Bijlage 1 Verkennende businesscase aquathermie Malta definitief
Tekst van het document
Het streven is nadrukkelijk om op termijn de overstap te maken naar een piekvoorziening op basis van een duurzaam gas of andere duurzame techniek en zo daadwerkelijk een energiebron te hebben die 100% aardgasloos functioneert. Op deze manier kan aardgas uitgefaseerd worden en gaat de wijk Malta naar een aardgasvrije toekomst, zonder direct zeer grote investeringen te moeten doen. Het warmtenet zal in eerste instantie gerealiseerd worden naast het bestaande gasnet. Dit omdat op basis van informatie van Enduris blijk dat het gasnet voorlopig niet aan vervanging toe is en omdat de bewoners keuzevrijheid hebben om te besluiten om aardgas te blijven gebruiken. Als het gasnet in de toekomst aan vervanging toe is kan gekeken worden of er voldoende mensen zijn aangesloten op het warmtenet en of ook de laatste bewoners kunnen overstappen. Daarmee zou een herinvestering in de gasinfrastructuur bespaard kunnen worden. 2.4.3
Energetische analyse De energetische uitgangspunten van het energieconcept zijn weergegeven in Tabel 2.10, waarbij er van afnemer naar bron is geredeneerd. De getallen in deze tabel zijn een indicatie op basis van het uitgewerkt concept.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 31/46
Tabel 2.12 | Energetische input en output parameters van het energetische concept collectieve WKO en TEO. parameter
eenheid
base case
aantal aansluitingen
-
820
warmtebehoefte gebouwen
MWh/jaar
9.600
temperatuur warme leiding (aanvoer)
°C
70
temperatuur koude leiding (retour)
°C
40
warmteverlies warmtenet10
%
15
maximale COP warmtepomp
-
3,5
Seasonal Performance Factor (SPF) warmtepomp11
-
3,2
warmte productie totaal
MWh/jaar
11.300
vermogen productie totaal
MW
4,5
aandeel warmtepomp vermogen
%
35
aandeel piekvoorziening vermogen
%
65
aandeel warmtepomp energie
%
85
aandeel piekvoorziening energie
%
15
minimale uitkoeling oppervlaktewater
°C
3,0
maximale uitkoeling oppervlaktewater
°C
6,0
minimale lozingstemperatuur oppervlaktewater
°C
12,0
minimale onttrekkingstemperatuur oppervlaktewater
°C
15,0
infiltratietemperatuur koude WKO
°C
7,0
minimaal benodigd debiet TEO
m3/h
275
minimaal benodigd debiet WKO
m3/h
150
aantal WKO doubletten
-
6 - 12
gemiddelde infiltratietemperatuur warmte
°C
17
temperatuur warme leiding WKO
°C
13 - 25
temperatuur koude leiding WKO
°C
7 - 10
warmteverlies distributienet
%
0
gebouwen/afnemers
warmtenet
technische ruimte
bron en opslag (TEO en WKO)
2.4.4
Principeschema en schetsontwerp In Figuur 2.11 is het principeschema van een collectieve WKO en TEO voor de winter en de zomer weergegeven. De seizoenen zijn indicatief om een bepaalde situatie te schetsen. In de winter is het TEO-systeem uitgeschakeld. In de zomer wordt het oppervlaktewater gebruikt als bron van warmte om de WKO te laden/regenereren. Het kan ook voorkomen dat er een warmtevraag in de gebouwen is en het TEO-systeem aan het laden is. In dat geval wordt de warmte uit oppervlaktewater direct ingezet om de gebouwen te verwarmen.
10 Het warmteverlies is gebaseerd op kengetallen voor distributieverliezen voor gebied- en centrale systemen per
woning opgenomen in de Uniforme Maatlat versie 4.2 en omgerekend naar een percentage t.o.v. de warmtelevering. 11
SPF is de gemiddelde COP gedurende een jaar. Het is de verhouding tussen nuttig geleverde warmte en benodigde
elektriciteit van de warmtepomp.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 32/46
Figuur 2.11 | Principeschema collectieve WKO en TEO in de winter en zomer (grijs = niet in bedrijf). Winter: het TEO-systeem is uitgeschakeld, omdat het oppervlaktewater te koud is (< 15°C). Het WKO-systeem levert warmte uit de warme bronnen die door de warmtepomp wordt opgewaardeerd naar 70 °C. Zomer: het TEO-systeem is ingeschakeld, warmte kan aan de warmtepomp geleverd worden om de gebouwen van warmte en/of tapwater te voorzien, daarnaast wordt de warmte uit het oppervlaktewater gebruikt om de WKO te laden/regenereren. WP = warmtepomp en GK = gasketel.
Een schetsontwerp heeft in deze fase van de haalbaarheid nog veel onzekerheden. Het geeft slechts een indicatie van wat er nodig is bij een collectief systeem en hoe dat eventueel ingepast kan worden. In Figuur 2.12 is een voorbeeld van een collectief warmtenet met WKO en TEO weergegeven. De exacte locatie van de verschillende onderdelen moet nader bepaald worden.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 33/46
Figuur 2.12 | Schetsontwerp collectieve WKO en TEO met een 70/40 o C warmtenet. De figuur is slechts een voorbeeld van het systeem (haalbaarheidsniveau). In de engineeringsfase wordt nadrukkelijk naar inpassing van de verschillende onderdelen gekeken.
