RVS Omgevingsvergunning Hoogenboomlaan 34 te Renesse Bijlage ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
4.3
Bodemkwaliteit
Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Het Bouwstoffenbesluit en het Besluit Bodemkwaliteit stellen verder regels hoe om te gaan met vrijkomende grond- en materiaalstromen en hoe deze toe te passen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
33
Onderzoek Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van een functiewijziging van bedrijf naar recreatie en wonen. In 2015 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om de kwaliteit naar de bodem vast te stellen, dit onderzoek is in bijlage 3 te vinden. Mede vanwege de bedrijfsbeëindiging in 2018 en gewijzigde weten regelgeving is in een geactualiseerd verkennend bodemonderzoek en onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd, zie bijlage 4. De grond is overwegend niet tot licht (tot het niveau van de klasse industrie) verontreinigd met diverse zware metalen, PCB, PAK en minerale olie. Het grondwater is niet verontreinigd. De aangetoonde verhoogde concentratie voor arseen heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Overwegend geven de aangetoonde verhoogde gehalten in de grond geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. Echter ter plaatse van één inspectiegat op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie is een interventiewaarde overschrijding voor asbest aangetoond. Om de omvang van de verontreiniging te kunnen bepalen in zowel verticale als horizontale richting wordt aanbevolen hier een nader bodemonderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren. Dit nader onderzoek wordt medio 2022 uitgevoerd. Vanwege het opbreken van bestaande verhardingen is een onderzoek naar de aanwezigheid van teer in asfaltverhardingen uitgevoerd, zie bijlage 5.
Op basis van de onderzoeksresultaten mag worden aangenomen dat het PAK10-gehalte in het onderzochte asfalt lager is dan 75 mg/kg.ds. Dit asfalt wordt daarmee volgens CROW publicatie 210 beschouwd als teervrij. Het asfalt is als teervrij af te voeren naar een hiervoor erkende verwerker dan wel her te gebruiken. Conclusie Middels aanvullend onderzoek wordt de omvang van de asbestverontreining bepaald. Mogelijk dient de grond ter plaatse te worden gesaneerd. Het is niet te verwachten dat de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de geplande ontwikkeling.
4.4
Niet gesprongen explosieven
Beleid en normstelling Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Onderzoek Op basis van het Bodemvenster (bron: provincie Zeeland) ligt de beoogde ontwikkeling niet in een gebied waar niet-gesprongen explosieven kunnen voorkomen. Daarnaast hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland een eigen beleidskaart. Ook volgens de gemeentelijke beleidsnota conventionele explosieven (CE) is het projectgebied niet gelegen in een gebied met een trefkans op niet gesprongen explosieven, zie figuur 4.4.1. Op grond van deze informatie is een onderzoek naar niet gesprongen explosieven niet noodzakelijk. Desondanks dient men bij graafwerkzaamheden alert te zijn en het protocol te hanteren.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
34
Figuur 4.4.1 Gemeentelijke beleidskaart niet gesprongen explosieven Conclusie Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoer van de beoogde ontwikkeling.
4.5
Luchtkwaliteit
Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2)) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In dit Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
35
voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouwprojecten met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) Onderzoek De beoogde ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van maximaal 11 recreatiewoningen en de omzetting van twee bedrijfswoningen naar reguliere woningen. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Serooskerkseweg (N57) op circa 3,3 kilometer ten zuiden van het projectgebied.
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 12,2 µg/m³ voor NO2, 15,1 µg/m³ voor PM10 en 7,2 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het projectgebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.5.1 Uitsnede NSL-monitoringstool Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van de ontwikkeling niet belemmert.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
36
Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.6
Archeologie
Beleid en normstelling Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Archeologiebeleid Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie. In 2008 is een archeologische beleidsnota opgesteld op basis van de door RAAP daartoe opgestelde Archeologische beleidskaart van Schouwen-Duiveland - Buitengebied.
