CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

MEMO Realisatie hotel Noordstraat Burgh-Haamstede DEF

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ontwerp verklaring van geen bedenkingen hotel Noordstraat 31-39 Burgh-Haamstede (502852)2.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO Realisatie hotel Noordstraat Burgh-Haamstede Beoordeling stikstofdepositie Datum: 30 november 2021 1. De aanleiding Op de locatie Noordstraat 31-39 te Burgh-Haamstede wordt een hotel gerealiseerd. Het hotel bestaat uit 17 appartementen met commerciële ruimtes en een parkeerterrein aan de achterzijde van het pand. Het hotel wordt gasloos uitgevoerd. De locatie ligt in de kern Burgh-Haamstede en grenst aan Natura2000-gebied Kop van Schouwen en ligt op ruim 2,5 km van het Natura2000-gebied Oosterschelde. In het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen zijn diverse overbelaste habitats aanwezig. Voor het Natura 2000-gebied Kop van Schouwen, geldt als referentiedatum 7 december 2004. Het Natura 2000-gebied Oosterschelde bevat geen overbelaste habitats in een ruime straal rondom de locatie. Op de locatie was voorheen een warenhuis gevestigd. Hiervoor is een geldende milieutoestemming aanwezig van 11 februari 2000 met kenmerk: EC/BMZ/0001916 (Melding ingevolge de AMvB Besluit Detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer). Die melding is niet geëxpireerd of ingetrokken en rust nog op de locatie. Van de melding is tot 15 januari 2014 ook (altijd) gebruik gemaakt. In 2015 is het pand door brand verloren gegaan en is het perceel sindsdien braak komen te liggen. 2. Het wettelijk kader Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijk kader voor de beoordeling van effecten (waaronder effecten als gevolg van een stikstofdepositie) van onder andere projecten op Natura2000-gebieden. De Wnb verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving en vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen. Daarnaast legt de Wnb de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Wanneer een natuurvergunning (als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb) nodig is, is daarvoor gedeputeerde staten van de provincie Zeeland het bevoegde gezag. Op 20 januari 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaald dat voor intern salderen geen vergunningplicht meer geldt op grond van de sinds 1 januari 2020 gewijzigde Wnb.1 Wanneer gelet op interne salderingsmaatregelen geen sprake is van een depositietoename op overbelaste habitats, is er geen sprake van significante effecten op Natura2000-gebieden. Die zijn dan op voorhand uit te sluiten. In dat geval geldt er dus ook geen natuurvergunningplicht. Niet iedere wijziging van een activiteit is dus meer natuurvergunningplichtig.

De beoordeling of een activiteit ingezet mag worden voor intern salderen, ligt daardoor niet meer bij de provincie in het kader van een aanvraag om natuurvergunning, maar deze

1 ABRS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (Oirschot), r.o. 17.3.

beoordeling vindt in dit geval plaats in het kader van de ingediende aanvraag omgevingsvergunning bij de gemeente. Wet Stikstofreductie en natuurverbetering

De Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) regelt een vrijstelling van de vergunningplicht in artikel 2.7 lid 2 Wnb voor de aanlegfase en bouwwerkzaamheden. Deze vrijstelling geldt alleen voor de effecten als gevolg van tijdelijke stikstofdepositie in de bouw- en aanlegfase en niet voor eventuele andere effecten als gevolg van het project op Natura-2000 gebieden. De vrijstelling is verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn). De Wsn en Bsn zijn per 1 juli 2021 in werking getreden. Door de wetswijziging is artikel 2.9a Wnb en artikel 2.5 Besluit natuurbescherming (Bnb) toegevoegd die de (partiele) vrijstelling voor tijdelijke stikstofdeposities in de aanleg- en bouwfase verder regelt. Wat valt onder de vrijstelling: - het bouwen en slopen van een bouwwerk; - het aanleggen, wijzigen en opruimen van een werk (bijvoorbeeld voor duurzame energieopwekking en grond-, weg- en waterbouw zoals pleinen, straten, het verplaatsen van grond in het kader van bouwrijp maken van een terrein, spoorwegen, waterstaatswerken, waterwegen, waterkeringen, energie-infrastructuur, telecommunicatie-infrastructuur, openbare hemelwater- en ontwateringsstelsels en vuilwaterriolen); - de vervoersbewegingen die samenhangen met de werkzaamheden (o.a. het aan- en afvoeren van bouwmaterialen en emissies van werktuigen op de bouwplaats). 3. De procedure Omgevingsvergunning

