Noordzee Residence Renesse Bijlagen bij toelichting Hoofdstuk 3 Provinciaal beleid
Tekst van het document
Hoofdstuk 3 3.1
Provinciaal beleid
Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (VEROUDERD)
In het Omgevingsplan wordt een nieuwe taakverdeling geïntroduceerd tussen Rijk, provincie, waterschap en gemeenten. In de nieuwe verdeling, gebaseerd op de beginselen van de Wet ruimtelijke ordening en het meest recente Rijksbeleid, beperkt de Provincie zich tot de kerntaken. De Provincie schept de kaders, gemeenten maken met elkaar afspraken over hoe deze kaders regionaal kunnen worden ingevuld. In het Omgevingsplan komt naar voren dat Zeeland als 'Land in Zee' een onderscheidende karakteristiek heeft binnen Nederland. Zeeland is door de schaal, lage bevolkingsdichtheid en (eilanden)structuur in geografisch en bestuurlijk opzicht anders dan andere gebieden. De bijzondere positie en potentie van Zeeland, kenmerken en onderscheidende landelijke karakteristiek, geven een sterk concurrerend en aantrekkelijk vestigingsklimaat op het gebied van wonen, bedrijvigheid en recreatie. Voor een blijvend krachtig Zeeland zijn in de toekomst economische groei, ontwikkeling en innovatie nodig. Dit is uitgewerkt in drie hoofddoelstellingen van beleid: Het bevorderen van een gezonde regionale economie; Een goede woon- en werkomgeving; Water en landelijk gebied met kwaliteit. Het bevorderen van een gezonde regionale economie De Provincie is samen met de gemeente verantwoordelijk voor het realiseren van Europese en nationale milieudoelstelling.
Daarbij wordt toegezien op grote en risicovolle bedrijvigheid waarbij gemeenten op lichtere milieucategorieën. In het landelijk gebied en langs de hoofdwegen zorgt de Provincie voor het tegengaan van milieuhinder en veiligheidsregio's. Daarbij hebben de volgende zaken prioriteit: Beter benutten van havengebieden en bedrijventerreinen; Verdere ontwikkeling van de biobased economy; Vernieuwing in de recreatie, visserij, schelp- en schaaldierensector en de landbouw. Nieuwe Economische Dragers in het landelijk gebied De komende generatie zal naar schatting ongeveer 40% van de agrarische ondernemers zijn agrarische activiteiten beëindigen. Herbestemming of sanering van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen is noodzakelijk om verpaupering te voorkomen. Nieuwe economische dragers leveren een bijdrage aan behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied. Het gaat per definitie om kleinschalige activiteiten die qua aard, schaal en omvang passen in het landelijk gebied. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun bestemmingsplannen buitengebied een lijst opnemen met toegestane activiteiten. Een nieuwe economische drager kan alleen worden gerealiseerd bij bebouwing op bestaande bouwvlakken en bij bestaande woonfuncties in het landelijk gebied. Verder is het volume van de bestaande bebouwing maatgevend voor de maximale omvang van de activiteit.
Nieuw gebruik van onbebouwde gronden is daarbij niet wenselijk (géén buitenopslag, stalling etc.). De capaciteit van het bestaande wegennet is bovendien bepalend om een verkeersaantrekkende werking tegen te gaan. De gemeente beoordeelt of initiatieven aan deze voorwaarden voldoen. Een goede woon- en werkomgeving Voor een gezonde regionale economische ontwikkeling is een goede woon- en werkomgeving noodzakelijk. Een goed functionerende woningmarkt met voldoende aanbod aan toekomstbestendige woningen is daarvoor een eerste voorwaarde. Dit is van direct belang voor de bouw-, detailhandels- en financiële sector, maar ook voor goede huisvesting van alle werknemers in andere sectoren. Vanwege de grote economische belangen investeert de Provincie mee in de toekomstbestendige huisvesting en
bewaakt de omvang en kwaliteit van regionale woningbouw en herstructurering. Ruimtelijk staan bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik voorop. Daarbij hebben de volgende zaken prioriteit: Toekomstbestendige woningmarkt; Een gezonde leefomgeving. Regionale woningmarktafspraken In het kader van een toekomstbestendige woningmarkt, bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik worden er regionale woningmarktafspraken gemaakt. Daarmee wordt onder andere geborgd dat er niet meer woningen worden gerealiseerd dan er vanuit de kwantitatieve behoefte op langere termijn noodzakelijk zijn. Ter bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik wordt bij alle woningbouwprojecten toepassing gegeven aan de duurzaamheidsladder. Woningbouw in het landelijk gebied Specifiek voor het landelijk gebied kent het Omgevingsplan een aantal regelingen waarmee woningbouw kan worden gebruikt als kostendrager bij het oplossen van problemen en/of het stimuleren van gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied. Op deze manier kan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering bereikt worden en landschappelijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven of worden versterkt. Woningbouw in het landelijk gebied mag echter geen doel op zich worden. Hierbij worden drie principes onderscheiden: 1. Het benutten van bestaande bebouwing (rood voor rood).
