Model verordening Riool- en Waterzorgheffing
Tekst van het document
Model Verordening Riool- en Waterzorgheffing – vast bedrag (Laatst gewijzigd: 01-01-2022) (Geconsolideerde versie, geldig vanaf: 01-01-2022) Leeswijzer modelbepalingen - […] of [iets] = door gemeente in te vullen. Zie bijvoorbeeld artikel 6 (belastingtarieven). - [iets] = facultatief. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - [(iets)] = een voorbeeld ter illustratie of uitleg voor gemeente. Zie bijvoorbeeld artikel 12, eerste lid. - [iets OF iets] = door gemeente te kiezen. Zie bijvoorbeeld artikel 10, tweede lid. - Ook wordt gewerkt met varianten waaruit gekozen kan worden. Zie bijvoorbeeld artikel 5. - Combinaties zijn ook mogelijk. Zie bijvoorbeeld de verschillende varianten in artikel 6, waarbij het tarief door de gemeente moet worden ingevuld.
Model voor een heffing naar een vast bedrag Besluit van de raad van de gemeente [gemeentenaam] tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]); De raad van de gemeente [gemeentenaam] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en eventueel nummer]; gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; gezien het advies van […]; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal] (Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]) Artikel 1. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 2. Belastbaar feit en belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van: a. de persoon die bij het begin van het belastingjaar van een perceel het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarendeel; en
b. de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel. 2. Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt de persoon die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat deze persoon op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. 3. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt: a. de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken; b. de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden; c. een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; e. het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 4. Vrijstellingen De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit: a. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; b. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; c. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen; d. […].
Artikel 5. Maatstaf van heffing Variant 1 De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel voor het eigenarendeel en het gebruikersdeel. Variant 2 De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel en het hebben van een drinkwateraansluiting
Artikel 6. Belastingtarieven Variant 1 (hoort bij artikel 5, variant 1)
1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt:
€ […]. € […].
Variant 2 (hoort bij artikel 5, variant 2) 1. Het tarief van het eigenarendeel bedraagt voor: a. een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. een perceel met drinkwateraansluiting: 2. Het tarief van het gebruikersdeel bedraagt voor: a. een perceel zonder drinkwateraansluiting: b. een perceel met drinkwateraansluiting:
€ […]; € […]. € […]; € […].
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht voor het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € [...]. 4. Belastingbedragen van minder dan € [...] worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen rioolheffing of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald [… (bijvoorbeeld in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later)]. [2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, [in geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan [… (bijvoorbeeld € 100,-)], doch minder is dan [… (bijvoorbeeld € 1.500,-)], en] zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in [… (bijvoorbeeld tien)] gelijke termijnen OF zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het [belastingjaar OF kalenderjaar] waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, maar het aantal termijnen bedraagt ten minste [… (bijvoorbeeld drie)] en ten hoogste [… (bijvoorbeeld tien)]]. De eerste termijn vervalt [… (bijvoorbeeld op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld)] en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.] [3].
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in [het eerste lid OF voorgaande leden] gestelde termijnen.
Artikel 11. Overgangsrecht De [citeertitel oude verordening] van [datum], voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van [datum], wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, maar zij blijft van toepassing op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 12. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de [… (bijvoorbeeld achtste)] dag na die van de bekendmaking. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari [jaartal].
Artikel 13. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Riool- en Waterzorgheffing [gemeentenaam] [jaartal]. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van [datum]. De voorzitter, De griffier,