Voor het project is op 23 november 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteiten planologisch strijdig gebruik, bouwen en uitweg. De aanvraag is sindsdien diverse keren aangepast en onder andere aangevuld met een voortoets, stikstofonderbouwing en een aanvraag om vergunning op grond van de Wnb. Vergunning op grond van de Wet natuur bescherming

Op 21 februari 2020 is een aanvraag om natuurvergunning ingediend voor dit project. Op 29 juni 2020 heeft de provincie besloten de aangevraagde natuurvergunning te weigeren. Reden hiervoor was dat niet voldaan werd aan de provinciale beleidsregels voor intern salderen, zoals op genomen in de destijds geldende Beleidsregels in- en extern salderen. De provincie komt in het weigeringsbesluit tot de conclusie dat de activiteit die gebruikt wordt om intern mee te salderen, hiervoor niet mag worden ingezet gelet op de provinciale beleidsregels voor intern salderen (die strenger zijn dan uit de rechtspraak volgt). Het inzetten van de hardheidsclausule is niet mogelijk, omdat er geen sprake is van onevenredigheid in relatie tot het met de beleidsregel te dienen doel, en de afwijking afbreuk doet aan het doel om N-depositie te reduceren: Vanwege het feit dat intern salderen niet mogelijk is, is niet aangetoond dat er geen sprake is van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de relevante Natura 2000-gebieden en daarmee is geen zekerheid verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de relevante Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Op grond van artikel 2.8, lid 3 van de Wet natuurbescherming kan deze vergunning niet verleend worden.

Op dit moment zijn echter de provinciale beleidsregels voor intern salderen geschrapt naar aanleiding van de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 20 januari 2021 (Oirschot). Relatie omgevingsvergunning en vergunning op grond van de Wet natuurbescherming Indien, als gevolg van het project, sprake kan zijn van significante effecten op een Natura2000gebied, geldt de zogenaamde aanhaakplicht. Als op het moment, dat de aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, nog geen aanvraag om natuurvergunning is ingediend of een natuurvergunning is verleend, is een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van GS nodig. Ten tijde van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning (november 2018) was er geen aanvraag om natuurvergunning ingediend of een natuurvergunning verleend. Op dat moment gold de aanhaakplicht. Echter tijdens de procedure heeft initiatiefnemer er alsnog voor gekozen om een natuurvergunning in te dienen (februari 2020) ten tijde van de procedure. De aanhaakplicht is daarmee komen te vervallen en er was geen vvgb noodzakelijk. Zie ook ECLI:NL:RVS:2019:803, d.d. 13 maart 2019. Nu de provincie de aanvraag om natuurvergunning heeft geweigerd, is er geen sprake meer van een lopende aanvraag en er is ook geen geldende natuurvergunning. De vraag is dan of er alsnog een vvgb noodzakelijk is, dus of alsnog de aanhaakplicht geldt.