Hieronder zijn de verschillende onderdelen van het concept toegelicht: 1 TEO-systeem (geel): de warmtebron is energie uit oppervlaktewater. De warmte wordt in de zomer onttrokken uit het oppervlaktewater. Het TEO-systeem bestaat onder andere uit een inlaat, een uitlaat, leidingwerk, pompen, filters, warmtewisselaars en regelkasten. Een deel van de componenten staan in een technische ruimte. Dit kan een aparte ruimte voor het TEOsysteem zijn, maar het kan ook onderdeel uitmaken van een grotere technische ruimte waarin ook de energieopwekking plaatsvindt (zie punt 3). Voor de componenten van het TEO-systeem is een minimale ruimte van enkele tientallen vierkante meters benodigd. Deze ruimte moet ergens langs de gele lijn geplaatst worden en kan eventueel ondergronds gerealiseerd worden. NB: in Figuur 2.12 is het TEO-systeem in het Kaaskenswater ingepast, maar uit de energetische analyse bleek dat ook de Haven geschikt zou zijn. Er hoeft in dit stadium nog geen keuze gemaakt te worden en beide varianten zullen elkaar weinig ontlopen qua technische uitdagingen of kosten. Inpassing in de Haven is meegenomen in de gevoeligheidsanalyse. 2 WKO (blauw): het opslagsysteem is een WKO (open bodemenergiesysteem). De warmte uit het oppervlaktewater wordt in de zomer opgeslagen in de bodem. In de winter wordt deze warmte gebruikt om de gebouwen te verwarmen.
Uit de huidige warmtevraag blijkt dat er meerdere
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 34/46
doubletten nodig zijn, omdat de capaciteit van één doublet niet voldoende is. Een bronnennet, bestaande uit ongeïsoleerde PE-leidingen, is daarom benodigd om de verschillende warme en koude bronnen te verbinden. Er zijn 6 tot 12 doubletten nodig, afhankelijk van de bodemgesteldheid en toepassing van een piekvoorziening. 3 Technische ruimte (rode vierkant): De technische ruimte (ook wel warmteoverdrachtstation of WOS genoemd) kan zowel één of meerdere collectieve ruimtes zijn in een gebied waar de warmte wordt geproduceerd en toegevoegd wordt aan een 70/40 warmtenet. Qua grootte moet gedacht worden aan een gebouw van ongeveer 200 m2. Dit gebouw bevat onder andere opwekking (warmtepompen en piekketels), regelkasten, uitkoppeling (warmtewisselaars en leidingen) met het WKO-net en buffervaten. 4 Warmtenet en onderstations (rood): het warmtenet is afhankelijk van het energieconcept. In Malta wordt uitgegaan van een aanvoertemperatuur van 70 °C en retourtemperatuur van 40 °C. Bij deze aanvoertemperatuur zijn er minder energiebesparende maatregelen noodzakelijk dan bij een lagere aanvoertemperatuur. Voor een jaren 60 wijk is dit de meest logische keus, om de transitie voor iedereen haalbaar te maken. Het warmtenet bestaat normaliter uit verschillende leidingdiameters. Vanuit het WOS loopt een backbone (grote diameter leiding) door de wijk.
Deze vertakt via onderstations in kleinere distributienetten richting de verschillende delen van de wijk. De onderstations zijn niet ingetekend in Figuur 2.12. Een onderstation is vergelijkbaar met een klein elektriciteitshuisje, waarbij de warmte van de backbone wordt overgedragen aan het kleinere net. Voor een wijk ter grootte van Malta worden ca. 3 – 6 onderstations verwacht. 5 Gebouwen: Voor dit concept heeft iedere woning een eigen warmtewisselaar (afleverset) nodig. Via deze warmtewisselaar wordt de warmte vanuit het distributienetwerk overgebracht naar het cv-water en het tapwater. De gasketel kan uit de woning verwijderd worden en de woningen kunnen hiermee volledig gasloos gemaakt worden. De warmtewisselaar betreft een relatief klein apparaat, kleiner dan een cv-ketel en kan meestal in de bestaande meterkast geplaatst worden. Voor het bereiden van warm tapwater werkt dit apparaat volgens het doorstroomprincipe waardoor opslag van warm tapwater niet nodig is. Figuur 2.13 toont een weergave van een mogelijke warmtewisselaar. Naast het overbrengen van de warmte is het apparaat voorzien van meters zodat de geleverde warmte gemeten kan worden.
Figuur 2.13 | Afleverset voor in de woningen.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 35/46
3 Financiële haalbaarheid Aan de hand van de technische analyse, beschreven in Hoofdstuk 2, is de business case van het duurzame energiesysteem opgesteld. De investeringskosten (CAPEX), exploitatiekosten (OPEX) en omzet zijn inzichtelijk gemaakt. Daaruit volgt uiteindelijk een totaal project rendement (IRR). De IRR (internal rate of return) is het te verwachten rendement op een investering. Is dit te verwachten rendement (te) laag dan zal het niet lukken om een partij te vinden om het systeem te realiseren; de investering heeft een onrendabel deel. Met deze business case wordt de grootte van dit onrendabele deel inzichtelijk gemaakt en er worden suggesties gedaan voor subsidies waarmee dit onrendabele deel (deels) gedekt kan worden. Indien aannames worden gemaakt of kentallen worden gebruikt die niet afkomstig zijn uit Hoofdstuk 2 zal dit expliciet vermeld worden. Aangezien de resultaten van de business case afhankelijk zijn van veel uitgangspunten en variabelen, bevat dit hoofdstuk ook een gevoeligheidsanalyse. Uit deze analyse wordt duidelijk welke invloed verschillende parameters hebben op de uitkomst van de business case. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden welke parameters de meeste en welke de minste invloed hebben. Met die kennis is het mogelijk om prioriteiten te stellen met betrekking tot het uitwerken van de kansen en risico’s voor het project.
De business case geeft een overzicht van de financiële haalbaarheid van het energieconcept, maar om dit concept toe te kunnen passen in de verschillende woningen zullen deze woningen ook inpandige aanpassingen moeten doen. Als laatste paragraaf wordt een inzicht op hoofdlijnen gegeven van de (financiële) impact van het concept op de woningen en daarmee de bewoners.