In de beleidsnota is het buitengebied opgedeeld in gebieden met een vastgestelde of verwachte archeologische waarde waaraan verschillende vrijstellingsgrenzen gekoppeld werden. Het projectgebied is op de beleidskaart gesitueerd in Onderzoeksgebied A: gebieden met een middelhoge of hoge archeologische verwachting. Het gemeentelijk beleid is planologisch vertaald in de meeste bestemmingsplannen, zo ook in het bestemmingsplan '1e herziening Kop van Schouwen'. Onderzoek Voor het projectgebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-6', zie paragraaf 1.3. Indien tijdens werkzaamheden bodemingrepen plaatsvinden groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 50 cm, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het beoogde planvoornemen voorziet in bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,50 meter. Een archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht. Door Artefact is een boorplan voor het archeologisch bureau- en booronderzoek opgesteld, zie bijlage 6. De resultaten van het bureau- en booronderzoek worden 23 april 2022 verwacht. Uit het onderzoek blijkt de bovenlaag grotendeels verstoord is. Verder blijkt dat zich vanaf een diepte van minimaal 1,85 m -mv een vegetatieniveau bevindt waarvoor een hoge verwachting geldt. Voor dit niveau geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is indien deze bij toekomstige bodemingrepen wordt verstoord.
Geadviseerd wordt archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren bij bodemingrepen dieper dan 1,80 m onder maaiveld. Met het planvoornemen vinden geen bodemingrepen plaats dieper dan 1,80 onder maaiveld. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
37
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.
4.7
Cultuurhistorie
Beleid en normstelling Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Onderzoek Op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland, zie figuur 4.7.1, is te zien dat binnen het projectgebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn gelegen. Ook is geen sprake van cultuurhistorische waardevolle elementen en structuren in of rond het projectgebied. Op grotere afstand zijn enkele historische boerderijen gelegen. Daarnaast bevindt zich ten zuiden van het projectgebied de locatie van de vroegere trambaan Vroonweg. Omdat met het planvoornemen enkel wijzigingen plaatsvinden binnen het projectgebied is geen sprake enige invloed van de ontwikkeling op cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren in de wijdere omgeving van het projectgebied. Hoewel momenteel niet cultureel historisch waardevol heeft de locatie een de lange historie als molen en maalderij. Met het planvoornemen wordt naar deze historie gerefereerd.
De recreatiewoningen krijgen elk een onderscheidende naam en zijn vormgegeven aan de hand van het thema ‘malen’. Zo komt de rijke historie van de plek tot uiting.
Figuur 4.7.1
Fragment cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zeeland)
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
38
Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Ecologie
Beleid en normstelling Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden Een planvoornemen dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
39
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kop van Schouwen' bedraagt circa 10 meter, direct aan de overzijde van de Hoogenboomlaan. Met het planvoornemen wijzigt het gebruik binnen de locatie. Gezien de korte afstand tot natuurgebieden en de geringe ontwikkeling kunnen directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Gezien de ligging binnen 100 meter van Natura-2000 geldt voor ontwikkelingen binnen deze zone volgens de Omgevingsverordening Zeeland 2018, zie paragraaf 3.3.2, een nadere afweging.
Aangezien de intensiteit van het gebruik en de hoeveelheid verhardingen afneemt, ontstaat meer ruimte voor een landschappelijke en natuurlijke inrichting. Daarnaast wordt de hoeveelheid verlichting van het park beperkt om de natuur niet te verstoren. Dit is nader uitgewerkt in het lichtplan dat onderdeel is van het inrichtingsplan. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling, zie paragraaf 4.14. blijkt verder dat met de transformatie significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Van een onevenredige aantasting van het Natuurnetwerk Zeeland is dan ook geen sprake.
Figuur 4.8.1 Het projectgebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden Stikstof De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van stikstofdepositie en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
40
natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden. De ontwikkeling zou in de gebruiksfase kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden vanwege wijziging in verkeersstromen, veranderingen in energiegebruik e.d. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. Het stikstofdepositieonderzoek is opgenomen als bijlage 9. De achterliggende verschilberekening voor de gebruiksfase is opgenomen als bijlage in het stikstofdepositieonderzoek. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor de gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Met de verschilberekening is aangetoond dat geen sprake is van extra stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Er is zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie in de gebruiksfase en daarmee van een positief effect op stikstofgevoelige habitats in de omgeving. Op 20 januari 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat voor intern salderen geen vergunningplicht meer geldt op grond van de sinds 1 januari 2020 gewijzigde Wnb. (ABRS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (Oirschot), r.o. 17.3.).
