CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

RVS Bestemmingsplan woningen Molenweg Bruinisse Bijlage 1 Toelichting

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Bestemmingsplan woningen Molenweg Bruinisse (714816)19.142 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Specifieke doelstellingen voor 2023 zijn het realiseren van een energiebesparing van 3% ten opzichte van het huidige gebruik (referentiejaar 2017) en 16% van het energieverbruik wordt duurzaam opgewekt. De Energie-agenda zet zowel in op energiebesparing als duurzame energieopwekking. Belangrijk aandachtspunt hierbij is de verduurzaming van bestaande en nieuwbouw. Klimaatadaptatiestrategie In het kader van het nationale deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Inzet is dat overheden er samen met andere partijen voor gaan zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt. De overheden gaan, in nauwe samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties, in drie stappen te werk:

25

• • •

‘Weten’: analyseren wat de gevolgen zijn van klimaatverandering voor de diverse functies in een gebied in de periode tot 2050 (met een doorkijk naar 2100) zijn; ‘Willen’: concrete doelen stellen voor het verbeteren van de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid in de periode tot 2050 en een daarbij passende strategie formuleren; ‘Werken’: de doelen en de strategie vastleggen in bijvoorbeeld beleidsplannen, wetten en regels en programma's voor uitvoering, beheer en ‘groot’ onderhoud.

Kringloopeconomie De circulaire of kringloop economie is een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. De kringloopeconomie in Nederland staat nog in de kinderschoenen. Het kabinet moet meer actie nemen, wil het de halvering van het grondstoffengebruik tegen 2030 halen zoals is vastgelegd in het klimaatakkoord. Dit schrijft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in een rapport over de kringloopeconomie. De overheid kan de overgang naar een circulaire economie versnellen door naast recycling - meer in te zetten op het repareren, delen, leasen of circulair ontwerpen en inkopen van producten – om zo het grondstofgebruik in Nederland drastisch te verminderen. Betekenis voor het plangebied Bij de invulling van het plangebied zal met het milieu en duurzaamheidsbeleid rekening moeten worden gehouden. Belangrijke aandachtspunten zijn hierbij het behouden en verbeteren van de bestaande kwaliteit, het voorkomen van overlast, energiebesparing en het opwekken van duurzame energie, voorkomen van wateroverlast en hittestress en duurzaam materiaal gebruik.

Waar relevant wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan op en wordt het planvoornemen getoetst aan het gemeentelijke beleid van de diverse ruimtelijk relevante milieuaspecten.

3.3.8 Nota welstandsbeleid Schouwen-Duiveland (2012) De gemeentelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving in het algemeen en de visuele- of beeldkwaliteit in het bijzonder. In de Woningwet (vanaf 1 januari 2003) wordt de gemeenteraad verplicht: •

burgers, ruim voordat ruimtelijk planvormingsprocessen worden afgesloten, concreet duidelijk te maken wat het wettelijk criterium ‘redelijke eisen van welstand’ inhoudt;

•

ruim vooraf een zo concreet mogelijk inhoudelijk toetsingskader te bieden dat door B&W en de welstandscommissie bij de uitoefening van hun wettelijke taken moet worden gehanteerd.

Dergelijke criteria dienen te worden opgenomen in een gemeentelijke welstandsnota. Een belangrijke peiler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Schouwen-Duiveland. Het gaat met name om criteria ter beoordeling van regulier omgevingsvergunningplichtige bouwwerken. Daarnaast omvatten de gebiedsuitwerkingen eventueel ook criteria voor de veel voorkomende kleine bouwplannen, aanvullend op de sneltoetscriteria. Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is onderscheid gemaakt naar een vijftal verschillende gebiedscategorieën (thema’s). 26

Het plangebied is gelegen binnen de gebiedscategorie Steden en dorpskernen aangemerkt als Niveau 2 bijzonder welstandsgebieden, overige dorpskernen. Conclusie De Welstands-/monumentencommissie heeft eerder geadviseerd over het bouwplan. Daarbij zijn voorwaarden gesteld aan de verdere uitwerking van het bouwplan. Deze voorwaarden zijn verwerkt in het in bijlage 5 bij dit bestemmingsplan opgenomen Landschappelijk inrichtings- en beeldkwaliteitsplan. Zoals in paragraaf 2.3 is aangegeven wordt dit landschappelijk inrichtings- en beeldkwaliteitsplan gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld als aanvulling op c.q. onderdeel van de welstandsnota. Het vormt daarmee samen met het bestemmingsplan een belangrijke kwalitatieve onderlegger en toetsingskader voor de concrete (bouw)planuitwerking.

3.4 Conclusie gemeentelijk beleid De locatie is gelegen in de groeikern Bruinisse. Naast de kernen Zierikzee en Burgh-Haamstede heeft deze kern de grootste groeipotentie. Hierdoor is kwantitatieve uitbreiding mogelijk. In dit geval is sprake van een locatie waar al een (bedrijfs)woning stond. Deze woning is na afbranding van het achterste deel van de schuur en risico’s van instorting gesloopt. De woning en de bijbehorende schuur ten behoeve van de voormalige agrarische bedrijfsvoering was van cultuurhistorische waarde. In de beoogde situatie is de bedoeling om de schuur in soortgelijke stijl terug te bouwen en daarin twee woningen (één extra ten opzichte van de huidige planologische situatie) te realiseren, zogezegd een twee-onder-een kapwoning. Hierdoor krijgt de locatie van de voormalige (beeldbepalende) agrarische schuur een nieuwe functie en wordt een nieuwe invulling gegeven op deze vrijgevallen locatie binnen de kern. Daarmee is sprake van inbreiding (binnen de bebouwde kom). Het initiatief behelst het terugbouwen van bebouwing bij gelijkblijvende hoofdvorm, de schuurvorm, waarmee het historisch beeld wordt hersteld. De functie wijzigt. Er wordt één woning toegevoegd, het is een zeer kleinschalig initiatief. Tegelijkertijd wordt een duurzaamheidsslag gemaakt en wordt er levensloopbestendig gebouwd.