3.1
BUSINESS CASE
3.1.1
Uitgangspunten financiële analyse Voor de financiële berekeningen is rekening gehouden met de energetische uitgangspunten weergegeven in Tabel 2.12 en de financiële uitgangspunten weergegeven in Tabel 5.1. Voor de genoemde uitgangspunten is 2020 als referentiejaar gebruikt. Aangezien het hier de haalbaarheidsfase betreft, dient er rekening gehouden te worden met een onzekerheidsmarge van +/- 25%. Alle genoemde bedragen zijn exclusief BTW.
3.1.2
Investerings- en exploitatiekosten Tabel 3.1 geeft inzicht in de initiële investeringen (CAPEX) en de onderhoudskosten (OPEX). Duidelijk wordt dat het warmtenet zwaar drukt op de CAPEX. De voornaamste reden hiervoor is dat het een groot warmtenet betreft. De totale afstand van het warmtenet bedraagt op basis van een eerste schets ongeveer 4.900 meter voor distributie en 3.300 meter voor de aansluiting aan de huishoudens. Dit resulteert in een warmtenet van ongeveer 10 meter per aansluiting. Daarnaast zijn de kosten voor de afleversets ook behoorlijk. Het voordeel voor de bewoners van deze afleversets ten opzichte van bijvoorbeeld een gasketel is het feit dat deze niet in eigen beheer zijn. De warmteleverancier is verantwoordelijk voor de afleversets en dient deze dus te onderhouden en indien nodig te vervangen. De bewoners worden daarmee ontzorgd in hun warmtelevering.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 36/46
Tabel 3.1 | Kosten voor realisatie en exploitatie van WKO, TEO en warmtenet parameter
eenheid
waarde
WKO/open bodemenergiesysteem
€
520.000
TEO/regeneratiesysteem
€
250.000
distributienet WKO en TEO
€
970.000
warmtenet (inclusief onderstations)
€
5.700.000
collectieve warmtepompen
€
620.000
collectieve gasketel als piekvoorziening en backup
€
250.000
gebouw technische ruimte
€
100.000
afleversets
€
1.100.000
aansluitkosten nutsvoorzieningen
€
11.000
ontwerp- & advieskosten (10%)
€
950.000
aanpassingen woning12
€
-
energie besparende maatregelen (isolatie)12
€
-
totaal
€
10.500.000
elektriciteit (vast + variabel)
€/jaar
250.000
gas (vast + variabel)
€/jaar
140.000
onderhoud en beheer WKO
€/jaar
10.000
onderhoud en beheer TEO
€/jaar
10.000
onderhoud en beheer distributie-/warmtenet
€/jaar
70.000
onderhoud en beheer warmtepompen en gasketel
€/jaar
29.000
onderhoud en beheer afleversets
€/jaar
22.000
management/administratie/facturatie
€/jaar
59.000
totaal
€/jaar
590.000
CAPEX
OPEX
Op basis van Tabel 3.1 valt nog niets te zeggen over de organisatie van de warmtevoorziening. Er zullen één of meerdere partijen moeten komen die het systeem gaan ontwikkelen, realiseren en exploiteren, waarbij de exploitatie ook weer in verschillende handen kan komen met verschillende eigenaren van het systeem. Voor een beslissing over het eigenaarschap en de verschillende rollen in de keten van warmtelevering is het in dit haalbaarheidsonderzoek te vroeg. Er kan wel gekeken worden tegen welke financiële voorwaarden realisatie van de WKO, TEO en het warmtenet haalbaar is. In het exploitatiemodel wordt hier dieper op ingegaan. 3.1.3
Exploitatiemodel Een partij die investeert in het systeem wil daar ook een bepaald rendement voor terug hebben. In Tabel 3.2 zijn de inkomsten (omzet) voor een exploitant weergegeven door middel van warmtelevering aan de bewoners. De CAPEX en OPEX van WKO, TEO en warmtenet samen met de omzet voor de exploitant vormen de base case in dit onderzoek. Gezien de grote investeringskosten en de beperkte omzet resulteert dit in een laag projectrendement (IRR) van 0,9%.
12 Om de woningen te kunnen verwarmen met warmte uit het warmtenet zullen er ook inpandig aanpassingen gedaan
moeten worden (verwijderen gasketel, plaatsen elektrische kookvoorziening, omleggen leidingen) en zal er in sommige woningen extra geïsoleerd moeten worden. Omdat hier de business case voor de warmteleverancier is uitgewerkt zijn deze kosten niet meegenomen. In Paragraaf 3.3 worden deze posten verder beschreven.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 37/46
Tabel 3.2 | Opbrengsten exploitatie WKO, TEO en warmtenet uitgaande van de maximale tarieven voor warmte in 2020 vastgesteld door de ACM. parameter
eenheid
waarde
warmtelevering
€/jaar
670.000
vastrecht warmte
€/jaar
290.000
meetkosten
€/jaar
16.000
huur afleverset
€/jaar
77.000
totaal
€/jaar
1.050.000
Op basis van ervaringen uit projecten blijken de belangen van commerciële en publieke partijen omtrent het projectrendement (IRR) verschillend. Commerciële partijen zetten vaak wat hoger in dan publieke partijen. In 2018 hadden warmteleveranciers een gemiddeld rendement op hun projecten van 6,4%13. Echter wordt er vaak ingezet op een hoger rendement om zo ook eventuele onverwachte tegenslagen op te vangen. Op basis van onze huidige marktkennis is een gemiddeld rendement van 8,0%14 bij vergelijkbare projecten gangbaar. Om dit rendement te realiseren zijn vaak extra initiële inkomsten benodigd om de zogenaamde onrendabele top van de investering te dekken. In Tabel 3.3 is te zien hoe de onrendabele top zich verhoudt tot het behalen van een gewenst rendement van 4,0%, 6,0% en 8,0%. Tabel 3.3 | Financiële output business case. De onrendabele top en netto contante waarde is weergegeven bij verschillende projectrendementen (IRR na belasting en rentelasten), op basis van de uitgangspunten beschreven in Paragraaf 3.1.1. variant
a
b
c
(base case)
d (base case gevoeligheidsanalyse)
projectrendement (IRR)
%
0,9%
4,0%
6,0%
8,0%
onrendabele top
€/aansluiting
0
5.200
7.100
8.500
totale onrendabele top
M€
0
3,8
5,3
6,3
netto contante waarde (NCW) 15
M€
-6,0
-1,7
0
1,1
Voor het systeem in Malta is gekeken naar wat deze extra initiële inkomsten zouden moeten zijn om een gewenst projectrendement van 8,0% te behalen. Dit resulteert in een onrendabele top van € 6.300.000 en dus € 8.500 per aansluiting (aansluitpercentage van 90%). Deze variant zal de basis vormen voor de gevoeligheidsanalyse. 3.1.4
Financieren van de onrendabele top De onrendabele top zal op een bepaalde manier gedekt moeten worden, anders zullen er geen partijen gevonden kunnen worden die het systeem willen realiseren en exploiteren. Er zijn verschillende manieren om dit te doen, waarbij er vooral gekeken zal moeten worden naar beschikbare subsidies. Enkele belangrijke opties om de onrendabele top te helpen dekken zijn hieronder gegeven:
13 CE Delft, 2020. Rendementsmonitor warmteleveranciers 2017 en 2018, aangepaste versie per 6 augustus 2020. 14
Het projectrendement is in dit geval berekend over de kasstroom na belasting en rentelasten.