Wanneer gelet op interne salderingsmaatregelen geen sprake is van een depositietoename op overbelaste habitats, is er geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Die zijn dan op voorhand uit te sluiten. In dat geval geldt er dus ook geen natuurvergunningplicht. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat er voor de ontwikkeling geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist. Geconcludeerd wordt dat de mogelijke depositie van stikstof in het kader van deze ontwikkeling geen belemmering vormt. Soortenbescherming Om uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op beschermde dier- en plantensoorten is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd naar de aanwezigheid/geschiktheid van beschermde soorten in en rond de te slopen bebouwing, zie bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat In het plangebied broedvogels te verwachten zijn. De bebouwing is geschikt voor broedvogels waaronder de huismus. Dit dient nader onderzocht te worden. Het plangebied is niet geschikt voor grondgebonden zoogdieren maar wel voor vleermuizen. Er dient onderzocht te worden of er beschermde soorten voorkomen en wat eventueel de functie is. Vervolgens is aanvullend onderzoek naar de huismus en naar vleermuizen uitgevoerd, zie bijlage 8.
Tijdens dit onderzoek is tevens de omgeving rond de bebouwing onderzocht op mogelijke nadelige effecten als gevolg van het planvoornemen. In het onderzoeksgebied zijn tijdens de veldonderzoeken geen nesten van de huismus aangetroffen. Er zijn ook geen foerageer- en schuilplaatsen aangetroffen van huismussen. Ook in de aanwezige bomen en struiken nabij het te slopen gebouw zijn geen nesten, of rustplaatsen van vogels aangetroffen. In de bebouwing zijn wel broedende vogels aangetroffen. Dit betreft enkele paren kauwen. Geconstateerd is dat er 1 zomerverblijf aanwezig was van één gewone dwergvleermuis. Bij de sloop van het gebouw zal deze verblijfplaats verloren gaan. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Er zijn geen kraamkolonies, paarverblijven of (massa) winterverblijven vastgesteld. Er zijn geen essentiële vliegroutes en foerageergebieden bij de te slopen bebouwing vastgesteld. Er zijn geen andere soorten vleermuizen vastgesteld. Er zijn geen andere soorten die beschermd worden in het kader van de Wet natuurbescherming waargenomen. Ten behoeve van de noodzakelijke ontheffing zijn reeds 4 inbouwkasten voor de gewone dwergvleermuis opgehangen. De ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is op 7 juli 2022 aangevraagd. Conclusie Vanwege de aanwezigheid van 1 zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis is ontheffing in het
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
41
kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.9
Verkeer en parkeren
Beleid en normstelling Bij een ruimtelijk plan dat nieuwe activiteiten mogelijk maakt, dient onder meer voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en mag de eventuele verkeerstoename niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Onderzoek Ontsluiting In de beoogde situatie wikkelt het verkeer af via de Hoogenboomlaan. De Hoogenboomlaan leidt in westelijke richting richting het strand. In oostelijke richting leidt de Hoogenboomlaan naar het centrum van Renesse en richting de Roelandsweg die in verbinding staat met de N652. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Op grond van jurisprudentie worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Parkeren Op basis van het beoogde programma is de parkeerbehoefte berekend volgens de gemeentelijke parkeernormen. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte van de toekomstige functies is het Parkeerbeleid 2017-2020 van de gemeente leidend.
Daarnaast geldt voor de recreatieve verblijfseenheden de memo 'Kentallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme'. Voor het bepalen van de kencijfers voor de woningen geldt een 'weinig-stedelijk' karakter en de gebiedsaanduiding 'rest bebouwde kom'. Volgens het parkeerbeleid geldt voor de woningen een parkeerbehoefte van 2,3 per woning. Voor de parkeerbehoefte van de recreatiewoningen hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' een kengetal van 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen. De totale parkeerbehoefte is weergegeven in figuur 4.9.1.