Onder deze categorie vallen de mogelijkheden voor verbetering, uitbreiding en verplaatsing van bestaande individuele burgerwoningen en het benutten van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het landelijk gebied, waaronder ook bestaande buitenplaatsen. In geval van hergebruik of sanering van niet cultuurhistorisch waardevolle bebouwing geldt de ruimte voor ruimte regeling. 2. Ruimte voor ruimte Een eenvoudige vorm van ruimte voor ruimte is het uitruilen van ontwikkelingsmogelijkheden. Het kan bijvoorbeeld gaan om de verplaatsing van een agrarisch bouwblok naar een nieuwe locatie of het uitbreiden van bebouwing in het buitengebied ten behoeve van het vergroten van een nieuwe economische drager waarvoor elders bebouwing wordt gesaneerd. Daarnaast biedt dit principe de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte (bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie). 3. Nieuwe bebouwing (rood voor groen) Dit principe biedt de mogelijkheid om nieuwe landgoederen of buitenplaatsen te realiseren in het buitengebied. Uitgangspunt voor een nieuw landgoed of buitenplaats vormt de door de particuliere sector betaalde aaneengesloten natuur- en of landschapsontwikkeling (bijv. aanleg van bos). Om aanleg, onderhoud en beheer te kunnen financieren mag bebouwing worden gerealiseerd.
Toegestane functies voor het gebruik van deze bebouwing zijn wonen, verblijfsrecreatie en zorg. Water en landelijk gebied met kwaliteit De Provincie bewaakt de kwaliteit van natuur en ontwikkelt natuurgebieden. Beheer van de natuurgebieden wordt door de Provincie gefinancierd en uitbesteed aan terreinbeheerders. Een goede kwaliteit en kwantiteit van oppervlaktewater en grondwater is voor alle inwoners en toeristen, en daarnaast ook voor de landbouw en de natuur van groot belang. Schoon water ontstaat niet vanzelf. De Provincie heeft de taak om dit te bewaken en toe te zien op correcte uitvoering van het waterbeheer door het waterschap. Daarbij hebben de volgende zaken prioriteit: Europese Kaderrichtlijn water; Integrale aanpak Deltawateren; Afronden natuurontwikkeling.
2
Zeeuwse natuurwaarden Bescherming, beheer en ontwikkeling van typisch Zeeuwse natuurwaarden is een belangrijke doelstelling, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het behoud van de (inter)nationale biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. Landschap en erfgoed De Provincie beoogt bovendien de identiteit, diversiteit en belevingswaarde van het Zeeuwse landschap en de aanwezige cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken. Herkenbaarheid, identiteit en regionale diversiteit zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Van gemeenten wordt verwacht dat zij het behoud en de bescherming van de kwaliteit van landschap en erfgoed opnemen in hun structuurvisies en bestemmingsplannen. In paragraaf 3.4 is voorliggend plan getoetst aan het Omgevingsplan Zeeland.