15 De netto contante waarde is berekend met een disconteringsvoet van 6,1%, gelijk aan de WACC. Zie ook Tabel 5.1.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 38/46
•
•
•
Programma Proeftuinen Aardgasvrije Wijken (PAW): om bestaande wijken aardgasvrij ‘ready’ te maken stelt het rijk een subsidie beschikbaar via het programma PAW. Er zijn inmiddels verschillende inschrijfrondes geweest, waarbij de gemiddelde beschikbaar gestelde subsidie € 4.000.000 per wijk van gemiddeld 500 woningen bedroeg. Dit komt neer op een gemiddelde subsidie van € 8.000 per woning. Niet alle projecten die zich inschrijven krijgen daadwerkelijk de subsidie toegewezen. De exacte toezeggingscriteria worden niet gegeven, maar in de aanvraag is het belangrijk om aan te tonen dat het een innovatief project betreft en dat bewoners van de wijk betrokken zijn. Bijdrage aansluitkosten (BAK): de onrendabele top kan deels gedekt worden door een aansluitbijdrage te vragen aan de bewoners en verhuuders. Deze mag in 2020 volgens de Warmtewet maximaal € 3.728,- per aansluiting bedragen. De vraag is echter of het wenselijk is om bewoners met zo’n grote aansluitbijdrage te confronteren. Veel bewoners zullen alleen kunnen en willen aansluiten als ze daar niet te grote investeringen voor moeten doen. Welk bedrag wel redelijk is om aan de bewoners te vragen zal in het toekomstige traject, het liefst samen met de bewoners, vastgesteld moeten worden. De aansluitbijdrage kan ook (deels) betaalt worden middels subsidies.
Verhuurders kunnen daarbij gebruik maken van de SAH subsidie, en particuliere eigenaren vanaf 2021 van de ISDE subsidie. Energie-investeringsaftrek (EIA): de EIA is een belastingregeling waarbij winst gemaakt met duurzame projecten welke geïnvesteerd wordt in nieuwe duurzame projecten minder belast wordt. Maximaal komt dit overeen met een voordeel van 11% op de initiële investeringen. Omdat het een fiscale regeling betreft en de grootte daarmee afhangt van de winst en bedrijfsvoering van de warmteleverancier is het voordeel van de regeling niet meegenomen in de base case. In de gevoeligheidsanalyse wordt de impact van toepassing van de EIA wel onderzocht.
Naast bovenstaande – en ook andere – manieren om de onrendabele top te financieren, is het ook mogelijk om het onrendabele deel van de investering te verlagen door meer inkomsten te genereren middels exploitatiesubsidies. Voor projecten met Aquathermie is het mogelijk om aanspraak te maken op de SDE++. 3.1.5
SDE++ 2020 Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat stimuleert met de subsidie Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE++) de ontwikkeling van duurzame energievoorzieningen in Nederland. In 2020 is de eerdere SDE+-regeling verbreed naar de SDE++. In het eindadvies SDE++ 2020 is Aquathermie (waarvan TEO onderdeel is) opgenomen. Het budget voor de openstellingsronde in het najaar van 2020 was € 5 miljard. De openstellingsronde van de SDE++ kent 4 fases. Tijdens de eerste fase kan alleen subsidie aangevraagd worden voor projecten met een subsidiebehoefte tot een bepaald subsidiebedrag/ton CO₂. Tijdens de volgende fases wordt dit maximale subsidiebedrag/ton CO₂ stapsgewijs opgehoogd. Er mogen ook projecten worden ingediend met een lagere subsidiebehoefte dan het vastgestelde maximum voor de betreffende techniek. Marktpartijen worden op deze manier geprikkeld om projecten voor een lagere prijs in te dienen en daarmee meer kans te maken op subsidie. Thermische energie uit oppervlaktewater is als één van de laatste technieken gerangschikt. In de praktijk betekent dit dat om in aanmerking te komen voor het volledige subsidiebedrag er pas aan het eind een aanvraag kan worden ingediend. Dit maakt de kans op gunning kleiner, omdat er een beperkt budget beschikbaar wordt gesteld.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 39/46
De hoeveelheid aanvragen voor SDE++ en daarmee de kans op budgetuitputting voordat aquathermie aan de beurt komt is erg onzeker. Daarom is de SDE++ 2020 niet opgenomen in de berekening van de base case. In de gevoeligheidsanalyse wordt de impact van toekenning van SDE++ subsidie wel onderzocht.