Het beoogde plan voorziet in een kwalitatieve woningbehoefte op de middellange termijn. Het bouwplan is geschikt voor diverse doelgroepen (levensloopbestendig) en ligt dichtbij voorzieningen. Bovendien goed bereikbaar door de ligging aan de Dorpsweg in het verlengde van de Nieuwstraat. Deze locatie, hoek Dorpsweg/Molenweg, is daardoor vergelijkbaar met een structuurversterkende plek zoals bedoeld in de woonvisie. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Bij de invulling van het plangebied zal met het milieu en duurzaamheidsbeleid rekening worden gehouden. Het landschappelijk inrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan zal in samenhang als kwalitatieve onderlegger worden gehanteerd als toetsingskader voor de verdere concrete planuitwerking(en). Dit is bijgevoegd in bijlage 5.

27

4. Ruimtelijke aspecten initiatief 4.1 Inleiding Bij het wegen van een plan is het van belang om de uitgangssituatie goed in beeld te brengen. Daarbij is aandacht nodig voor de ontstaansgeschiedenis, de ruimtelijke opbouw en de functionele opbouw van het plangebied en zijn omgeving. In dit hoofdstuk wordt dit in beeld gebracht door een historische analyse, een ruimtelijke analyse en een functionele analyse.

4.2 Stedenbouw 4.2.1 Historische analyse Het plan gebied bevind zich op de kruising van de Dorpsweg en Molenweg in Bruinisse. Op deze locatie stond een voormalige, cultuurhistorisch waardevolle landbouwschuur. Deze was deels afgebrand en na een verdere beschadiging na een storm is het resterende deel ook gesloopt moeten worden. In het bestemmingsplan heeft het perceel de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 7. Dit betekent dat er, een zeer kleine, kans is op archeologische vondsten.

4.2.2 Ruimtelijke analyse Het plan betreft het wijzigen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming voor twee aaneengebouwde woningen in de stijl van de oude, reeds niet meer aanwezige en als cultuurhistorisch waardevol aangemerkte, schuur. De hoofdvorm zoals deze wordt voorgesteld is stedenbouwkundig akkoord onder de volgende voorwaarden. De uitstraling blijft gelijk. De functie verandert. Een punt van aandacht zijn de erfafscheidingen en de eventuele plaatsing van schuurtjes/bijgebouwen. • Alleen groene afscheidingen toegestaan dit dient juridisch te worden vastgelegd • De locatie en de verschijningsvorm van de losstaande bijgebouwen alvast mee ontwerpen als zijnde een optie. • Aanbouwen is gezien de cultuurhistorie niet mogelijk • Het gebruik van de goede materialen is essentieel voor het slagen van historiserend bouwen. De welstand zal hierin adviseren. De Welstands-/monumentencommissie is akkoord met het ingediende plan onder de voorwaarden dat een oranje/rode dakpan wordt toegepast; materialen en kleuren ter goedkeuring bemonsteren.

4.2.3 Functionele analyse Functionele hoofdstructuur Het perceel is is door de ligging bij de kruising met de Dorpsweg direct verbonden met het centrum. De bereikbaarheid van de voorzieningen in het dorp is prima. 28

Het perceel is gelegen in het lint van bebouwing aan de Dorpsweg en past daarmee in de bestaande structuur. Daarnaast is het pand al aanwezig en zal het nieuwe pand in dezelfde stijl herbouwt worden. Hierdoor zal er een beperkte wijziging zijn in het aanzicht van de locatie. Conclusie Stedenbouw Wonen op deze locatie is voorstelbaar gelet op de aanwezige lintbebouwing aan de Dorpsweg.

4.3 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van verkeer en parkeren gekeken naar verschillende beleids- en toetsingskaders, namelijk: • Publicatie CROW 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ (oktober 2012). Deze publicatie geeft tijdig inzicht in de verwachte hoeveelheid gemotoriseerd verkeer en het benodigde aantal parkeerplaatsen zodat deze tijdig kunnen worden meegenomen in het ruimtelijk-ordeningsproces. Op deze wijze kan tevens een zorgvuldige afweging worden gemaakt. • IVVP (Integraal verkeers- en vervoersplan 2017); gemeentelijk beleid ten opzichte van verkeers- en vervoersontwikkelingen; Toetsing Verkeer Volgens de CROW, publicatie CROW 317 geldt dat er sprake is van verkeerstoename voertuigen per etmaal. Het initiatief valt in de categorie van CROW 317 zoals vermeld op pag. 24 koop/twee-ondereen-kap/rest bebouwde kom/weinig stedelijk: 7,4 tot 8,2 verkeersbewegingen per woning Dit betekent voor de planontwikkeling en de directe omgeving dat door de sloop van 1 woning de verkeersgeneratie met 1 woning stijgt: 7,4 tot 8,2 extra voertuigbewegingen per etmaal. Dit is verwaarloosbaar.

Voor de ontsluiting heeft de gemeente de volgende voor voorwaarden gesteld: - Maximaal 1 uitweg per particulier perceel; - Maximale breedte uitweg 6 meter; - Materialisering afgestemd op uitwegen omliggende percelen; - De uitweg mag geen verkeersonveilige situatie opleveren. Toetsing Parkeren Volgens publicatie CROW 317 pag. 24 koop/twee-onder-een-kap/rest bebouwde kom/niet stedelijk geldt dat het aantal benodigde parkeerplaatsen 1,8 tot 2,6 per woning bedraagt. Dat is bij 2 woningen 3,6 tot 5,2 parkeerplaatsen. Het plan voorziet in 6 parkeerplaatsen. Dit is ruim voldoende voor de ontwikkeling. Om dit te kunnen realiseren is aan de zijde van de Molenweg een inrit geprojecteerd. De inrichting van het perceel staat weergegeven in figuur 7 in paragraaf 2.3 en in bijlage 5. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. De toename van het aantal verkeersbewegingen is verwaarloosbaar en er is voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

4.4 Conclusie Het plan heeft ruimtelijk geen bezwaren. 29

5. Milieu- en overige aspecten initiatief 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de milieu- en overige aspecten behandeld die relevant zijn voor de ontwikkeling van dit plan.

5.2 Bedrijven en milieuzonering De VNG publicatie bedrijven en milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Er moet tussen beoogde milieugevoelige objecten en milieuhinderlijke (bedrijfs) activiteiten voldoende afstand worden aangehouden ten einde een goede kwaliteit van het woon – en leefklimaat te waarborgen en beperken van de omliggende bedrijfsvoering te voorkomen. Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. De richtafstanden gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Dat geldt voor het omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt kunnen gemotiveerd kleinere afstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent.

