Rapport Wetenschappelijk Overzicht Kinderrechters Jeugdbescherming AZF2021
Tekst van het document
5. er bestaat geen gerechtvaardigde verwachting dat de ouder(s) alsnog in staat zullen zijn om hun verantwoordelijkheid te nemen binnen een termijn die voor het kind aanvaardbaar mag worden geacht, gelet op de persoon en de ontwikkeling van het kind {en dis is wel zeer vaag en tot misbruik geschikt voor de jeugdzorg}. Voor de zorg waar het onder (5) om gaat, wordt verwezen naar art. 1:247 lid 2 uit het Burgerlijk Wetboek. Art. 1:247 lid 2 BW luidt: Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. In de tweede volzin is vastgelegd dat de ouders het kind niet mogen blootstellen aan psychische of lichamelijke mishandeling en het evenmin op een andere manier mogen vernederen -{en is misbruik voor werkgelegenheid niet één van de mogelijkheden? Is een vernederende behandeling niet ook een niet-diagnostisch-ingrijpen met ernstig gevolg voor de gezondheid en ontwikkeling?}. Dit is in zoverre volledig te rijmen met internationaal
recht, al is het slot (“enige andere vernederende behandeling”) wellicht wat nog ruim geformuleerd en mogelijk nog vatbaar voor interpretatie. Maar in een situatie waarin internationaal recht wordt nageleefd en objectief feitenonderzoek wordt gedaan, zal dat in de praktijk meevallen. Iedereen begrijpt uiteindelijk wel wat ermee wordt bedoeld. Waar de tweede volzin nog betrekkelijk weinig aan de verbeelding overlaat, is vooral de eerste volzin ruim omschreven en daarmee vatbaar voor persoonlijke invulling. In aanvaardbare omstandigheden – dus waarin de rechter die zich bijv. over een OTS buigt, zich baseert op objectief feitenonderzoek vanuit de jeugdzorg en steeds het recht op family life art. 8 EVRM als uitgangspunt blijft hanteren – zal dat op zich niet heel snel uitmonden in interpretatieproblemen -{maar wel escalerend door de ‘bemoeizorg’, vooral bij scheidingen}. In Nederland is de situatie echter al jarenlang anders. Het uitgangspunt binnen de jeugdzorg is dat er juist géén objectief feitenonderzoek wordt gedaan. Dat betekent dat rechters dus voortdurend
22
beslissingen blijven nemen die haaks staan op het uitgangspunt van art. 8 EVRM, en daarmee continu internationaal recht blijven schenden.
Geen denkbeeldig denkbeeldig risico Het betreft hier geen denkbeeldig risico. Het gaat niet slechts om een situatie waarin ‘wellicht ‘wellicht de mogelijkheid zou kunnen bestaan’ bestaan’ dat het recht op family life wordt geschonden. Het recht op family life staat onder hoogspanning omdat de rechten van ouders en kinderen daadwerkelijk stelselmatig door de familierechter worden geschonden. Een voorbeeld is het rapport van de Kinderombudsman Amsterdam uit 2018 waar gesproken wordt van “prangende knelpunten” rondom thema’s zoals waarheidsvinding en neutraliteit. Zo wordt op pag. 3 vermeld dat “in gezinsplannen en andere rapportages onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen feiten en meningen.” Op pag. 4 wordt gewag gemaakt van regelmatige inhoudelijke onjuistheden in gezinsplannen en rapportages. Er wordt gesproken over gezinsmanagers die niet bereid zijn om rapportages te herzien, ook al waren andere betrokken (professionele) partijen van mening dat het te kort door te bocht was geformuleerd. In gezinsplannen worden voornamelijk negatieve aspecten over een ouder genoemd, ook al laat de opmaak expliciet ruimte om dingen te vermelden die goed gaan. Vermeldingen van andere betrokken organisaties worden klakkeloos overgenomen, zonder zelf onderzoek te doen. Er wordt melding gemaakt van onvolkomenheden in communicatie en verslaglegging.
-{Kinderombudsman Dullaert vond dit ook in 2013}. Dit is dan nog beperkt tot het optreden van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JEBRA), waar zich intussen zelfs excessen hebben voorgedaan die tenminste al een keer hebben uitgemond in een contactverbod voor een gezinsmanager die het écht te bont had gemaakt. Maar ook meer in den brede doen zich in Nederland schrijnende situaties voor. In het blad “Mr.” verscheen zelfs een ervaringsverhaal van een senior (bestuurs)rechter in de rechtbank Amsterdam die zelf {8 jaren} vastliep in de bureaucratie van de jeugdbescherming en de familierechtspraak. Sociaal pedagoog Harry Berndsen concludeerde na het bestuderen van tweehonderd dossiers dat er iets grondig fout zit in de jeugdzorg. “Medewerkers doen geen gedegen feitenonderzoek, waardoor kinderen onterecht uit huis of onder toezicht worden geplaatst.” Er verschijnt boek na boek over ouders die zich emotioneel gevangen voelen, en kinderen die te maken krijgen met ouderverstoting als gevolg van het optreden van de jeugdzorg. Monique Meulemans schreef er in 2020 een indrukwekkend boek over. Tweede Kamerlid René Peters (CDA) publiceerde een boek “Zorgen over de jeugdzorg” waarin hij ingaat op kwesties rond gebrek aan geld en samenwerking, lange wachtlijsten, bureaucratie en kwetsbare kinderen voor wie geen goede hulp is.
Een indrukwekkend boek is “Gepleegd” van Jasper Heijting, die zelf slachtoffer is geworden van een onveilige thuissituatie. De jeugdzorg wist van alle misstanden maar ondernam geen actie. De lijst gaat maar door en door.
Waar gaat het mis? - volgens een jurist: Waar het juridisch misgaat, is betrekkelijk kort samen te vatten. De Nederlandse familierechter vertrekt vanuit boek 1 BW, en dan met name titels 14 en 15 over omgang en gezag. De rechter is daarbij verplicht om het recht op family life van art. 8 EVRM tot uitgangspunt te nemen. In lid 2 staat een limitatief opgesomd en nauwkeurig omschreven aantal uitzonderingen op het uitgangspunt van lid 1, dat inhoudt dat een ieder recht heeft op zijn eigen gezinsleven, en dat de overheid dat recht dient te respecteren. Die uitzonderingen moeten worden gelezen in de context van de preambule van het EVRM, dat weer verwijst naar de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN. Kortom, wil je een inbreuk maken op het gezinsleven, dan zal je met objectieve feiten moeten komen die van een dermate zwaar gewicht zijn, dat daarmee een inbreuk op het mensenrecht op family life gerechtvaardigd is.