3.2
GEVOELIGHEIDSANALYSE De business case kent enkele gevoeligheden. Deze aspecten zijn belangrijk, omdat kleine aanpassingen hierin al snel leiden tot grote verschillen over 30 jaar. De parameters die zijn onderworpen aan een gevoeligheidsanalyse zijn weergegeven in Tabel 3.4. Hieronder zijn de onderzochte parameters beschreven en waarom deze zijn gekozen. • warmteprijs indexering: de warmte prijs is een onzekere factor voor de komende jaren. Op dit moment is de warmteprijs sterk afhankelijk van de gasprijs volgens het Niet Meer Dan Anders (NMDA) principe vastgesteld door de Autoriteit Consumenten & Markt (ACM). De verwachting is dat deze vergelijking in de toekomst steeds minder relevant wordt, omdat gas geen referentie meer is. • percentage maximum tarief: de ACM bepaalt ook ieder jaar het maximum tarief dat een exploitant in rekening mag brengen voor vastrecht, meetkosten, huur afleverset en GJ’s warmte. In de base case is uitgegaan van 100% van dit maximum (prijspeil 2020), maar in de praktijk kan ook een korting op dit maximum gegeven worden om zo de bewonerslasten omlaag te brengen. Dit betekent wel dat de exploitant minder inkomsten krijgt en daarmee zal het rendement afnemen. • SDE++ 2020 aquathermie: de SDE++ 2020 aquathermie is in 2020 voor het eerste vergeven. Zoals toegelicht in Paragraaf 3.1.5 is het daadwerkelijk verkrijgen van de subsidie echter allerminst zeker.
Meerekenen in de base case is daarom speculatief. Daarom is de SDE++ 2020 niet meegenomen in de base case, maar wel in de gevoeligheidsanalyse. • EIA-belastingregeling: met het toepassen van de EIA-belastingregeling kan een fiscaal voordeel behaald worden op de hoeveelheid belasting die moet worden afgedragen. Dit kan oplopen tot 11% van de investeringskosten. Het is echter afhankelijk van de bedrijfsvoering van de warmteexploitant of, en zo ja hoeveel, gebruik gemaakt kan worden van de regeling. In de gevoeligheidsanalyse wordt uitgegaan van 11% korting op de CAPEX. • aansluitpercentage: wijken met verschillende stakeholders (bewoners, corporaties en utiliteit) op één lijn krijgen voor het aansluiten op een warmtenet is een enorme opgave. Berekeningen van huidige warmtenetten laat zien dat er minimaal tussen 60-90% aansluitpercentage moet zijn om financieel rendabel te worden. Het aansluitpercentage is het aantal woningen dat wordt aangesloten op het warmtenet. In de base case wordt uitgegaan van 90% aansluitpercentage. • veranderende warmtevraag: in de toekomst zal volgens de huidige rekenmodellen de opwarming van de aarde door gaat zetten. Dit betekent dat de verwachting is dat er minder warmteverbruik in de toekomst gaat plaatsvinden. Daarnaast gaan bewoners in de toekomst naar verwachting verdere maatregelen nemen om hun huis te verduurzamen.
Verder worden bewoners steeds bewuster van de noodzaak van verduurzamen en is er het feit dat in veel gevallen steeds meer mensen op zich zelf wonen en het verbruik per aansluiting dus omlaag gaat. Dit wordt ook teruggezien in de trend van het gasverbruik van de afgelopen jaren. In de gevoeligheidsanalyse is rekening gehouden met een gemiddelde afname van de warmtevraag met 1%/jaar. • locatie TEO: in Figuur 2.12 is het Kaaskenswater als bron voor het TEO-systeem gegeven. Uit de energetische analyse, samengevat in Tabel 2.11, bleek dat ook de Haven geschikt zou zijn als bron voor het TEO-systeem. De inpassing van het TEO-systeem in de Haven is goed vergelijkbaar
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 40/46
•
•
•
•
met inpassing in het Kaaskenswater. In Figuur 3.1 is een schets gegeven van deze inpassing en op basis van deze schets is duidelijk dat dezelfde aantal meters leidingwerk nodig is. Door de WKO-bronnen anders te positioneren kan ook de afstand tot de WKO-bronnen in dezelfde orde grootte blijven. Wel zal de leiding door de straat ‘Nieuwe Haven’ gelegd moeten worden, en langs de Zuidhavenpoort. De verwachting is dat de inpassing in dit binnenstedelijk gebied een stuk lastiger zal zijn ten opzichte van inpassing in het buitengebied bij het Kaaskenswater. In de gevoeligheidsanalyse wordt daarom gerekend met 30% meer kosten voor het aanleggen van leidingwerk voor de TEO in de Haven. pieklevering gas: de base case gaat uit van een bivalent systeem. Dit houdt in dat tijdens koudere momenten in het jaar gas bijgestookt wordt. Het voordeel is dat daarmee de “dure” warmtepomp significant goedkoper wordt en daarvoor in de plaats een “goedkope” gasketel terugkomt. De gasketel wordt slechts ingezet op sporadische momenten wanneer het buiten koud is en de warmtepomp niet meer genoeg vermogen kan leveren. De hoeveelheid gas die verbruikt wordt blijft relatief beperkt. In de gevoeligheidsanalyse wordt gerekend met een scenario zonder pieklevering met gas, om inzichtelijk te maken hoeveel duurder dit is.