Spuitzone Vaste jurisprudentie van de Afdeling luidt dat wanneer het gaat om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, er geen wettelijke bepalingen bestaan over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Er dient dus een belangenafweging plaats te vinden. De minimaal aan te houden afstand dient zodanig te worden gekozen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object kan worden gegarandeerd. De Afdeling acht een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, daarbij niet onredelijk. Een kortere afstand is mogelijk, mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag wordt gelegd. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat moet worden beoordeeld of in het betreffende object, ter plaatse van de betreffende functie, mensen langdurig (kunnen) verblijven. Daarmee hebben zij een grotere kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Als dat het geval is, is doorgaans sprake van een gevoelig object.

Toetsing Het huidige agrarische bedrijf wordt gewijzigd naar wonen. Op de Molenweg 5 was een akkerbouwbedrijf gevestigd. Aan de Dorpsweg 32 was een paardenfokkerij gevestigd met een vergunning voor 10 paarden. De agrarische bedrijfsactiviteiten met de bijbehorende milieuzonering komt met realisering van het plan te vervallen. Ten oosten van de locatie aan de Molenweg ligt op 70 m een bestemming bedrijf met een functie aanduiding specifieke vorm van bedrijf autosloperij. Voor een dergelijk bedrijf (SBI 4677) met een 30

bedrijfsoppervlak van >1000 m2 is in de VNG publicatie opgenomen een afstand van 10 m voor geur, 30 m voor stof, 100 m voor geluid en 30 m voor gevaar. Rondom dit bedrijf ligt een groot aantal recreatiewoningen met bestemming Verblijfsrecreatie. De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt op nog geen 15 m. De omgeving van het initiatief is een omgevingstype gemengd gebied door de functiemenging van wonen en agrarische en niet agrarische bedrijvigheid en de nabijheid van de verkeersdrukke Molenweg. De genoemde richtafstanden m.u.v. gevaar kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verkleind. De richtafstanden worden daarmee 0 m voor geur, 10 m voor stof, 50 m voor geluid en 30 m voor gevaar. De afstand van 70 m voldoet ruimschoots aan deze richtafstanden. Toetsing spuitzone Op onderstaande kaartuitsnede is het omliggende perceel met het grondgebruik van de afgelopen jaren zichtbaar.

Figuur 9 Kaartuitsnede Boerenbunder met grondgebruik op omliggend perceel 2017-2021

Het aangrenzende perceel, het enige landbouwperceel binnen 50 m van de planlocatie, heeft de bestemming ‘agrarisch’ waarbij fruitteelt en vollegrondsteelt mogelijk is. Hierbij kan zowel neerwaarts al verticaal gespoten worden met gewasbeschermingsmiddelen. Vanwege de planologisch-juridische mogelijkheid voor fruitteelt wordt uitgegaan van het meest intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt: de teelt van appels en peren. Dit is het "worst case" scenario. Er is geen reden om aan te nemen dat dat gebruik/teelt zal wijzigen naar de teelt van fruit. De feitelijk te verwachten spuitdrift is aanzienlijk minder dan bij de teelt van fruit. Uit onderzoek van de Universiteit van Wageningen (Onderzoek driftblootstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Tholen, Plant research international Rapport 442, 2012) blijkt dat de drift (spuitnevel) afneemt naarmate de afstand toeneemt. Drift kan o.a. worden beperkt door drifbeperkende spuitdoppen te gebruiken. 31

In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat: De afstand tot gevoelige functies zoals omstanders, omwonenden en bebouwing kan verkleind worden of zeker gesteld worden door de aanplant van een wintergroene windhaag in de kale boom situatie, een dubbele windhaag, een houtwal of een constructie met een vergelijkbare filterende werking.

Op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden inmiddels aangescherpte driftbeperkende maatregelen; meer driftbeperkende spuitdoppen en lagere spuitdruk. In de eerste 14 m vanaf een watervoerende watergang zijn de eisen nog strenger. Hiermee wordt de driftblootstelling voor de omgeving verder beperkt. In deze specifieke situatie geldt dat de afstand van de grens van de woonbestemming van eerste woning tot het landbouwperceel 30 m bedraagt en tot de woning 45 m. De woonbestemming voor de tweede woning ligt aansluitend aan het landbouwperceel. De woning komt op ongeveer 15 m uit het landbouwperceel. Direct grenzend aan de nieuwe woonbestemming ligt een watergang zoals zichtbaar is op onderstaande kaartuitsnede. Om emissie naar het oppervlaktewater te beperken, zijn er voorschriften voor een teeltvrije zone. Een teler moet langs sloten of greppels een teeltvrije zone aanhouden die varieert per gewassoort van 50 centimeter tot 5 meter. Binnen zo'n zone mag een teler geen bespuiting of bemesting toepassen. Afhankelijk van de teelt van dat jaar en de daarmee samenhangende bespuitingen wordt de afstand tot initiatiefperceel verder vergroot.

Figuur 10; legger oppervlaktewaterlichamen met ligging sloten ten opzichte van initiatiefperceel

Het omliggend perceel is al jarenlang akkerbouwmatig in gebruik. Bij gewasbeschermingsmiddelengebruik op akkerbouwpercelen treedt er minder verwaaiing van spuitvloeistof op dan bij de bespuiting van fruitbomen doordat alleen neerwaarts wordt gespoten. De teler is niet voornemens fruit te gaan telen en anders dan neerwaartse spuittechniek toe te gaan passen. Rondom het perceel wordt beplanting gerealiseerd waarbij aan de zijden van het landbouwperceel een zeeuwse haag, 3 rijen in driehoeksverband wordt aangeplant. Het plan hiervoor staat weergegeven in paragraaf 2.3 in figuur 7 en in bijlage 5. 32

Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat ook ingeval er fruitteelt op het perceel zou plaatsvinden bij gebruikmaking van de verplichte driftreducerende technieken van 75% en 90% en de aanwezigheid van de windhaag geen overschrijding direct achter de haag te verwachten is. Hiermee wordt de afstand van het perceel tot de tuin en de woningen verantwoord geacht en kan er ook in zoverre een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning worden gerealiseerd. Conclusie Het initiatief vormt geen belemmering voor omliggende functies en omliggende functies vormen geen belemmering voor het initiatief.

5.3 Luchtkwaliteit Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De Wet milieubeheer vormt met titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ het wettelijk kader voor de beoordeling van de luchtkwaliteit. Een plan wordt toelaatbaar geacht indien deze: -

niet resulteert in een overschrijding van een grenswaarde; niet resulteert in een verslechtering van de luchtkwaliteit; niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging; is opgenomen in, of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); of een project een ander project van gelijke of grotere omvang vervangt.

