Bijlage 4a Addendum duurzame energieopties Malta - impact materiaalgebruik
Tekst van het document
Addendum rapportage Duurzame warmte Malta, verdieping CO2 bijdrage energieopties wijk Malta Gemeente Gemeente Schouwen-Duiveland Schouwen-Duiveland
Colofon Over Morgen Robertjan Spaans en Anouk Bakx In opdracht van Gemeente Schouwen-Duiveland Versie Mei 2022 Contact anouk.bakx@overmorgen.nl
Leeswijzer 1.
Introductie
3
2.
CO2-impact energieopties
5
3.
Wat vertelt het onderzoek ons?
7
4.
Hoe is CO2 meegenomen in de beoogde projectaanpak?
11
5.
Bijlage
14
2
1. Introductie 1.1. Aanleiding en context De gemeente Schouwen-Duiveland, Energiecoöperatie Zeeuwind, een aantal inwoners vanuit de wijk en woningbouwcorporatie Zeeuwland onderzoeken samen op welke manier de wijk het beste aardgasvrij kan worden. Voor de wijk Malta is in voorgaande onderzoeken aquathermie (energie uit oppervlaktewater) in combinatie met collectieve warmtelevering (een warmtenet) als een kansrijke oplossing gezien. (Verkennende businesscase aquathermie, IF Technology van 26 januari 2021 en verdieping en uitwerking integrale businesscase aquathermie, IF Technology van 19 oktober 2021). In de rapportage “Duurzame warmte voor Malta” (januari 2022) is er aan de hand van een gezamenlijk opgesteld afwegingskader een vergelijk gemaakt van de verschillende – door de werkgroep techniek aangedragen – warmte-alternatieven voor de wijk Malta. Hieruit is gekomen dat voor de hele wijk meerdere oplossingen relevant zijn, afhankelijk van wat de gebouweigenaren belangrijk vinden en wat de mogelijkheden zijn van de gebouwen zelf. Op hoofdlijnen ligt collectieve warmte voor de hand voor de corporatiewoningen en een deel van de particulieren die daar direct naast liggen. Voor de woningen rond de wijk liggen meer individuele oplossingen voor de hand van warmtepompen tot en met een combinatie van een warmtepomp en een CV-ketel.
Tijdens het uitwerken van deze rapportage deed zich ook nog een kans voor in de vorm van een eenmalige subsidie gericht op grootschalige warmtetechnieken, namelijk de Nieuwe Warmte Nu-regeling. Deze regeling zet in op het Nationaal Groeifonds. Uit meer dan 200 projecten is de collectieve warmte kans opgenomen in de uitvraag. Op 15 april heeft het Nationaal Groeifonds het consortium NieuweWarmteNu! (NWN!) een voorwaardelijke bijdrage toegekend, van 200 miljoen euro. Als de toekenning definitief wordt, kunnen er naar verwachting 10 collectieve warmteprojecten worden ontwikkeld als vervanging voor verwarming met aardgas. De selectie van deze 10 projecten vindt momenteel plaats. In de Commissie Ruimte en Economie van 7 februari 2022 stond een raadsvoorstel geagendeerd om een proefboring te verrichten zodat kan worden vastgesteld of de bodem ook daadwerkelijk geschikt is als bron voor het warmtenet. Daaropvolgend zijn door de raad en door een inspreker vragen gesteld over de CO2bijdrage van dit project (bijdrage ten gevolge van energieverbruik en materiaal) met het oog op de toekomst en is het besluit aangehouden.
Dit addendum is opgesteld om antwoord te geven op de vraag: “Wat is de bijdrage van dit project aan de CO2-uitstoot (zowel ten gevolge van energie als de bijdrage vanuit materiaalgebruik) tijdens realisatie en gebruik en welke CO2-besparing levert dit project op door de vervanging van aardgas als bron voor verwarming?” Dit addendum kan gezien worden als een toevoeging op de rapportage “Duurzame Warmte voor Malta” en sluit zo veel als mogelijk aan op de daar gebruikte methoden. In hoofdstuk 2 is de gehanteerde methodiek van dit addendum samengevat. 1.2. Historie en samenhang besluiten Het beleid met betrekking tot energiebesparing, duurzame energieopwekking en het reduceren van de CO2 uitstoot is vastgelegd in de gemeentelijke Energie Agenda (2019), Regionale Energie Strategie Zeeland (2020) en Transitievisie Warmte Schouwen-Duiveland (2021). Voor wat betreft de mogelijkheden van aquathermie zijn de afgelopen jaren verschillende onderzoeken uitgevoerd. Onderstaand figuur geeft hier inzicht in en schetst hoe deze met elkaar samenhangen. Zo zijn er bijvoorbeeld 10 verschillende locaties op Schouwen-Duiveland voor kansen voor aquathermie onderzocht en is er een haalbaarheidsanalyse voor de 3 voorkeurslocaties
3
uitgevoerd. Uit het onderzoek naar de 3 voorkeurslocaties kwam de wijk Malta als de meest haalbare optie voor verder onderzoek naar de mogelijkheden van aquathermie.
