Noordzee Residence Renesse Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Beleidskader
Tekst van het document
Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1 Hoofdstuk 1 1.1
Beleidskader Europees beleid
Kaderrichtlijn Water (KRW)
In 2000 hebben de landen van de Europese Unie de Kaderrichtlijn Water (KRW) onderschreven om te komen tot basisbeginselen voor een duurzaam waterbeleid in de Europese Unie. De Kaderrichtlijn Water is door Nederland vertaald naar landelijke beleidsuitgangspunten voor een robuust en duurzaam water-systeem. In 2027 moeten de door Nederland aangewezen KRW-oppervlaktewaterlichamen voldoen aan de richtlijnen, zoals deze door de Europese Unie zijn vastgesteld. Voor het bereiken van de KRW-doelen is in het Nationaal Bestuursakkoord Water de onderlinge samenwerking tussen de overheden vastgelegd.
Hoofdstuk 2 2.1
Rijksbeleid
Nationale omgevingsvisie (NOVI) (2021)
De nationale omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze samenleving' komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting 1 juli 2022 in werking treedt. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo worden in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt. Vier prioriteiten hierin zijn: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen deze prioriteiten worden drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen om beleidskeuzes te maken. Dit zijn: 1. Combinaties van functies hebben voorrang op enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Tot het moment dat de Omgevingswet ingaat (verwacht 1 juli 2022) geldt de omgevingsvisie als structuurvisie en zijn nationale ruimtelijke belangen geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt gemaakt is niet expliciet genoemd in de Novi of in de bijbehorende uitvoeringsagenda. Het betreft een meer lokale afweging met lokale ambities voor wat betreft de fysieke leefomgeving.
De concrete criteria worden op decentraal niveau bepaald waarbij wel de denklijnen van de Novi gevolgd kunnen worden. Nederland gaat voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Dit betekent dat landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van de landschappelijke kwaliteiten. Waar mogelijk worden nieuwe kwaliteiten toegevoegd, zoals rust en ontspanning, weidsheid, natuurlijkheid en identiteit van het landschap. Gebruiksfuncties worden bij voorkeur daar uitgevoerd waar ze passen bij de karakteristieken en het functioneren van het natuurlijke bodemwatersysteem. De NOVI geeft enkel specifieke kaders voor de landschappen die op nationaal niveau van belang zijn. Voor een aantal nationale landschappen, zoals het Groene Hart, de Wadden, het Ijsselmeer en de Veluwe, zijn specifieke kernkwaliteiten benoemd. Het
6
voorliggende plangebied valt niet onder deze landschappen. De beoogde transformatie sluit aan bij de beleidsaspecten van de NOVI op het gebied van 'sterke en gezonde steden' vanwege het verbeteren van de verblijfsrecreatieve mogelijkheden die aansluit bij de behoefte en bijdraagt tot een veelzijdig aanbod aan recreatiemogelijkheden. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor onderhavig bestemmingsplan.
2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
In dit besluit worden regels gesteld voor verschillende aspecten van nationaal belang. Dit plan raakt geen rijksbelangen uit het Barro .Gronden ten westen van het plangebied zijn aanduid als 'kunstfundament'. Dat houdt in dat in een bestemmingsplan dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan er geen activiteiten mogelijk worden gemaakt die een belemmering vormen voor het uitzicht op de vrije horizon vanaf de gemiddelde hoogwaterlijn met de blik op zee. Het plangebied ligt echter buiten deze aanduiding en de regeling heeft geen externe werking.
2.3
Nota Belvedere (1999)
De Nota Belvedere geeft een visie op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van het fysieke leefmilieu in de toekomstige ruimtelijke inrichting van Nederland kan worden omgegaan. Daarnaast geeft het aan welke maatregelen getroffen moeten worden en geeft het een aanvulling op het bestaande sectorale beleid. Cultuurhistorie wordt daarbij beschouwd als van vitale betekenis voor de samenleving en de individuele burger. Het behoud en het benutten van het cultureel erfgoed voegt kwaliteit toe aan de culturele dimensie van de ruimtelijke inrichting. Een ontwikkelingsgerichte benadering staat daarbij centraal. Die invalshoek dient in het ruimtelijk beleid te worden bevorderd. Deze nota vormde een belangrijke bouwsteen voor de Vijfde Nota over de Ruimtelijke Ordening en andere relevante rijksnota's. Daarnaast heeft het beleid uit de Nota Belvedere zijn vertaling gekregen in het beleid van de andere bestuursniveaus. De centrale doelstelling van het beleid luidt: De cultuurhistorische identiteit wordt sterker richtinggevend voor de inrichting van de ruimte, en het rijksbeleid zal daarvoor goede voorwaarden scheppen. Deze hoofddoelstelling is vertaald in de volgende doelen: 1. Het erkennen en herkenbaar houden van cultuurhistorische identiteit in zowel het stedelijke als landelijke gebied, als kwaliteit en uitgangspunt voor verdere ontwikkelingen. 2.
Het versterken en benutten van de cultuurhistorische identiteit en de daarvoor bepalende kwaliteiten van de cultuurhistorisch meest waardevolle gebieden van Nederland, de zogenoemde Belvedere-gebieden. 3. Het scheppen van voorwaarden ten behoeve van initiatieven van derden gericht op thematische versterking van de cultuurhistorie. 4. Het verspreiden en toegankelijk maken van de kennis over cultuurhistorie, alsmede het stimuleren van de kansen van cultuurhistorie als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting en het ontwerp. 5. Het bevorderen van de samenwerking tussen burgers, organisaties en overheden. 6. Het verbeteren van de gebruiksmogelijkheden van het bestaande instrumentarium. In bestemmingsplannen dienen de fysieke dragers (cultuurhistorische kernkwaliteiten) als ruimtelijk toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen te worden vastgelegd en kan indien nodig tevens een beleidsmatige opgave gericht op het herstel van de cultuurhistorische kwaliteit en samenhang worden opgenomen. De uitvoeringsstrategie kan van gebied tot gebied verschillen, van meeliften met bestaande initiatieven tot het initiëren van specifieke projecten. Vanaf 2009 werd Belvedere in het rijksbeleid vervangen door de MoMo (Modernisering Monumentenzorg), die uiteindelijk leidde tot verplichtingen met betrekking tot.cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. In
7
paragraaf 4.2.6 is aandacht besteed aan het aspect cultuurhistorie.
2.4
Modernisering Monumentenzorg (MoMo) (2011)
Per 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1. lid 2). Wat voor archeologie geldt, gaat voor al het cultureel erfgoed gelden. De volgende regel is van kracht: In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Dit betekent dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor het betrekken van cultuurhistorische waarden bij het opstellen van bestemmingsplannen en hierover verantwoording af te leggen in het bestemmingsplan. Dat kan op verschillende manieren en kan van het wettelijk verplichte minimum tot en met uitgebreide eigen beleid. In paragraaf 4.2.6 is aandacht besteed aan het aspect cultuurhistorie.
2.5
Nationaal bestuursakkoord Water (NBW) (2011)
In mei 2011 hebben het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) het Bestuursakkoord Water ondertekend. Het doel van het Bestuursakkoord Water is te blijven zorgen voor: de veiligheid tegen overstromingen; een goede kwaliteit van het water; voldoende zoet water. De vijf partners willen dit bereiken door doelmatiger te werken, dat wil zeggen: goede kwaliteit tegen lagere kosten en minder bestuurlijke drukte. Noodzakelijke investeringen leiden daardoor niet tot sterke stijging van de lokale lasten voor burgers en bedrijven. De partners streven daarnaast ook naar doelmatigheid, door met minder kosten en minder bestuurlijke drukte de werkzaamheden te verrichten. Algemeen uitgangspunt is dat de overheden zich beperken tot hun kerntaken: taken worden op een niveau zo dicht mogelijk bij de burger gelegd; per terrein zijn ten hoogste twee bestuurslagen betrokken bij hetzelfde onderwerp. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een waterparagraaf opgesteld, zie paragraaf 5.9.