Het plan is niet opgenomen in het NSL. De te bouwen woningen vervangen de aanwezige landbouwbedrijven en de bijbehorende agrarische bedrijfswoning waarmee er geen sprake zal zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Verkeersbewegingen met vrachtwagens en landbouwvoertuigen komen te vervallen.

Toetsing De bestaande luchtkwaliteit is voldoende om een woonfunctie toe te voegen zo blijkt uit raadpleging van de monitoring NSL 2021. De ontwikkeling zal niet zorgen voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Met het plan verdwijnen twee landbouwbedrijven en één bedrijfswoning. Daarmee zal er geen sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Conclusie Geen belemmering

33

5.4 Geluid en stilte Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerlawaai en industrielawaai door middel van zonering.

Wegverkeerslawaai Kader In de Wet geluidhinder en de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten zijn normen en grenswaarden opgenomen voor de toelaatbare geluidbelasting van onder meer industrielawaai, wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai. De regelingen gaan daarbij uit van een voorkeursgrenswaarde en een grenswaarde na ontheffing. Een geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is in het algemeen zonder meer toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan aanvaardbaar geacht. Een geluidbelasting hoger dan de grenswaarde is niet toelaatbaar. In het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de grenswaarde is de geluidbelasting alleen toelaatbaar na een afwegingsproces. Dit afwegingsproces heeft vorm gekregen in de zogenoemde procedure hogere grenswaarden. In de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zijn geen concrete criteria gegeven voor het vaststellen van een hogere waarde. Indien er niet voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde, vormt het gemeentelijke ‘Hogere waarden beleid’ het aanvullende kader voor de toetsing, onderbouwing en toekenning van de benodigde hogere waarde. Het gemeentelijke ‘Hogere waarden beleid’ sluit aan op de in de gemeentelijk milieubeleidsmodule “Geluid & Stilte” aangegeven beleid gericht op het behouden van stille gebieden (één van de te waarborgen kernkwaliteiten).

Het beleid is op een aantal vlakken strenger dan onder het regiem van de oude Wet geluidhinder (vóór 1-12007). In onderstaande tabel zijn de ten hoogst toelaatbare waarden voor wegverkeerslawaai opgenomen. De voorkeursgrenswaarde is 48 dB.

Tabel 1 Geluidnormen uit de Wet geluidhinder

NIEUWE WONING/BESTAANDE WEG

HOOGST TOELAATBARE GEVELBELASTING

Nieuw te bouwen woningen

stedelijk 63 dB

Vervangende nieuwbouw

stedelijk 68 dB

Indien een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld of een bestaand bestemmingsplan wordt gewijzigd dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Als uit het akoestisch onderzoek voor het bestemmingsplan blijkt dat bij geluidgevoelige bestemmingen de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, kan het college van B&W een hogere grenswaarde vaststellen. 34

Een verzoek tot vaststelling of herziening van een hogere grenswaarde gaat altijd vooraf aan een vast te stellen of te wijzigen bestemmingsplan. Industrielawaai De geluidsruimte is voor een deel van de bedrijven vastgelegd in de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu. Een groot deel van de bedrijven valt onder een algemene maatregel van bestuur. Hierin zijn o.a. voor geluid voorschriften opgenomen. Deze voorschriften kunnen bepalend zijn voor de benodigde afstand tussen het bedrijf en gevoelige functies in de omgeving.

Toetsing verkeerslawaai Een groot gedeelte van de wegen binnen de bebouwde kom is aangewezen als 30 km/uur wegen. Deze wegen hebben geen zone in het kader van de Wet geluidhinder. Toetsing aan de Wet geluidhinder is dus niet aan de orde. Binnen de gemeente zijn er slechts enkele wegen binnen de bebouwde kom die een snelheidsregiem hebben van 50 km/uur. Realisatie van geluidgevoelige bestemmingen binnen de zone van deze wegen behoeft wel toetsing aan de Wet geluidhinder. De Dorpsweg en de Molenweg behoren tot deze wegen. Al is de Molenweg niet specifiek in het beleid opgenomen. Van de Dorpsweg is op basis van beschikbare informatie de geluidcontouren berekend. Op basis van deze tabel kan de geluidbelasting op woningen goed worden ingeschat. In specifieke situaties kan een uitgebreid akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn. Tabel 2 berekende geluidcontouren Dorpsweg Bruinisse

48 dB

50 dB

53 dB

55 dB

Dorpsweg Bruinisse

20 m

12 m

<10 m

57 dB

Door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing is op 25 oktober 2021 een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door de zoneplichtige wegen. De hoogste geluidbelasting wordt veroorzaakt op de voorgevel door de Dorpsweg, namelijk 52 dB. De zijgevel van de woning aan de Molenweg 5 ondervindt een geluidbelasting door de Molenweg van 51 dB. Hiermee overschrijdt het de voorkeurgrenswaarde van 48 dB maar blijft het onder de hoogste toelaatbare gevelbelasting van 63 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden waardoor onderzocht moet worden of bron- of overdrachtmaatregelen mogelijk zijn. De Wet geluidhinder stelt in artikel 110a dat een hogere waarde alleen verleend mag worden indien maatregelen om wel aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen onvoldoende doeltreffend zijn of overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

35

Maatregelenonderzoek Daar waar het aspect wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient onderzocht te worden of er maatregelen mogelijk zijn om de gevelbelastingen te reduceren. Deze maatregelen kunnen zijn: -

maatregelen bij de bron; maatregelen in de overdrachtsweg; maatregelen bij de ontvanger.

Maatregelen bij de bronnen zijn in dit geval niet mogelijk: − − − − −

het vervangen van de wegdektypen is kostenintensief; medewerking van de wegbeheerder noodzakelijk is; de verkeersintensiteiten kunnen niet omlaag worden gebracht; de verkeerssamenstellingen kunnen niet gewijzigd worden, zonder de functies van beide wegen aanzienlijk aan te tasten.