Figuur 1 - Samenhang besluiten
Tijdens de raadsvergadering van 12 november 2020 hebben de fracties van Leefbaar Schouwen-Duiveland en Groen Links een amendement ingediend voor het uitvoeren van een CO2-nulmeting en een CO2 balans. Naar aanleiding hiervan heeft Rebuilt een onderzoek uitgevoerd naar het beschikbare CO2-budget van SchouwenDuiveland (rapportage Rebuilt van juni 2021). Uit dit rapport komt naar voren dat de beschikbare CO2 die nog mag worden uitgestoten om onder de 1,5 C opwarming van de aarde te blijven bij een gelijkblijvende uitstoot in de komende 6 jaar zal worden verbruikt. Om er voor te zorgen dat Schouwen-Duiveland zo lang mogelijk kan teren op het resterende budget zullen slimme keuzes moeten worden gemaakt.
4
2. CO2-impact energieopties Vanuit de Commissie Ruimte en Economie zijn naar aanleiding van het onderzoek over het CO2-budget van Rebuilt vragen gesteld over de wijze waarop een mogelijk warmtenet op basis van aquathermie bijdraagt aan de CO2-ambitie van de gemeente in de positieve dan wel negatieve zin. In het uitgevoerde onderzoek naar aardgasvrije alternatieven voor de wijk Malta is vooral gekeken naar het verschil in CO2-uitstoot tijdens het gebruik van de energieoplossing. Denk hierbij aan het energiegebruik van de oplossingen. In het vergelijk is beperkt naar de CO2-uitstoot van de aanleg, fabricage en materiaalgebruik van de opties gekeken. Niet omdat het niet belangrijk is gevonden, in tegendeel; samen met de werkgroep techniek is daar ook het gesprek over gevoerd, echter is geen rekenwerk uitgevoerd. Een berekening van de CO2-uitstoot als gevolg van het materiaalgebruik is dan ook niet eenvoudig. Deze is tijdsintensief omdat de warmteoplossing volledig moet worden gespecificeerd voor wat betreft de aanleg, fabricage en materiaalgebruik en helaas was van veelvoorkomende oplossingen en apparaten nog geen zogenaamde levenscyclusanalyse beschikbaar waaruit een betrouwbaar beeld van de CO2-uitstoot kan worden afgeleid. Een verdiepingsslag op de CO2uitstoot van het materiaal bleek daardoor niet uitvoerbaar binnen de projectopdracht.
Door de gestelde vragen in de Commissie Ruimte en Economie is verder onderzocht op welke manier er toch een antwoord gegeven kan worden. Tijdens deze zoektocht is een recente publicatie beschikbaar gekomen die op deze vraag in gaat. In deze analyse uit 2019, publiek gemaakt in januari 2022, wordt antwoord gegeven wat de CO2-emissies zijn van zeven veelvoorkomende energieoplossingen. Deze oplossingen zijn vergelijkbaar met de oplossingen die voor de wijk Malta zijn onderzocht. Denk hierbij aan warmtepompen, verschillende varianten van warmtenetten en CV-ketels gestookt op hernieuwbare gassen (groengas). Het onderzoek is in opdracht van RVO uitgevoerd door Nieman Raadgevende Ingenieus1 en via onderstaande link beschikbaar. In deze memo wordt dit rapport gebruikt als referentie, er zijn dus kanttekeningen en nuances te maken in relatie tot de daadwerkelijke situatie in Malta. Deze kanttekeningen en nuances worden behandeld in paragraaf 2.6 en zijn van toepassing op het hele addendum. 2.1.