Woningen Recreatiewoningen (6 slaapplaatsen) Totaal Figuur 4.9.1 Parkeerbehoefte
Aantal 2 11
Parkeernorm 2,3 1 per 3 slaapplaatsen
Parkeerbehoefte 5 22 27
De percelen bij de woningen bieden voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 3 personenauto's per woning. Daarmee wordt voor de woningen ruimschoots voldaan aan de parkeerbehoefte. De recreatiewoningen parkeren op het parkeerterrein tussen de woningen en de recreatiewoningen. Hier is ruimte voor 21 personenauto's. Op het perceel van de MIVA-recreatiewoning is daarnaast plaats voor het parkeren van 1 personenauto. Met in totaal 22 parkeerplaatsen voor de recreatiewoningen wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
42
Verkeersgeneratie- en afwikkeling Het gemeentelijk Parkeerbeleid 2017-2020, verankerd via het paraplubestemmingsplan 'parkeernormen Schouwen-Duiveland' en tevens als dusdanig opgenomen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan '1e herziening Kop van Schouwen' bevat geen concrete verkeersgeneratienormen. Met kencijfers van CROW publicatie 381 kan voor de reguliere woningen de verkeersgeneratie bepaald worden. De kencijfers zijn gerelateerd aan de ligging van de planontwikkeling en de mate van stedelijkheid van het gebied. De betreffende ontwikkeling is gelegen in het gebied 'rest bebouwde kom'. Voor de mate van stedelijkheid kan het gebied op basis van de adressendichtheid conform de CBS gekarakteriseerd worden als 'weinig stedelijk'. Op basis van het autobezit binnen de gemeente Schouwen-Duiveland in vergelijking met die in andere gemeenten met eenzelfde stedelijkheidsgraad, kan worden uitgegaan van het gemiddelde van de door het CROW gegeven bandbreedte. Voor de reguliere woningen (vrijstaand/koop, duur) geldt een verkeersgeneratie van 8,6 mvt/etmaal per woning, inclusief bezoekers. De verkeersgeneratie van de recreatiewoningen wordt op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' berekend op basis van 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. Het aantal parkeerplaatsen per type verblijfseenheid is hiervoor berekend in tabel 4.9.1.
De verkeersgeneratie van de toekomstige situatie is berekend in tabel 4.9.2.
Woningen Recreatiewoningen (11) Totaal Figuur 4.9.1 Verkeersgeneratie
Aantal 2 woningen 22 (parkeerplaatsen)
Kengetal 8,6 2,2 per parkeerplaats
Verkeersgeneratie 17,2 48,4 65,6 mvt/etmaal
De verkeersgeneratie van de beoogde situatie bedraagt 66 mvt/etmaal. Het verschil aan motorvoertuigbewegingen op het omliggende verkeersnetwerk ligt in werkelijkheid lager aangezien de woningen reeds als dusdanig in gebruik zijn. Enkel het verkeer afkomstig van de recreatiewoningen wijkt af ten opzichte van de huidige situatie. Met het planvoornemen komen de verkeersbewegingen behorende bij de fabriek bovendien definitief te vervallen. Dit betrof met name vrachtverkeer en woon-werkverkeer van personeel. Daarnaast had de bedrijfsvoering te maken met verkeer afkomstig van vertegenwoordigers, controleurs, leveranciers, pakketbezorgers etc. Dit betrof in totaal circa 20.000 tot 30.000 mvt/jaar (op basis van de werkelijke bedrijfsvoering tot circa 2018), zo'n 68 mvt/etmaal, waarvan circa 1/3 zwaar vrachtverkeer. Bij de afwikkeling van het verkeer wordt er vanuit gegaan dat het lichte verkeer opgaat in het heersend verkeersbeeld op de Hoogenboomlaan tussen de Krabbelaarsweg en de Luieweg. Volgens de verkeerscijfers gaat het hier om 2.199 lichte verkeersbewegingen per etmaal. De toevoeging van 48,4 mvt/etmaal aan recreatieverkeer bedraagt daarmee circa 2,2% van het totale verkeersbeeld. Conclusie Ten aanzien van de verkeersaspecten zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat L den (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
43
Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Recreatiewoningen worden op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige functie. Dat laat onverlet dat de ontwikkelaar een goed verblijfsklimaat wil verzekeren. Om die reden worden de recreatiewoningen getoetst als ware zij een geluidgevoelige functie. Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt.
Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van gezoneerde wegen en binnen de zone van de ontwikkelingslocatie, onderzocht te worden of het akoestisch leefklimaat niet wordt belemmerd. Met het planvoornemen worden geluidgevoelige functies, namelijk recreatiewoningen, gerealiseerd. De naar reguliere woningen om te zetten bedrijfswoningen zijn bestaand en hoeven niet als dusdanig te worden onderzocht. Het projectgebied is niet gelegen binnen de wettelijke geluidzone van wegen. Het projectgebied is op korte afstand gelegen van de niet-gezoneerde weg Hoogenboomlaan. Hier geldt een snelheidsregime van maximaal 30 km/u.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is vanwege de ontwikkeling van geluidgevoelige functies de situatie afgezet tegen de contour van voorkeursgrenswaarde van 48 dB afkomstig van de Hoogenboomlaan. Uitgaande van een jaargemiddelde weekdagintensiteit van 2.199 mvt/etmaal in 2022 en een autonome groei van 1% per jaar bedraagt de intensiteit 2.429 mvt/etmaal in 2032. In de berekening is geen rekening gehouden met een toename/afname ten gevolge van de ontwikkeling. Ook nu rijdt er verkeer van/naar het perceel waar de recreatiewoningen zijn beoogd. Met de ontwikkeling zal het saldo naar verwachting gunstiger uitvallen, zie paragraaf 4.9. De toetshoogte ligt op 2 meter, uitgaande van een recreatiewoning met 1 bouwlaag. De nieuwe recreatiewoningen worden gerealiseerd ten noorden van de bestaande woningen. Uit de ligging van de contour, zie figuur 4.10.1, kan worden geconcludeerd dat aan de richtwaarde van 48 dB wordt voldaan. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. De recreatiewoningen zullen in een aanvaardbaar akoestisch klimaat gerealiseerd worden. Voor de bestaande reguliere woningen geldt bovendien dat de 48 dB-contour uitsluitend ligt op de voorgevel van deze woningen. Ook voor de bestaande woningen is zodoende sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
44
Figuur 4.10.1 Geluidcontour Hoogenboomlaan (2032), toetshoogte 2 meter (Bron: Rho adviseurs) Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
45
4.11
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek
Figuur 4.11.1: Uitsnede Risicokaart Nederland. Projectgebied is globaal aangeduid met zwarte cirkel Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het projectgebied een aantal risicovolle inrichtingen gelegen. Deze risicovolle inrichtingen betreffen propaan tanks die in gebruik zijn op de verschillende recreatiegebieden/ campings in de omgeving, zie figuur 4.11.1. De dichtstbijzijnde propaan tank ligt op een afstand van circa 700 meter van Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
46
het projectgebied. Deze propaan tanks kennen een PR 10-6 van maximaal 25 meter. Het projectgebied is ver buiten de invloed gebieden gelegen en zodoende vormen de propaan tanks geen risico. De N57 maakt onderdeel uit van het Basisnet en heeft een groepsrisicocontour van 73 meter, maar ligt op meer dan 2 kilometer van het projectgebied. Verder worden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Onderzoek en conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor het aspect kabels en leidingen.
4.13
Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie
Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw van de recreatiewoningen zal hieraan voldoen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
47
Mede met het oog op de gewenste kwaliteitsslag wordt in de nieuwe situatie duurzaam gebouwd. De te nemen duurzame maatregelen zijn een speerpunt van de ontwikkeling. De diverse vakantiewoningen worden vervaardigd van hoogwaardige en milieuvriendelijke materialen en spelen in op toekomstige ontwikkelingen, waarbij extra aandacht wordt gegeven aan circulariteit, duurzaamheid en toegankelijkheid. Voor de verwarming van de woning wordt een collectief energiesysteem aangelegd met bodemwarmtepompen. Voor koeling en verwarming van de woningen is geen fossiele brandstof nodig. De 'ontstening' van het terrein en de ontwikkeling van groen, draagt verder bij aan de klimaatadaptatie.
