CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS Omgevingsvergunning Hoogenboomlaan 34 te Renesse Bijlage 11 Vormvrije mer-beoordeling

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Hoogenboomlaan 34 te Renesse (voormalige meelfabriek)4.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

HOOGENBOOMLAAN 34 RENESSE Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling 6 juli 2022

1/19

DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER

6 juli 2022 D.J.E.M. Gooijers MSc

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR Buddy de Groot STATUS Concept

2/19

INHOUD 1.

2.

3.

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer

4 4 4

Plaats en kenmerken van het project

5

2.1

Plaats van het project 2.1.1 Archeologie 2.1.2 Cultuurhistorie 2.1.3 Milieugevoelige gebieden

5 6 6 7

2.2

Kenmerken van het project

9

Kenmerken van de milieueffecten

11

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10

4.

3/19

Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Sloop- en aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen

Bijlagen

11 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 13 13 14 15 15 16 17 18

19

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Aan de Hoogenboomlaan 34 in Renesse wordt een bestaande Meelfabriek vervangen voor een recreatiepark. De huidige Meelfabriek kenmerkt zich met fabrieksgebouwen, twee bedrijfswoningen en loodsen. Bij het recreatiepark worden er maximaal 11 recreatiewoningen gerealiseerd waarbij de twee bestaande bedrijfswoningen omgezet worden naar een burgerwoningen en een schuur ten behoeve van het recreatiepark. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘1e herziening Kop van Schouwen (2019-05-22)’ . Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt er een omgevingsvergunning aangevraagd waarbij een ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 11.2) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 2.000 of meer woningen of een oppervlakte van 100 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden (11 woningen). Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Dit document bevat deze beoordeling.

1.2

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

1.3

Leeswijzer

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● ● ●

4/19

beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.

2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het project

Het projectgebied is gelegen aan de Hoogenboomlaan, ten westen van Renesse. Het projectgebied heeft een gezamenlijke oppervlakte van 13.277 m2. Dit betreft de adressen Hoogenboomlaan 32, 34 en 36. In figuur 2.1 is de ligging van de locatie in beeld gebracht ten opzichte van zijn directe omgeving. In figuur 2.2 is het projectgebied aangeduid op de luchtfoto.

Figuur 2.1 Projectgebied en directe omgeving.

Figuur 2.2 Luchtfoto van projectgebied.

Ten noordwesten van het projectgebied liggen recreatiepercelen; recreatiewoningen, reguliere woningen, infrastructuur en voorzieningen onder de enkelbestemming ‘recreatie’, zie figuur 2.3. Ten zuiden van het projectgebied loopt de Hoogenboomlaan en daar voorbij het natura 2000 gebied ‘Kop van Schouwen’.

5/19

Figuur 2.3 Bestemmingen rondom projectgebied. Licht groen is recreatie, donker groen natuur. (BP Kop van Schouwen)

2.1.1 Archeologie Voor het projectgebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6'. Indien tijdens werkzaamheden bodemingrepen plaatsvinden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm, is archeologisch onderzoek noodzakelijk. 2.1.2 Cultuurhistorie Conform het bestemmingsplan ‘1e herziening Kop van Schouwen (2019-05-22)' zijn binnen en in de nabije omgeving van het projectgebied tevens geen monumenten aanwezig. Het betreffende pand beschikt niet over een monumentale status. Ook staan er op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen rondom het projectgebied, zie figuur 2.4.

6/19

Figuur 2.4 Cultuurhistorie waardenkaart. (BP Kop van Schouwen)

2.1.3 Milieugevoelige gebieden Het projectgebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied (figuur 2.5). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 10 meter en betreft het gebied Kop van Schouwen. Het projectgebied is eveneens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (figuur 2.6). Verder is het project niet gelegen binnen waterwin-, grondwaterbeschermings- en/of milieubeschermingsgebieden (figuur 2.7).