Wel is er een juridische titel om de toegestane rijsnelheden te verminderen. Maatregelen in de overdracht door middel van geluidschermen worden niet opportuun geacht, omdat: − het aanbrengen van schermen kostenintensief is (minimaal € 75.000); − medewerking van de wegbeheerder noodzakelijk is; − er fysiek gezien geen ruimte is; − bezwaren van stedenbouwkundige aard ontmoet. Het plaatsen van een geluidscherm langs de weg of nabij het gebouw stuit in een binnenstedelijke situatie op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. Het is nadrukkelijk de bedoeling om op dezelfde locatie en in dezelfde stijl als de voormalige (waardevolle) agrarische bebouwing terug te bouwen. Bovendien is het bouwvlak ‘maar’ 35 meter diep. Vanuit ruimtelijk oogpunt is het bezwaarlijk om de twee-onder-een kapwoning te positioneren verder gelegen in het potentiële transformatiegebied. Het initiatief op een grotere afstand tot de wegen te projecteren is in onderhavige situatie niet opportuun, omdat deze gronden van derden zijn. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen adequate maatregelen te treffen om de geluidbelasting vanwege het wegverkeer zodanig te reduceren dat voldaan kan worden aan de voorkeursgrenswaarde. De maatregelen ontmoeten bezwaren van financiële en/of stedenbouwkundige aard.

Om de voorkeursgrenswaarde zo veel als mogelijk te benaderen, kan de wegbeheerder overwegen om de maximaal toelaatbare rijsnelheid op de Molenweg en de Dorpsstraat (vanaf de kruising naar het westen) af te waarderen naar 30- km/h.

Hogere grenswaarde – binnen de bebouwde kom Als uit het akoestisch onderzoek voor het bestemmingsplan blijkt dat bij geluidgevoelige bestemmingen de geluidbelasting de voorkeursgrenswaarde overschrijdt, kan het college van B&W een hogere grenswaarde vaststellen. Een verzoek tot vaststelling of herziening van een hogere grenswaarde gaat altijd vooraf aan een vast te stellen of te wijzigen bestemmingsplan. In dit geval gaat om woningen binnen de bebouwde kom. Het vaststellen van een hogere waarde binnen de bebouwde kom is, op basis van het gemeentelijk beleid, slechts onder een paar voorwaarden mogelijk.

36

1.

5.

Belangen van bedrijvigheid Gezien de grote afstanden (ongeveer 100 meter) worden omliggende bedrijven niet in hun geluidsruimte geschaad. De afstand tussen de geplande woningen en bedrijven worden niet kleiner ten opzichte van de huidige (planologische situatie met de bedrijfswoning). Bovendien zijn op kortere afstand van de bedrijven in de omgeving al woningen gelegen. 2. Invullen van een open plaats Niet van toepassing. 3. Vervanging van gebouwen In de huidige situatie is geen bebouwing meer aanwezig. Echter er is nog sprake van een agrarisch bouwvlak waarbinnen de fysieke mogelijkheid ontbreekt het plan te realiseren binnen de voorkeursgrenswaarden. Bovendien is het de bedoeling om de zogenaamde tweeonder-een- kapwoning in dezelfde stijl terug te bouwen als de voormalige agrarische bebouwing. 4. Functiewijziging / Behoud cultuurhistorische waarde De gemeente Schouwen-Duiveland wil gebouwen met een (cultuurhistorische) waarde zoveel mogelijk behouden. Om deze panden voor Zeeland te behouden, kan het noodzakelijk zijn een functiewijziging toe te staan naar een woning of ander geluidsgevoelig gebouw. De afstand tot de weg is in dergelijke situaties een vaststaand gegeven, de geluidbelasting is dat dan in principe ook. Om onnodige sloop (of verwaarlozing) van dergelijke panden te voorkomen, wordt een hogere geluidbelasting toegestaan.

In dit geval heeft een noodzakelijke sloop van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing plaatsgevonden. Het is de bedoeling om op dezelfde locatie en in dezelfde stijl als voormalige agrarische bebouwing terug te bouwen. Vanuit ruimtelijk oogpunt zijn er niet veel andere alternatief. De diepte van het huidige agrarische bouwvlak is 35 meter (gemeten vanaf de Dorpsweg). Bijbehorende bouwwerken Niet van toepassing.

Omgevingsvergunning bouwen Omdat bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn, zijn maatregelen aan het gebouw vereist. Hierbij dient aan de wettelijke binnenwaarde te worden voldaan. Om dit te kunnen bepalen is het noodzakelijk de geluidwering van de gevels te berekenen en deze te toetsen aan het Bouwbesluit. De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt ter plaatse vande gewenste woningen maximaal 4 dB vanwege de Dorpsweg en 3 dB vanwege de Molenweg. Indienvoor de gewenste woningen hogere waarden worden verleend, dienen ingevolge artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2021 de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies van de geluidgevoelige ruimten minimaal het verschil tussen de vastgestelde geluidbelasting vanwege het wegverkeer (= hogere waarde exclusief de aftrek art. 110g Wgh) en 33 dB te bedragen. In onderhavige situatie betekent dit dat de geluidwering (57 – 33 =) 24 dB dient te bedragen. Initiatiefnemer zal, in navolging van wat staat opgenomen in het akoestisch onderzoek, de geluidwering afstemmen op de gecumuleerde geluidbelasting. Dit is niet verplicht maar zou het woon- en leefklimaat verbeteren.

37

Conclusie Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek en het gemeentelijk beleid kan hogere waarden worden vastgesteld voor de gewenste ontwikkeling. Hiertoe is een aanvraag ingediend. Gezien het berekende geluidniveau van ten hoogste 58 dB op de voorgevel en het aan te houden geluidniveau van 33 dB in de verblijfsruimten is het ook vanuit een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk dat er extra aandacht wordt besteedt aan de uitvoering van de geluidwering van de gevel. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal een rapportage gevoegd moeten worden, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012. De hoogste karakteristieke geluidwering (GA;k) van de uitwendige scheidingsconstructies van de aanwezige verblijfsgebieden, gelegen aan de voor- en linkerzijgevel, dienen te voldoen aan minimaal 24 respectievelijk 23 dB. Ervan uitgaande dat een gevel minimaal een geluidwering heeft van zeker GA;k 20 dB(A), maar met traditionele bouw zonder specifieke maatregelen veelal 24-25 dB(A) wordt behaald, is het noodzakelijk de geluidwering nader te onderzoeken.

5.5 Externe veiligheid Algemeen Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: • bedrijven waar opslag, gebruik en / of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Toetsing Risicovolle inrichtingen Volgens de Risicokaart bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen (Besluit externe veiligheid inrichtingen) die van invloed zijn op de planontwikkeling. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze Bevi-inrichtingen.