volloopscenario: het aanleggen van een warmtenet inclusief de TEO en WKO voor 800 woningen is een omvangrijk project dat niet in één jaar gerealiseerd kan worden. In de base case is uitgegaan van 4 jaar. Door goede organisatie zou dit wellicht sneller kunnen, wat een grote impact op de business case heeft. NB: het volloopscenario bouwt de operationele kosten en de inkomsten lineair over het aantal jaar op naar 100%. Aanname is dat de uitgaven voor de CAPEX en de afdekking van de onrendabele top volledig in 1 jaar plaatsvinden. In de praktijk zal ook de CAPEX iets verdeeld kunnen worden, maar dit vraagt om een gedetailleerdere uitwerking van het concept en het volloopscenario. onvoorziene kosten: een project van meer dan 10 miljoen euro brengt risico’s en onzekerheden met zich mee. De huidige business case is een verkenning en vergt een verdieping. De post onvoorzien laat zien wat het effect is van een verkeerde inschatting van de CAPEX. elektriciteitsprijs indexering: de ontwikkeling van de elektriciteitsprijs is net als de ontwikkeling van de warmteprijs en gasprijs speculatief. Voor een exploitant brengt de onzekerheid in de elektriciteitsprijs risico’s met zich mee.
Figuur 3.1 | Inpassing TEO-systeem langs de nieuwe Haven. Deze schets is een variant op de schets gegeven in Figuur 2.12. De lengte van de leiding voor de TEO komt overeen met de lengte van de TEO-leiding uit Figuur 2.12.
3.2.1
Resultaat Als base case voor de gevoeligheidsanalyse is gekozen voor een project met een IRR (projectrendement) van 8,0% en een benodigde BAK/subsidie van 8.500 euro per aansluiting. In Tabel 3.4 zijn de parameters van de gevoeligheidsanalyse met de onderzochte bandbreedte en het
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 41/46
resultaat op het projectrendement (IRR) weergegeven. Deze moeten ook in perspectief geplaatst worden met de waarschijnlijkheid van voorkomen. De indexering van de warmteprijs laat de grootste spreiding zien. Dit omdat de verkoop van warmte de belangrijkste inkomstenbron van de exploitant is. Als een exploitant hier onvoldoende aan kan verdienen over een periode van 30 jaar zal de onrendabele top stijgen. Een beperkte afname of toename van de warmtevraag laat een kleine spreiding zien en heeft dus minder impact op de case als geheel. Ook een relatief kleine korting (10%) op het maximum tarief dat de exploitant kan vragen voor de warmte zorgt voor een behoorlijke daling van het projectrendement. Een SDE++ subsidie kan een groot deel van de kosten van de business case dekken en heeft dus een grote positieve invloed op het rendement. Het belang van deze subsidie is groot, omdat als deze niet gewonnen kan worden er naar andere financiersmogelijkheden gekeken moet worden. Ook het aansluitpercentage is een gevoelige parameter. Het aansluitpercentage geeft aan dat het zeer belangrijk is om een zo hoog mogelijk aansluitpercentage bij collectieve systemen te hebben. Het hangt natuurlijk af van waar de aansluitingen zich in de wijk bevinden. Bij het aansluitpercentage van 60% is er vanuit gegaan dat de aansluiting verdeeld zitten over de wijk.
De investeringen in het warmtenet (hoogste CAPEX) moet hoe dan ook gedaan worden en die kosten zijn bij een laag aansluitpercentage nauwelijks terug te verdienen. De twee uiterste waarden van het projectrendement in de gevoeligheidsanalyse zijn: SDE++ 2020 max (13,99%) en warmteprijs indexering min (-7,86%). Om daar vervolgens een IRR van 8,0% van te maken is er meer of minder aanvullende subsidie nodig om de onrendabele top te financieren. De onrendabele top in deze twee uiterste gevallen is: ca. 5.250 €/aansluiting (max) en 11.600 €/aansluiting (min). Hiermee kunnen de projectrendementen in Tabel 3.4 enigszins in perspectief worden geplaatst. Daarmee is ook de spreiding van de onrendabele top in de gevoeligheidsanalyse bekend. Tabel 3.4 | Parameters gevoeligheidsanalyse Bandbreedte gevoeligheden
base case
max
min
IRR
IRR
IRR
base case
max
min
warmteprijs indexering
%
2%
4%
0%
8,00%
12,49%
-7,86%
percentage maximum tarief
%
100%
100%
90%
8,00%
8,00%
5,60%
SDE++ 2020 aquathermie
ja/nee
nee
ja
8,00%
13,99%
EIA-belastingregeling
ja/nee
nee
ja
8,00%
8,46%
aansluitpercentage
%
90%
100%
60%
8,00%
11,74%
-4,33%
veranderende warmtevraag
%/jaar
0%
+1%
-1%
8,00%
9,46%
6,27%
TEO locatie
Kaaskenswater
Haven
8,00%
7,62%
vermogen pieklevering gas
%
65%
50%
0%
8,00%
7,50%
5,09%
volloopscenario
jaar
4
1
8
8,00%
9,32%
6,60%
onvoorziene kosten
% CAPEX
0%
-10%
+10%
8,00%
10,73%
6,09%
elektriciteitsprijs indexering
%
2%
0%
4%
8,00%
9,05%
6,07%
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 42/46
3.3
FINANCIËLE IMPACT BEWONERS De business case zoals uitgewerkt in Paragraaf 3.1 geeft een beeld van de kosten en opbrengsten van realisatie en exploitatie van WKO, TEO en warmtenet. De demarcatie van die business case loopt van bron tot afleverset. Voor de panden die aan willen sluiten op het warmtenet is dit bijna nooit het volledige plaatje. Een bewoner zal ook in zijn woning nog het nodige moeten aanpassen om de overstap te maken van warmtelevering met een gasketel naar warmtelevering met het warmtenet. Deze aanpassingen komen niet voor rekening van de warmtenetexploitant en zijn om die reden niet meegenomen in de business case, maar ze moeten wel inzichtelijk gemaakt worden om het totaalplaatje voor de bewoners te kunnen schetsen. Dit totaalplaatje is cruciaal voor het slagen van een project, omdat alleen bij een gunstig en volledig totaalbeeld bewoners zullen besluiten om de overstap te maken. Gebeurt dit niet, dan zakt het aansluitpercentage en de gevoeligheidsanalyse heeft inzichtelijk gemaakt dat dit desastreus is voor de business case van het project.