Methodiek onderzoek Nieman Raadgevende Ingenieurs De methodiek bestaat uit het combineren van energieprestaties van de verschillende warmteopties en de verschillende isolatieschillen met de bestaande gasreferentie als basis én de uitstoot van de (productie van) de verschillende materialen van de gebouwgebonden maateregelen zoals isolatie maar ook de infrastructuurgerelateerde materialen In dit onderzoek is gebruik gemaakt van de bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWWwerken (Grond-, Wegen- en Waterbouw) en die zijn gebaseerd op de SBK-Bepalingsmethode (Stichting Bouwkwaliteit), inclusief bijbehorende rekenregels en Nationale Milieudatabase (v2.3). Figuur 2 – Integratie van energie en milieu in DPG (figuur 14 uit Nieman-rapportage)
Dit is de standaard bepalingsmethode om de impact van materiaalgebruik binnen de gebouwde omgeving te berekenen. Dezelfde methode wordt onder andere gebruikt om zogenaamde MPG-berekeningen (MilieuPrestatie Gebouwen) te maken als voorwaarde voor een vergunning van bouwwerken. In dit onderzoek
1 https://circulairebouweconomie.nl/wp-content/uploads/2022/01/Rapport-Circulariteit-bij-aardgasvrije-renovaties-definitief-2019.06.27.pdf
5
is uitgegaan van een rijwoning (1965 – 1975) als referentiewoning en is gekeken naar verschillende warmtealternatieven. Deze referentiewoning is het meest representatief voor de wijk Malta2.
Aantal woningen per bouwperiode 250
Verdeling woningtypes in de wijk Malta
200 150 100 50 0
Particulier bezit
Corporatiebezit
2 https://wijkpaspoort.vng.nl/?admin=BU16760001
6
Vrijstaand
2 onder 1 kap
Rijwoning
Appartement
3. Wat vertelt het onderzoek ons? Het onderzoek gaat in op het verschil in CO2-emissies als gevolg van het energiegebruik, het materiaalgebruik en de optelsom daarvan van veelvoorkomende aardgasvrije oplossingen toegepast in de referentiewoning (rijwoning 1965-1975). Wat daar bijzonder is, is dat ook wordt ingegaan op de invloed van de infrastructuur buiten de woning, oftewel het warmtenet, gasnet en/of elektriciteitsnet. Uit de analyse zijn een drietal conclusies te trekken die relevant zijn voor de wijk Malta en antwoord geven op de gestelde vraag. Deze worden opeenvolgend toegelicht. Deze zijn: 1. Milieueffecten van de infrastructuur buiten de woning zijn relevant; 2. CO2-bijdrage door aanvullende gebouwverbeteringen overschaduwen de energieoplossingen; 3. Het energiegebruik is bepalend. 3.1. Milieueffecten van de infrastructuur zijn relevant De door de gemeente gestelde vraag over de invloed van het materiaalgebruik blijkt relevant. Als de energieopties worden toegepast op een standaard rijwoning, zonder aanvullende bouwkundige ingrepen zoals isolatie, wordt een zuiver vergelijk mogelijk. Daaruit blijkt dat invloed van de benodigde aanpassingen buiten de woning, zoals de aanleg van het warmtenet, verzwaring van het elektriciteitsnet en bijbehorende opwek installaties in en om de wijk ongeveer 25% onderdeel uitmaken van het resultaat (zie figuur 2).
Figuur 3 - Schaduwprijs materiaalgebruik (Tabel 3 uit Nieman-rapportage) 1) Om het effect van installaties in de woning en het effect van gas/elektra/warmtelevering buiten de woning inzichtelijk te maken, wordt onderscheid gemaakt tussen installaties-intern (HR-ketel en mv-box) en installatiesextern (materiaalgebruik voor gas/elektra/warmtelevering, distributie tot aan de woning). Duidelijk zichtbaar is dat de impact van met name de externe installaties significant is (25% van totaal).
In het bovenstaande voorbeeld wordt dit getoond middels een berekening van de schaduwprijs. Dit kan gelezen worden als de verborgen kosten die nodig zijn om de negatieve milieueffecten van materiaalgebruik te vereffenen. Deze berekening geeft daarmee inzicht in een breed palet aan milieueffecten. Zo worden de emissies berekend ten aanzien van aantasting ozonlaag, humane toxiciteit, verzuring, vermesting en ook CO2. Kortom het is relevant om de effecten van de installaties buiten de woning te beschouwen.