De beoordeling in de procedure omgevingsvergunning of het aspect natuur relevant is en dus of de aanhaakplicht geldt, ligt bij het college van B&W en niet bij de provincie.2 Daarvoor is bepalend of op grond van artikel 2.7 lid 2 van de Wnb een vergunningplicht geldt. Als het oordeel van B&W is dat er geen vergunningplicht geldt en dus de verbodsbepaling uit artikel 2.7 Wnb niet wordt overschreden, hoeft geen vvgb gevraagd te worden bij GS. Dus als uit de stikstofonderbouwing blijkt dat, middels intern salderen, er geen sprake is van een stikstofdepositie op (bijna) overbelaste habitattypes, dan geldt geen vergunningplicht op grond van de Wnb. En daarmee geldt ook geen aanhaakplicht. Dat de provincie eerder de natuurvergunning heeft geweigerd doet hier niets aan af. Relatie omgevingsvergunning en provinciale beleidsregels

De provincie heeft de aanvraag om natuurvergunning getoetst aan haar eigen beleidsregels zoals die destijds golden (de Beleidsregels voor in- en extern salderen) en is vervolgens tot de conclusie gekomen dat niet voldaan wordt aan de beleidsregels. De vergunning is geweigerd. Hieruit zou, indirect, kunnen worden afgeleid dat er wel een natuurvergunning nodig is en dat de aanhaakplicht wel geldt. De provinciale beleidsregels zijn geschreven voor GS en zien op het toetsingskader om een natuurtoestemming (natuurgunning of vvgb) al dan niet te kunnen verlenen. Op het moment dat volstaan kan worden met intern salderen, geldt er geen natuurvergunningplicht meer. Wanneer een natuurvergunningplicht door intern salderen niet aan de orde is, wordt ook niet toegekomen aan het toepassen van de provinciale beleidsregels.

2 Zo volgt ook duidelijk uit ABRS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:74, r.o. 3.2.

Die zien immers op de inhoudelijke beoordeling van een aanvraag om natuurvergunning en niet op de vraag of een natuurtoestemming noodzakelijk is. Bovendien bevatten de provinciale beleidsregels op dit moment ook geen regels meer voor intern salderen. Daarbij moet in het achterhoofd worden gehouden dat voor de referentiesituatie (als interne salderingsmaatregel) de vergunde situatie zoals in dit geval volgt uit de (geldende) milieutoestemming bepalend is. En dus niet de feitelijke situatie. Dat feitelijk het warenhuis door brand in 2015 is verwoest is om die reden niet relevant. Dat volgt uit vaste rechtspraak.3 In het vervolg van deze notitie wordt beoordeeld of gelet op interne salderingsmaatregelen een natuurvergunning vanwege stikstofdepositie nodig is. 4. Stikstofemissie Aanlegfase

Op grond van de vrijstellingsregeling voor de bouwfase zoals opgenomen is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is de aanlegfase niet verder beoordeeld. Die mag gelet op artikel 2.9a Wnb en artikel 2.5 Bnb niet meer betrokken worden bij de vraag of een natuurvergunning nodig is. Gebruiksfase

Voor de gebruiksfase is alleen uitgegaan van de stikstofemissie als gevolg van de verkeersbewegingen van- en naar de locatie Noordstraat 31-39. Het pand zelf wordt namelijk gasloos uitgevoerd en veroorzaakt daarmee geen stikstofemissie. Conform gemeentelijk beleid, vastgelegd in de “Wijziging document regelgeving Agenda Toerisme 2018-2026: kentallen parkeren en verkeer”, is het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de hotelappartementen bepaald op 70 mvt/etmaal. De ondersteunende functies zorgen, conform de CROW317 voor een verkeersgeneratie van 18 mvt/etmaal. Het totaal aantal motorvoertuigen bedraagt daarmee 88 mvt/etmaal. Dit betreft licht verkeer. Voor bijvoorbeeld bevoorrading en het afleveren van goederen is gerekend met 2 mvt/etmaal zwaar verkeer. Invoer verkeersbron De invoer van de verkeersbronnen zijn gemodelleerd in overeenstemming met de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’, versie 3.0 van januari 2021 (Instructie). Over de invoer van verkeersbronnen is in de Instructie het volgende opgenomen. Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld.