23
En dat gebeurt niet. De Nederlandse familierechter onderzoekt zèlf namelijk geen feiten, maar besteedt dat onderzoek uit aan de Raad voor de Kinderbescherming {of G.I.}. De Raad onderzoekt zelf evenmin, maar besteedt het onderzoek op haar beurt weer uit aan gecertificeerde instellingen (zoals JEBRA, Jeugdbescherming Regio Amsterdam in het voorbeeld hierboven). Die instellingen zoals JEBRA werken vaak weer op basis van externe rapportages die worden aangeleverd door gemeentelijke jeugdteams. Er wordt daarbij soms gebruik gemaakt van mediation, waarbij de Mediatorsfederatie Nederland (MfN) er geen principieel bezwaar in lijkt te zien dat daar registermediators voor worden ingezet die afkomstig zijn vanuit de jeugdzorg. Dat leidt dan weer onvermijdelijk tot problematiek en tuchtzaken over registermediators die vanuit onverenigbare rollen opereren. De onafhankelijke Stichting Tuchtrechtspraak Mediation (STM) merkt daarover op: Uit de klacht en het verweer leidt de Tuchtcommissie af dat veel klachten zijn voortgekomen uit de verschillende hoedanigheden waarin de mediator is opgetreden, namelijk als hulpverlener (gezinsmanager) en als mediator. Naar het oordeel van de Tuchtcommissie had de mediator vanuit de aanvankelijke hulpverleningssituatie nooit de rol van mediator op zich mogen nemen.
Er zijn fundamentele en niet te overbruggen verschillen tussen de werkzaamheden van een hulpverlener en die van mediator. Een rolwisseling leidt, gelet daarop, noodzakelijkerwijs tot misverstanden bij betrokkenen en daardoor ook tot conflicten, die in de onderhavige kwestie volledig uit de hand zijn gelopen. Een hulpverleningsinstantie zou dan ook naar het oordeel van de Tuchtcommissie nooit uit de eigen gelederen een mediator naar voren moeten brengen. De kritiek wordt echter niet adequaat opgepakt door de MfN, zodat het probleem blijft bestaan. De betrokkenheid van een registermediator geeft de bevindingen van de jeugdzorgorganisatie uit de gelederen waarvan hij zelf afkomstig is, toch enig cachet, terwijl het in werkelijkheid vaak gewoon om een gezinsmanager gaat, die op dat specifieke moment even naar voren wordt geschoven als registermediator, om vervolgens weer verder te gaan in de rol van gezinsmanager. Ook wordt er niet zelden gebruik gemaakt van externe zorginstellingen en (particuliere) bureaus die allemaal weer hun eigen programma volgen. Het gaat dan om programma’s zoals “Kind in de knel”, “Samen Hier”, “Ouderschap Blijft”. Deze externe zorginstellingen en particuliere bureaus worden sinds de decentralisering van de jeugdzorg door gemeentes gefinancierd.
Er zijn vaak lange wachtlijsten en niet alleen is de effectiviteit van deze programma’s beperkt (en bovendien lastig meetbaar), maar soms werken zij ronduit contraproductief. In sommige gevallen is het Openbaar Ministerie betrokken. Boek 1 BW geeft daar her en der wel aanknopingspunten voor. Zo kan, op basis van art. 1:255 lid 2 BW, een OTS plaatsvinden op verzoek van het OM. In zoverre strekt het mandaat van het OM dus blijkbaar verder dan enkel het bestrijden van criminaliteit. Daarbij kun je je afvragen in hoeverre dat wel wenselijk is, aangezien het OM natuurlijk verregaande bevoegdheden heeft op het gebied van opsporing en handhaving. Op het moment dat het OM tegelijkertijd met taken op het gebied van jeugdzorg bekleed is, bestaat daarmee in beginsel het risico dat die taken door elkaar gaan lopen, en dat het OM in voorkomende gevallen het strafrecht bijvoorbeeld functioneel zou kunnen inzetten om bij te sturen in een familierechtelijke setting. Zou dat gebeuren, zou alsdan de grondslag van het strafrecht worden verlaten, dat uiteindelijk bedoeld is als ultimum remedium in het kader van speciale en algemene preventie en de vergelding van crimineel gedrag. Dat wordt temeer problematisch op het moment dat het OM zich bij een dergelijke inschatting zou baseren op uit de jeugdzorg afkomstige informatie, die immers niet
24
gebaseerd is op feitenonderzoek. Hiermee is niet gezegd dat dit voortdurend gebeurt, maar de mogelijkheid is evenmin voorshands uitgesloten. Je kan je in zoverre dan ook afvragen in hoeverre het OM eigenlijk wel in boek 1 BW thuishoort. In het merendeel van de gevallen gaat de verslaglegging, waar de Raad voor de Kinderbescherming verantwoordelijk voor is, over zoveel schijven dat de (onafhankelijke) controleerbaarheid in individuele gevallen onder zware druk staat. Problematisch is daarbij dat jeugdzorgmedewerkers werken op basis van (meestal per instelling verschillende) protocollen waarin vaak zelfs woordelijk is vastgelegd dat niet wordt gestreefd naar waarheidsvinding. Objectief feitenonderzoek wordt daarmee categorisch uitgesloten omdat het vanuit de betreffende instellingen, en op basis van hun eigen protocollen die voor hun handelen leidend zijn, onwenselijk wordt geoordeeld. “Iedereen heeft zijn eigen waarheid” is het devies. De leidende overtuiging is dat objectief feitenonderzoek niet passend zou zijn in een jeugdzorgsetting. De vele individuele rapporten en adviezen die op die manier bij de afzonderlijke en decentraal georganiseerde partijen tot stand komen, gaan naar de Raad voor de Kinderbescherming. Die onderzoekt niet zelf, maar vat de bevindingen samen in een raadsrapport. Dat rapport wordt weer teruggekoppeld aan de familierechter.
De familierechter baseert zich in het overgrote merendeel van de gevallen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, en velt vervolgens een oordeel over omgangs- en gezagskwesties aan de hand van titels 14 en 15 van boek 1 BW.
Rechtsgevolg Dat betekent dat de beslissingen die de Nederlandse familierechter neemt, structureel niet zijn gebaseerd op objectief en controleerbaar feitenonderzoek. Nederland schendt daarmee structureel het recht op family life zoals dat in art. 8 EVRM wordt gegarandeerd, omdat niet aan de uitzonderingsgronden van lid 2 wordt voldaan. Een uitzondering op het uitgangspunt dat ieder recht heeft op respect voor zijn gezinsleven, ook vanuit de overheid, is alleen te rechtvaardigen als dat gebaseerd is op objectief en controleerbaar feitenonderzoek. De situatie is dermate schrijnend dat ik mij afvraag in hoeverre het niet eens tijd wordt dat de Staat der Nederlanden hiervoor krachtig terecht wordt gewezen door het Europees Hof. Tot nu toe lijkt het op “pappen en nathouden”. Kinderen komen daardoor in de knel en worden geconfronteerd met schrijnende situaties, waaronder ouderverstotingsproblematiek of problemen met identiteitsvorming, en kunnen posttraumatische stressklachten of persoonlijkheidsproblematiek ontwikkelen als gevolg van deze stelselmatige schendingen van internationaal recht. Ouders krijgen soms jarenlang hun kind niet te zien en gaan daar emotioneel aan onderdoor, zeker omdat zij op een muur van bureaucratie, onbegrip en vooral gebrek aan empathie vanuit de betrokken jeugdzorg én de familierechter stuiten.
