Bijlage 1 mv leges-2022-Ow-met-toelichting 20220222
Tekst van het document
In een omgevingsoverleg tussen het bevoegd gezag en de aanvrager ervan: - kan de aanvrager een indicatie verkrijgen of een of meer activiteiten passen in de regelgeving en het overheidsbeleid over de fysieke leefomgeving, waaronder de omgevingsvisie van de gemeente en andere overheidsinstanties, en kansrijk is om verder te ontwikkelen; - kan de aanvrager een advies verkrijgen over een of meer activiteiten, waarmee de initiatiefnemer de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen; - kan op basis van een conceptaanvraag een beoordeling plaatsvinden. - kunnen conceptoverwegingen en voorschriften met de initiatiefnemer worden besproken en ontwikkeld. Uit het voorgaande komt naar voren dat het omgevingsoverleg een verschillende intensiteit en omvang kan hebben, wat de tariefstelling in een model bemoeilijkt. Variant 1 Variant 1 kent een vast bedrag, dat wordt vermeerderd met een deel (percentage) van de leges die voor de activiteit(en) verschuldigd zouden zijn bij een daadwerkelijke aanvraag. Als de activiteit(en) bij de aanvraag om omgevingsoverleg nog te weinig omlijnd zijn, zal het overleg een globaal karakter hebben en is toepassing van de verhoging wellicht niet aan de orde. Variant 2 In variant 2 hebben wij gekozen voor een vast bedrag per overleg, gesplitst in een eerste overleg en elk volgend overleg. Een eerste overleg kan oriënterend zijn.
Daarvoor kan het tarief bijvoorbeeld lager worden vastgesteld dan voor een volgend overleg, omdat bij een volgend overleg meer duidelijk zal zijn over de betrokkenheid van adviseurs (ketenpartners). Het tarief voor elk volgend overleg wordt verhoogd met een tarief ter dekking van de kosten van adviseurs.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
97/130
Variant 3 In variant 3 is een tariefstelling per uur opgenomen. Omdat van tevoren bekend moet zijn wat de aanvrager verschuldigd is, brengt de gemeente (het college) vooraf het verschuldigde bedrag ter kennis aan de aanvrager. Die heeft dan vijf werkdagen de tijd om zijn aanvraag in te trekken. Doet hij dat niet, dan wordt de aanvraag in behandeling genomen. Als na het omgevingsoverleg een (‘echte’) aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, worden de leges daarvoor verminderd met de op grond van artikel 2.4 geheven leges. Om omgevingsoverleg te stimuleren kan dan ook een hogere vermindering worden gegeven. Een en ander is geregeld in artikel 2.52.
Paragraaf 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Algemeen Paragraaf 2.3 betreft de bouw- en sloopactiviteiten. Deze is onderverdeeld in drie artikelen: - artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) - artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) - artikel 2.7 Slopen van een bouwwerk De splitsing die plaatsvindt tussen de artikelen 2.5 en 2.6 heeft te maken met de Wkb die voor gevolgklasse 1 de bouwtechnische toets door een private kwaliteitsborger laat doen. De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft bij de gemeente berusten. Zij kan in het omgevingsplan aan de bouwactiviteit een vergunningplicht koppelen, maar kan ook volstaan met algemene regels of een meldingsplicht. In de bijlage bij de Ow staan de volgende definities: bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk; bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten; bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.
Uit de definitie van bouwactiviteit volgt dat sloopactiviteiten daartoe niet behoren. In verband hiermee is de titel van paragraaf 2.3 omschreven als ‘Activiteiten met betrekking tot bouwwerken’. Artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow voor een bouwactiviteit. Het gaat hier om het bouwtechnische deel van de bouwactiviteit. De vergunningplicht is nader uitgewerkt in paragraaf 2.3.2 van het Bbl: de bouwactiviteit is vergunningplichtig, tenzij het bouwwerk onder de opsomming vergunningvrij valt. Bouwwerken in gevolgklasse 1 zijn bijvoorbeeld niet vergunningplichtig voor het bouwtechnische deel (als gevolg van de Wkb). Als heffingsmaatstaf is gekozen voor een percentage van de bouwkosten volgens een gestaffeld tarief. De verschillende percentages gelden voor het deel van de bouwkosten dat in die klasse valt. Dat voorkomt zaagtandeffecten. In het algemeen geldt dat de kosten die de gemeente voor het behandelen
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
98/130
van de aanvraag maakt evenredig zijn aan de omvang van de bouwactiviteit. Voorzien is in een minimumtarief en een maximumtarief. De tariefklassen zijn afgestemd op die in artikel 14.7, tweede lid, van de Or zoals die voor het rijk gelden als de minister bevoegd gezag is. Om een indruk te geven: artikel 14.7 Or kent een minimumtarief van € 250, dat wordt vermeerderd met: a. 0,24% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 0 en € 25.000; b. 0,23% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 25.000 en € 50.000; c. 1,10% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 50.000 en € 200.000; d. 1,57% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 200.000 en € 2.500.000; en e. 1,61% van de bouwkosten over het deel van de bouwkosten tussen de € 2.500.000 en elk bedrag daarboven. Op grond van artikel 7.6 van de Or moeten bij de aanvraag om de omgevingsvergunning de bouwkosten worden opgegeven. Zie ook de toelichting op artikel 2.1 van de tarieventabel. Volgens de Hoge Raad is het hanteren van een vast, bescheiden percentage van de bouwkosten niet onredelijk of willekeurig (HR 14 augustus 2009, nr. 43120, LJN: BI1943, vng-3119; Nijkerk). In het betreffende geval hief de gemeente leges van 1,4% van de bouwkosten. Naarmate het percentage hoger is, verdienen een degressief en maximumtarief echter wel overweging.