Figuur 2.5 Ligging projectgebied en natura 2000. (atlas van zeeland)

7/19

Figuur 2.6 Ligging projectgebied en Natuurnetwerk Nederland. (atlas van Zeeland)

Figuur 2.7 Ligging projectgebied en waterwingebied (atlas van zeeland)

8/19

2.2

Kenmerken van het project

De fabrieksgebouwen worden vervangen door een duurzaam recreatiepark met 11 recreatiewoningen in een natuurlijk landschap, zie figuur 2.8 voor een ontwerpschets. Alle recreatiewoningen zijn ingericht met een slaapkamer en voorzieningen op de begane grond. Eén recreatiewoning wordt uitgevoerd volgens de MIVA-standaard met extra ruime sanitaire voorzieningen, zodat rolstoelgebruikers met hun familie zonder beperkingen deel kunnen nemen in het vakantiepark. Om dit in te passen is het noodzakelijk om de basis van de woningen te vergroten van 75 m2 naar 85 m2 en 96 m2. De 10 overige recreatiewoningen hebben een grondoppervlakte van 85 m2. De MIVA-recreatiewoning heeft een grondoppervlakte van 96 m2. De recreatiewoningen hebben een bouwhoogte van maximaal 7 meter en bieden plaats aan 6 gasten per recreatiewoning. Bij elke recreatiewoning wordt een schuurtje/fietsenberging van 2,5 bij 2,2 meter gerealiseerd. Het schuurtje heeft zodoende een oppervlakte van 5,5 m2.

Figuur 2.8 Ontwerpschets

Het park is vormgegeven als 11 'groene' kamers rondom een groen middengebied. Het groene middengebied wordt ingericht als natuurlijke speel- en verblijfsplaats en een wadi. Tussen de recreatiewoningen en de Hoogenboomlaan 36 is een brede groenstrook inclusief parkeerterrein aanwezig. Nabij de entree van het recreatieterrein wordt een herkenningspunt van maximaal 5 meter hoog gerealiseerd. Het object dient als uithangbord voor het vakantiepark. De vorm refereert aan de historie van de plek en het punt kan eventueel dienen als pauzeplek en als opstapje om over de nabijgelegen Vroongronden uit te kijken. Een toegepast ontwerp voor het herkenningspunt wordt nog ontwikkeld in samenspraak met initiatiefnemer. De huidige bedrijfswoningen Hoogenboomlaan 32 en 36 worden omgezet naar reguliere woningen. Beide woningen krijgen een eigen entree aan de Hoogenboomlaan en parkeren vindt op eigen perceel plaats. Op het perceel van nummer 36 wordt een schuur gebouw waarin machines worden gestald voor het beheer van het recreatieterrein. De schuur doet tevens dienst als stal en biedt plaats aan vier pony's. Naast de schuur ligt een paddock waar de pony's kunnen lopen. De pony's verblijven enkele weken per jaar op de locatie. De overige tijd van het jaar staan de pony's op het Landgoed het Watergat.

9/19

Oppervlakte van projectgebied Het projectgebied heeft een totaal oppervlakte van 13.277 m2. In de huidige situatie is sprake van in totaal circa 4.000 m2 aan bebouwing en 4.200 m2 verhard terrein. In de toekomstige situatie bedraagt het bebouwd oppervlakte aan recreatieve bebouwing 1.007 m2 en 723 m2 aan overige bebouwing (woningen, schuur, bijgebouwen). Daarnaast is in de toekomstige situatie sprake van circa 1.600 m2 aan verhard oppervlak (inrit recreatieterrein en verhardingen bij woningen) en circa 1.000 m2 aan half verhard oppervlak (paden en parkeerplaatsen). Verkeer en parkeren In de beoogde situatie wikkelt het verkeer af via de Hoogenboomlaan. De Hoogenboomlaan leidt in westelijke richting richting het strand. In oostelijke richting leidt de Hoogenboomlaan naar het centrum van Renesse en richting de Roelandsweg die in verbinding staat met de N652. Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval op het moment dat het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Op grond van jurisprudentie worden de gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Voor de reguliere woningen (vrijstaand/koop, duur) geldt een verkeersgeneratie van 8,6 mvt/etmaal per woning, inclusief bezoekers. De verkeersgeneratie van de recreatiewoningen wordt op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' berekend op basis van 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. Het aantal parkeerplaatsen en de verkeersgeneratie is berekend in de onderstaande tabel 2.1. Tabel 1.1 Verkeersgeneratie en parkeerbehoefte

Woningen (2) Recreatiewoningen (11) Totaal

Aantal parkeerplaatsen 5 parkeerplaatsen 22 parkeerplaatsen

Kengetal 8,6 per woning 2,2 per parkeerplaats

Verkeersgeneratie 17,2 mvt/etmaal 48,4 mvt/etmaal 65,6 mvt/etmaal

De percelen bij de woningen bieden voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 3 personenauto's per woning. Daarmee wordt voor de woningen ruimschoots voldaan aan de parkeerbehoefte. De recreatiewoningen parkeren op het parkeerterrein tussen de woningen en de recreatiewoningen. Hier is ruimte voor 21 personenauto's. Op het perceel van de MIVA-recreatiewoning is daarnaast plaats voor het parkeren van 1 personenauto. Met in totaal 22 parkeerplaatsen voor de recreatiewoningen wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Gebruik natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen Voor de realisatie van de beoogde ontwikkelingen worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Afvalstoffen zullen slechts ontstaan tijdens de aanlegfase. Afvalstromen zullen zoveel mogelijk worden gescheiden ten behoeve van hergebruik. Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten Voor zover bekend zijn er geen redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.