Niemand heeft er intussen enig zicht op of intussen de voorwaarden van art. 1:255 lid 1 aanhef en sub a en b BW wel of niet worden geschonden, en of een kind bijvoorbeeld wel bij de juiste ouder is geplaatst, juist vanwege het ontbreken van objectief feitenonderzoek. De pijn zit hem vooral in de ruime formulering van de criteria in art. 1:255 lid 1 BW, en – in het verlengde daarvan – in art. 1:247 lid 2 BW. Er wordt gebruik gemaakt van open normen zoals “ernstige bedreiging”, “noodzakelijke zorg”, “niet of onvoldoende accepteren van de zorg voor de betrokken ouders”, “geen gerechtvaardigde verwachting dat dat in afzienbare tijd zal veranderen”.
25
Normaal gesproken zijn open normen niet heel problematisch. Aan de hand van jurisprudentie wordt de invulling daarvan dan wel nader bepaald. Zelfs met een open norm zoals die van art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW, “onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid”, blijkt in de praktijk uitstekend gewerkt te kunnen worden. Aan de hand van voortdurende nieuwe rechtspraak wordt de invulling van zo’n open norm dan vanzelf steeds nauwkeuriger bepaald. Een enkele keer gaat de Hoge Raad dan nog wel eens ‘om’, zoals in het befaamde arrest Lindenbaum/Cohen, wat dan aanleiding is voor juridische polemieken en academische publicaties waarin dan de alarmklok wordt geluid over de onbepaaldheid van zo’n open norm, maar in de praktijk komt dat uiteindelijk altijd wel goed. Zo heb ik zelf een keer mijn zorg uitgesproken over de nieuwe koers van de Hoge Raad inzake passief en actief wanpresteren door de faillisementscurator, omdat de ontwikkelingen in de arresten Nebula, Berzona en Credit Suisse/Jongepier mij enigszins opvielen. In al die gevallen gaat het om academische overwegingen. Waar het in deze bijdrage echter om gaat, is over hoe je als samenleving omgaat met omgang en gezag over kinderen.
Dat is naar zijn aard geen thema dat zich leent voor bedenkingen zoals: we werken weliswaar met een open norm, maar aan de hand van de jurisprudentie zien we vanzelf wel in welke richting het zich ontwikkelt, en na verloop van tijd kun je daar dan wel een bepaalde lijn in onderkennen. Het probleem is hier bovendien nog dat de jurisprudentie, zeker waar het gaat om omgangs- en gezagskwesties, categorisch niet betrouwbaar is. Familierechters baseren zich op onderzoeken door de Raad voor de Kinderbescherming, die de Raad niet de facto zelf uitvoert maar die vervolgens worden opgepakt door decentraal georganiseerde instellingen die om principeredenen niet werken op basis van waarheidsvinding. Dat betekent dat we aan de jurisprudentie hoegenaamd niets hebben; althans niets wat ook maar enigszins betrouwbaar is, omdat het (1) praktisch oncontroleerbaar is, (2) niet gebaseerd is op objectief feitenonderzoek. De jurisprudentie waar we mee moeten werken, bestaat uit beslissingen van rechters die een dossier aangeleverd krijgen van de Raad voor de Kinderbescherming, dat weer gebaseerd is op losse bevindingen en rapporten die over vele (decentrale) schijven zijn gegaan, en die nota bene om principeredenen niet gebaseerd zijn op waarheidsvinding. Daar zit niets tussen wat de toets van art. 8 lid 2 EVRM kan doorstaan.
Dat, terwijl het – zeker waar het gaat om gezag – in wezen heel eenvoudig is: kan er een objectieve grondslag worden gegeven, dan is daarmee een inbreuk op het recht op family life gerechtvaardigd, omdat dat – om in de woorden van het EVRM te spreken – alsdan bij de wet (in formele zin) is voorzien, en noodzakelijk is in een democratische samenleving voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (lees: het betrokken kind). Het gaat nadrukkelijk om een “objectieve grondslag”. Medische (orthopedagogische, psychodiagnostische) rapportages zijn bijvoorbeeld objectief. Een mening is niet objectief. Het verschil is voorshands duidelijk en is niet zozeer iets wat zich in de loop der jaren geleidelijk zal moeten uitkristalleren in jurisprudentie. De Nederlandse jeugdzorg slaagt er echter niet alleen niet in om een dergelijke objectieve grondslag te leveren, maar sterker nog: het gebeurt niet uit principeredenen, omdat “de” waarheid niet bestaat, maar omdat er geredeneerd wordt dat iedereen “zijn eigen waarheid” heeft. Het lijkt er niet op dat er in de nabije toekomst veel zal gaan veranderen. Voor een deel zal het wellicht met de cultuur binnen de jeugdzorg te maken hebben, die soms meer op zichzelf betrokken
26
lijkt te zijn en haar kerntaak daarbij uit het oog verliest, hetgeen meer in den brede wellicht ook van de Nederlandse overheid als geheel zou kunnen worden gezegd. Ik meen dat het jeugdzorgbeleid, met inbegrip van beslissingen die familierechters nemen in kwesties rond omgang en gezag, en alles wat daar verder bij komt kijken (waaronder het verergeren van de problematiek sinds de decentralisering van de jeugdzorg), zich goed zou kunnen lenen voor toetsing aan art. 8 EVRM door het Europees Hof in Straatsburg. Het lijkt mij prangende noodzaak dat dat een keer gebeurt, nu Nederland er klaarblijkelijk niet in slaagt om de jeugdzorg zodanig te organiseren dat deze uitmondt in respect voor het internationale recht op gezinsleven, en – in het verlengde daarvan – een veilige jeugd voor onze kinderen." *: Mr. T.A. (Tom) Knijp, LLM Legal .nl
_______
- Tot zover zijn analyse over internationaal recht t.o.v. de jeugdzorgpraktijk. Voor een verbeterde jeugdzorgwetgeving zijn nodig: Ingang tot jeugdbescherming moet gewogen worden met hoge sport op de ladder van de Onderzoekshiërarchie voor advies aan rechter, Bewegen binnen de grenzen van internationaal recht en arresten, Aantoonbare echte voorlichting en diagnostiek (als nulmeting en voor IVRK25 bij verlengingen van een dwangmaatregel), De recente wetenschappen over de schadelijke aspecten van een maatregel tegenwegen ten opzichte van de vermeende ‘bedreigingen’, die meer gecodificeerd of gedefinieerd moeten zijn dan de bewering van ‘onveiligheid’, De inzet en keuze van ouders dient na inhoudelijke voorlichting duidelijker vastgelegd te worden. Vergeten we de artikelen van prof.dr.mr. Caroline Forder niet waar arresten van het EHRM ook de wetgeving begrenzen.