4.14
Vormvrije mer-beoordeling
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling. Onderzoek De ontwikkeling wordt gezien als een stedelijke ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.).
De drempelwaarden van deze categorie worden overschreden in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte omvat van 200.000 m 2 of meer. Daarvan is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die de genoemde drempelwaarden niet overschrijden toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling die is opgesteld voor dit plan (bijlage 11). Voor deze ontwikkeling is dan ook geen uitgebreide plan- of project m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Wel dient door het bevoegd gezag voorafgaand op het besluit op de aanvraag om omgevingsvergunning een besluit genomen moeten worden op de m.e.r.-beoordeling. Conclusie PM (besluit op mer-beoordeling volgt)
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
48
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
49
Hoofdstuk 5
5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1 Procedure De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat de geplande ontwikkeling maatschappelijk draagvlak heeft en dat de procedures op een goede manier worden doorlopen. Op de aanvraag omgevingsvergunning wordt conform de uitgebreide procedure besloten. Dit betekent dat het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Binnen deze procedure kan een ieder zienswijzen indienen. Eventueel ingekomen zienswijzen worden beoordeeld en gewogen waarna een besluit om de aanvraag omgevingsvergunning wordt genomen. Tegen dit besluit kan beroep worden ingesteld. 5.1.2 Omgevingsdialoog In het kader va de omgevingsdialoog heeft op 23 maart 2022 een bijeenkomst met natuurverenigingen uit de omgeving plaatsgevonden. Tijdens deze bijeenkomst hebben de belanghebbende natuurverenigingen de mogelijkheid gehad te reageren op de ontwikkeling. Het verslag van deze bijeenkomst is als bijlage 10 toegevoegd.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
De realisatie van de recreatiewoningen binnen het project betreft een particulier initiatief. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt voor de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende aangetoond.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
50
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
51
Hoofdstuk 6
6.1
Afweging en conclusie
Aanleiding
Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.1 sub c en 3.10 Wabo (uitgebreide procedure). Hiermee wordt de realisatie van 11 recreatiewoningen binnen het projectgebied mogelijk gemaakt en worden 2 bedrijfswoningen omgezet in reguliere woningen.
6.2
Afweging
Met deze ontwikkeling wordt een meelfabriek gesloopt en wordt een kleinschalig recreatieterrein met 11 recreatiewoningen gerealiseerd. De bedrijfswoningen worden omgezet naar reguliere woningen. In Hoofdstuk 3 is aangetoond dat de beoogde ontwikkeling past binnen de geldende ruimtelijke beleidskaders. Het plan is onder andere getoetst aan de Provinciale omgevingsverordening en de gemeentelijke Agenda Toerisme. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is. In Hoofdstuk 4 zijn de relevante omgevingsaspecten uiteengezet. Uit de aspecten bodemkwaliteit, water, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, gezondheid, archeologie, cultuurhistorie, ecologie, geluid, verkeer en parkeren en externe veiligheid zijn geen bijzonderheden aanwezig waaruit bezwaren ten aanzien van de ontwikkeling voortkomen. Tot slot is in Hoofdstuk 5 de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling aangetoond.
6.3
Conclusie
Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
52
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
53
Bijlagen
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
54
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
55
Bijlage 1 Laddertoetsonderbouwing
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
56
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
57
Bijlage 2 Watertoets
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
58
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
59
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek 2015
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
60
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
61
Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek 2022 (Eindrapport)
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
62
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
63
Bijlage 5 Asfaltonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
64
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
65
Bijlage 6 Archeologisch onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
66
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
67
Bijlage 7 Quickscan ecologie
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
68
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
69
Bijlage 8 Nader onderzoek soortenbescherming
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
70
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
71
Bijlage 9 Stikstofdepositieonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
72
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
73
Bijlage 10
Rho adviseurs voor leefruimte
Verslag bijeenkomst natuurverenigingen
20190368.002
74
Rho adviseurs voor leefruimte
20190368.002
75
Bijlage 11
Rho adviseurs voor leefruimte
Vormvrije mer-beoordeling
20190368.002