38

Figuur 11: uitsnede Risicokaart

Toetsing Vervoer van gevaarlijke stoffen / Basisnet De rijksweg N 59 is zodanige afstand dat de relevante invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. Deze ontwikkeling op een grotere afstand dan de 200 meter uit het Basisnet maakt dat dit niet zal zorgen voor een (significante) toename van het groepsrisico. De thema’s water en buisleidingen zijn niet van toepassing op dit plangebied.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Andersom zorgt de ontwikkeling niet voor een beperking van Bevi-inrichtingen en transportroutes vervoer gevaarlijke stoffen.

5.6 Bodem Milieuhygiënische bodemkwaliteit Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. Voor alle locaties waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Het Besluit bodemkwaliteit omvat de regels rond grondverzet, bouwstoffen en een stuk kwaliteitsboring. Mitec Advies B.V. heeft in juli 2019 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van de locatie Molenweg 5, de kadastrale percelen Bruinisse, sectie G, nummer 580 te Bruinisse. Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie.

39

De verkregen resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het rapport van het verkennend bodemonderzoek is bijgevoegd in Bijlage 2 Voor de Dorpsweg 32 is ook een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusie luidt: Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De rapportage is bijgevoegd in Bijlage 3 Duurzaam bodemgebruik Realiseren duurzaam bodemgebruik door rekening te houden met de lokale bodemkwaliteiten. De bodem biedt zowel kansen als belemmeringen. Door deze eigenschappen af te stemmen met de (ruimtelijke) ontwikkeling kan duurzaam bodemgebruik worden gerealiseerd. Thema’s die hier worden meegenomen zijn o.a. zettingsgevoeligheid, bodemsoort, kabels en leidingen, grondwater en het gebruik van bodemenergie.

Niet gesprongen explosieven De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieve (conventionele explosieven) kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en - uitvoering leiden. De gemeente beschikt over een inventarisatie van niet gesprongen explosieven op een signaleringskaart, opgesteld door historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Wanneer er ontwikkelingen plaatsvinden in een aandachtsgebied kan een toetsing op niet gesprongen explosieven worden uitgevoerd. De ontwikkeling vindt niet op een locatie plaats die verdacht is op NGE’s.

Aardkundige waarden Ten aanzien van de aardkundige waarden richt het gemeentelijk beleid zich op het versterken van de plaatselijke landschapskwaliteiten. Dit kan door aardkundige patronen een zichtbare rol te laten spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Doorsnijding en versnippering van het landschap moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Mogelijkheden voor bodemenergie De grond is geschikt voor het toepassen van bodemenergie zie onderstaande uitsnede.

40

Figuur 12: geschiktheid bodemenergie

Toetsing Gezien er sloop en nieuwbouw plaatsvindt is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. De ontwikkeling vindt niet op een locatie plaats die verdacht is op NGE’s. De grond is geschikt voor het toepassen van bodemenergie. Overige punten zijn niet relevant gezien de locatie reeds is bebouwd.

Conclusie De verkregen resultaten van de uitgevoerde verkennende bodemonderzoeken geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

5.7 Licht en duisternis Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. In het gemeentelijke beleid zijn een aantal uitgangspunten vastgesteld ten behoeve van buitenverlichting (aan gevels en op de percelen) en daarbij een prioriteringsvolgorde bepaalt die daarbij gehanteerd moet worden: alleen licht plaatsen als het echt noodzakelijk is; alleen dan verlichten als het licht noodzakelijk is; alleen die plaats verlichten waar licht nodig is; daarbij geen onnodig fel licht gebruiken; Alle buitenverlichting dynamisch (bewegingssensors), alleen neerwaarts gericht en zodanig aangebracht dat er van buiten het terrein geen zich is op de lichtbron; paardenbak wordt niet verlicht.

41

Toetsing De locatie ligt tegen de dorpsrand aan. Buitenverlichting wordt geplaatst voor de veiligheid op het terrein. De lampen worden alleen benedengericht en beperkt op de noodzakelijke plaatsen aangebracht. De lichtpunten bestaan uit 5W LED lampen. De lampen worden uitgerust met bewegingssensors. Dit is hiermee niet storend voor de omgeving leidt niet tot lichtvervuiling. In onderstaand figuur is het lichtplan voor de buitenverlichting weergegeven.

Figuur 13: lichtplan buitenverlichting

Conclusie Uit het lichtplan blijkt dat de lichtuitstraling zoveel mogelijk wordt beperkt. Dit is hiermee niet storend voor de omgeving leidt niet tot lichtvervuiling.

5.8 Duurzaamheid Duurzame ontwikkeling is ontwikkeling die aansluit op de behoeften van het heden zonder het vermogen van toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen, aldus de definitie van de VN-commissie Brundtland uit 1987. Bij duurzame ontwikkeling is sprake van een ideaal evenwicht tussen ecologische, economische en sociale belangen. Alle ontwikkelingen die op technologisch, economisch, ecologisch, politiek of sociaal vlak bijdragen aan een gezonde aarde met welvarende bewoners en goed functionerende ecosystemen zijn duurzaam. Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. De energietransitie, (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie) de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen) en de overgang naar circulaire economie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen). Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden.

42

Energiebesparing en het gebruik van duurzame energie is een belangrijk thema in de gemeentelijk Energie-Agenda en het regionaal en nationaal klimaatbeleid. In het bestemmingsplan gaat het er bij het thema energie om dat rekening gehouden wordt met duurzaamheidsaspecten bij het ontwikkelen van een plangebied. Daarnaast moet er ook gekeken worden of de ontwikkeling klimaatbestendig is. Daarvoor wordt gekeken naar de thema's waterveiligheid, wateroverlast, hitte en droogte. Klimaatverandering heeft ook voor deze thema's gevolgen. Door daar aan de voorkant hierop te anticiperen, kunnen de effecten hiervan worden verminderd.

Regelgeving Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De huidige Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) voor woningen is 0,4. Per 1 januari 2021 is de EPC vervangen door de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten voldoen aan de BENG norm. In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas voor kleinverbruikers bij nieuwbouw geschrapt. Dit betekent dat nieuw woningen aardgasvrij moeten worden gebouwd. In het Bouwbesluit is opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m² verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. De gemeente is verplicht uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie om in 2020 een plan te hebben om de gemeente in 2050 klimaatbestendig te hebben. Toetsing In de nieuwbouw komt geen aardgasaansluiting. De nieuwbouw wordt verwarmd door een warmtepompinstallatie met een gesloten systeem voor wg in de bodem: de locatie is zoals aangegeven in paragraaf 5.6 Bodem geschikt voor toepassing van bodemenergie. De nieuwbouw wordt verwarmd door vloerverwarming en voor de na-regeling met ventilatielucht.