10. Blijft de politiek wegkijken? En de rechters dan? Ligt hier geen reden om het wegkijken te laten varen ten dienste van ca. 10% van de opgroeiende jeugd (en dat zijn er ca. 3,5 miljoen)??? Laat voor de ingang van een beschermingsmaatregel degelijker gemeten worden met aantoonbare voorlichting en open diagnostiek. Lid 3 van artikel 24 IVRK is duidelijk: een schadelijke traditie van jeugdzorg zou moeten worden opgedoekt, en daar had de commissie Junger-Tas in 1983 reeds gelijk in. Ze adviseerde meer gerichte àmbulante hulp, en gaf een Engels voorbeeld aan, waar dit in een kwartaal reeds kan. Er kàn gemeten worden met ópen diagnostiek naar de hogere beroepscodes en de WGBO, om te meten of de beweerde en ongedefinieerde 'onveiligheid' wel klopt en reeds preventief wat aan voorgelicht is.
27
De NJi produceerde rapporten die bol staan over 'veiligheid en beschermen', zonder dat dit gedefinieerd is om te kunnen meten waar de grenzen liggen, laat staan dat deze begrippen afdoende gecodificeerd zijn. Ook misbruik van vals beweren (in de jeugdzorg) dient gesanctioneerd te zijn.
We dienen te anticiperen op de bevinding, de biologische tijdbom, tijdbom, van Daniel R. Weinberger, Weinberger, 2018: "Het èchte gevaar van het scheiden van kinderen van ouders is niet de psychologische stress – het is de biólogische tijdbom. Het geschreeuw en het gehuil, de angst en de verlatenheid zijn hartverscheurend. Máár de fall-out verbleekt in vergelijking met de minder zichtbare langetermijneffecten die meer sinister en gevaarlijk zijn. Het scheiden van kinderen van hun ouders, in een UitHuisPlaats-setting of buitenlandse adoptie, bij vreemden, weg van een gescheiden ouder, veroorzaakt de meest extreme levensstress die een kind kan ervaren. En het veroorzaakt diepgaande en onomkeerbare veranderingen in de manier waarop hun DNA wordt verpakt en welke genen aan en uit worden gezet in de cellen van het lichaam, in organen zoals de pancreas, de longen, het hart en de hersenen – wat leidt tot levenslange veranderingen in de structuur en functie ervan. ..."
Dus: “Extreme Stress in jeugdzorg is giftig voor het DNA !” als nòg grótere schade dan de stress van loyaliteitsconflicten, hechtingsgemis, en een gevoel van onveiligheid en onzekerheid, wat de bemoei- en dwang-zorg oplevert. De huidige jeugdzorgwetgeving negeerde deze wetenschappen en adviezen van ook Nederlandse wetenschappers en orthopedagogen. Het decennia lang wegkijken is amoreel en moet stoppen. Risicotaxatielijstjes, nogwel ingevuld door diagnostischonbevoegden, en slechts half gevolgde richtlijnen, leiden tot speculatieve gronden voor een beschermingsmaatregel, nog afgezien van het wegen hoe een beschermingsmaatregel in de praktijk werkt. Ook over richtlijnen en signaleringsinstrumenten, die als ‘feitelijke uitkomsten’ worden gebruikt, bestaan wetenschappelijke inzichten. Een indicatie via die methode heeft slechts een waarschijnlijkheidswaarde van 0 tot 50%. Hier meer over een zo’n instrument:
28
11. Indicatieve waarde van taxatielijsten en richtlijnen: Op https://www.henw.org/artikelen/de-onzin-van-screening-op-kindermishandeling staat, met berekening als aanvulling tussen accolades van AZF: citaat:
Signaleringsinstrument SPUTOVAMOSPUTOVAMO-R2: "… In twee onderzoeken hebben we het signaleringsinstrument SPUTOVAMO-R2 voor kindermishandeling (verder genoemd ‘checklist’) geïmplementeerd op vijf huisartsenposten in de regio Utrecht . De checklist bestaat uit vijf vragen. Bij een afwijkend antwoord op een vraag is er een vermoeden van kindermishandeling [figuur 1]. In één jaar tijd hebben de huisartsen voor alle kinderen die een van de vijf deelnemende huisartsenposten bezochten (nA = 50.671) een checklist ingevuld. Bij 108 kinderen was sprake van een positieve checklist (0,2%). {En daarna werd bekeken of de checklist ook echt klopte}:: Bij onderzoek A hebben we daarna aan de hand van een multidisciplinair overleg bepaald of bij de kinderen met een vermoeden op de checklist, ook daadwerkelijk sprake was van kindermishandeling. Het multidisciplinaire team kon bij 24 van de 108 positieve checklists het vermoeden op {enigermate} kindermishandeling bevestigen (22%). Bij 36 kinderen (33%) stelde het team geen kindermishandeling vast. Van de overige kinderen met een positieve checklist was het vermoeden al verworpen of ontbrak informatie. Bij onderzoek B hebben we aan de hand van een melding bij Veilig Thuis (VT) in tien maanden follow-up na het huisartsenpostbezoek bepaald of de uitkomsten op de checklist betrouwbaar zijn.
We hebben ook gekeken naar een steekproef van kinderen met een negatieve uitkomst op de checklist. Van de 108 kinderen met een positieve uitkomst, konden we bij 9 kinderen het vermoeden op kindermishandeling bevestigen (8%). In de groep kinderen met een negatieve uitkomst bleek dat bij 1% van de kinderen wel sprake was van een melding bij Veilig Thuis – deze kinderen waren dus gemist met de checklist (n = 478) {maar een melding zegt nog niet dat het waar
29
is!}. De prevalentie van kindermishandeling in dit onderzoek is 1%. De checklist spoort uiteindelijk maar 2% op van de kinderen bij wie sprake is van mishandeling, 'bevestigd' door een melding bij Veilig Thuis. Hier wordt dus níét opgespoord de “institutioneel mishandelde kinderen” in de jeugdzorg. – Dus uit 50.671 kinderen (=nA ) bleken 24 kinderen enigermate ‘mishandeld’ te zijn. Dat is nog geen 0,047% van n. Dat wijkt erg af van de 1 op de 30 kinderen die volgens de geëxtrapoleerde prevalentieonderzoeken ‘mishandeld’ zouden zijn, zoals de ‘jeugdzorg’ propageert. (Die zegt dat 118.000 kinderen per jaar mishandeld worden volgens de extrapolatie). En bij onderzoek B blijkt van die 108 (=nB ) via het AMHK (VT) van de positieve mishandelingstests 8% plus van de negatieven 1% enigermate ‘mishandeld’ te zijn. Dat is van nA (50.671 kinderen) nog geen 0,02%. (700 is veel minder dan de gepropageerde 119.000 in de Prevalentiestudie).