7
3.2. CO2 bijdrage door aanvullende gebouwverbeteringen overschaduwen de energieoplossingen Ook is in het onderzoek naar het effect gekeken van alleen de CO2 -emissie als indicator op het effect op klimaatsverandering. In het onderzoek naar duurzame verwarmingsopties voor de wijk Malta is ingegaan op drie kansrijke technieken die kort worden toegelicht: 1. Een warmtepomp in de woning met een individuele bron. De warmte wordt daarbij uit de buitenlucht onttrokken of uit de bodem. 2. Een hybride systeem bestaande uit een warmtepomp met een individuele bron, die de retourlucht uit de woning benut i.c.m. een CV-ketel op aardgas. 3. Een collectief middentemperatuur warmtenet met bijbehorende warmte-afleverset verwarmd met collectieve warmtepompen met een open bodemenergiesysteem (WKO-doubletten) aangevuld met aquathermie voor regeneratie als bron. Ieder verwarmingssysteem heeft een bepaald isolatieniveau nodig om de woningen voldoende warm te stoken. Dit verschilt per verwarming optie omdat niet elke techniek de woning kan voorzien van de hoge temperaturen die een CV-ketel kan leveren. In de Nieman-rapportage wordt ook daarom gerekend met verschillende isolatiepakketten.
Dit zijn verschillende pakketten variërend van ‘geen isolatie, tot goede isolatie tot een verregaand pakket waarmee de woning geen energie meer gebruikt en is aangevuld met zonnepanelen ter compensatie van het elektriciteitsverbruik van de woning. Aan de hand van de informatie uit tabel 6 uit de Nieman-rapportage is de totale CO2 uitstoot van elke isolatiepakket inzichtelijk gemaakt. Om de uitstoot te vergelijken worden de aantallen genormaliseerd over een periode van 30 jaar. Fabricage, productie, vervangingsmomenten, onderhoud etc. maakt onderdeel uit van de getoonde waarde. Techniek wat een kortere technische levensduur kent zal worden vervangen.
Materiaalgebonden CO2-uitstoot per verwarmingsoptie genormaliseerd over een periode van 30 jaar
kg CO2
80000
64617
64587
64027
60000 40000
16982 23261
18306
17890
23858
23728
20000 0 All-electric
Hybride
Warmtenet midden temperatuur
Geen energiebesparing (pakket 1)
Goede isolatie (pakket 2)
Nul-op-de-meter (pakket 3)
Aardgasreferentie
Figuur 4 - CO2 uitstoot materiaalgebruik en voorkeurs isolatie pakket per verwarmingsoptie aangegeven met het kader.
Wat op valt is dat de verschillen tussen de opties beperkt zijn. In de situatie zonder aanvullende maatregelen ‘presteert’ een individuele warmtepomp het beste met ongeveer 8% verschil t.o.v. de hybride warmtepomp. Omdat een volledig elektrische warmtepomp alleen efficiënt en comfortabel zijn werk kan doen bij lage temperaturen moet bij dit vergelijk worden opgemerkt dat de woning bij voorkeur van aanvullende isolerende maatregelen moet worden voorzien. Tenminste pakket 2 en bij voorkeur pakket 3. Deze voorwaarde is minder relevant bij warmtenetten met een temperatuur regime van 70⁰ Celsius omdat daar minder bouwkundige ingrepen nodig zijn om comfortabel te kunnen verwarmen. Bij het kiezen van pakket 3 zal de efficiëntie van de warmtepomp sterk verbeteren, echter zal de uitstoot van de gebouw gebonden maatregelen dan ook toenemen. In de praktijk zal het betekenen dat de benodigde isolatiemaatregelen voor een goed isolatieniveau tussen pakket 2 en 3 zal liggen. Om die reden is het kader in de figuur gezet om aan te geven welke waarde volgt uit de mogelijke warmteoplossing.