De achterliggende gedachte bij het opnemen van een degressief tarief is dat de te verrichten werkzaamheden niet evenredig toenemen met de bouwkosten. Bedacht moet echter worden dat niet alleen het kostenveroorzakingsbeginsel, maar ook het profijtbeginsel – uit beleidsmatige overwegingen – een rol kan spelen bij de tariefstelling. Om dezelfde redenen kan gekozen worden voor een maximumtarief. Vooral bij grote infrastructurele bouwwerken kunnen de bouwkosten zo hoog zijn dat de toepassing van zelfs een degressieve tariefstelling ertoe leidt dat het legesbedrag in geen verhouding staat tot de te verrichten werkzaamheden. Gelet hierop en gelet op de maatschappelijke discussie rond de bouwleges, hebben wij gekozen voor een maximumtarief. Een andere optie is om voor bijvoorbeeld civieltechnische werken een afzonderlijk tarief op te nemen. Daartoe zou, onder nummering van de bestaande tekst tot eerste lid, een tweede lid kunnen worden opgenomen, als volgt: ’2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een civieltechnisch werk, zoals een brug, tunnel, viaduct, sluis en dergelijke, [...]% van de bouwkosten, met een maximum van € […].’ Het tarief van het tweede lid zal dus lager zijn dan het tarief van het eerste lid.
Het tarief kan worden uitgedrukt in een percentage van de totale bouwkosten. Als dit bijvoorbeeld het laagste percentage is dat in het eerste lid wordt toegepast, zal dit in de gekozen opzet al tot een lager bedrag aan leges leiden omdat anders dan bij het schijventarief van het eerste lid, de totale bouwkosten onder dit lage percentage vallen. Uiteraard is het ook mogelijk in het tweede lid een degressief tarief op te nemen. Behoefte aan een afzonderlijk tarief voor civieltechnische werken zal overigens slechts dan bestaan, als het degressieve tarief opgenomen in het eerste lid geen sterke degressie bevat voor de werken met relatief hoge bouwkosten. De gemeente heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het vormgeven van het tariefstelsel. Dat blijkt uit HR 30 juni 2017, nr. 16/05127, ECLI:NL:HR:2017:1174, VNG-6697 (Rotterdam), waarin hij de zogenaamde ‘zaagtandconstructie’ toelaatbaar acht. Die houdt in dat binnen een bepaalde bandbreedte een vast bedrag in rekening wordt gebracht. Gaat de bouwsom over een bepaalde grens, dan wordt het volgende, hogere vaste bedrag in rekening gebracht. De Hoge Raad oordeelt dat het
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
99/130
gemeenten is toegestaan om op grond van de bouwsom te heffen en daarbij gebruik te maken van tariefklassen. De verschillen zijn niet zodanig dat er sprake is van willekeur of onredelijkheid. Eventuele verhogingen van het tarief staan in paragraaf 2.12 Modaliteiten. Artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in art. 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, in dit geval bestaande uit het bouwen, gebruiken of in stand houden van een bouwwerk. De vergunningplicht geldt als de gemeente in het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten verplicht stelt om de ruimtelijke toets te kunnen doen. Tot 2030 geldt overgangsrecht. Artikel 22.26 van de bruidsschat zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken). In artikel 22.27 van de bruidsschat staan de vergunningvrije gevallen. In artikel 22.28 staan afwijkende regels voor cultureel erfgoed. In artikel 22.29 staan beoordelingsregels. Gaat de gemeente zelf een regeling treffen in het omgevingsplan, dan is dit overgangsrecht niet meer van toepassing en behoeven de tariefbepalingen aanpassing.
Wij hebben gekozen voor een vast bedrag. De bouwkosten als heffingsmaatstaf zijn voor de toets aan het ruimtelijk deel geen logische maatstaf. Vaak zullen de bouwkosten bij de aanvraag om deze vergunning bovendien nog niet bekend zijn. Onderdeel a Binnenplanse omgevingsplanactiviteit In onderdeel a is het tarief voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen opgenomen. De hierboven bedoelde beoordelingsregels hebben ertoe geleid dat wij hierbij verhogingen hebben opgenomen. Onderdeel a.1 bevat een tariefverhoging voor de welstandstoets voor zover daarvoor niet de gemeentelijke adviescommissie bedoeld in de [Verordening op de gemeentelijke adviescommissie] hoeft te worden bevraagd (dan is namelijk artikel 2.49, eerste lid, onder b, van de tarieventabel van toepassing). De gemeente neemt a.1 over als zij een tariefstelling wil. Zolang de gemeente geen nieuwe beleidsregel over welstand heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 4.19 van de Ow, geldt de welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet als zo’n beleidsregel (artikel 4.114 van de IwOw). Onderdeel a.2 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit plaatsvindt op een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 22.30 van de bruidsschat.
Onderdeel a.3 bevat een tariefverhoging als moet worden beoordeeld of de bouwactiviteit in overeenstemming is met een voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 22.33, tweede lid, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw. Onderdeel b Binnenplanse omgevingsplanactiviteit bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht Onderdeel b bevat een tariefbepaling voor de bouwactiviteit die niet in overeenstemming is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar wel in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Ow (zie artikel 22.32 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw).
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
100/ 130