3.3.1
Aanpassingen in de woning Een bewoner zal, afhankelijk van het type huis en soort voorzieningen die al getroffen zijn, de volgende aanpassingen moeten doen om aan te kunnen sluiten op het warmtenet: • Verwijderen van de gasketel en afsluiten van de aardgaslevering. Voorheen lagen de kosten voor het afsluiten van het gas volledig bij de bewoner, in de nieuwe regeling is dat 50/50 verdeeld met de netbeheerder. In november 2020 is door minister Wiebes voorgesteld om de kosten zelfs tijdelijk volledig bij de netbeheerder te leggen. Deze regeling moet vanaf 1 maart 2021 ingaan. • Aansluiten elektrische kookvoorziening. Koken kan niet langer op gas zonder gasaansluiting, en dus is een overstap naar elektrisch koken nodig. Dit betekent dat er een nieuwe kookplaat en pannenset gekocht moet worden, en dat er een extra elektriciteitsaansluiting naar de keuken aangelegd moet worden. Deze stap kan tussen de € 1.000 en € 3.000 kosten. • Inpandige aanpassingen. In de meeste huizen staat de CV-ketel op zolder, maar de afleverset van het warmtenet wordt typisch zo dicht mogelijk bij de voordeur geplaatst. Dit kan betekenen dat er inpandig leidingen moeten worden omgelegd om de leidingen naar boven te leggen. Volgens Vesta MAIS (bron: PBL) zijn deze kosten gemiddeld € 2.500. • Extra isolatie.
Het warmtenet levert warmte van 70 ºC, waarmee huizen van label C of beter comfortabel verwarmd kunnen worden. Dit betekent dat huizen die nu slecht geïsoleerd zijn extra geïsoleerd moeten worden. Ook kan het nodig zijn om oude radiatoren te vervangen voor nieuwe versies. Deze stap kan, afhankelijk van de staat van de woning, duizenden tot meer dan tienduizend euro kosten. Bovenstaande opsomming geeft een eerste inzicht in het soort aanpassingen en de kosten die daarmee gepaard gaan. De daadwerkelijk benodigde aanpassingen zullen per woning verschillen en om een goed beeld te krijgen is het van belang om tijdens de verdieping een apart traject op te starten om de bewoners niet alleen te betrekken, maar ook een woninginventarisatie te doen. Uit deze inventarisatie volgt dan een goed beeld wat er moet gebeuren per type woning en hoe hoog de bijbehorende kosten zijn. Een deel van die kosten kan gedekt worden met subsidies (bijvoorbeeld de SEEH of de ISDE en deels vanuit de proeftuin aardgasvrije wijken), maar dit zal niet volledig dekkend zijn. De totale business case voor bewoners kan gemaakt worden door alle kosten voor aanpassingen en voor aansluiting en afname van het warmtenet over een langere periode te vergelijken met verwarmen met aardgas.
Die business case zal positief genoeg moeten zijn om bewoners te laten realiseren dat ze niet financieel achteruit gaan bij aansluiten op het warmtenet. Enkel dan ontstaat er motivatie in de wijk om aan te sluiten op het warmtenet.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 43/46
4 Conclusie en aanbevelingen 4.1
CONCLUSIE Technische haalbaarheid De wijk Malta in Zierikzee bestaat uit 820 woningen en een aantal kleinere utiliteitsgebouwen. Het merendeel van de jaren 60/70 wijk heeft energielabel C/D. Woningcorporatie Zeeuwland heeft 60% van het vastgoed in bezit en is sinds 2016 bezig met de verduurzaming van haar vastgoed naar label B. De te verwachten warmtevraag van de totale wijk is ca. 9.600 MWh. De bodem in de wijk Malta is geschikt voor open bodemenergie (WKO). Vanwege beperkt doorlaatvermogen van de bodem en het gebrek aan informatie in de omgeving zijn er nog wel onzekerheden. Het maximaal haalbare debiet, en dus de energie die opgeslagen kan worden in een doublet (warme- en koudebron), hangt af van het watervoerend pakket. In het eerste watervoerend pakket wordt verwacht een maximaal debiet van 25-50 m3/h te halen. Aandachtspunten en risico’s in Malta zijn de aanwezigheid van deeltjes (schelpengruis), archeologie, waterkering en verontreinigingen. Vooralsnog zijn dit geen belemmeringen. Maar in een vervolgonderzoek moeten ze wel nader uitgezocht worden. Er wordt aangeraden om een proefboring uit te voeren om een beter beeld te verkrijgen van het maximaal haalbare debiet. Er zijn verschillende bronnen van oppervlaktewater nabij Malta aanwezig, waarbij zowel het Kaaskenswater als de Haven voldoende potentie hebben om Malta volledig van energie te voorzien.