2.6
Nationaal Waterplan (NW) (2009)
In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk een nationaal waterplan opstelt. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen aan voor een optimaal waterbeheer. Het Nationaal Waterplan bevat tevens de stroomgebiedbeheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens structuurvisie. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een waterparagraaf opgesteld, zie paragraaf 5.9.
8
2.7
Waterwet (2009)
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet is ontstaan uit het samenvoegen van acht oude waterwetten. De Waterwet kent één watervergunning, voor onder andere het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of het bouwen van een steiger. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. In de Keur heeft het waterschap regels opgenomen gericht op het veilig stellen van de water aan- en afvoer en de bescherming tegen wateroverlast. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een waterparagraaf opgesteld, zie paragraaf 5.9.
2.8
Natura2000
Het aantal soorten planten en dieren in Europa gaat hard achteruit. De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld in 2010 de achteruitgang van de biodiversiteit te stoppen. Een belangrijk instrument daarvoor is Natura2000: een samenhangend netwerk van bijzondere natuurgebieden van Europees belang. Dit netwerk heeft als hoofddoelstelling het waarborgen en ontwikkelen van de biodiversiteit in Europa. Nederland draagt met 162 gebieden bij aan Natura2000. Natura2000-gebieden zijn de gebieden waar aangewezen soorten (dieren en/of planten) in een bepaalde mate voorkomen. Natura2000 is vertaald in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en Faunawet. Het ministerie van Economische Zaken (EZ) wijst de gebieden aan. In een aanwijzingsbesluit beschrijft ze de natuurdoelen voor ieder gebied: welke natuurtypen en dier- en plantensoorten er in een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit moeten blijven of - opnieuw - ontwikkeld worden. In Zeeland heeft de minister van EZ zestien Natura2000-gebieden aangewezen, waarvan de Voordelta, Kop van Schouwen, Oosterschelde en Grevelingen binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. Er is sprake van dat de Krammer-Volkerak later ook nog wordt aangewezen. Voor de Kop van Schouwen is de Provincie Zeeland verantwoordelijk voor het opstellen van de beheerplannen. Voor de overige gebieden blijft het Rijk zelf verantwoordelijk voor het opstellen van de beheerplannen.
Er is in het kader van de Wet natuurbescherming een natuurtoets en een voortoets uitgevoerd, zie paragraaf 5.10.
Hoofdstuk 3
3.1
Provinciaal beleid
Omgevingsplan Zeeland 2012-2018
In het Omgevingsplan wordt een nieuwe taakverdeling geïntroduceerd tussen Rijk, provincie, waterschap en gemeenten. In de nieuwe verdeling, gebaseerd op de beginselen van de Wet ruimtelijke ordening en het meest recente Rijksbeleid, beperkt de Provincie zich tot de kerntaken. De Provincie schept de kaders, gemeenten maken met elkaar afspraken over hoe deze kaders regionaal kunnen worden ingevuld. In het Omgevingsplan komt naar voren dat Zeeland als 'Land in Zee' een onderscheidende karakteristiek heeft binnen Nederland. Zeeland is door de schaal, lage bevolkingsdichtheid en (eilanden)structuur in geografisch en bestuurlijk opzicht anders dan andere gebieden. De bijzondere positie en potentie van Zeeland, kenmerken en onderscheidende landelijke karakteristiek, geven een sterk concurrerend en aantrekkelijk vestigingsklimaat op het gebied van wonen, bedrijvigheid en recreatie. Voor een blijvend krachtig Zeeland zijn in de toekomst economische groei, ontwikkeling en innovatie nodig. Dit is uitgewerkt in drie hoofddoelstellingen van beleid: Het bevorderen van een gezonde regionale economie; Een goede woon- en werkomgeving; Water en landelijk gebied met kwaliteit. Het bevorderen van een gezonde regionale economie
9
De Provincie is samen met de gemeente verantwoordelijk voor het realiseren van Europese en nationale milieudoelstelling. Daarbij wordt toegezien op grote en risicovolle bedrijvigheid waarbij gemeenten op lichtere milieucategorieën. In het landelijk gebied en langs de hoofdwegen zorgt de Provincie voor het tegengaan van milieuhinder en veiligheidsregio's. Daarbij hebben de volgende zaken prioriteit: Beter benutten van havengebieden en bedrijventerreinen; Verdere ontwikkeling van de biobased economy; Vernieuwing in de recreatie, visserij, schelp- en schaaldierensector en de landbouw. Nieuwe Economische Dragers in het landelijk gebied De komende generatie zal naar schatting ongeveer 40% van de agrarische ondernemers zijn agrarische activiteiten beëindigen. Herbestemming of sanering van de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen is noodzakelijk om verpaupering te voorkomen. Nieuwe economische dragers leveren een bijdrage aan behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied. Het gaat per definitie om kleinschalige activiteiten die qua aard, schaal en omvang passen in het landelijk gebied. Van gemeenten wordt verwacht dat zij in hun bestemmingsplannen buitengebied een lijst opnemen met toegestane activiteiten. Een nieuwe economische drager kan alleen worden gerealiseerd bij bebouwing op bestaande bouwvlakken en bij bestaande woonfuncties in het landelijk gebied.
Verder is het volume van de bestaande bebouwing maatgevend voor de maximale omvang van de activiteit. Nieuw gebruik van onbebouwde gronden is daarbij niet wenselijk (géén buitenopslag, stalling etc.). De capaciteit van het bestaande wegennet is bovendien bepalend om een verkeersaantrekkende werking tegen te gaan. De gemeente beoordeelt of initiatieven aan deze voorwaarden voldoen. Een goede woon- en werkomgeving Voor een gezonde regionale economische ontwikkeling is een goede woon- en werkomgeving noodzakelijk. Een goed functionerende woningmarkt met voldoende aanbod aan toekomstbestendige woningen is daarvoor een eerste voorwaarde. Dit is van direct belang voor de bouw-, detailhandels- en financiële sector, maar ook voor goede huisvesting van alle werknemers in andere sectoren. Vanwege de grote economische belangen investeert de Provincie mee in de toekomstbestendige huisvesting en bewaakt de omvang en kwaliteit van regionale woningbouw en herstructurering. Ruimtelijk staan bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik voorop. Daarbij hebben de volgende zaken prioriteit: Toekomstbestendige woningmarkt; Een gezonde leefomgeving. Regionale woningmarktafspraken In het kader van een toekomstbestendige woningmarkt, bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik worden er regionale woningmarktafspraken gemaakt.
