afzonderlijke beïnvloedde habitats. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Om de stikstofdepositie op de in het PAS opgenomen Natura 2000‐gebieden te berekenen, moest gebruik worden gemaakt van het programma Aerius Calculator. Vanwege een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt dit programma binnenkort herzien. Het huidige programma mag nog wel worden gebruikt, maar kan geen definitieve zekerheid bieden. Afhankelijk van de afronding die in het toekomstige programma aanvaardbaar wordt geact, blijkt dat er sprake is van geen effect (0,00 mol/ha/jr) dan wel een significant negatief effect (<0,001 mol/ha/jr). Op dit moment wordt ervan uitgegaan dat er geen effect is.
Beschermde dier‐ en plantensoorten Ten aanzien van beschermde soorten kan worden gemeld dat het nu een braakliggend terrein dat met uitzondering van half gesloopt bijgebouw volledig onverhard is. Het voorkomen van en effecten op vleermuizen en vogels met vaste rusten verblijfplaatsen kan daarom worden uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er in de huidige situatie vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Uit het beeld van de projectlocatie wordt geconcludeerd dat er voor het overige geen (zwaar) beschermde soorten zijn te verwachten. Wel kunnen er algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig zijn. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zeeland. Zo er lang niet wordt gebouwd kunnen er alsnog beschermde diersoorten zich vestigen, zoals de rugstreeppad. Om dit te voorkomen is het van belang om gedurende de aanlegfase het ontstaan van waterplassen op het land te voorkomen. Vanwege het mogelijk voorkomen van broedvogels dienen de werkzaamheden, buiten het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 juli) of wanneer er geen broedgeval aanwezig is, plaats te vinden.
Figuur 4.1
Situatie plangebied 6 augustus 2019
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
28
Conclusie De Wet natuurbescherming vormt op dit moment geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.11
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een plangebied rekening moet worden gehouden. Onderzoek Uit het bestemmingsplan Bebouwde kom Renesse blijkt dat er geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of hoogspanningsleidingtracé aanwezig zijn. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Conclusie De eventuele aanwezigheid van kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.12
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen of besluiten wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Onderzoek en conclusie Op basis van de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, bevindt het plangebied zich niet in of in de directe omgeving van een risicocontour van een risicovolle inrichting. Daarnaast worden nabij het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, water, spoor of door buisleidingen. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
29
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
De gemeente Schouwen‐Duiveland is van mening dat de financiële uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling wordt gewaarborgd. De planvoorbereiding en uitvoering wordt geheel uit particuliere middelen gefinancierd. Er is/wordt een anterieure overeenkomt opgesteld waarmee de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling wordt gewaarborgd.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Naast de planologische aanvaardbaarheid van een project zal ook de maatschappelijke uitvoerbaarheid moeten worden aangetoond. De ontwerp omgevingsvergunning zal gedurende 6 weken ter inzage liggen. Voor het aanvragen van de omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van de vergunning. Het ontwerpbesluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd. waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. De terinzageleggingstermijn van het besluit is geen onderdeel van de 6 maanden beslistermijn. Na de bekendmaking van het besluit kan door belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend beroep en hoger beroep. worden ingesteld. Het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan is weliswaar een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders, maar de omgevingsvergunning mag op grond van artikel 2.27 van de Wabo pas verleend worden als de gemeenteraad een 'verklaring van geen bedenking' heeft afgegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
30
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
Bijlagen
32
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
33
Bijlage 1 Aanmeldformulier watertoets
Rho adviseurs voor leefruimte
44002202.20191096
34
Rho adviseurs voor leefruimte