991760 Bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Realiseren woning Zuidweg (ong) te Bruinisse
In opdracht van:
Erik van den Bos architect te Bruinisse
Opgesteld door:
Ik kan niet meer b.v.,adviesbureau voor ruimtelijke ordening en milieu Gevestigd te Zierikzee, KvK-nummer 84515333 November, 2023 Versie: 2.2.
1
Inhoudsopgave 1.
2.
INLEIDING ..................................................................................................................... 4 1.1.
Aanleiding ............................................................................................................... 4
1.2.
Ligging en plangrenzen ........................................................................................... 6
1.3.
Geldende bestemmingsplanregeling ....................................................................... 7
1.4.
Leeswijzer ............................................................................................................... 8
BELEIDSKADER ........................................................................................................... 9 2.1.
Inleiding................................................................................................................... 9
2.2.
Rijksbeleid ............................................................................................................... 9
2.1.1. Nationale Omgevingsvisie (2020) ......................................................................... 9 2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .......................................................10 2.1.3. Besluit ruimtelijke ordening (2017) .......................................................................10 2.1.4 Conclusie Rijksbeleid ...........................................................................................11 2.3.
2.3.1.
Omgevingsplan Zeeland (2018) ......................................................................11
2.3.2.
Omgevingsvisie Zeeland 2018 ........................................................................12
2.4.
4.
2
Gemeentelijk beleid ................................................................................................13
2.4.1.
Strategische visie ‘tij van de toekomst’ ............................................................13
2.4.2.
Woonvisie 2018-2027......................................................................................14
2.4.3.
Structuurvisie Wonen ......................................................................................16
2.4.4.
Welstandsbeleid 2012 .....................................................................................17
2.4.5.
Duurzaamheid .................................................................................................18
2.5. 3.
Provinciaal beleid ...................................................................................................11
Conclusie ...............................................................................................................18
PLANOLOGISCHE ANALYSE .....................................................................................19 3.1.
Ruimtelijke en functionele analyse .........................................................................19
3.2
Conclusie ...............................................................................................................21
MILIEU- EN DUURZAAMHEIDSKADER ......................................................................21 4.1.
Inleiding..................................................................................................................21
4.2.
Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................21
4.3.
Luchtkwaliteit..........................................................................................................23
4.4.
Archeologie ............................................................................................................24
4.5.
Geluid en stilte .......................................................................................................25
4.6.
Externe veiligheid ...................................................................................................26
4.7.
Bodem....................................................................................................................28
4.8.
Water .....................................................................................................................28
4.8.1.
Inleiding...........................................................................................................28
4.8.2.
Beleidskader rijk, provincie en gemeente ........................................................28
4.8.3.
Beleid waterschap Scheldestromen ................................................................29
4.8.4.
Waterhuishouding ...........................................................................................30
4.8.5.
Waterparagraaf ...............................................................................................31
4.9.
Natuur ....................................................................................................................32
4.9.1.
Algemeen ........................................................................................................32
4.9.2.
Stikstofdepositie ..............................................................................................34
4.10.
Conclusie ............................................................................................................35
5.
OVERIGE BELEMMERINGEN .....................................................................................35
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ........................................................................35
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .............................................................35
8.
BIJLAGEN ....................................................................................................................36