Natuurlijk sporen jeugdzorgwerkers, die geen diagnostische bevoegdheid hebben wel opvallend zeer veel meer ‘mishandelde kinderen’ op dan deskundigen! Dat is met de diagnostieke methode van deskundigen als vergelijk, niet meer serieus te nemen, zeker niet met onderbuikgevoelens van jeugdzorgwerkers als opsporingsmethodiek (Mythen van jeugdzorg)! Maar wegens de wetenschap en EHRM-arresten kunnen we ons afvragen of bij die ‘119.000’ ook alle weggeplaatste kinderen en kinderen onder een maatregel zijn bijgeteld. De prevalentiestudies kunnen eigenlijk in de prullenbak, maar propaganda als gewild vooroordeel over ouders is lastig te bestrijden, dus zorgt ge dat deze gegevens in uw zorgmap komen.
Herevaluatie van de verplichte screening: De matige validiteit van de checklist (onderzoek B ) in combinatie met de lage detectiegraad vraagt om een herevaluatie van de verplichte screening voor kindermishandeling op huisartsenposten. …. Een belangrijke beperking van onderzoek naar (ongedefinieerde) kindermishandeling is dat een gouden standaard voor de diagnose kindermishandeling ontbreekt. In de twee onderzoeken hebben we gebruikgemaakt van verschillende referentietests (multidisciplinair overleg versus melding bij VT) en vonden we ook twee verschillende percentages correct positieve checklists. Dit verschil laat zien hoezeer de gekozen referentietest van invloed is op de uitkomst van het onderzoek. Het multidisciplinaire team was niet geblindeerd voor de uitkomst van de checklist, wat mogelijk heeft geleid tot een overschatting van het aantal kinderen met kindermishandeling. Voor de melding bij VT geldt dat in Nederland geen sprake is van meldplicht, maar van een meldrecht. –{Maar dat weten deskundigen vaak niet, in hun hypocognitie hoe de jeugdzorg meet en beschuldigt. De deskundigen hebben naar hun beroepscode een verantwoordelijkheid!}. Artsen kunnen de huidige signaleringsinstrumenten noch als diagnostische test, noch bewustzijn jn op als signaleringsinstrument gebruiken, maar enkel en alleen om het bewustzi kindermishandeling te verhogen.”
30
12. Schemeren met het woord ‘veilig’ ‘veilig’ De jeugdzorgwerkers gebruiken zonder enige codificatie in het juridische woorden zoals ‘veilig’, of ‘onveilig’, en dit zien we terug in jeugdbeschermingsrapporten als basis voor een verzoek tot machtiging van een beschermingsmaatregel. Naast ondiagnostische methoden om zo tot een beschermingsmaatregel te komen, is ook de vraag of uithuisgeplaatst-zijn wel psychologisch veilig is. "Het effect is catastrofaal," zei Charles Nelson, een professor in de kindergeneeskunde aan de medische faculteit van Harvard. "Er is zoveel onderzoek hiernaar gedaan dat als mensen, die bewust op deze wetenschap zouden letten, dit nooit zouden doen." Degenen die op jonge leeftijd van hun ouders waren gescheiden, hadden veel minder witte stof , die grotendeels bestaat uit vezels die informatie doorgeven in de hersenen, evenals veel minder grijze materie, die de hersencellen {met dendrieten} bevat die informatie verwerken en problemen oplossen . De activiteit in de hersenen van die weggeplaatste kinderen was veel lager dan verwacht. "Als je de hersenen als een gloeilamp beschouwt," zei Nelson, "is het alsof er een dimmer is die hen van een lamp van 100 watt naar 30 watt heeft teruggebracht." De kinderen, die in hun eerste twee levensjaren van hun ouders waren gescheiden, scoorden significant lager op IQ-tests later in hun leven.
De vraag is dus waar de grens ligt waar de overheid kinderen toestaat weg te plaatsen: “Hoe lang kan een kind veilig van ouders worden gescheiden?” (Patricia H. Hawley Ph.D., 2018). Dat blijkt slechts onverwacht kort en met goede voorbereiding. Zo kan logeren geleerd worden. Een netwerkplaatsing verdient dan ook de voorkeur, naar bekenden. Toch spreekt de jeugdbescherming over ‘niet meer terugplaatsen na een jaar’ of twee (en vaak zonder dat er inhoudelijk en aantoonbaar is gewerkt aan terugplaatsen). Het cliché binnen de jeugdbescherming en vele kinderrechters is dat een aanvaardbaar termijn tot terugplaatsen al in 1 à 2 jaren is verkeken. Ze halen dan vaak “De Stem van het Pleegkind” aan, door A.M. Weterings en P.M. van den Bergh (FJR 2012/5). Het schijnbare wetenschappelijke document bevat nogal stellingen die er van uit gaan dat de jeugdbescherming reeds goed heeft onderzocht. Terugplaatsen kan met echte specialisten en gefaseerd nog steeds na vele jaren! Inmiddels zagen we dat dit onderzoek tot weg- en terugplaatsen ook al te vaak zeer dubieus was. Het cliché “perspectief-biedend pleeggezin” gaat over pleegouders die langer een pleegkind willen, doch niet over of een kind met een durende pleegsetting geholpen is.
De opgroeienden komen eens in de identiteitsfase, en willen dan of later in hun leven hun eigen afkomst (ouders, familie) kennen, met alle problemen die verwachtingen en fantasie veroorzaken, doch ook signalen over hun ouders vanuit de ondeskundige gezinsvoogdij in het kind zijn geprent. “Je ouders konden je niet opvoeden; ze waren niet goed.” Onvermeld bij dit cliché over een goed ‘perspectief’ naar de kinderrechter is dat een uithuisgeplaatst kind gemiddeld ruim vier keer wordt overgeplaatst, en dat dit vaak traumatisch kan zijn… en opgroeienden hulpmijdend maakt. Er wordt gesproken over ACE’s, en bij 4 of meer kindtraumatische ervaringen (ACE) is de levensverwachting jaren korter.