10/19

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen.

3.1

Verkeer en parkeren

Verkeer en ontsluiting Zoals vastgesteld in hoofdstuk 2.2 bedraagt de verkeersgeneratie 65,6 mvt/etmaal. De bestaande infrastructuur in de omgeving zal het extra verkeer hierdoor zonder problemen kunnen afwikkelen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Parkeren Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.2

Geluid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van gezoneerde wegen en binnen de zone van de ontwikkelingslocatie, onderzocht te worden of het akoestisch leefklimaat niet wordt belemmerd. Met het planvoornemen worden geluidgevoelige functies, namelijk recreatiewoningen, gerealiseerd. De naar reguliere woningen om te zetten bedrijfswoningen zijn bestaand en hoeven niet als dusdanig te worden onderzocht. Het projectgebied is niet gelegen binnen de wettelijke geluidzone van wegen. Het projectgebied is op korte afstand gelegen van de niet-gezoneerde weg Hoogenboomlaan. Hier geldt een snelheidsregime van maximaal 30 km/u. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is vanwege de ontwikkeling van geluidgevoelige functies de situatie afgezet tegen de contour van voorkeursgrenswaarde van 48 dB afkomstig van de Hoogenboomlaan. Uitgaande van een jaargemiddelde weekdagintensiteit van 2.199 mvt/etmaal in 2022 en een autonome groei van 1% per jaar bedraagt de intensiteit 2.429 mvt/etmaal in 2032. In de berekening is geen rekening gehouden met een toename/afname ten gevolge van de ontwikkeling. Ook nu rijdt er verkeer van/naar het perceel waar de recreatiewoningen zijn beoogd. Met de ontwikkeling zal het saldo naar verwachting gunstiger uitvallen. De toetshoogte ligt op 2 meter, uitgaande van een recreatiewoning met 1 bouwlaag.

De nieuwe recreatiewoningen worden gerealiseerd ten noorden van de bestaande woningen. Uit de ligging van de contour, zie figuur 3.1, kan worden geconcludeerd dat aan de richtwaarde van 48 dB wordt voldaan. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. De recreatiewoningen zullen in een aanvaardbaar akoestisch klimaat gerealiseerd worden. Voor de bestaande reguliere woningen geldt bovendien dat de 48 dB-contour uitsluitend ligt op de voorgevel van deze woningen. Ook voor de bestaande woningen is zodoende sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

11/19

Figuur 3.1 Geluidcontour Hoogenboomlaan (2032), toetshoogte 2 meter (Bron: Rho adviseurs) Het aspect wegverkeerslawaai staat de ontwikkeling niet in de weg.

12/19

3.3

Luchtkwaliteit

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt maximaal 65,6 mvt/etmaal. De maximale bijdragen als gevolg van deze verkeersgeneratie zijn berekend met behulp van de NIBM-tool (tabel 3.1). De maximale bijdrage voor NO2 bedraagt 0,04 NO2µg/m³. Voor PM10 bedraagt de maximale bijdrage 0,01 PM10 µg/m³. Uit de berekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarde. Tabel 3.1

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Dammenweg van het projectgebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze Dammenweg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020; 11.0 µg/m3 voor NO2, 14.8 µg/m3 voor PM10 en 7.1 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6.0 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het projectgebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.4

Externe veiligheid

Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het projectgebied een aantal risicovolle inrichtingen gelegen. Deze risicovolle inrichtingen betreffen propaantanks die in gebruik zijn op de verschillende recreatiegebieden/campings in de omgeving, zie figuur 3.2. De dichtstbijzijnde propaantank ligt op een afstand van circa 700 meter van het projectgebied. Deze propaantanks kennen een PR 10-6 van maximaal 25 meter. Het projectgebied is ver buiten de invloed gebieden gelegen en zodoende vormen de propaantanks geen risico. Verder worden binnen of in de nabije omgeving van het projectgebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen dan ook worden uitgesloten.

13/19

Figuur 2.2 Ligging risicobronnen nabij projectgebied (risicokaart Zeeland). Projectgebied is weergegeven met zwarte cirkel.