8
Ook bevat Pakket 3 omvat veel bouwkundige ingrepen. Daaruit volgt een zes keer zo grote CO2-emissie. Met een oplossing die hogere temperaturen haalt kan dus worden bespaard op bouwkundige maatregelen die ook CO2-emissie met zich meebrengen. En in lijn met de conclusies uit het rapport “Als uitsluitend naar de CO2uitstoot wordt gekeken van de materialen/componenten dan scoort het concept met de minste wijzigingen uiteraard het best (..) Het energetisch renoveren naar Nul-op-de-Meter heeft een zware milieu-impact als gevolg. Het uitsluitend renoveren naar NOM met nieuw geproduceerde materialen levert op landelijk niveau, als de milieu-impact wordt meegenomen, niet een CO2-vrije gebouwde omgeving op.” Slimme oplossingen en technieken die voorkomen dat alle gebouwen een grootschalige renovatie nodig hebben dragen bij aan een CO2-vrije gebouwde omgeving. 3.3. Het energiegebruik wordt bepalend Om te zien hoe materiaalgebruik zich verhoudt tot energie is ook berekend wat de milieueffecten zijn van beide aspecten opgeteld. Dit wordt in onderstaand diagram per isolatiepakket uitgedrukt in kg CO2. In onderstaand diagram is de verhouding tussen de CO2 uitstoot van het energie en materiaalgebruik weergegeven op basis van isolatiepakket 2 voor één referentiewoning.
Daarbij is voor het materiaalgebruik per optie het gemiddelde van de benodigde isolatiepakketten als uitgangspunten genomen om te voorkomen dat een ‘nul op de meter’ pakket de warmtepomp optie onredelijk benadeeld en geen isolatie de hybride warmtenet optie bevoordeeld. Beide extremen zijn dan ook geen aan te bevelen strategieën. Aan de groene balk is te zien dat het materiaalgebruik bepalend is wanneer wordt gerekend met een grotendeels verduurzaamde (elektrische) energiemix in 2030. De lichtblauwe balken geven de uitstoot weer bij de energiemix in 2019 (de referentie)
Energie en materiaalgebonden CO2-uitstoot obv. benodigde isolatiepakket genormaliseerd over een periode van 30 jaar 160000 140000
kg CO2
120000 100000 80000
60000 40000 20000 0 All-electric
Hybride
Warmtenet midden temperatuur
Materiaalgebonden uitstoot
Energiegebonden uitstoot 2030
Energiegebonden uitstoot 2019
Aardgasreferentie totaal
•
All-electric: Hierbij is de materiaalgebonden CO2 -uitstoot het grootst omdat hier de meeste isolerende maatregelen nodig zijn.
•
Hybride: Biedt een evenwichtige prestatie vormt daarmee een logische transitieoplossing.
•
Warmtenet: Qua CO2 uitstoot biedt deze warmteoptie het meest gunstig eindperspectief. Ter informatie is ook de CO2 uitstoot weergegeven van de startsituatie waar een warmtenet in de eerste instantie het minst goed scoort omdat gestart wordt met een matige energiemix en fossiele piekvoorziening.
Verduurzaming energiemix Bij verdere vergroening van zowel warmtenetten als elektriciteit kunnen deze gunstiger uitpakken. Dat betekent wel dat tegen 2030 en 2050 aanzienlijk minder CO2 wordt uitgestoten door een (verwachte) vergroening van het elektriciteitsnet. Alle vol-elektrische aardgasvrije oplossingen zijn bij een volledig groene nationale
9
energiemix vrij van CO2-uitstoot. De verwachte uitstoot per kWh zal dalen volgens de Klimaat- en Energieverkenning (zie cijfers van TNO in de bijlage). De verschillen tussen de opties zijn daarbij beperkt. De beschikbaarheid van groen gas zal richting 2030 verder toenemen. Op het moment van schrijven is dat ongeveer 5% van het aardgasgebruik. Echter zal er in de toekomst niet genoeg groen gas zijn om de volledige gebouwde omgeving van duurzaam gas te voorzien. Daarom is de verwachting dat er enkel voor gebouwen die slecht of duur te isoleren zijn zoals oude binnensteden groen gas beschikbaar. In Schouwen-Duiveland zullen dit de oude woningen gebouwd voor 1950 zijn (anders dan de gemiddelde woning in de wijk Malta). Dus voor de hybride variant zal in de praktijk nog lang aardgas worden gebruikt, waardoor de uitstoot tussen de referentie en de huidige berekende waarde in zal liggen. Daarmee zal in de praktijk de optie hybride minder positief blijken en dus een grotere CO2-bijdrage kennen. 3.4. Discussie Dit addendum geeft een grofmazig beeld van de te verwachten CO2-uitstoot. Er is wel sprake van een CO2besparende trend door de aardgasvrije technieken die aan bod zijn gekomen in dit addendum. Bovendien is er het voornemen om in de Warmtewet 2 een minimaal haalbaar pad voor verduurzaming (prestatienorm voor CO2-uitstoot) op te nemen3.