Daarmee wordt onder andere geborgd dat er niet meer woningen worden gerealiseerd dan er vanuit de kwantitatieve behoefte op langere termijn noodzakelijk zijn. Ter bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik wordt bij alle woningbouwprojecten toepassing gegeven aan de duurzaamheidsladder. Woningbouw in het landelijk gebied Specifiek voor het landelijk gebied kent het Omgevingsplan een aantal regelingen waarmee woningbouw kan worden gebruikt als kostendrager bij het oplossen van problemen en/of het stimuleren van gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied. Op deze manier kan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering bereikt worden en landschappelijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven of worden versterkt. Woningbouw in het landelijk gebied mag echter geen doel op zich worden. Hierbij worden drie principes onderscheiden: 1. Het benutten van bestaande bebouwing (rood voor rood). Onder deze categorie vallen de mogelijkheden voor verbetering, uitbreiding en verplaatsing van bestaande individuele burgerwoningen en het benutten van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing
10
in het landelijk gebied, waaronder ook bestaande buitenplaatsen. In geval van hergebruik of sanering van niet cultuurhistorisch waardevolle bebouwing geldt de ruimte voor ruimte regeling. 2. Ruimte voor ruimte Een eenvoudige vorm van ruimte voor ruimte is het uitruilen van ontwikkelingsmogelijkheden. Het kan bijvoorbeeld gaan om de verplaatsing van een agrarisch bouwblok naar een nieuwe locatie of het uitbreiden van bebouwing in het buitengebied ten behoeve van het vergroten van een nieuwe economische drager waarvoor elders bebouwing wordt gesaneerd. Daarnaast biedt dit principe de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte objecten in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte (bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie). 3. Nieuwe bebouwing (rood voor groen) Dit principe biedt de mogelijkheid om nieuwe landgoederen of buitenplaatsen te realiseren in het buitengebied. Uitgangspunt voor een nieuw landgoed of buitenplaats vormt de door de particuliere sector betaalde aaneengesloten natuur- en of landschapsontwikkeling (bijv. aanleg van bos). Om aanleg, onderhoud en beheer te kunnen financieren mag bebouwing worden gerealiseerd. Toegestane functies voor het gebruik van deze bebouwing zijn wonen, verblijfsrecreatie en zorg.
Water en landelijk gebied met kwaliteit De Provincie bewaakt de kwaliteit van natuur en ontwikkelt natuurgebieden. Beheer van de natuurgebieden wordt door de Provincie gefinancierd en uitbesteed aan terreinbeheerders. Een goede kwaliteit en kwantiteit van oppervlaktewater en grondwater is voor alle inwoners en toeristen, en daarnaast ook voor de landbouw en de natuur van groot belang. Schoon water ontstaat niet vanzelf. De Provincie heeft de taak om dit te bewaken en toe te zien op correcte uitvoering van het waterbeheer door het waterschap. Daarbij hebben de volgende zaken prioriteit: Europese Kaderrichtlijn water; Integrale aanpak Deltawateren; Afronden natuurontwikkeling. Zeeuwse natuurwaarden Bescherming, beheer en ontwikkeling van typisch Zeeuwse natuurwaarden is een belangrijke doelstelling, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het behoud van de (inter)nationale biodiversiteit en de omgevingskwaliteit. Landschap en erfgoed De Provincie beoogt bovendien de identiteit, diversiteit en belevingswaarde van het Zeeuwse landschap en de aanwezige cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken. Herkenbaarheid, identiteit en regionale diversiteit zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Van gemeenten wordt verwacht dat zij het behoud en de bescherming van de kwaliteit van landschap en erfgoed opnemen in hun structuurvisies en bestemmingsplannen.
In paragraaf 3.4 is voorliggend plan getoetst aan het Omgevingsplan Zeeland.
3.2
Verordening Ruimte Provincie Zeeland
In de Verordening Ruimte Provincie Zeeland (VRPZ2012) zijn voor de belangrijkste provinciale beleidsthema's kaders vastgelegd, die een directe doorwerking moeten krijgen in onze bestemmingsplannen. Wonen In de verordening is het woningbouwbeleid voor bestaand stedelijk gebied niet zodanig met regels vastgelegd. Vanuit het Omgevingsplan is wel het principe van duurzame verstedelijking doorvertaald,
11
maar dient op (inter)gemeentelijk niveau het woningbouwbeleid voor het bestaand stedelijk gebied vorm gegeven te worden. Bedrijventerrein Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen gelden beginselen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik. Daarmee verband houdend wordt tevens gestreefd naar herstructurering van bestaande terreinen en naar regionale afstemming. Deze beginselen en doelstellingen worden als provinciaal belang aangemerkt. De ontwikkeling (vestiging en uitbreiding) van bedrijvigheid dient in beginsel plaats te vinden op daartoe bestemde bedrijventerreinen. Detailhandel In de verordening zijn belangrijke onderdelen van het detailhandelsbeleid verwoord. Behoud en versterking van het aanbod aan detailhandelsvoorzieningen alsmede een sterke concentratie die bijdraagt aan de vitaliteit van binnensteden en dorpscentra worden als elementen van provinciaal belang aangemerkt. Detailhandelsvoorzieningen dienen primair binnen de bestaande kernwinkelgebieden te worden gevestigd. Bij het versterken van de bestaande detailhandelsstructuur en het toelaten van nieuwe detailhandelsvoorzieningen zijn compactheid, samenhang en de aanwezigheid van of het realiseren van een verbindende looproute belangrijke voorwaarden. Een beperkte uitbreiding of een nieuwvestiging van beperkte omvang vergt geen uitvoerige motivering.
Bij het toelaten van detailhandelsvoorzieningen binnen een kernwinkelgebied is geen motivering per individuele winkel noodzakelijk maar kan worden volstaan met een algemene motivering die betrekking heeft op het desbetreffende gebied. Landschap en Erfgoed In de toelichting van het bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de landschappelijke respectievelijk cultuurhistorische waarde van de gronden of elementen die zijn benoemd in bijlage 5 van de verordening of zijn aangegeven op kaart 11 behorende bij de verordening. Het bestemmingsplan behoort regels te bevatten ter behoud en bescherming van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Ecologische Hoofdstructuur In een bestemmingsplan wordt voor de op kaart 8, behorende bij de verordening, aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur, primair de bestemming Natuur, Bos, Beschermde of Waardevolle dijk aangewezen. Bestaand gebruik en bestaande bebouwing mogen positief worden bestemd. Het bestemmingsplan mag in beginsel geen regels bevatten die de wezenlijke kenmerken of waarden van de benoemde gebieden per saldo significant aantasten. In paragraaf 3.4 is voorliggend plan getoetst aan de Provinciale Omgevingsverordening 2018.
3.3
Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Zeeland 'Mobiliteit op maat' (2008)
De nationale planstructuur voor verkeer en vervoer is vastgelegd in het Nationale Verkeers- en Vervoersplan (NVVP). Op grond van de Planwet dient de Provincie te voldoen aan haar planverplichting een Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan (PVVP) op te stellen. Het PVVP gaat in op de essentiële onderdelen uit het NVVP en besteedt aandacht aan de afstemming met andere beleidsterreinen als ruimtelijke ordening, economie en milieu. De provincie is verplicht de meest belanghebbende bestuursorganen bij de planvoorbereiding te betrekken. Het PVVP zet in op een optimaal verkeers- en vervoerssysteem, waarvan de kwaliteit voor de individuele gebruiker in goede verhouding staat tot de kwaliteit van de samenleving als geheel, en dat recht doet aan de verschillende functies in de gebieden. Het basisbeleid, de elementen die voor heel Zeeland gelden, is gerelateerd aan de verschillende beleidssectoren en vertaald in verkeerskundige termen. Deze elementen zijn: Duurzaam Veilig verkeer;
12
bereikbaarheid per auto, Openbaar Vervoer en fiets; leefbaarheid. Gezien de gebiedsspecifieke situaties is er aanleiding geweest om in het PVVP lokaal of in een bepaald gebied accenten aan te brengen in het basisbeleid.