31
Patricia H. Hawley Ph.D (20 juni 2018) beschrijft dat al na enige dagen er een schijngedrag ontstaat van berusting, na veel stress, boosheid en huilen. Bowlby schreef dat dit het begin is van onveilige gehechtheid, “onthechting”. Deze fases zijn ook gefilmd, en daartoe moet de kijker sterk zijn. “Het maakt niet uit hoe ‘goed verzorgd’ de jonge kinderen zijn in ‘opvangcentra’, pleegsettingen. We weten al lang dat we jonge kinderen niet van liefhebbende verzorgers moeten scheiden, omdat de ‘jeugdzorg’ deze kinderen de exacte krachten zult ontzeggen die hen humaan, menselijk maken.” In “Gehechtheid aan Pleegouders”, door prof. Carlo Schuengel, Wim Slot en R. Bullens (ACK) staat o.a.: ‘Kinderen kunnen een boodschap of signaal anders interpreteren in de nog kleine
hersenen dan de opvoeders verwachten. Er wordt o.a. een vraag gesteld: “Hoe kan in het begeleiden van pleegouders en in het beleid van tehuizen het beste rekening gehouden worden met de gehechtheid van kinderen aan hun ouders, met het ontstaan van gehechtheid aan nieuwe opvoeders, en met de ònvermijdelijke verbreking van nieuw aangegane gehechtheidsrelaties?”’ (BW1:262 lid 3). Alice LoCicero, Ph.D. opperde om de schrijnende films aan de ongelovigen, en dat is in Nederland: de politiek en jeugdzorg, te laten zien. De naam van de film is: “John: Aged 17 months, 9 Days in a Residential Nursery”. Ook bij scheidingszaken (bij omgangssabotage, dat ‘vechten’ heet) zou men inhoudelijke voorlichting preventief verwachten om die stres te vermijden of te helpen verwerken. Dat kan door de internettraining standaard bij bekend-worden van de scheiding reeds aantoonbaar te verstrekken. Daarna is beter te meten of elk der ouders bewust is geworden en een mentale keuze kan maken voor het kind. Mediation kan slechts helpen onder voorwaarden, maar die kan een jeugdzorgwerker niet zien. Het Framework [bij scheidingshulp] in het VK werd in 2017 geïntroduceerd door de Chief Executive van de organisatie, [RvdK], Sir Anthony Douglas, die verklaarde: "Oudervervreemding (PAS, CAPRD) is een volksgezondheidskwestie. Vróége hulp is cruciaal" ...
In de adoptiewetenschappen, psychologisch goed vergelijkbaar met die van pleegkinderen die ook zijn weggeplaatst, zien we dat tegen de 45% van de adolescenten reeds problemen ondervinden wegens het niet kennen van hun ouders, en dat loopt verder in het leven op naar ca. 85%. TV-programma’s zoals Vermist zijn bekend. Nemen we al die wetenschappelijke inzichten bij elkaar, dan zullen deze cijfers t.o.v. weggeplaatste jeugdzorgkinderen niet al te veel verschillen, èn dat verklaart mede de uitkomsten dat wegplaatsen schadelijk is, zodat er rekening mee moet worden gehouden, tegenover de vermeende bedreigingen die ook ambulant bleken te kunnen worden opgelost. Psychotherapeute Nancy Verrier: "Ik ben ervan overtuigd dat het ruw verbreken van de band tussen het kind en diens moeder een oerverwonding of narcistische wond veroorzaakt, die het wezen van het kind aantast en zich vaak uit in gevoelens van verlies, fundamenteel wantrouwen, angst en depressie, emotionele of gedragsproblemen en moeilijkheden in relaties met andere mensen - ook later in hun volwassenheid. {Vergelijke bovenstaande wetenschappelijke bevindingen}. Hoe liefdevol een kind ook door de pleeg- of adoptiemoeder wordt opgevangen, er blijft het besef dat er ooit een echte moeder (en vader) was die het kind heeft 'weggedaan'."
32
Psychologisch werkt het besef ‘weggedaan’ te zijn, ‘afgestaan’, alsof je als jong individu geen bestaansrecht zou hebben. Uit de adoptiewetenschappen, met lange longitudinale wetenschappelijke onderzoeken blijkt dit onderhuids, ook na verwerking, door te blijven werken in het onderbewuste. Dit drukt het welbevinden. Geven we ‘zorg voor jeugd’ niet om dit tegen te gaan? Martijne Rensen is directeur van CELEVT (2018). Zij ziet ook dat veel van deze ‘weggeplaatste’ kinderen getraumatiseerd zijn en vaak in hun jeugd de verkeerde 'diagnosen' en behandelingen hebben gekregen. De 'Vroegkinderlijke Chronische Traumatisering’ (ACE) kan tot in de late volwassenheid leiden tot diverse psychische, gezondheids- en maatschappelijke problemen. Wetenschap over hoe het niveau jeugdzorg meet en over de gevolgen van een beschermingsmaatregel noopt tot het relativeren van adviezen vanuit dit domein. Corine de Ruiter c.s. (2020): “Kennis van het geheugen van kinderen en forensische interviewvaardigheden zijn cruciaal bij onderzoeken naar kindermishandeling.” Ook bij omgangssabotage geldt aandacht voor hoogwaardiger mogelijkheden om een band met beide ouders te meten en te verbeteren. “Blijkbaar bestaan bij veel [jeugdzorg]professionals misvattingen, die waarschijnlijk gevolgen hebben voor hun ‘professionele’ handelen en voor de beslissingen die zij nemen in deze ‘complexe echtscheidingszaken’.
Omdat de professionals niet over de juiste kennis beschikken en handelen vanuit onjuiste veronderstellingen, kunnen zij onbedoeld ernstige schade aanrichten bij kinderen in conflictscheidingsgezinnen. "Professionals zijn, als alle mensen, vatbaar voor confirmatory bias, dat is de neiging om alleen naar informatie te zoeken die hun oorspronkelijke idee/hypothese bevestigt.” Cora Bartelink schreef dan ook dat jeugdzorgwerkers te veel zich laten leiden door eigen (jeugd)ervaringen, naast het feit van gemis aan kennis om diagnostisch een kind te interviewen. "Zonder accurate kennis over de prevalentie van partnergeweld en kindermishandeling bij conflictscheidingen, {en zònder de mogelijkheden die de jeugdbescherming heeft door te verwijzen naar specialisten die geen beschuldigende gegevens dienen te verkrijgen, en zònder de mogelijkheden in https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/omgangssabotage-g-i }, zal de [jeugdzorg]professional het belang van feitenonderzoek naar deze vormen van huiselijk geweld bij conflictscheidingsgezinnen {over- of} onderschatten en er geen rekening mee houden in de besluitvorming.
Confirmatory bias zorgt ervoor dat diezelfde professional vervolgens [g]een ‘bewijs’ voor mishandeling of geweld ziet.” In het Promotieonderzoek van Sabine van der Asdonk, 15-09-2020, staat ook de noodzaak tot een [diagnostieke] interventie voor de beslissing: “Omdat we beargumenteren dat het implementeren van een gehechtheidsinterventie in het beslisproces de kwaliteit van uithuisplaatsingsbeslissingen kan verbeteren, hebben we de effectiviteit van een dergelijke procedure onderzocht. We hebben in één studie gevonden dat het toevoegen van informatie over de vooruitgang die ouders lieten zien na een gehechtheidsinterventie kan bijdragen aan een verhoogde betrouwbaarheid van uithuisplaatsingsbeslissingen.” Weliswaar wordt al aangenomen dat ouders mishandelen, toch zou ook volgens haar een bepaalde interventie, en wel over hechting, en dus specialistisch, het beslìssen – vooraf aan – naar een
33
beschermingsmaatregel kunnen verbeteren. Maar er wordt toegegeven dat uithuisplaatsbeslissingen – nu – vaak niet betrouwbaar zíjn. Peer van der Helm (HS Leiden, 8 juni 2021) schreef een opmerkelijke blog. Het vult met bronnen aan. ‘Ook uit onderzoek van het NJi(6) blijkt dat besluiten vaak een sterk houtje-touwtje-karakter hebben. Letterlijk: “Het onderzoek laat zien dat de betrouwbaarheid en de validiteit van beslissingen over uithuisplaatsing over het geheel genomen laag zijn.” Eenmaal een besluit onder tijdsdruk en in onzekerheid genomen kan niet meer worden teruggedraaid vanwege belangen, gezichtsverlies en angst voor schadeclaims. De psychologen Philip Tetlock, Linda Skitka en Richard Boetther deden daar in 1986 al onderzoek naar(8) en benoemden het mechanisme van het defensief versterken van het eigen gelijk defensive bolstering.’ Defensive bolstering kan het gevolg zijn van confirmation bias, en we zien het in de politiek, het beleid binnen de jeugdbeschermingsketen, en zelfs bij rechters. Na veel onderbouwing stelt hij: ‘De UHP schaadt kinderen en ouders in hun basisgevoel van veiligheid en in het vertrouwen van anderen en de overheid. Dat komt niet vanzelf goed… Goffman noemde dat proces [, de schade door een beschermingsmaatregel in het kind], ‘ego-mortificatie’(15), de afbraak van het ik. Bestaande gedragsproblemen verergeren.