Hieronder zijn de verschillende nuanceringen en onzekerheden in de aanpak opgesomd: -
-
-
-
-
De zekerheid van de CO2-uitstoot wordt groter naarmate het project concreter wordt en de uiteindelijke businesscases en tekeningen van bijvoorbeeld het warmtenet zijn gemaakt en dit – indien hier behoefte aan is – opnieuw berekend wordt; Levensduur van woningen is 75 jaar volgens bepalingsmethode, gebouwmaterialen worden voor 1/3 meegenomen. Bestaande situatie al 50 jaar oud, nieuwe update verlengt levensduur met minimaal 25 jaar, met variant 3 (NOM) isolatieschil 50 jaar. Rekencyclus is 25 jaar t.b.v. vergelijkbaarheid. De Nieman-rapportage heeft de NTA 8800 als uitgangspunt gehanteerd, dit is een bepalingsmethode voor het berekenen van de energieprestatie voor gebouwen. Dat betekent wel dat tegen 2030 en 2050 aanzienlijk minder CO2 wordt uitgestoten door een (verwachte) vergroening van het elektriciteitsnet. Alle vol-elektrische aardgasvrije oplossingen zullen dan nul directe CO2-uitstoot hebben. Ook de CO2uitstoot van de aquathermiebron gaat naar verwachting naar nul (zie bijlage). De CO2-uitstoot van de toekomstige energiemix is onzeker, bijbehorende materiaalgebonden CO2-uitstoot van duurzame bronnen is nog onzekerder. Echter is er een grote trend richting elektrificatie en verduurzaming van het elektriciteitsnet gaande. Ook met de energiemix uit de Nieman-rapportage (2019?) is de impact positief en deze wordt alsmaar beter.
De huidige elektriciteitsmix anno 2022 is nu al duurzamer dan ten tijde van de studie (KEV); Onzekerheid in de uiteindelijke efficiëntie van (hybride) warmtepompen (COP) en de verhouding tussen elektrische / gasbijstook voor koude dagen en tapwater. Voor de hybride optie is er in de berekening uitgegaan van een invulling van 80% door de warmtepomp en 20% door groen gas; In de rapportage is niet aangegeven van welke bron er wordt uitgegaan voor het warmtenet, enkel het temperatuurniveau van de warmte is aangegeven; Referentie bouwjaar is voor een deel van de wijk toepasselijk, een deel zal anders zijn en andere behoeften hebben op het gebied van woningisolatie;
- Referentie woningtype heeft een aandeel van 49% van de wijk Malta. Dit brengt onzekerheid in de uiteindelijke uitwerking.
3 Beleidsoverzicht en factsheets beleidsinstrumenten, Achtergronddocument bij de Klimaat- en Energieverkenning 2021. Planbureau voor de
Leefomgeving, 28 oktober 2021, p.69-70.
10
4. Hoe is CO2 meegenomen in de beoogde projectaanpak? 4.1. De subsidieaanvraag Voor de subsidie aanvraag is een projectaanpak opgesteld waarbij is ingezet op een duurzame bron gebaseerd op warmtewinning uit oppervlaktewater i.c.m. WKO (aquathermie). De opwerking naar een voor de gebruikers bruikbare temperatuur verbruikt elektriciteit door de inzet van warmtepompen. Beperken van de CO2-uitstoot is een belangrijk uitgangspunt voor de samenwerkende partijen. De gemeente en samenwerkende partijen willen niet afhankelijk zijn van de landelijke ontwikkelingen. Om die reden wordt ingezet op een propositie aan de gebouweigenaren waarbij een combinatie van warmte en elektriciteit wordt aangeboden. De deelnemers worden eindgebruikers van het warmtenet en/of leden van de energiecoöperatie Zeeuwind en verwerven zo niet alleen een aandeel in het warmtenet maar ook in het opwek portfolio van de corporatie Zeeuwind. Het opwek portfolio van Zeeuwind omvat met name elektrische opwek installaties. Het energieconcept is als volgt: naast een grote warmtepomp wordt voorzien in een elektrische piekvoorziening. (eboiler). Het (elektrische) verbruik van het warmtenet wordt verbonden met de elektrische opwek portfolio van Zeeuwind en kan worden gesaldeerd. In combinatie met de duurzame opwek is het mogelijk om 72% CO2-reductie te realiseren voor wat betreft gebruik van de energieoplossing voor 2030.