3.4
Zeeuwse Nota Waterkeringen (2010)
Met de Zeeuwse Nota Waterkeringen 2010 stelt het Zeeuws Overlegorgaan Waterkeringen (ZOW) een gezamenlijk beleidskader en een gezamenlijke ambitie voor de waterkeringzorg vast. Het ZOW speelt hiermee in op nieuwe ontwikkelingen, regelgeving en beleid en neemt een standpunt in over de Zeeuwse uitwerking van het advies van de Deltacommissie en het Nationaal Waterplan. De nota geeft bovendien een eerste aanzet voor de gebiedsvisie voor de Zeeuwse kust, die is aangekondigd in het Nationaal Waterplan. Meer in detail heeft de Zeeuwse Nota Waterkeringen de volgende doelen: waarborgen dat het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkeringen aan de normen blijft voldoen; inspelen op specifieke kenmerken en gebruik van Zeeuwse kusten en oevers; richting geven aan integraal kustbeheer; anticiperen op ontwikkelingen op lange termijn; sturing geven aan de Beheerplannen waterkeringen; innovaties in de bescherming tegen overstromingen stimuleren.
3.5
Natuur- en landschapsbeleid
De Provincie Zeeland is verantwoordelijk voor praktisch het hele natuurbeleid op basis van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Wet inrichting landelijk gebied (WILG). De Provincie stelt de beleidskaders vast, verleent ontheffingen en vergunningen, voert budgetbeheer, heeft de regie over de uitvoering, monitoring en toezicht (handhaving). Daarnaast wil de Provincie dat natuurgebieden en het platteland voor het publiek ontsloten worden: bekend, vindbaar, bereikbaar, toegankelijk en beleefbaar met daarbij speciale aandacht voor mensen met een functiebeperking. De Zeeuwse natuur wordt goed en actief beheerd. De Provincie stelt de doelen vast middels het Natuurbeheerplan Zeeland en stuurt het beheer van de natuurorganisaties en particuliere (agrarische) beheerders aan op basis van de Subsidieregeling Natuur en Landschap. Het Natuurbeheerplan Zeeland bevat het provinciale beleid voor begrenzing, verwerving, omvorming, inrichting en beheer van natuurgebieden en agrarische beheergebieden van de Zeeuwse Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurbeheerplan wordt jaarlijks gewijzigd. Op 29 september 2009 is het Natuurbeheerplan Zeeland 2009 vastgesteld, in 2010, 2011, 2012 zijn kleine planwijzigingen doorgevoerd. In 2013 is een grote planwijziging doorgevoerd, vanwege de landelijke herijking van de EHS.
Daarbij ligt het accent nu meer op inrichting dan verwerving en wordt er gestreefd naar een koppeling met Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. Voor Zeeland betekent dit een kleinere EHS. Begrensde natuurontwikkelingsgebieden worden via een waarborgingbeleid planologisch beschermd tegen onomkeerbare ingrepen.
3.6
Beleidsvisie Externe Veiligheid 2012-2018
Als vervolg op de provinciale beleidsvisie externe veiligheid ‘Risico’s InZicht’ heeft de provincie Zeeland de nieuwe beleidsvisie ‘Verantwoorde risico’s’ opgesteld. Bij het opstellen van deze beleidsvisie heeft afstemming plaatsgevonden met de voorbereiding van het nieuwe Omgevingsplan dat naar verwachting in 2012 zal worden vastgesteld. Met de Beleidsvisie externe veiligheid wordt het beleid van de afgelopen jaren op hoofdlijnen voortgezet. De doelstelling is het realiseren van een veilige woon-, werk- en recreatieomgeving.
13
De Provincie richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld die verbonden zijn aan de productie, de verwerking en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid in stedelijk gebied is primair de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Het provinciaal externe veiligheidsbeleid rust op twee pijlers: 1. De effectieve en efficiënte uitvoering van wet- en regelgeving. 2. Invulling van de eigen beleidsvrijheid met locatiebeleid als belangrijkste instrument. Om de doelstelling te realiseren worden de volgende drie sporen gevolgd: Brongericht beleid. Via vergunningverlening en handhaving worden de oorzaken van risico’s aangepakt. Omgevingsgericht beleid. Door ruimtelijke inrichtingsmaatregelen wordt gezorgd voor een zo veilig mogelijke leefsituatie. In dit beleid staat een gebiedsgerichte benadering centraal. Rampenbestrijding. Hierbij gaat het om de voorbereiding op (de bestrijding van) calamiteiten. Dit is primair het domein van de Veiligheidsregio. De Commissaris van de Koningin heeft een coördinerende taak bij de rampenbestrijding. In paragraaf 3.4 Provinciaal beleid wordt ingegaan op het belang van dit beleid voor voorliggend bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4 4.1
Regionaal beleid
Toetskader bluswatervoorziening en bereikbaarheid (2009)
Het toetskader bluswatervoorziening en bereikbaarheid is een samenvoeging van de Handleiding Bluswatervoorziening en bereikbaarheid, lokale inzichten en andere beleidsstukken uit het land. Het toetskader is bedoeld als toelichting op artikel 10 van de Regeling bluswatervoorziening en hulpverlening gemeente Schouwen-Duiveland (2010). In dit artikel is vastgelegd dat burgemeester en wethouders zorg dragen voor of toezien op de realisering van zodanige bluswatervoorzieningen en de bereikbaarheid daarvan, dat de brandbestrijding te allen tijde zoveel mogelijk gewaarborgd is.
4.2
Waterbeheerplan 'Met het water mee II' (2010-2015)
In het waterbeheerplan staat het beleid van het waterschap voor oppervlaktewater en waterkeringen. Het waterbeheerplan bevat de ambities en uitvoeringsprojecten voor een planperiode. Het waterbeheerplan wordt vergeleken met een structuurvisie van de gemeente.
4.3
Keur watersysteem Waterschap Scheldestromen (2011)
In de Keur heeft het waterschap regels opgenomen gericht op het veilig stellen van de water aan- en afvoer en de bescherming tegen wateroverlast. In de watertoets zoals opgenomen in paragraaf Water van de toelichting op het bestemmingsplan is de Watertoets opgenomen.
14
4.4
Bestuursvisie op fysieke veiligheid in Zeeland 2012-2015 (2012)
Dit beleidsplan is opgesteld vanuit een wettelijke verplichting, maar ook om de richting van de Veiligheidsregio aan te geven. Zeeland heeft een risicoprofiel met een groot aantal risico's. De kans dat een incident optreedt is onwaarschijnlijk, maar als het optreedt zijn de gevolgen zeer groot. Het is daarom belangrijk dat dit beleidsplan er ligt. Dit beleidsplan gaat over meerdere typen veiligheid, te weten: openbare orde, sociale veiligheid, integrale veiligheid, milieuveiligheid, en fysieke veiligheid. Samenwerken en investeren zijn sleutelwoorden van dit beleidsplan. De belangrijkste beleidsprogramma's van dit beleidsplan zijn: Water en veiligheid Het thema water en veiligheid kent drie verschillende aandachtsterreinen, te weten: incidentenbestrijding op het water, overstromingen en extreme neerslag. Nucleaire Veiligheid Zeeland is de regio in Nederland met de meeste nucleaire inrichtingen voor energie productie op of nabij haar grondgebied: de kerncentrale van EPZ in Borssele en de vier kerncentrales van Electrabel in het Belgische Doel. Voor de voorbereiding op incidenten met deze inrichtingen is het bestuur van de veiligheidsregio verantwoordelijk. De voorzitter van de veiligheidsregio heeft het opperbevel bij incidenten met deze inrichting totdat dit door de minister wordt overgenomen.