3.2
Verordening Ruimte Provincie Zeeland (VEROUDERD)
In de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (VRPZ2012) zijn voor de belangrijkste provinciale beleidsthema's kaders vastgelegd, die een directe doorwerking moeten krijgen in onze bestemmingsplannen. Wonen In de verordening is het woningbouwbeleid voor bestaand stedelijk gebied niet zodanig met regels vastgelegd. Vanuit het Omgevingsplan is wel het principe van duurzame verstedelijking doorvertaald, maar dient op (inter)gemeentelijk niveau het woningbouwbeleid voor het bestaand stedelijk gebied vorm gegeven te worden. Bedrijventerrein Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen gelden beginselen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. Daarmee verband houdend wordt tevens gestreefd naar herstructurering van bestaande terreinen en naar regionale afstemming. Deze beginselen en doelstellingen worden als provinciaal belang aangemerkt. De ontwikkeling (vestiging en uitbreiding) van bedrijvigheid dient in beginsel plaats te vinden op daartoe bestemde bedrijventerreinen. Detailhandel In de verordening zijn belangrijke onderdelen van het detailhandelsbeleid verwoord. Behoud en versterking van het aanbod aan detailhandelsvoorzieningen alsmede een sterke concentratie die bijdraagt aan de vitaliteit van binnensteden en dorpscentra worden als elementen van provinciaal belang aangemerkt. Detailhandelsvoorzieningen dienen primair binnen de bestaande kernwinkelgebieden te worden gevestigd.
Bij het versterken van de bestaande detailhandelsstructuur en het toelaten van nieuwe detailhandelsvoorzieningen zijn compactheid, samenhang en de aanwezigheid van of het realiseren van een verbindende looproute belangrijke voorwaarden. Een beperkte uitbreiding of een nieuwvestiging van beperkte omvang vergt geen uitvoerige motivering. Bij het toelaten van detailhandelsvoorzieningen binnen een kernwinkelgebied is geen motivering per individuele winkel noodzakelijk maar kan worden volstaan met een algemene motivering die betrekking heeft op het desbetreffende gebied. Landschap en Erfgoed In de toelichting van het bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarde van de gronden of elementen die zijn benoemd in bijlage 5 van de verordening of zijn aangegeven op kaart 11 behorende bij de verordening. Het bestemmingsplan behoort regels te bevatten ter behoud en bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
3
Ecologische Hoofdstructuur In een bestemmingsplan wordt voor de op kaart 8, behorende bij de verordening, aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur, primair de bestemming Natuur, Bos, Beschermde of Waardevolle dijk aangewezen. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd. Het bestemmingsplan mag in beginsel geen regels bevatten die de wezenlijke kenmerken of waarden van de benoemde gebieden per saldo significant aantasten. In paragraaf 3.4 is voorliggend plan getoetst aan de Provinciale Omgevingsverordening 2018.
3.3
Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Zeeland 'Mobiliteit op maat' (2008)
De nationale planstructuur voor verkeer en vervoer is vastgelegd in het Nationale Verkeers- en Vervoersplan (NVVP). Op grond van de Planwet dient de Provincie te voldoen aan haar planverplichting een Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) op te stellen. Het PVVP gaat in op de essentiële onderdelen uit het NVVP en besteedt aandacht aan de afstemming met andere beleidsterreinen als ruimtelijke ordening, economie en milieu. De provincie is verplicht de meest belanghebbende bestuursorganen bij de planvoorbereiding te betrekken. Het PVVP zet in op een optimaal verkeers- en vervoerssysteem, waarvan de kwaliteit voor de individuele gebruiker in goede verhouding staat tot de kwaliteit van de samenleving als geheel, en dat recht doet aan de verschillende functies in de gebieden. Het basisbeleid, de elementen die voor heel Zeeland gelden, is gerelateerd aan de verschillende beleidssectoren en vertaald in verkeerskundige termen. Deze elementen zijn: Duurzaam Veilig verkeer; bereikbaarheid per auto, Openbaar Vervoer en fiets; leefbaarheid. Gezien de gebiedsspecifieke situaties is er aanleiding geweest om in het PVVP lokaal of in een bepaald gebied accenten aan te brengen in het basisbeleid.