Daarnaast worden de woningen voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie. Warm water is via een warmtepomp beschikbaar. In het keukenblok is dat via een close-in boiler. De woningen worden energieneutraal. Op het dak worden zoveel mogelijk zonnepanelen geplaatst. Hitte en Droogte Door klimaatverandering gaat de kans op ander weer toenemen. Hierdoor wordt de kans op extreme droogte en hitte groter. Om daar op te anticiperen wordt bij de bouwtechnische uitwerking uitgegaan van een goede isolatie die opwarming van het gebouw van buitenaf zoveel mogelijk verminderd. In de buitenruimte is het noodzakelijk dat er voldoende schaduwrijke gebieden worden gecreëerd, zodat er de mogelijkheid wordt geboden om in de schaduw te zitten of staan. Opgaand groen is hier een goede oplossing voor. Opgaand groen houdt verder het water langer vast, waardoor de kans op droogte verkleind wordt. Duurzaam groen is een goede maatregel tegen droogte en hitte. Een beplantingsplan, dat dit kan borgen, is ten behoeve van het planvoornemen opgesteld en maakt integraal onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Het is opgenomen als bijlage bij plantoelichting en bij de regels en is ook als voorwaardelijke verplichting verankerd in de regels.

43

Wateroverlast Met het realiseren van het bouwplan ontstaat meer ruimte voor de berging van water bij extreme buien doordat de oppervlakte van de bebouwing afneemt. Circulaire economie De circulaire economie is gericht op het zodanig toepassen van materialen dat de materialen na gebruik weer hergebruikt kunnen worden voor een hoogwaardige toepassing. In onderstaand figuur staat de essentie van circulaire economie aangegeven. Hergebruik betekent op de eerste plaats dat kapotte dingen weer gerepareerd worden en door goed onderhoud een langer functioneel gebruik mogelijk is. Wanneer het product zelf niet meer nodig is, wordt het niet weg gegooid, maar juist weer opnieuw voor anderen in roulatie gebracht, eventueel nadat onderdelen vervangen zijn en het product zo een update heeft gekregen. Als dat niet gaat, kan het materiaal nog gerecycled worden, waardoor de grondstof weer hergebruikt wordt. Als circulaire economie verder wordt doorgevoerd, dan gaat het niet meer om bezit maar om gebruik. De functie/dienst wordt gekocht en niet het middel. Het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven met het principe circulaire economie actief aan de slag te gaan. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp van het gebouw wordt hier zoveel mogelijk rekening mee gehouden.

Figuur 14 Circulaire economie

De nieuwe woningen worden bijna energieneutraal en zijn aardgasloos. Doordat bij de bouw zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met de grotere kans op hitte, wordt de kans op hittestress bij langdurige hoge temperaturen verkleind. Een goede isolatie is in dit specifieke plan van belang voor zowel temperatuur als ook voor geluid. Ook opgaand groen kan zorgen voor extra schaduwwerking, die de kans op hittestress verminderd. Daar wordt in het beplantingsplan, voor zover dit functioneel en qua (sociale) veiligheid ook mogelijk is, rekening mee gehouden. Circulaire economie is een uitvoeringsaspect dat nadere aandacht en invulling krijgt op het moment van de concrete bouwtechnische uitwerking van het definitieve bouwplan. 44

5.9 Natuur en landschap 5.9.1 Natuur Natura 2000 is het grootste initiatief op het gebied van natuurbescherming in Europa. Het is een samenhangend, Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk wordt gerealiseerd door bijdragen van alle lidstaten van de Europese Unie. Behoud en herstel van de biodiversiteit in de Europese Unie is het doel. De Natura 2000-gebieden worden aangewezen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Op 1 juli 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Ruimte voor economische ontwikkelingen, sterkere natuur en minder stikstof. De PAS is met een uitspraak van de Raad van State in mei 2019 vernietigd. Vooralsnog geldt dat initiatieven die enige depositie opleveren op Natura2000 gebieden vergunningplichtig zijn. Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming in werking. In deze wet werden 3 bestaande natuurwetten samengevoegd; de flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Soortenbescherming In de Wet Natuurbescherming zijn voor soortenbescherming zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen opgenomen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe.

Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten (tabel 1) geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten (tabel 2) is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten (tabel 3) kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing. Ter voorkoming van schade aan de natuurwaarden dienen werkzaamheden altijd buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden. Daar waar er sprake is van vaste broed- of verblijfplaatsen (bijvoorbeeld van gierzwaluw, kerkuil of vleermuizen) is het noodzakelijk om bij sloop of renovatie alternatieve nestlocaties aan te bieden.

Toetsing De afstand van de initiatieflocatie tot natura2000 gebieden bedraagt ruim 700 m tot de Krammer en 1200 m tot de Grevelingen. De planlocatie bevindt zich niet binnen of aansluitend aan een beschermd natuurgebied. Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied en de omvang van de ontwikkeling wordt geen stikstofdepositie boven de 0,00 mol /ha/jaar verwacht. In de beoogde situatie vindt een extensivering plaats van het gebruik van het perceel ten opzichte van de huidige planologische situatie en het voorheen aanwezige agrarische gebruik. Voor projecten geldt een vrijstelling voor de aanlegfase. In het verlengde daarvan is in dit bestemmingsplan daarbij aangesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de kleine schaal van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van onder meer versnippering, verstoring en licht- en 45

geluidseffecten uitgesloten. Het hergebruik van een voormalige bedrijfslocatie voor een tweetal burgerwoningen in de bebouwde kom betreft een kleinschalige ontwikkeling. De onderbouwing hiervan en de Aerius berekening is bijgevoegd in bijlage 4. Op het initiatiefperceel is geen bebouwing aanwezig. Het betreft een kaal perceel en wordt regelmatig onderhouden. Er zal daarmee geen geschikte biotoop ontstaan voor vestiging van beschermde soorten. Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten of natuurgebieden in de omgeving. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

5.9.2 Landschap Voor de inpassing van de nieuwe bebouwing in de omgeving is een groenplan opgesteld. Het doel hiervan is een samenhangende voorstel te bieden voor de groeninrichting van de kavels; -

Aansluitend op de groenstructuur van de Dorpsweg; Enerzijds creëren van beschutting tegen de wind, afscherming van het achterliggende landbouwperceel en het realiseren van privacy in de tuin; Anderzijds waarborgen van voldoende zicht op het kruispunt