Door de aanwezigheid van deze nucleaire industrie in Zeeland is er een specialisme ontstaan over nucleaire veiligheid bij de veiligheidsregio. Ook worden, door o.a. de Hogeschool Zeeland, nucleaire opleidingen ontwikkeld om de behoefte aan specialisten bij de nucleaire industrie te kunnen waarborgen. Het beleid van de Zeeuwse overheden is er op gericht om deze expertise ontwikkeling in Zeeland te ondersteunen en gezamenlijk, met de industrie, onderwijs en overheid in Zeeland een expertisecentrum voor de nucleaire industrie voor Nederland en omliggende landen te realiseren. Industriële Veiligheid en Infrastructuur Het thema industriële veiligheid en infrastructuur behelst de veiligheid van de chemische industrie in Zeeland en weg- en treinvervoer. Zeeland heeft, na Rotterdam Rijnmond de meeste BRZO-plichtige bedrijven. De aanwezigheid van petrochemische industrie tezamen met het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor maakt Zeeland tot het tweede risicogebied van Nederland. Binnen dit programma valt de uitvoering van het Besluit Risico's Zware Ongevallen 1999 (BRZO), de advisering over externe veiligheid, aanwijzing bedrijfsbrandweer, routering gevaarlijke stoffen en de risicobeheersing van overige industrie, ondergrondse transportleidingen, vervoer over weg en spoor en door tunnels.
Recreatie, toerisme en evenementen Recreatie en toerisme zijn economisch van groot belang voor Zeeland. Het bieden van veiligheid voor de bezoekers van Zeeland moet dan ook prioriteit krijgen. Dit kan alleen in samenwerking met de recreatiesector. Bezoekers van campings, jachthavens, bungalowparken, stranden en historische steden en gebouwen moeten kunnen vertrouwen op effectieve hulpverlening. Evenementen moeten ook zodanig worden georganiseerd dat de bezoekers hier geen bijzondere risico's lopen. Dit vereist goede afspraken tussen vergunningverlenende instanties, organisatie en veiligheidsregio. Veilig wonen en werken Inwoners moeten een veilige leefomgeving hebben. Dit moeten zij grotendeels eerst zelf realiseren. De taak van de veiligheidsregio is te voorzien in hulpverlening op die momenten dat de burgers zelf onvoldoende middelen hebben.
15
Dit beleidsplan behandelt de fysieke omgeving waarin wordt gewoond en gewerkt. Het gaat dus niet om sociale veiligheid. De lijn tussen sociale veiligheid en fysieke veiligheid is echter niet eenvoudig meer te trekken. Sociale onrust of een 'sociaal' incidenten kan leiden tot een crisis en daarmee wordt ook de veiligheidsregio, verantwoordelijk voor de organisatiestructuur, bij een crisis betrokken.
Hoofdstuk 5 5.1
Gemeentelijk beleid
Strategische visie 'Tij van de Toekomst 2011-2040' (2011)
De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie zijn de drie strategische doelen 'werken', 'wonen' en 'verblijven' uitgewerkt. Hierna zijn de strategische doelen met bijbehorende ambities voor 2040 beschreven. Strategische doelen: werken De economie van Schouwen-Duiveland is sterk watergerelateerd; Landbouw en aquacultuur zijn geïnnoveerd en verweven met andere functies; Kleinschalige bedrijvigheid floreert, optimaal gestimuleerd en gefaciliteerd; Vraag en aanbod van de arbeidsmarkt zijn in balans; Schouwen-Duiveland is krachtig gepositioneerd als toonaangevend in water en veelzijdig vakantie-eiland. Strategische doelen: wonen De gemeente heeft een kwalitatief goed en realistisch voorzieningenniveau; In de gemeente wordt prettig en naar behoefte gewoond; De leefbaarheid en sociale samenhang in de kernen is groot. Inwoners zijn actief en betrokken; Er is een goed en betaalbaar aanbod van zorg en welzijn dat vraaggestuurd tot stand komt.
Strategische doelen: verblijven De bijzondere kwaliteiten (water, natuur, cultuur) maken Schouwen-Duiveland tot een aantrekkelijk vakantie-eiland; Het eiland Schouwen-Duiveland heeft een krachtig en duidelijk herkenbare toeristische hoofdstructuur. We benutten de daaraan verbonden potenties; De kwaliteit en diversiteit van de toeristische sector is groot. We maken gebruik van de unieke mogelijkheden die het water biedt; Schouwen-Duiveland is een aantrekkelijk vakantie-eiland door de bloeiende watersport en de vele watergerelateerde activiteiten en evenementen.
5.2
Structuurvisie Buitengebied (2009)
De Structuurvisie is een ontwikkelingsgericht gemeentelijk beleidskader voor de ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied. Het doel van het gemeentelijk beleid voor het buitengebied is in de visie als volgt omschreven: "Wij willen de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van ons buitengebied duurzaam versterken (ruimtelijke kwaliteit) èn passende economische ontwikkelingen stimuleren (economische vitaliteit): ontwikkelen met kwaliteit". Een andere aanpak De ambitie van ontwikkelen met kwaliteit vraagt om een andere benadering dan tot nog toe gebruikelijk. Een benadering waarin het accent meer ligt op ruimtelijke ontwikkeling dan op ruimtelijke ordening: ontwikkelingsplanologie in plaats van toelatingsplanologie. Om de ruimtelijke kwaliteit en de
16
economische vitaliteit van het buitengebied te kunnen vergroten, schieten de traditionele beleids- en toetsingskaders te kort. Een strikt toelatingsbeleid (nee, tenzij; denken vanuit bedreigingen) biedt te weinig perspectief op het realiseren van ontwikkelingen. Daarom is nadrukkelijk gekozen voor een meer ontwikkelingsgerichte benadering, waarbij nieuwe ontwikkelingen positief tegemoet worden getreden (ja, mits), met als doel daarmee kansen te benutten voor het vergroten van de economische vitaliteit èn de ruimtelijke kwaliteit. Deze aanpak vraagt om creativiteit, samenwerking en vertrouwen. Daarbij is gekozen voor twee sporen: procesmatig: gezamenlijk nieuwe wegen inslaan; programmatisch: met nieuw instrumentarium. Inhoud visie Gelet op de doelstellingen van het ontwikkelen met kwaliteit en de beoogde ruimtelijke en economische meerwaarde biedt de Structuurvisie relatief ruime ontwikkelingsmogelijkheden, met als onlosmakelijke randvoorwaarde dat de ontwikkeling een toename van de ruimtelijke kwaliteit tot gevolg moet hebben. Deze ontwikkelingsmogelijkheden worden in de Structuurvisie op hoofdlijnen afgebakend. De beoogde ruimtelijke meerwaarde wordt inhoudelijk geborgd via ruimtelijke voorwaarden en criteria en door middel van de stappen in het toetsingsproces ook procesmatig geborgd.
Inhoudelijke borging Met betrekking tot de inhoudelijke borging worden de volgende aspecten onderscheiden: Past een ontwikkeling in het buitengebied (functionele binding aan en meerwaarde voor buitengebied en locatie)? Past een ontwikkeling op de beoogde locatie (landschappelijke en ruimtelijke aansluiting op de omgeving en meerwaarde)? Past een ontwikkeling op basis van diverse planologische en milieu-aspecten op de locatie? is sprake van een ruimtelijke meerwaarde voor de omgeving (landschappelijke inpassing en verevening)? Is de ontwikkeling duurzaam uit ruimtelijk, economisch, milieu- en sociaal oogpunt? Het Landschappelijk Raamwerk is het belangrijkste toetsingskader wat betreft de invloed op het landschap en de omgeving. Procesborging Wat betreft de procesborging is een aantal stappen in het toetsingsproces opgenomen, met als doelen: zo snel mogelijk uitsluitsel te geven over de mogelijkheden om medewerking te verlenen; door overleg met een initiatiefnemer vanaf het begin de kwaliteit van initiatieven te borgen. Daaraan wordt invulling gegeven door in een vroeg stadium van planvorming met initiatiefnemers de hiervoor genoemde inhoudelijke aspecten af te stemmen. Zodra initiatieven daarvoor rijp zijn, kunnen deze worden voorgelegd aan het Kwaliteitsteam, dat een advies uitbrengt aan het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van een principebesluit.