3.4
Zeeuwse Nota Waterkeringen (2010)
Met de Zeeuwse Nota Waterkeringen 2010 stelt het Zeeuws Overlegorgaan Waterkeringen (ZOW) een gezamenlijk beleidskader en een gezamenlijke ambitie voor de waterkeringzorg vast. Het ZOW speelt hiermee in op nieuwe ontwikkelingen, regelgeving en beleid en neemt een standpunt in over de Zeeuwse uitwerking van het advies van de Deltacommissie en het Nationaal Waterplan. De nota geeft bovendien een eerste aanzet voor de gebiedsvisie voor de Zeeuwse kust, die is aangekondigd in het Nationaal Waterplan. Meer in detail heeft de Zeeuwse Nota Waterkeringen de volgende doelen: waarborgen dat het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkeringen aan de normen blijft voldoen; inspelen op specifieke kenmerken en gebruik van Zeeuwse kusten en oevers; richting geven aan integraal kustbeheer; anticiperen op ontwikkelingen op lange termijn; sturing geven aan de Beheerplannen waterkeringen; innovaties in de bescherming tegen overstromingen stimuleren.
4
3.5
Natuur- en landschapsbeleid
De Provincie Zeeland is verantwoordelijk voor praktisch het hele natuurbeleid op basis van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Wet inrichting landelijk gebied (WILG). De Provincie stelt de beleidskaders vast, verleent ontheffingen en vergunningen, voert budgetbeheer, heeft de regie over de uitvoering, monitoring en toezicht (handhaving). Daarnaast wil de Provincie dat natuurgebieden en het platteland voor het publiek ontsloten worden: bekend, vindbaar, bereikbaar, toegankelijk en beleefbaar met daarbij speciale aandacht voor mensen met een functiebeperking. De Zeeuwse natuur wordt goed en actief beheerd. De Provincie stelt de doelen vast middels het Natuurbeheerplan Zeeland en stuurt het beheer van de natuurorganisaties en particuliere (agrarische) beheerders aan op basis van de Subsidieregeling Natuur en Landschap. Het Natuurbeheerplan Zeeland bevat het provinciale beleid voor begrenzing, verwerving, omvorming, inrichting en beheer van natuurgebieden en agrarische beheergebieden van de Zeeuwse Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurbeheerplan wordt jaarlijks gewijzigd. Op 29 september 2009 is het Natuurbeheerplan Zeeland 2009 vastgesteld, in 2010, 2011, 2012 zijn kleine planwijzigingen doorgevoerd. In 2013 is een grote planwijziging doorgevoerd, vanwege de landelijke herijking van de EHS.
Daarbij ligt het accent nu meer op inrichting dan verwerving en wordt er gestreefd naar een koppeling met Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. Voor Zeeland betekent dit een kleinere EHS. Begrensde natuurontwikkelingsgebieden worden via een waarborgingbeleid planologisch beschermd tegen onomkeerbare ingrepen.
3.6
Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2018
Als vervolg op de provinciale beleidsvisie externe veiligheid ‘Risico’s InZicht’ heeft de provincie Zeeland de nieuwe beleidsvisie ‘Verantwoorde risico’s’ opgesteld. Bij het opstellen van deze beleidsvisie heeft afstemming plaatsgevonden met de voorbereiding van het nieuwe Omgevingsplan dat naar verwachting in 2012 zal worden vastgesteld. Met de Beleidsvisie externe veiligheid wordt het beleid van de afgelopen jaren op hoofdlijnen voortgezet. De doelstelling is het realiseren van een veilige woon-, werk- en recreatieomgeving. De Provincie richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld die verbonden zijn aan de productie, de verwerking en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid in stedelijk gebied is primair de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het provinciaal externe veiligheidsbeleid rust op twee pijlers: 1. De effectieve en efficiënte uitvoering van wet- en regelgeving. 2. Invulling van de eigen beleidsvrijheid met locatiebeleid als belangrijkste instrument. Om de doelstelling te realiseren worden de volgende drie sporen gevolgd: Brongericht beleid. Via vergunningverlening en handhaving worden de oorzaken van risico’s aangepakt. Omgevingsgericht beleid. Door ruimtelijke inrichtingsmaatregelen wordt gezorgd voor een zo veilig mogelijke leefsituatie.
In dit beleid staat een gebiedsgerichte benadering centraal. Rampenbestrijding. Hierbij gaat het om de voorbereiding op (de bestrijding van) calamiteiten. Dit is primair het domein van de Veiligheidsregio. De Commissaris van de Koningin heeft een coördinerende taak bij de rampenbestrijding. In paragraaf 3.4 Provinciaal beleid wordt ingegaan op het belang van dit beleid voor voorliggend bestemmingsplan.
5