3.5

Bodem

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Sagro Milieu Advies Zeeland B.V., 28 maart 2022, 23220009), zie bijlage 5.1. Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlage. Uit dit onderzoek blijkt dat de grond overwegend niet tot licht (tot het niveau van de klasse industrie) verontreinigd is met diverse zware metalen, PCB, PAK en minerale olie. Het grondwater is niet verontreinigd. De aangetoonde verhoogde concentratie voor arseen heeft waarschijnlijk een natuurlijke oorsprong. Overwegend geven de aangetoonde verhoogde gehalten in de grond geen aanleiding voor het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. Echter ter plaatse van één inspectiegat op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie is een interventiewaarde overschrijding voor asbest aangetoond. Om de omvang van de verontreiniging te kunnen bepalen in zowel verticale als horizontale richting wordt aanbevolen hier een nader bodemonderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren. Vanwege het opbreken van bestaande verhardingen is een onderzoek naar de aanwezigheid van teer in asfaltverhardingen uitgevoerd, zie bijlage 5.2. Op basis van de onderzoeksresultaten mag worden aangenomen dat het PAK10-gehalte in het onderzochte asfalt lager is dan 75 mg/kg.ds. Dit asfalt wordt daarmee volgens CROW publicatie 210 beschouwd als teervrij.

Het asfalt is als teervrij af te voeren naar een hiervoor erkende verwerker dan wel her te gebruiken. Middels aanvullend onderzoek wordt de omvang van de asbestverontreining bepaald. Mogelijk dient de grond ter plaatse te worden gesaneerd. Met deze kwestie buiten beschouwing gelaten geldt dat negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling zodoende worden uitgesloten.

14/19

3.6

Water

Volgens de legger van het waterschap Scheldestromen zijn er geen watergangen in of nabij de het projectgebied. Daarnaast ligt het projectgebied niet binnen de kern- en beschermingszone van een waterkering. Het huishoudelijk afval van de huidige bebouwing blijft aangesloten op het vuilwaterriool. De nieuwe bebouwing wordt hier aan toegevoegd. Voor de parkeerplaatsen wordt gekozen voor halfverharding, waardoor het hemelwater ter plaatse in de bodem kan infiltreren. De huidige invulling van het projectgebied is grotendeels verhard met een oppervlak van circa 8.200 m2. In de toekomstige situatie bedraagt het bebouwd oppervlakte 1.730 m2. Daarnaast is in de toekomstige situatie sprake van circa 1.600 m2 aan verhard oppervlak (inrit recreatieterrein en verhardingen bij woningen) en circa 1.000 m2 aan halfverhard oppervlak (paden en parkeerplaatsen). Dit zorgt voor een totale afname van verharding van circa 4.870 m2. De ontwikkeling voorziet in een flinke afname van het verharde oppervlak waardoor hemelwater direct in de bodem kan infiltreren. Dit betekent tevens een afname van de hemelwaterafvoer op het drukrioleringssysteem. Volgens het waterschap weegt dit ruimschoots op tegen de toename van het hemelwaterafvoer via bodeminfiltratie. De realisatie van een extra waterberging is niet noodzakelijk.

Ten slotte worden er zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase geen uitloogbare materialen gebruikt. Negatieve effecten op de waterhuishouding ter plaatse als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.7

Ecologie

Gebiedsbescherming Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het projectgebied niet gelegen binnen beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden is door Rho Adviseurs een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlage 5.3. Uit de verschilberekening blijkt dat in de beoogde gebruiksfase op alle hexagonen geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Soortenbescherming Om uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op beschermde dier- en plantensoorten is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd naar de aanwezigheid/geschiktheid van beschermde soorten in en rond de te slopen bebouwing, zie bijlage 5.4. Uit het onderzoek blijkt dat In het projectgebied broedvogels te verwachten zijn. De bebouwing is geschikt voor broedvogels waaronder de huismus. Dit dient nader onderzocht te worden. Het projectgebied is niet geschikt voor grondgebonden zoogdieren maar wel voor vleermuizen.

Er dient onderzocht te worden of er beschermde soorten voorkomen en wat eventueel de functie is. Vervolgens is aanvullend onderzoek naar de huismus en naar vleermuizen uitgevoerd, zie bijlage 5.5. Tijdens dit onderzoek is tevens de omgeving rond de bebouwing onderzocht op mogelijke nadelige effecten als gevolg van het planvoornemen. In het onderzoeksgebied zijn tijdens de veldonderzoeken geen nesten van de huismus aangetroffen. Er zijn ook geen foerageer- en schuilplaatsen aangetroffen van huismussen. Ook in de aanwezige bomen en struiken nabij het te slopen gebouw zijn geen nesten, of rustplaatsen van vogels aangetroffen. In de bebouwing zijn wel broedende vogels aangetroffen. Dit betreft enkele paren kauwen.