Daarbij wordt gewerkt met het zogenoemde "stoplichtsysteem", waarbij initiatieven op de drie relevante aspecten groen, oranje of rood licht krijgen. Waar nodig geeft het Kwaliteitsteam inhoudelijke adviezen ten behoeve van de verdere planvorming. Vervolgens kan (mits op alle punten groen licht kan worden afgegeven) de planologische procedure worden gestart.
17
5.3
Landschappelijk Raamwerk (2007)
Het bestaande landschap is een belangrijk vertrekpunt bij het bepalen van de ontwikkelruimte voor het buitengebied. Om optimaal recht te doen aan dit uitgangspunt is het Landschappelijk Raamwerk als zelfstandig toetsingskader opgesteld. Daarbij is uitsluitend gekeken naar de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het landschap ("met oogkleppen op"), zonder daarbij te letten op de aard van mogelijke ontwikkelingen (zoals de uitbreiding van een agrarisch bedrijf of vestiging van een nieuw landgoed). In het Landschappelijk Raamwerk wordt geconcludeerd dat het landschap van Schouwen-Duiveland karakteristiek is en in het algemeen hoog wordt gewaardeerd. Daarnaast wordt geconcludeerd dat het landschap een "robuust" karakter heeft. Daarmee wordt bedoeld dat het de nodige ruimtelijke ontwikkelingen kan opvangen, zonder dat de algemene kenmerken van het gebied (de omgevingskwaliteiten) daardoor onevenredig worden aangetast. Met behoud van het karakter op hoofdlijnen biedt het landschap de nodige ontwikkelruimte voor de gebruiksfuncties van het buitengebied. In het Landschappelijk Raamwerk worden de Schouwen-Duivelandse omgevingskwaliteiten op gemeentelijk niveau benoemd. Op basis van deze omgevingskwaliteiten wordt voorts de landschappelijke ontwikkelruimte bepaald.
5.4
Ontwikkelingsvisie horeca (2007)
De Ontwikkelingsvisie horeca is een uitwerking van het actieprogramma 'Schouwen-Duiveland kiest voor toerisme' uit 2004. Het doel van de ontwikkelingsvisie horeca is om kaders aan te geven waarbinnen horecaontwikkelingen mogelijk zijn op Schouwen-Duiveland. Deze kaders dienen als richtlijn bij het maken van ruimtelijke afwegingen, onder meer bij de actualisering van bestemmingsplannen. Daarnaast heeft het tot doel het signaleren van trends waarop de Gemeente Schouwen-Duiveland haar beleidskeuzes kan baseren. De Ontwikkelingsvisie horeca stelt ruimte voor ontwikkeling centraal en wil daarbij kaders geven waarbinnen ondernemers ruimte krijgen om te ondernemen. De ondernemer heeft daarbij de verantwoordelijkheid om de behoefte van de markt te bepalen. Deze kaders zijn richtinggevend bij de actualisatie van bestemmingsplannen. De gemeente wil daarmee een bijdrage leveren aan de diversiteit en kwaliteit van de horeca en duidelijkheid bieden voor ondernemers. In de visie wordt onderscheid gemaakt in enerzijds verblijfsrecreatieve horeca (zoals hotel, pension en Bed & Breakfast) en anderzijds consumptieve horeca (zoals café, discotheek, restaurant). Bij deze tweedeling is gekeken naar het oorspronkelijke doel van de horecagelegenheid: het aanbieden van overnachtingen of het aanbieden van consumerende goederen.
Ontwikkelingsvisie buitengebied Door middel van de Nieuwe Economische Dragers (provincie Zeeland) is het mogelijk om andere dan agrarische activiteiten mogelijk te maken in bestaande bebouwing in het landelijk gebied. Diverse bedrijfsmatige activiteiten kunnen hierbij mogelijk worden gemaakt, waaronder recreatieve functies (mits kleinschalig van opzet). Voorbeelden zijn een kampeerboerderij, appartementen, restaurant, theeschenkerij en een paardenpension. De mogelijkheden zijn aan diverse voorwaarden gebonden, waaronder milieuaspecten, provinciale criteria en verkeersaantrekkende werking. Ook dient de ondernemer te investeren in ruimtelijke kwaliteit (bijvoorbeeld door landschaps- en natuurontwikkeling). Ingediende plannen worden niet getoetst door een Toetsingscommissie Nieuwe Economische Dragers van de provincie Zeeland. Van de Nieuwe Economische Dragers wordt echter wel verwacht dat zij een aanvulling bieden op andere Nieuwe Economische Dragers, het landschappelijke en agrarische karakter gehandhaafd blijft en de streekgebonden kenmerken van Schouwen-Duiveland of Zeeland versterkt worden. De locatie voor de Nieuwe Economische Drager wordt tevens getoetst aan de Structuurvisie Buitengebied in Beweging. De gemeente ondersteunt deze ontwikkeling, omdat op deze wijze door agrariërs een passende en
18
bruikbare nevenactiviteit kan worden ontwikkeld. Ook kan de betaalbaarheid en het behoud van agrarische gebouwen hiermee worden vergroot. Tot slot draagt het ook bij aan de versterking van de karakteristieke kenmerken van Schouwen-Duiveland. De gemeente wil graag medewerking verlenen aan horecaontwikkeling in het buitengebied indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: De horeca-activiteit dient plaats te vinden in of bij bestaande (of voormalige) agrarische bebouwing; De locatie voldoet aan enkele verkeerstechnische criteria (zoals parkeergelegenheid, bereikbaarheid en verkeersveiligheid); De horecagelegenheid past binnen de Nieuwe Economische Dragers en overige planologische kaders. Afwijking van bovenstaande is uitsluitend mogelijk indien de nieuwe economische activiteit een duidelijke meerwaarde biedt voor de lokale economie (bijvoorbeeld het toeristisch-recreatief product) in de gemeente Schouwen-Duiveland. Het aantal Nieuwe Economische Dragers wordt niet gemaximeerd, mede vanwege het beperkte aantal gerealiseerde eenheden. Horeca op recreatieterreinen Horeca op recreatieterreinen vormt veelal een aanvulling op het voorzieningenniveau op een recreatieterrein (zoals een bungalowpark of camping).
Nieuwvestiging van horeca op een recreatieterrein dient per individuele aanvraag beoordeeld te worden op onder andere de mate van overlast, planologische inpassing en uitstralingseffecten. Uitgangspunt hierbij is dat horeca op recreatieterreinen primair bedoeld is voor de eigen gasten. Reclame-uitingen buiten het recreatieterrein zijn dan ook niet toegestaan. Het college kan afwijkend besluiten, bijvoorbeeld indien de horecagelegenheid een belangrijke sociale functie vervult voor de omgeving. Eetkramen Op Schouwen-Duiveland zijn diverse standplaatsen aanwezig waar snackwagens op basis van een standplaatsvergunning eet- en drinkwaren verkopen. Dergelijke snackwagens, die slechts tijdelijk (één of enkele dagen per week) op de weg zijn geplaatst, vallen onder het gemeentelijke Vent- en standplaatsenbeleid. Dergelijke snackwagens vallen niet onder het begrip 'horecabedrijf' in de zin van de APV en zijn over het algemeen tijdelijk op de weg aanwezig. Er zijn echter ook vormen te onderscheiden die tussen een tijdelijke standplaats en een reguliere (permanente) horecagelegenheid in zitten. Een voorbeeld is een permanente kiosk of andersoortig bouwwerk, dat als besloten ruimte kan worden aangemerkt, maar niet voor publiek toegankelijk is. Nieuwvestiging of, indien van toepassing, uitbreiding van dergelijke consumptieve gelegenheden worden niet wenselijk geacht.