Dit is het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. 3 Zie ABRS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:71 (Oirschot), r.o. 17.2. Zie ook ABRS 16 maart 2018,

ECLI:NL:RVS:2018:901, r.o. 4.2 (waar het ging om een in het verre verleden door een storm verwoeste kas).

Bij de invoer van de verkeersbronnen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd; - De verkeersontsluiting is gemodelleerd vanaf het parkeerterrein aan de achterzijde van het hotel. - Ook de bevoorrading middels zwaar verkeer vindt plaats aan de achterzijde vanaf het parkeerterrein. - Er zijn dit jaar (2021) verkeerstellingen uitgevoerd, onder andere in de Noordstraat. De resultaten zijn op genomen in bijlage 3. Uit de rapportage “Verkeerstellingen BurghHaamstede” blijkt dat er op een weekdag sprake is van 3.142 bewegingen in juni tot 4.592 bewegingen in augustus over de Noordstraat. Procentueel kan gesteld worden dat het aantal van 88 bewegingen circa 1,9% tot 2,8% van de totale verkeersstroom bedraagt. Op basis van de Instructie is vanaf de Noordstraat de 88 mvt/etmaal dermate verspreid en verdund dat deze is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. - Voor het zwaar verkeer (2 mvt/etmaal) is de bron worst case opgenomen tot aan de Serooskerkseweg. - Het wegverkeer is gemodelleerd als verkeer “binnen de bebouwde kom”. De AERIUS berekening is opgenomen in bijlage 1.

Uit de berekening (uitsluitend de nieuwe situatie dus zonder intern salderen) blijkt dat er sprake is van een stikstofdepositie op (bijna) overbelaste habitattypes, namelijk van 0,09 mol/ha/jr op het habitattype Duinbossen – binnenduinrand en het habitattype Duinbossen (droog), berken- en eikenbos binnen Natura2000-gebied Kop van Schouwen. Ter plaatse van het Natura2000-gebied Oosterschelde wordt geen toename van de stikstofdepositie berekend. 5. Intern salderen Referentiesituatie: algemeen

Als referentiesituatie voor de natuurvergunning geldt als uitgangspunt de reeds vergunde situatie (en niet de feitelijke situatie). Met een vergunde situatie wordt in beginsel gedoeld op de natuurvergunning. Indien niet beschikt wordt over een natuurvergunning, dan geldt als referentie een milieutoestemming (vergunning of melding) van voor de Europese referentiedatum (de datum van aanwijzing van het Natura2000-gebied), tenzij later een milieutoestemming met minder gevolgen is vergund. Wanneer de toestemming is vervallen of geëxpireerd, maakt deze geen onderdeel uit van de referentiesituatie (en kan daarmee niet intern worden gesaldeerd). De Kop van Schouwen is als Natura 2000-gebied aangewezen op 7 december 2004. Op dat moment was de locatie Noordstraat 31-39 feitelijk in gebruik als warenhuis. Er is op 11 februari 2000 een milieumelding gedaan op grond van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer voor het van toepassing worden van een detailhandel in speelgoed, huishoudelijke artikelen, lederwaren, boeken, tijdschriften enzovoort. De melding is bijgevoegd in bijlage 2. Er is op een later moment geen andere activiteit met een lagere stikstofemissie toegestaan. De stikstofemissie in de referentiesituatie werd veroorzaakt door zowel het verkeer als het verwarmen van het warenhuis.

Dat het warenhuis in 2015 volledig door brand is verwoest, is geen reden om van een andere referentiesituatie uit te gaan. Uitgangspunt is immers de vergunde situatie in de vorm van een

natuurvergunning dan wel een milieutoestemming van voor de referentiedatum (datum van aanwijzing). Zie ook de in paragraaf 3 aangehaalde rechtspraak. Nu duidelijk is dat het warenhuis op de referentiedatum (7 december 2004) in werking was, er voor de referentiedatum een milieutoestemming was en deze is niet vervallen, geldt het gebruik van het warenhuis als referentiesituatie. Referentiesituatie: inhoudelijk Verkeer