In 2025 is vooralsnog gerekend met een piekvoorziening op basis van aardgas. Deze tijdelijke voorziening wordt 2025-2030 uitgefaseerd in ruil voor de elektrische voorziening. Met prestatiegericht aanbesteden willen de partijen toezien op circulair materiaalgebruik. Tot slot worden in hoofdstuk 5 van het rapport ‘Circulariteit bij aardgasvrije renovaties’ (RVO) circulaire materialen aangehaald. Het advies is om, waar kosteneffectief, circulaire materialen of bestaande materialen met behoud van waarde zoveel als mogelijk mee te nemen in de aanpak om uitstoot door materiaalinzet te verminderen.
11
4.2. Onderzoek energieopties Malta Als laatste wordt besproken in hoeverre deze informatie de conclusies uit de Rapportage Energieopties Malta beïnvloed. De rapportage Energieopties Malta is in samenwerking met een vertegenwoordiging van gebouweigenaren (werkgroep techniek). Daarbij is toegewerkt naar een afwegingskader gebaseerd op wat de gebouweigenaren belangrijk vinden. In dat proces is geconcludeerd dat deze criteria kunnen verschillen per gebouweigenaar. Zo vindt de woningbouwcorporatie het belangrijk om een oplossing te realiseren die de kosten laag houdt en bovenal betrouwbaar is. Ook binnen de werkgroep techniek heersen er verschillen opvattingen over het ‘gewicht’ van de uitgangspunten Om die reden is gekozen voor een ongewogen optelling zodat ieder deze voor zichzelf kan bepalen en geconcludeerd dat een warmtenet meer voor de hand wanneer de kosten voor de huurder icm. betrouwbaarheid maatgevend zijn, denk hierbij aan de al genoemde woningcorporatie. Een hybride ligt voor de hand wanneer een gebouweigenaar direct aan de slag wil en geen hoge (aanvangt) investeringen wil. Een warmtepomp ligt voor de hand wanneer grote woningverbetering in het verschiet ligt en keuzevrijheid gewaarborgd moet zijn. Ook is om die reden geconcludeerd dat de totale aanpak voor de wijk beter gebaseerd kan worden op meerdere oplossingen.
Een warmtenet voor de corporatiewoningen en voor de particuliere gebouweigenaren die op dat moment ook mee kunnen en willen. En een van beide individuele oplossing passend bij de situatie waarin de het gebouw en de eigenaar zich bevindt. Ter aanvulling zijn de CO2- uitkomsten van de rapportage toegevoegd aan het afwegingskader. Individueel Uitgangspunt
Warmtepomp Bodem / Lucht
Collectief Hybride Warmtepomp + CV-ketel
Warmtenet Aquathermie i.c.m. WKO
€ 2.912 gem. per jaar
€ 2.641 gem. per jaar
€ 2.719 gem. per jaar
Lucht: Onbeperkt Bodem: Hoog, bodem is goed geschikt voor toepassing bodemlussen. Direct beschikbaar, korte doorlooptijd realisatie. 48 Kton CO2 / jaar
Beperkt, huidige en verwachte energiemix bevat beperkt aandeel hernieuwbare energie, inzet hernieuwbare gassen onzeker. Direct beschikbaar, korte doorlooptijd realisatie.
Hoog, Geschikt als primaire warmtebron voor warmte en koude voor nieuwbouw. Efficiënte koudebron. Langere doorlooptijd realisatie: 2-3 jaar ontwikkeltijd, 2 jaar realisatie. 34 Kton CO2 / jaar
5. Keuzevrijheid
Hoge keuzevrijheid. Natuurlijke momenten tot 2050, afhankelijk keuzes individu.
Hoge keuzevrijheid. Natuurlijke momenten tot 2050, afhankelijk keuzes individu.