Het college kan echter afwijkend besluiten indien sprake is van een unieke, kwalitatieve aanvulling op het bestaande aanbod en indien een dergelijke kiosk past binnen een omgevingsplan of herinrichtingsplan zoals de Structuurvisie. Terrasoverkappingen De gemeente wil inspelen op de trend in de consumptieve horeca tot het overkappen van terrassen. De laatste jaren komen er steeds meer verzoeken voor het geheel of gedeeltelijk overkappen van terrassen, over het algemeen in de vorm van aan weerszijden van een stalen frame uitschuifbare zonneschermen. De gemeente wil hieraan, waar mogelijk, medewerking verlenen ter bevordering van jaarrondexploitatie van terrassen en daarmee seizoensverlenging. Omdat terrasoverkappingen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken zijn, heeft de gemeente hiervoor welstandscriteria geformuleerd in de 'Beleidsregels terrassen Schouwen-Duiveland'.
5.5
Schouwen-Duiveland kiest voor toerisme (2012)
Evaluatie 2008-2011 en Herijking Beleidsvoornemens 2012 tot en met 2015 Wat betreft economische ontwikkelingen zijn de volgende zaken van belang:
19
de gevolgen van de (wereldwijde) economische crisis; de demografische ontwikkelingen (vooral meer ouderen); het belang van ecologie; de digitale innovaties; het belang van watersport in Nederland (en voor Schouwen-Duiveland). Het advies van Buck Consultants International 2011, uitgebracht voor de Strategische visie: 'Tij van de Toekomst 2011 - 2040', luidt: 'Toerisme blijft belangrijk, maar groeit niet meer: boor nieuwe toeristische bronnen aan zoals wellness'. Op het gebied van toerisme moet de gemeente zich richten op drie aandachtspunten: ontwikkelen visie Toeristische Hoofd Structuur; herstructurering (Westhoek); ondersteunen ondernemers in nieuwe concepten. Wat betreft de economische doelstellingen kiest de gemeente voor: behoud van het huidige niveau van werkgelegenheid; streven naar behoud en, zo mogelijk, verhogen van de (totale) bestedingen; meer seizoensspreiding van de toeristenstroom en meer bereik van gezinnen met (jonge) kinderen en senioren (vitale 50+'er).
5.6
Nota Kamperen (2011)
Op 30 juni 2011 heeft de raad de (gewijzigde) Nota Kamperen vastgesteld. Het lange termijn doel van de Nota luidt: 'Schouwen-Duiveland heeft in 2018 kwalitatief hoogwaardige, innoverende en gezonde kampeerbedrijven, waar gasten zoveel mogelijk jaarrond veilig en vraaggericht in een gedifferentieerd kwaliteitsproduct kunnen recreëren'. Om deze doelstelling in de praktijk gestalte te geven, wordt exploitanten van kampeerterreinen meer ruimte geboden om hun terrein naar eigen inzicht in te richten. In dit kader is exploitanten de mogelijkheid geboden om initiatieven in te dienen om één of meer wijzigingen door te voeren op hun terrein. In de Nota Kamperen wordt gesproken over reguliere kampeerterreinen en niet-reguliere kampeerterreinen. Een regulier kampeerterrein is een bedrijf met recreatie als hoofdtak, waarbij intensief op het terrein wordt gerecreëerd en geen sprake is van een subbestemming. Een niet-regulier kampeerterrein wordt omschreven als een bedrijf met over het algemeen recreatie als neventak. Waarbij naast verblijfsrecreatie sprake is van een subbestemming met veelal de nadruk op landschappelijke kwaliteiten, zoals: landschapscamping, natuurcamping, kleinschalig kampeerterrein en fruitgaardbedrijf.
5.7
Nota Recreatiewoningen (2011)
Om te komen tot een algemeen toetsingskader dat de gemeente kan gebruiken bij de toetsing van initiatieven tot het ontwikkelen en bouwen van recreatiewoningen, heeft de gemeente Schouwen-Duiveland in 2011 een 'Behoefteonderzoek recreatiewoningen Schouwen-Duiveland' laten uitvoeren. Op basis van de belangrijkste conclusies uit het behoefteonderzoek zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: Herstructurering van recreatiewoningen(terreinen) gaat voor nieuwbouw; De gemeente en belangenorganisaties voor recreatie en toerisme stimuleren de herstructurering van bestaande recreatie(woningen)terreinen en maken hierover nader afspraken. Het toetsingskader bevat richtinggevende uitspraken, waaraan nieuwe initiatieven worden getoetst. Er wordt getoetst op kwantitatieve en kwalitatieve aspecten. Een plan moet een gedegen en complete ontwikkelingsvisie bevatten met niet alleen een focus op het terrein zelf, maar ook een beschrijving van
20
de relatie met de omgeving. Indien noodzakelijk kan het Kwaliteitsteam Buitengebied om een (onafhankelijk) advies worden gevraagd over de ontwikkelingsvisie.
5.8
Watersportvisie (2009)
De watersport is voor Schouwen-Duiveland, vanwege de unieke ligging tussen de Grevelingen en de Oosterschelde en de centrale positie in het Deltagebied, een belangrijke economische drager. De Watersportvisie moet bijdragen aan versterking van de watersport(sector) door watersport in al zijn vormen te sturen en faciliteren. De Watersportvisie bevat allereerst een uitgebreide analyse van vraag, aanbod en beleid in de watersportsector. Op grond van deze analyse is de kern van de Watersportvisie gevormd. Die kern bestaat uit na te streven hoofddoelen en zes uitgangspunten die leiden tot een samenhangende visie op watersport. Hoofddoelstellingen voor de watersport zijn: Economische impact; Bijdrage aan andere sectoren binnen de economie; Bijdrage aan het imago van Schouwen-Duiveland; Bijdrage aan het ruimtelijk ontwikkelingsbeleid. Hieruit zijn vervolgens de volgende uitgangspunten gefilterd: Watersport verankeren in het 'droge' toerisme. Nieuwe doelgroepen aantrekken. De sterke concurrentiepositie van de watersport handhaven. Knelpunten, vooral betreffende capaciteit in de havens, oplossen. Beleid voor het land vertalen naar beleid voor het water. Watersport als smaakmaker positioneren. De visie bevat eveneens een toetsingskader voor initiatieven van derden. Centraal staat daarin de bijdrage die een initiatief levert aan geformuleerde doelstellingen.
De mate waarin een initiatief bijdraagt aan een doelstelling, het belang van die doelstelling en het aantal doelstellingen waaraan een bijdrage geleverd wordt, geven met elkaar een indruk van de wenselijkheid van een initiatief.