Dit heeft tot effect dat kinderen [juist] vaker worden doorgeplaatst…. Dijkshoorn vertelde op 7 november 2020 in Argos dat uithuisplaatsen meer schade oplevert en [dat] jeugdbeschermers net zoals de rechters uit het onderzoek van De Jong te veel gericht zijn op onveiligheid. Nul uithuisplaatsingen is zijn doel, maar dat schiet niet op. De [jeugdzorg-]‘fabriek’ met de lopende band draait voort.’ Hij geeft vijf constructieve verbeteringsmaatregelen, en de noten/bronnen zijn ook daar te vinden.
Een reden om het advies vanuit de jeugdbescherming goed te wegen is het feilbare denken: "[Jeugdzorg]professionals zijn, als alle mensen, vatbaar voor confirmatory bias, dat is de neiging om alleen naar informatie te zoeken die hun oorspronkelijke idee of hypothese bevestigt.” [Zie Kassin, Dror & Kukucka (2013), p. 42-52.]
13. Bruikbare prangende onderzoeksvragen ten dienste van de kinderrechter: 1. Wilt u n.a.v. uw verzoek, mevrouw/heer de raadsmedewerker of gezinsvoogd, tot OTS en/of Uithuisplaatsing (UHP) uitleggen en bewijzen dat de ouders de ‘aantoonbaar verstrekte voorlichting om een beschermingsmaatregel te voorkomen’ aantoonbaar niet of duidelijk onvoldoende hebben geaccepteerd?3
3: Artikel 255 BW1 lid 1. "De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling
(gezinsvoogdij) indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling èrnstig wordt bedréígd, èn: a. de zorg die in verband met het wègnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of ònvoldoende wordt geàccepteerd, èn
34
2. Wilt u n.a.v. uw verzoeken tot OTS en/of UHP bewijzen, volgbaar uitleggen (naar de Beginselen van Behoorlijk Bestuur) dat uw ‘ernstige bedreiging’ in de thuissituatie zoveel ernstiger is dan de ernstige schade die bij het uitvoeren van een beschermingsmaatregel wetenschappelijk aangetoond gepaard gaat? 3. Hoe komt het dat er geen diagnòstieke nulmeting – vòlgens beroepscode – uitgevoegd is en/of als bewijs bij het verzoek naar de kinderrechter is verstrekt, zeker wanneer ouders er om vragen c.q. bij onenigheid? Hoe komt het dat u zich verzet wanneer ouders een legaal beroep doen op artikel 810a Rechtsvordering, lid 2, alsof ouders, met gebruik van BW1:247 en artikel 24 lid 1 van het prevalerend internationaal kinderrechtenverdrag, in feite niet “tegenwerken”, niet “niet accepteren”? Het “niet accepteren” is hiermee juist niet aangetoond?! Het vooraf goed en breed voorlichten, met dan een keuze, ook niet?! -{Onthoud: gedragswetenschappers zien tegen hun beroepscode in het cliëntsysteem niet, en mogen dus geen [diagnostisch] advies geven}. 4. Hoe komt het dat in uw verzoeken tot OTS en/of UHP geen uitleg gegeven werd op welke basis de verwàchtingen naar sub b lid 1 uit BW1:255 dit gebaseerd is – graag op basis van de feitelijkheden van ontwikkelingspsychologische of pedagogische wetenschappen?! 5. U weet dat BW1:265b zo vaag gecodificeerd4 is.
Het vraagt dus volgbare uitleg om een kind door een relatief laagopgeleide bij een G.I. of RvdK uithuis te mogen plaatsen. Weet u dat wetenschappelijk gezien aan veel duidelijker eisen zou moeten voldoen vanwege de tegenhanger, de [wetenschappelijk] aantoonbare schade van zulk maatregel? Heeft u de ouders dat aantoonbaar duidelijk gemaakt? 6. Hoe komt het dat aan scheidende ouders niet dírect (bij ruzie, bij politie gemeld, of bij inschrijven bij scheidingsrechtbank, of bij aanvang OTS) een [internet]training van bijvoorbeeld Villa Pinedo werd aangeboden, en de G.I. bij een omgangs-OTS zich niets aantrekken van voorlichten (BW1:262) en de door G.I.’s verkregen mogelijkheden in https://jeugdzorg.wixsite.com/jeugdzorg/omgangssabotage-g-i ? Waar deze vragen wegens recente wetenschap van groot belang worden voor de ontwikkeling, hechting en veiligheidsgevoel van de opgroeiende, zou toch deze wetenschappelijke inzichten als bedreigend voor het jeugdzorgkind, méégewogen dienen te worden, tegen de vermeende bedreigingen die de niet-diagnostisch-bevoegde jeugdzorgwerkers denken te zien. We gaven de bevinding van Cora Bartelink, 2018, uit haar proefschrift. Beslissingen in de jeugdbeschermingsketen lijden regelmatig onder hypocognitie, die te sterk gekleurd wordt door eigen (jeugd)ervaringen.
Zegt de titel van het proefschrift van René Clarijs, 2013, niets: “De Tirannie in de Jeugdzorg”?!
b. de verwàchting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn{?}, de veràntwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, {niet?!} in staat zijn te dragen." -{Zelden krijgen ouders bedoelde voorlichting vooraf}. 4
: BW1:265b lid 1. "Indien dit noodzakelijk is ‘in het belang van de verzorging en opvoeding’ van de minderjarige of tot 'onderzoek' van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de {ondeskundige} gecertificeerde instelling (G.I.), bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen." -{Vaak is de basis geen diagnostisch ópen onderzoek conform IVRK24 lid 1. Daarom zouden ouders voorlichting behoren te krijgen, wanneer ze hoogwaardiger gezondheidszorg wensen bij de hulp en steun die zij wegens BW1:262 lid 1 behoren te verkrijgen, èn geeft hen kennis van Rv810a lid 2 en van BW1:247 lid 1.