Op basis van de kentallen uit de CROW317 is berekend dat het warenhuis circa 651 verkeersbeweging per etmaal genereerde. Echter het warenhuis werd deels bezocht door toeristen die Burgh-Haamstede als ‘bestemming’ bezochten of al in Burgh-Haamstede verbleven. Daarmee was er vaak sprake van dubbelbezoek: naast het warenhuis werden ook andere winkels bezocht. In de kentallen van de CROW is hier geen rekening mee gehouden. De berekende verkeersgeneratie is dan ook niet geheel toe te rekenen aan het warenhuis. Voor het warenhuis waren drie parkeerplaatsen aanwezig. Aangenomen mag worden dat bezoekers die hiervan gebruik maakten, het warenhuis in ieder geval bezochten. Als de bezoekers gemiddeld 30 minuten in de winkel zijn, wordt elk parkeervak 2 keer per uur gebruik. Dit geeft 12 autobewegingen per uur. Uitgaande van 8 uur per dag, zijn dit 96 bewegingen per dag (licht verkeer). In de stikstofberekening is (worst case) hiervan uitgegaan. Let wel, dit betreft een worst case situatie nu bij toepassing van de kentallen op veel meer verkeer wordt uitgekomen. En verkeer gerelateerd aan het warenhuis kan immers ook elders parkeren. Daarnaast geldt dat op de locatie ook 2 vrachtwagens per dag kwamen laden en lossen (bevoorrading en afvoer van afval etc.). De bron voor het licht verkeer is in noordelijke richting tot de Serooskerkseweg doorgetrokken en in zuidelijke richting tot de Ring.

Het verkeer wordt op dat moment beschouwd als te zijn opgegaan in het heersend verkeersbeeld. Het zwaar verkeer is gemodelleerd tot aan de Serooskerkseweg. Verwarming

Voor het bepalen van de emissie als gevolg van het verwarmen van het warenhuis is gebruik gemaakt van de kentallen die zijn te vinden via Bij12. Deze kentallen gaan uit van een NO x uitstoot van 0,16 kg NOx per m2 vloeroppervlak per jaar.4 De oppervlakte van het warenhuis bedroeg circa 1.000 m2. De NOx uitstoot als gevolg van het verwarmen van het warenhuis bedraagt daarmee 160 kg NOx per jaar. Verschilberekening

De referentiesituatie is tezamen met de berekening van de gebruiksfase ingevoerd als verschilberekening. De berekening is opgenomen in bijlage 1. Uit de berekening blijkt dat er sprake van een sterke afname van de stikstofdepositie op verschillende habitattypes. Dat komt met name nu het nieuwe hotel gasloos wordt uitgevoerd. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel.

4 https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannen-emissiefactoren/05-07-2018.

Habitattype

Duinbossen (binnenduinrand) Duinbossen (droog), berkeneikenbos Grijze Duinen (kalkrijk) Grijze Duinen (kalkarm) Duindoornstruweel Duinbossen (vochtig) Grijze Duinen (heischraal) Duinheiden met struikhei

Stikstofdepositie in de referentiesituatie (mol/ha/jr) 2.29 2.29

Stikstofdepositie in de nieuwe situatie (mol/ha/jr) 0.09 0.09

Verschil (mol/ha/jr)

0.07 0.07 0.06 0.05 0.03 0.02

0.00 0.00 0.00 0.00 0.00 0.00

-0.07 -0.07 -0.07 -0.05 -0.03 -0.02

-2.20 -2.20

6. Conclusie Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie in de aangevraagde situatie op geen enkel overbelast hexagoon in Natura 2000-gebieden leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzicht van de eerder vergunde situatie in de referentiesituatie. Significante effecten zijn dan ook op voorhand uitgesloten. Een natuurvergunning (of verklaring van geen bedenkingen van de provincie vanwege het gebiedsbeschermingsrecht) is voor wat betreft de stikstofdepositie niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11103296/1