15/19

Geconstateerd is dat er 1 zomerverblijf aanwezig was van één gewone dwergvleermuis. Bij de sloop van het gebouw zal deze verblijfplaats verloren gaan. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk. Er zijn geen kraamkolonies, paarverblijven of (massa) winterverblijven vastgesteld. Er zijn geen essentiële vliegroutes en foerageergebieden bij de te slopen bebouwing vastgesteld. Er zijn geen andere soorten vleermuizen vastgesteld. Er zijn geen andere soorten die beschermd worden in het kader van de Wet natuurbescherming waargenomen. Ten behoeve van de noodzakelijke ontheffing zijn reeds 4 inbouwkasten voor de gewone dwergvleermuis opgehangen. De ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is op 7 juli 2022 aangevraagd.

3.8

Cultuurhistorie en archeologie

Cultuurhistorie Zoals beschreven in paragraaf 2.1 zijn in en nabij het projectgebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Negatieve effecten op deze waarden zijn dan ook uitgesloten. Archeologie Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd (Artefact B.V., 30 juni 2022, 2022ART12), zie bijlage 5.6. Voor de bovenzijde van het profiel geldt, onder de bestaande verharding en teelaarde, een hoge verwachting voor resten van de 19e en 20e-eeuwse bebouwing. Voor dergelijke resten geldt echter dat deze naar verwachting ten minste deels verstoord zullen zijn bij recenter bodemingrepen en bouwactiviteit. Daarenboven betreft het hier resten die terug te brengen zijn naar bebouwing die op basis van data (kaarten en foto’s uit de 19e en 20e eeuw) gekend zijn. Het onderzoek concludeert dat een eventueel vervolgonderzoek een verwaarloosbare potentiële kenniswinst zal opleveren en acht een vervolgonderzoek voor het betreffende niveau dan ook niet noodzakelijk. Er wordt dan ook geadviseerd om voor het betreffende niveau geen dubbelbestemming inzake archeologie op te nemen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan.

Uit het onderzoek blijkt verder dat er binnen het projectgebied een middelhoge verwachting geldt op resten uit het neolithicum en een lage tot middelhoge verwachting voor resten uit de bronstijd tot Romeinse tijd op de afzettingen van het Laagpakket van Wormer, Hollandveen en Laagpakket van Walcheren (voor zover aanwezig). Deze niveaus zijn tijdens het onderzoek niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte van 2,5 m -mv (2,56 m +NAP). Ook is vastgesteld dat er zich vanaf een diepte van minimaal 1,85 m -mv (3,39 m +NAP) een vegetatieniveau bevindt waarvoor een hoge verwachting geldt voor de ijzertijd tot middeleeuwen. Voor deze niveaus geldt dat archeologisch onderzoek wel noodzakelijk geacht wordt indien deze bij toekomstige bodemingrepen verstoord worden. Er wordt dan ook geadviseerd om in het nieuwe op te stellen bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie op te nemen vanaf 1,8 m -mv (net boven het vastgestelde vegetatieniveau). Het is niet uit te sluiten dat voor die delen waar geen vervolgonderzoek is aanbevolen desondanks toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.

16/19

Negatieve effecten omtrent cultuurhistorie en archeologie ter plaatse als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.9

Sloop- en aanlegwerkzaamheden

De sloop- en aanlegwerkzaamheden worden uitgevoerd conform het Bouwbesluit 2012. Hiermee wordt rekening gehouden met de omliggende woningen. Verder worden afvalstoffen vervoerd naar een erkende verwerker. Significant negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen daarmee worden uitgesloten.

17/19

3.10 Mitigerende maatregelen Uit de voorgaande sectorale analyses blijkt dat de volgende mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn: ● ●

Bodem: een nader bodemonderzoek conform de NEN 5707 uit te voeren. Ecologie: een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te verkrijgen.

4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het projectgebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is zodoende niet noodzakelijk.

18/19

5. BIJLAGEN 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

19/19

Verkennend bodemonderzoek Verkennend bodemonderzoek (eindrapport) Stikstofonderzoek Quickscan ecologie Aanvullend soortenonderzoek Archeologie booronderzoek

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11747327/1