Geen keuzevrijheid v.w.b. leverancier. Beperkte keuzevrijheid te organiseren Afhankelijk van governance model.
6. Betrouwbaar
Hoog, zeer beperkt technisch falen. Comfort echter afhankelijk van kwaliteit woning. Hoog, prestatie hangt af van
Hoog, complexer systeem echter redundant.
Zeer hoog, redundant uitgevoerd, door warmtewet beschermd.
Hoog, standaard praktijk, alle grote merken voeren
Geen belemmeringen gezien in bureaustudie.
1. Kosten gebruiker (particulier) 2. Beschikbaarheid
3. Tijdspad
4. CO2 uitstoot materiaal en energiegebruik
7. Technische haalbaarheid
12
31 Kton CO2 / jaar
8. Laagdrempeligheid Aantal punten
isolatieniveau, afgiftesysteem, inpasbaarheid woning.
een hybride combinatie. Aandachtpunt inpasbaarheid woning.
Warmtepomp vraagt ander ‘stook’ gedrag. Vraagt meer ruimte in woning. 14
Vraagt meer ruimte in de woning. Lijkt meest op standaard CV-ketel. 13
Matige reputatie, je zit ‘vast’ aan 1 leverancier. Vraagt weinig ruimte in de woning. 15
Wanneer de CO2 uitstoot van het materiaal en energiegebruik toegepast wordt op het afwegingskader valt op dat de optelling van het warmtenet verbeterd met 1 punt en de warmtepomp verslechterd. De opties liggen bij elkaar opgeteld dicht bij elkaar. Alles overwegende kan het volgende worden gesteld.
13
•
De optie warmtepompen levert op de korte termijn problemen op omdat het elektriciteitsnetwerk hiervoor onvoldoende capaciteit heeft. De aansluitingen van de woningen moeten hiervoor worden verzwaard door Stedin, net als de trafo’s in de straten en in de wijk. Bovendien is de materiaal gebonden CO2-uitstoot van deze optie het grootst.
•
De optie hybride warmtepompen is uitvoerbaar en een zinvolle oplossing echter betreft feitelijk een tussenoplossing richting aardgasvrij. Er is immers nog steeds sprake is van gasverbruik, bestaande uit aardgas en hernieuwbare gassen. Het is niet zeker dat in 2050 hier voldoende hernieuwbare gassen voorhanden zijn zoals groengas en waterstof gas. In het klimaatakkoord wordt zwaar ingezet op hernieuwbare gassen wat op telt tot 2 mld. kuub gas, hiermee kan naar verwachting ongeveer 10-20% van de gebouwde omgeving worden verwarmd. Om die reden wordt ook landelijk gestuurd op een hybride aanpak gericht op vastgoed wat alleen tegen de hoogste kosten aardgasvrij kan worden gemaakt, denk hierbij aan vastgoed van voor en rond 1900, en als tijdelijke transitieoplossing. Op termijn zullen de hybride warmtepompen vervangen moeten worden door een aardgasvrije optie. Desondanks is de materiaal gebonden CO2-uitstoot van deze optie het laagst.
•
De optie warmtenet is op relatief korte termijn wel realiseerbaar, afhankelijk van het beschikbaar komen van subsidie. Voor het warmtenet loopt een NWN-subsidie aanvraag van circa € 5 mio, ofwel ruim € 7.000 per woning voor de clusters 1 tm 5 (688 woningen). Als deze subsidie wordt toegekend, betekent dit dat een groot deel van de onrendabele top wordt weggenomen. Daarmee wordt de optie warmtenet een stuk realistischer en uitvoerbaarder. Het initiatief van de Schouwen-Land kent daarbij de minste negatieve bijdrage aan de CO2-doelen en wordt aanbevolen om de haalbaarheid verder te brengen uitgaande van de stelling dat niks doen geen optie is.
Bijlage Emissiefactoren 2015 2020 2025 Emissiefactor 0,53 0,30 0,21 elektriciteit (kg/kWh) C02-emissiefactoren brandstof Startwaarde: 47 kg/GJ Aquathermie + 29,2 20,4 WKO + WP 70C (kg/GJth) Doelstelling 40 34,5 Warmtewet (25 kg/GJth) *Berekend met de TNO-2021-duurzaamheid-rekentool
14
2030 0,09
20XX 0,00
8,8
0
25
0