35
Conclusie We zagen veel wetenschappelijke inzichten vanaf het begin, tijdens en na de ‘bescherming’, over aspecten t.a.v. rechters en jeugdbescherming. De beleidsmakers, de politiek, behoren mee te denken. Rechters die onwetend advies van de laagste sport van de ladder der Onderzoekshiërarchie accepteren zonder bestuursrechtelijk onderzoek, wat de Centrale Raad van Beroep wel toewees aan kinderrechters (LJN BD1113), spreken gokkend ‘recht’. Er kan dus nog veel verbeterd worden: Kennis nemen van internationaal recht, zoals ge las in hier gegeven publicatie van Mr. T.A. Knijp, LLMLegal, Kennis nemen van wetenschap over hoe dubieus de jeugdzorg meet, zoals van Cora Bartelink, Corine de Ruiter, Brigitte van pol, Femy Wanders, Robert Vonk, Sabine van Asdonk, Peter Dijkshoorn, e.a. (Mythen), Gevolg geven aan de kennis die vele unanieme, onafhankelijke wetenschappers over de schadelijke kant van beschermingsmaatregelen voor desbetreffend kind en de zeer lage oplossende effectiviteit van een beschermingsmaatregel, gaven, Verwonderen dat het kan: enige EHRM-arresten waar Noorwegen met diens jeugdbescherming veroordeeld werd in ondiagnostieke gronden bij hun maatregelen en waar gesproken werd van “institutionele kindermishandeling”, Leren van arresten die de grenzen bewaken bij de vage codificatie bij beschermingsmaatregelen in de jeugdbescherming, zoals prof.mr.
Caroline Forder schreef in ‘Kroniek van het personen- en familierecht’ (NBJ 2015/2172 afl.43), Onthouden dat zeer vrije rechtsvinding een waarschuwingsbord kent zoals Mr. G.J. Wiarda schreef in “Drie typen rechtsvinding”, wat een knipperlicht zou moeten worden in hoofden bij beleidsmakers, besturen, politici en inspecties, Profijt trekken uit de Onderzoekshiërarchie, waar het door ouders en jongeren beklaagde niveau van adviezen (dat kinderrechters nodig hebben in jeugdbeschermingsrecht) de rechter door de repeat-player (EHRM) kan misleiden, Kennis nemen van de vraag naar ‘waarheidsvinding’ op hoog niveau ten behoeve van de psyche van jeugdzorgkinderen, waar de vermeende bedreigingen niet afgewogen zijn in de rapportages van de RvdK of G.I. naar de kinderrechter (“is de vermeende bedreiging schadelijker dan de maatregel, met uitleg en aantonen van preventieve voorlichting”). Opdat de mate van bedreiging of schadelijkheid van maatregel naar beide kanten duidelijk wordt,
Dit geeft alle reden om de ‘zorg voor jeugd’ anders te organiseren. Met specialisten mèt diagnostische en/of therapeutische bevoegdheid, en het aantoonbaar aanbieden van brede inhoudelijke voorlichting, zo preventief mogelijk. Jeugdzorg zou opgeheven moeten worden waar het volgende meld-systeem is ingevoerd. Het melden, ook van mogelijke mishandeling in de zorg voor jeugd, zou via een ander systeem meer selectief dienen te geschieden: https://kinderbescherming.jimdofree.com/brieven/meldonderzoekvernieuwen/ .
36
Voor een verbeterde jeugdzorgwetgeving zijn nodig: Ingang tot jeugdbescherming moet gewogen worden met hoge sport op de ladder van de Onderzoekshiërarchie voor advies aan rechter, zodat clichés geen eigen leven gaan leiden en de rechter misleiden; Bewegen binnen de grenzen van internationaal recht en arresten, en de wet beter codificeren; De recente wetenschappen over de schadelijke aspecten van een maatregel tegenwegen ten opzichte van de vermeende ‘bedreigingen’; De opzet van de jeugdzorgwetgeving mag geen invloeden kennen van het in het Verenigd Koninkrijk (GB) door de hoogste rechter veroordeelde GIRFEC-methode of -systeem, waar een Schots sociaal werker doorzettingsmacht heeft, en als Vast Gezicht (vergelijkbaar met de ‘Named Person’) met beschermingsmaatregelen mag spelen; Zet een gespecialiseerde Rechter-Commissaris-jeugd voor de OTS-verzoeken, conform de aangenomen motie voor een ‘onderzoeksrechter’; Aantóónbare echte voorlichting en diagnostiek (als nulmeting èn voor IVRK25 bij verlengingen van een drang- of dwangmaatregel); Wanneer er in het voorportaal diagnostisch gemeten wordt, volgt daar veelal een effectief en gemiddeld korter hulptraject uit dan de jeugdbeschermingstrajecten duren; via jeugdzorg wordt het zo duur – met goed voorlichtende diagnostieke specialisten voorkomt men klachten en wantrouwen tegen de rechtstaat en kan het goedkoper (per
geheel traject); De inzet en keuze van ouders dient na inhoudelijke voorlichting duidelijker vastgelegd te worden, waar bijv. Villa Pinedo veel kan betekenen; bij omgangssabotage-OTS-sen moet diagnostisch bekeken worden of een mediation wel zal helpen, of dat het eerder zal frustreren, wat escalatie betekent voor de opgroeiende. Besef dat de jeugdbescherming reeds decennia niet de geëigende gemachtigde blijkt te zijn voor omgangs-OTS-sen, en voor passende toewijzing van specialistische zorg evenmin.
"Het wetenschappelijk bewijs tegen het scheiden van kinderen uit gezinnen is glashelder," zei Erin C. Dunn. "Niemand in de wetenschappelijke gemeenschap zou het betwisten, het is niet zoals andere onderwerpen waar meer debat tussen wetenschappers is. We weten allemaal dat het slecht is als kinderen gescheiden worden van vertrouwde ouders. Gezien het wetenschappelijke bewijs is het kwaadaardig en komt het neer op kindermishandeling.'’ We mogen onze opgroeienden niet te lang onder hypo- en hyperarousal laten lijden, en moeten ouders snel deskundige tips tot oplossende representatie verstrekken. Het zijn niet allemaal ‘kindermishandelingen’ waar er risico’s worden bedacht! Kinderen kunnen leren van stressoorzaken waar dit in hun vertrouwde omgeving, onder vertrouwde hoede, wordt verwerkt door er juist over te spreken. Ruzies zijn er ook om van te leren deze op te lossen. Ouders zijn het levensvoorbeeld. Help hen. Tj.W. Strubbe – 2021 Dit staat in Dropbox op: https://www.dropbox.com/s/fq4wbbrc64g3xok/Rapport_Wetenschappelijk_Overzicht_ Kinderrechters_Jeugdbescherming_AZF2021.pdf?dl=0