Hierbij is gekozen voor de volgende uitgangspunten: De erfafscheidingen worden uitgevoerd als een groene omkadering van de percelen door middel van een groenstrook “Zeeuwse haag”. Deze groenstrook wordt gerealiseerd aan de zuid en oostzijde van de bebouwing als een gordijn om het gebouw. De plantstrook is een losgroeiende haag, heeft een breedte van 5m en een hoogte van ca 2,5m. De haag bestaat uit inheemse soorten zoals vermeld op het volledige plan in Bijlage 8. In de “Zeeuwse haag” zijn enkele vrij staande bomen opgenomen. Aan de voorzijde en een deel van de dorpszijde wordt een ligusterhaag gerealiseerd. Deze sluit aan op de beplanting aan de Dorpsweg. Deze ligusterhaag heeft een breedte van ca 0,80 m en een maximale hoogte van 1,00m om het overzicht op het kruispunt Dorpsweg/Molenweg te waarborgen. Het realiseren van het beplantingsplan wordt als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Middels een anterieure overeenkomst wordt het behoud en beheer gewaarborgd. Het volledige plan met soortenlijst is opgenomen in bijlage 5.

5.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarinde navolgende producten worden vervoerd:

46

-

gas, olie, olieproducten, chemische producten, vastestoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groterof gelijk aan 18 inch.

Met eventueel aanwezige overige (planologische niet relevante) leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Dergelijke kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondsenetten en netwerken (WIBON, 2018) regelt de wijze van informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en degenen die graafwerkzaamheden uitvoeren (particulieren en bedrijven). Doel van deze wet is onder andere de (economische) schade aan bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken te verminderen en de veiligheid van de graver endirecte omgeving te bevorderen. Particulieren en bedrijven die de graafwerkzaamheden uitvoeren en ook hun opdrachtgevers moeten de graafwerkzaamheden verplicht melden bij het Kadaster met een KLIC melding en moeten ervoor zorgen dat graafwerkzaamheden zorgvuldig (kunnen) worden uitgevoerd. De WIBON wordt gehandhaafd door het Agentschap Telecom, onderdeel van het ministerie van economische zaken. Het Agentschap bezoekt ook graaflocaties en kan bij overtredingen onder meer boetes opleggen. Toetsing en conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevant aan te merken solitaire leidingen en geen leidingstroken en hoogspanningsverbindingen aanwezig, waarmee voor voorliggende planontwikkeling bestemmingsplanmatig rekening moet worden gehouden. Op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling zal tenminste drie werkdagen voor de aanvang van de graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert via een KLICK-melding (moeten) worden meegedeeld waar en wanneer wordt gegraven.

5.11 Water Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn: -

het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater; het hergebruik van water; het zuinig omgaan met drinkwater; het beperken van de onttrekking van grondwater. 47

Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting van een bestemmingsplan aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro. Dit hoofdstuk kan als waterparagraaf worden beschouwd. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Bij voorkeur in de initiatieffase

Toetsing Hieronder zijn een aantal uitsnedes opgenomen uit de Atlas van Zeeland van de Provincie Zeeland die informatie geven over de wateraspecten op de initiatieflocatie. De waterkansenkaarten stedelijk gebied zijn bedoeld om mogelijkheden en beperkingen bij stedelijke uitbreiding inzichtelijk te maken.

Figuur 15: Uitsnede waterkansenkaart; aandachtsgebieden waterhuishouding

De kaart met aandachtsgebieden waterhuishouding geeft aan waar in Zeeland relatief snel wateroverlast is te verwachten. De kaart is gebaseerd op een combinatie van relatieve hoogteligging, bodemsamenstelling en kwelintensiteit.

48

Figuur 16: Uitsnede waterkansenkaart: bodemtype en infiltratie

De watertabel is bijgevoegd in bijlage 6. Op basis van bovenstaande kaarten is duidelijk dat initiatieflocatie geen aandachtsgebied is; er is niet snel wateroverlast te verwachten. Huishoudelijk afvalwater wordt geloosd op de riolering. De bestaande locatie is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De nieuwe woningen zullen daar ook op worden aangesloten. Schoonwater wordt afgekoppeld, hemelwater van schone verharde oppervlakken waaronder de daken wordt vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Teneinde de omgang met het water bij het planvoornemen te beschrijven, is de watertoetstabel opgesteld. In de watertoetstabel zijn voor de diverse relevante waterthema's de waterdoelstellingen van het waterschap weergegeven, met daarbij de uitwerking van deze doelstellingen voor de onderhavige locatie. Het Waterschap Scheldestromen heeft aan de hand van de watertoetstabel een advies gegeven. Er is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. De watertabel is bijgevoegd in bijlage 6. Het waterschap heeft per mail van 21 februari 2022 een wateradvies afgegeven en akkoord te zijn met de waterparagraaf en -tabel.

De reactie van het waterschap is tevens opgenomen in bijlage 6. Conclusie De functiewijziging van agrarisch naar wonen heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Het vuile water wordt afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. Hergebruik van hemelwater bij woningen kan beperkt plaatsvinden door middel van gietwater voor de tuin. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. Wateraspecten vormen geen belemmering voor het initiatief. Het Waterschap Scheldestromen heeft een positief wateradvies afgegeven.

49

5.12 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het Verdrag van Malta (1992) is gericht op de bescherming van archeologische waarden, bij voorkeur door behoud in de bodem. Met de Wet archeologische monumentenzorg (Wamz) heeft Nederland het Verdrag van Malta in de wetgeving verankerd. Deze verplichting is vastgelegd in de huidige Erfgoedwet (2016). Het gemeentelijk archeologiebeleid is sinds 2008 vastgelegd in ‘Beleidsplan Archeologie’. In de bijbehorende beleidskaart is de archeologische verwachtingswaarde per gebiedstypologie vertaald in drempelwaarden voor de oppervlakte en bewerkingsdiepte van bodemingrepen. Per archeologische verwachtingswaarde is aangegeven vanaf welke oppervlakte en bewerkingsdiepte een vergunningplicht geldt. Toetsing De initiatieflocatie heeft in het bestemmingsplan een Dubbelbestemming Archeologie -7. Voor deze gebieden geldt een onderzoeksplicht naar archeologische waarden bij bodemingrepen vanaf 5000m2 en een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm -mv. Op basis van het Beleidsplan Archeologie is bij een dergelijke verwachtingswaarde de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 7’ van toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12089789/1