5.9
Welstandsnota 2012
De gemeentelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de bebouwde en onbebouwde omgeving in het algemeen en de visuele- of beeldkwaliteit in het bijzonder. In de Woningwet (vanaf 1 januari 2003) wordt de gemeenteraad verplicht: burgers, ruim voordat ruimtelijk planvormingsprocessen worden afgesloten, concreet duidelijk te maken wat het wettelijk criterium 'redelijke eisen van welstand' inhoudt; ruim vooraf een zo concreet mogelijk inhoudelijk toetsingskader te bieden dat door B&W en de welstandscommissie bij de uitoefening van hun wettelijke taken moet worden gehanteerd. Dergelijke criteria dienen te worden opgenomen in een gemeentelijke welstandsnota. Voordat het gebiedsgericht welstandsbeleid opgesteld wordt, is het echter van belang te beschikken over een beleidskader inzake de ruimtelijk-visuele kwaliteit van het gehele gemeentelijk grondgebied. Middels een uitgebreide inventarisatie en analyse van zowel de bestaande beleidsstukken als van de ruimtelijke structuur van het gemeentelijke grondgebied, is gebleken dat Schouwen-Duiveland onder te verdelen is in een aantal gebieden en/of clusters van gebieden met gelijke kenmerken en eigenschappen op stedenbouwkundige, architectonische, functionele en/of thematische gronden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid.
De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Schouwen-Duiveland. Het gaat met name om criteria ter beoordeling van regulier bouwvergunningplichtige (volgens Wabo: omgevingsvergunningplichtige) bouwwerken.
21
Daarnaast omvatten de gebiedsuitwerkingen (eventueel ??) ook criteria voor de veel voorkomende kleine bouwplannen, aanvullend op de sneltoetscriteria. Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is onderscheid gemaakt naar een vijftal verschillende gebiedscategorieën (thema's) onderverdeeld in 19 deelgebieden met overeenkomstige kenmerken en eigenschappen. De volgende gebiedscategorieën zijn aangegeven: 1. Dorpskernen; 2. Planmatige uitbreidingen; 3. Bedrijfs- en haventerreinen; 4. Sport en recreatie; 5. Buitengebied. Binnen het selectieve gebiedsgerichte welstandsbeleid is het van belang om vast te stellen in welke gebieden meer regulering gewenst is en in welke gebieden minder. Dit is inzichtelijk gemaakt door het vastleggen van zogenaamde welstandsniveaus. In Schouwen-Duiveland wordt gebruik gemaakt van een viertal welstandsniveaus: I.
Beschermde stads- en dorpsgezichten (extra bescherming gericht op consolidatie van historische context); II. Bijzondere welstandsgebieden (extra inspanning tot voordeel van de bestaande of gewenste ruimtelijke kwaliteit); III. Reguliere welstandsgebieden (normale inspanning gericht op het handhaven van de basiskwaliteit); IV. Welstandsvrije gebieden (geen welstandstoetsing).
5.10
Actualisatie integraal verkeer- en vervoersplan (2008)
Deze actualisatie legt de verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland voor de komende jaren in hoofdlijnen vast. Ook voor het regionaal beleid wordt met het gewenst fysiek netwerk en de opdeling van de gemeente in gebiedsprofielen een duidelijke visie gegeven wat betreft de infrastructuur. In deze actualisatie wordt uitgegaan van een andere benadering van het mobiliteitsvraagstuk. In plaats dat alleen van de gedachte wordt uitgegaan dat mobiliteit een voorwaarde is voor economisch functioneren en deelnemen aan maatschappelijke processen, wordt de aandacht voor een groot deel gericht op het faciliteren. Met andere woorden: De bestaande verkeersstructuur en gebiedsprofielen moeten voor een belangrijk deel richting gevend zijn voor verdere ontwikkelingen en economische ontwikkelingen om geen nodeloze extra mobiliteit te genereren. Hierbij spelen de Ruimtelijke/strategische Visie Schouwen-Duiveland en bestemmingsplannen een belangrijke rol. Op basis van het gewenst fysiek netwerk willen wij in samenhang met de andere wegbeheerders knelpunten aanpakken om daarmee de veiligheid en bereikbaarheid te verbeteren. Via gebiedsgerichte aanpak zal de afstemming plaatsvinden van de netwerken van de verschillende wegbeheerders. Daarbij zal differentiatie in bereikbaarheid plaatsvinden al naar gelang de functie en betekenis van het gebied.
Nieuwe uitbreidingsplannen en inbreidingen worden ingericht conform de uitgangspunten van "Duurzaam Veilig" en aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van het CROW. Dit betekent dat voor uitbreidingsplannen een 30km-regime geldt en de gebieden als zodanig worden ingericht. Op het gebied van verkeersveiligheid richten wij ons voor de korte termijn op een sobere en kosteneffectieve aanpak van verkeersonveilige situaties. De financiële mogelijkheden om onze doelstellingen en ambities te realiseren zijn beperkt.
22
5.11
Bomenbeleidsplan 2010 (2009)
Het belang van groen is met name vastgelegd in het (inmiddels vervallen) Groenkwaliteitsplan uit 2009. Omdat dit groenkwaliteitsplan niet specifiek op bomen is gericht, heeft de gemeente in 2009 een Bomenbeleidsplan vastgesteld. Het bomenbeleid beschrijft de manier waarop de gemeente met de bomen in het openbaar gebied wil omgaan. Het vormt de basis voor beheer- en werkplannen en biedt bescherming aan bomen tijdens bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden. Het Bomenbeleidsplan geeft een duidelijke richting aan de gewenste ontwikkelingen voor de middellange termijn (10 jaar)
5.12
Nota integraal Erfgoedbeleid Schouwen-Duiveland 2012-2018 (2012)
'DE SCHATKAMER VAN SCHOUWEN-DUIVELAND, BEHOUDEN...BELEVEN, BENUTTEN' Schouwen-Duiveland is trots op haar rijke geschiedenis. We koesteren de honderden monumenten als getuigen van deze geschiedenis en ons landschap met veel historische kenmerken. Het erfgoed geeft karakter en identiteit aan onze leefomgeving. Bovendien geeft het herkenning voor bewoners en verrast het bezoekers. De geschiedenis en het grote aantal monumenten maken Schouwen-Duiveland aantrekkelijk als woon-, werk- en vakantie-eiland. Ons erfgoed is een fundament om op te bouwen. De gemeente Schouwen-Duiveland zet met de erfgoednota in op het behouden, het beleven en het benutten van haar Cultuur-Historisch Erfgoed. Behouden: behoud van al het erfgoed dat als waardevol en belangrijk voor de samenleving geacht wordt (Archeologie, cultuurlandschap, beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten). Behoud gaat in de nota hand in hand met ontwikkeling. Cultureel erfgoed kan ook een belangrijke inspiratiebron zijn voor het verbinden van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen aan de vorm en geschiedenis van de bestaande omgeving. Ruimtelijke kwaliteit en identiteit wordt hiermee verder versterkt. Behoud is een randvoorwaarde om te kunnen beleven en benutten.
Behouden doen we vooral door: de wettelijke bescherming van monumenten, gemeentelijke monumenten, erfgoed in bestemmingsplannen, herbestemming van monumenten en subsidiëring. Beleven, benutten: door het beleven en benutten van ons erfgoed komt onze geschiedenis tot leven. Beleven en benutten is dan ook een meer actieve vorm van omgaan met onze monumenten, cultuurlandschappen en verhalen. Het zien en beleven van erfgoed maakt dat burgers en bezoekers ons eiland nog meer gaan waarderen. Maar erfgoed zien is goed (leren) kijken. De gemeente kan burgers en bezoekers hierbij helpen. Door erfgoed, in de meest brede zin van het woord, meer onder de aandacht te brengen en beter toegankelijk te maken. Hierdoor kan een groter of juist een specifieker publiek bereikt worden. Beleven en benutten doen we vooral door: educatie, versterking van het toeristisch-recreatief product, versterking samenwerking, toegankelijke informatie en de ontwikkeling van gerichte producten.