Bij het Kaaskenswater is er nu aan het eind van de zomer soms sprake van stankoverlast. Een TEOsysteem kan dankzij het enigszins afkoelen van het water en het creëren van stroming dit effect verhelpen. Een inpassing van een TEO-systeem is bij Kaaskenswater en de Haven vergelijkbaar qua benodigd leidingwerk. Een definitieve keuze hoeft nu dan ook nog niet gemaakt te worden. Het energieconcept bestaat uit een collectief WKO, TEO-systeem en een 70/40 °C warmtenet. Een aantal woningen moeten worden aangepast voor 70 °C verwarming. Alle woningen moeten worden aangesloten op het warmtenet middels een afleverset. Daarmee kan zowel ruimteverwarming als warm tapwater worden geleverd. Financiële haalbaarheid Een collectieve WKO, TEO en warmtenet voor Malta kan financieel haalbaar zijn, maar daar is wel subsidie en/of een rijksbijdrage voor nodig. Daarmee moet een onrendabele top van 6,3 miljoen euro gedekt worden, indien er geen SDE++ subsidie verleend wordt. Vooral indexering van de warmteprijs en het aansluitpercentage kunnen een grote impact op het projectrendement hebben. Om een zo groot mogelijk aansluitpercentage te garanderen is het noodzakelijk om ook de kosten voor de bewoner inzichtelijk te maken en voor de bewoners duidelijk te maken welke impact aansluiten op een warmtenet heeft.
In een vervolgtraject moeten de precieze consequenties voor de bewoners inzichtelijk gemaakt worden, waarbij bij voorkeur de bewoners zelf betrokken worden. Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de technische en financiële haalbaarheid kan worden geconcludeerd dat een duurzame energievoorziening met WKO, TEO en een warmtenet haalbaar is voor Malta. In een verdiepend traject zullen details verder uitgewerkt moeten worden
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 44/46
en belangrijke stakeholders, vooral bewoners, betrokken moeten worden. Als dit zorgvuldig gebeurt kan Malta binnen afzienbare tijd de overstap maken naar een duurzame en toekomstbestendige warmtevoorziening.
4.2
AANBEVELINGEN Dit onderzoek naar de technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet voor Malta is een goede stap richting realisatie van een duurzame energievoorziening voor de wijk. Het onderzoek heeft onder andere inzichtelijk gemaakt dat er een grote onrendabele top gedekt zal moeten worden. Toekenning van een subsidie binnen het programma proeftuinen aardgasvrij wijken kan een grote stap zijn in het dekken van deze onrendabele top. Voorliggend onderzoek kan helpen in die subsidie aanvraag, maar er zijn nog belangrijke stappen te zetten in het vervolgtraject. De aanbevelingen zijn dan ook als volgt: • Cruciaal voor het slagen van het project in het algemeen en een subsidieaanvraag in het bijzonder is de betrokkenheid van bewoners. In het vervolgtraject moeten bewoners op de hoogte gebracht worden van de plannen en geënthousiasmeerd worden om mee te doen. Dit kan onder andere middels bewonersavonden, het opzetten van een wijkloket, het inrichten van een aardgasvrije voorbeeldwoning in de wijk, het verspreiden van flyers en opzetten van een website met regelmatige digitale nieuwsbrief. • Voor bewoners is het belangrijk dat ze een goed beeld hebben van de impact van de transitie op hun woning en wijk. In Paragraaf 3.3 zijn de belangrijkste punten beschreven, maar het wordt sterk aanbevolen om deze posten verder uit te werken.
Hiervoor zal het nodig zijn om enkele typische woningen in de wijk te schouwen en een uitputtende lijst te maken van de benodigde aanpassingen en bijbehorende kosten voor aansluiting op het warmtenet. • Het slagen van een project van deze orde grootte is van veel factoren afhankelijk. Aanbevolen wordt dan ook om deze factoren inzichtelijk te maken tijdens een risico- en kansensessie. Stakeholders kunnen dan vanuit hun eigen invalshoek risico’s en kansen inbrengen en er kan bepaald worden hoe de risico’s gemitigeerd en de kansen benut kunnen worden. • Er zijn verschillende manieren om een project als deze te organiseren en financieren. Kennis vanuit de markt is nodig, maar het is goed mogelijk om eigenaarschap en financiering (deels) door andere, al dan niet lokale, partijen te laten regelen. In het vervolgtraject zullen de betrokken stakeholders hier overeenstemming over moeten bereiken en keuzes in moeten maken.
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 45/46
5 Bijlagen 5.1
BIJLAGE 1: UITGANGSPUNTEN FINANCIËLE ANALYSE Tabel 5.1 | Uitgangspunten financiële analyse parameter
eenheid
waarde
vereist rendement op eigen vermogen
%
15
rente op lening
%
3,0
aandeel eigen vermogen
%
30
aandeel vreemd vermogen
%
70
vermogenskostenvergoeding (WACC)
%
6,08
disconteringsvoet
%
6,08
indexering investeringskosten
%
2,0
project looptijd
jaar
30
afschrijving (exclusief warmtenet, WKO, TEO)
jaar
15
afschrijving warmtenet, WKO, TEO
jaar
30
startjaar investering
jaar
0
herinvestering TEO
jaar
30
herinvestering WKO
jaar
> 30
herinvestering warmtepomp en regelkasten
jaar
15
herinvestering gasketel
jaar
15
herinvestering warmtewisselaars
jaar
15
herinvestering distributie-/warmtenet
jaar
> 30
herinvestering technische ruimte en onderstations
jaar
> 30
indexering operationele kosten
%
2,0
startjaar operatie
jaar
1
volloopscenario
jaren
4
netbeheerder elektriciteit
-
Enduris
elektriciteitsprijs zakelijk
€/kWh
0,070
gasprijs zakelijk
€/m3
0,52
indexering omzet
%
2,0
startjaar omzet
jaar
1
volloopscenario
jaren
4
%
100
%
90
Algemeen
CAPEX
OPEX
omzet
tarief als percentage van het maximum volgens warmtewet 2020 aansluitpercentage
Datum Referentie Pagina
26 januari 2021 68362/FN/20210126 46/46
Velperweg 37 6824 BE Arnhem Postbus 605 6800 AP Arnhem
T 026 35 35 555 E info@iftechnology.nl I www.iftechnology.nl
NL60 RABO 0383 9420 47 KvK Arnhem 09065422 BTW nr. NL801045599B01