3
1. INLEIDING 1.1.
Aanleiding
De heer Hoogerheide (hierna: aanvrager) is al enkele tientallen jaren eigenaar van een agrarisch perceel, welke is gelegen aan de Zuidweg te Bruinisse. Dhr. Hoogerheide is zelf woonachtig is de kern Bruinisse en heeft de wens op zijn dochter het bewuste perceel te laten bewonen. Zo’n tien jaar geleden zijn er al gesprekken gevoerd tussen de gemeente en de initiatiefnemer om het perceel te herontwikkelen, maar door verschillende omstandigheden kreeg hij toen uiteindelijk geen voet aan de grond. Deze kans doet zich nu opnieuw voor en om die reden ligt deze aanvraag nu voor. Het perceel betreft een braakliggend stuk terrein met een agrarische bestemming, waar aanvrager als burger in planologisch opzicht weinig mee kan uitrichten. Zoals gezegd is de wens om op dit ruime perceel een woning te realiseren, waarbij de woning geheel in Zeeuwse stijl (figuur 4) zal worden uitgevoerd en de omliggende grond (erf bij de woning) volledig landschappelijk zal worden ingepast (figuur 9). Verderop in deze onderbouwing zal daar verder op worden ingegaan. In de onderstaande figuren is zichtbaar waar de gewenste ontwikkeling is gelegen en hoe de gewenste ontwikkeling zal worden vormgegeven.
Figuur 1. Locatie Zuidweg (ong) te Bruinisse (Bron: Google Maps, 2023)
4
Figuur 2. Bestaande situatie locatie Zuidweg (ong) te Bruinisse (Bron: Bureau Ruimte & Groen, 2023)
Figuur 3. Bovenaanzicht invulling nieuw plangebied (Bron: Bureau Ruimte & Groen, 2023)
Figuur 4. Uitsnede bouwplan woning in Zeeuwse stijl (Bron: bouwtekening Erik v/d Bos architect, 2023)
5
De ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse, omdat het oprichten van een burgerwoning binnen de agrarische bestemming niet is toegestaan. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken, moet het bestemmingplan worden gewijzigd of moet een uitgebreide voorbereidingsprocedure worden doorlopen om het gebruik van burgerwoning met bijbehorend erf binnen de bestaande agrarische bestemming alsnog mogelijk te maken. Feitelijk zal sprake zijn van een verplaatsing van een woontitel van de Rietveld te Oosterland naar het onderhavige perceel en niet het kwantitatief toevoegen van een woontitel op basis van de Woonvisie (zie bijlage 1). Waar in deze onderbouwing wordt gesproken van het toevoegen van een woning, betreft dit in planologisch opzicht dus een kwantitatieve status quo-situatie op basis van de Woonvisie. Hierop wordt verder ingegaan in hoofdstuk 2.4.2. van deze onderbouwing. In dit geval is het voorstel om met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) de procedure te voeren om te komen tot een omgevingsvergunning voor de te realiseren woning. Dit betekent dat het noodzakelijk is dat een goede ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld welke onderdeel is van de ruimtelijke procedure.
Deze ruimtelijke onderbouwing moet aantonen of sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening' gesteld in 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd en aangetoond waarom deze ontwikkeling passend is, en daarmee dus voldoet aan een 'goede ruimtelijke ordening'.
1.2.
Ligging en plangrenzen
Het plangebied waarop de ontwikkeling zal plaatsvinden is gelegen op het perceel, plaatselijk bekend als Zuidweg (ongenummerd) te Bruinisse en is gelegen tussen de bestaande woonadressen Zuidweg 1 en Rijksstraatweg 1 te Bruinisse. Het perceel is plaatselijk bekend als 'kadastrale gemeente Bruinisse, sectie G, nummer 178. Het plangebied is ongeveer 163 meter diep en ongeveer 40 meter breed en heeft zodoende een rechthoekige vorm. Het perceel is ongeveer 6.580m2 groot. Het perceel is gelegen in een gemêleerd gebied; velerlei functies komen hier voor. Zo is het perceel gelegen: • • • •
nabij bedrijvigheid op een aansluitend bedrijventerrein; nabij en ook grenzend aan agrarisch (buiten-) gebied; nabij en omgeven door enkele burgerwoningen en nabij de vluchthaven bij Zijpe en de buitendijken grenzend aan de Oosterschelde.
Zie figuren 4 tot en met 6 voor de ligging van de locatie binnen de gemeente SchouwenDuiveland en nabij de kern Bruinisse.
6
Figuur 4. Kadastraal perceel plaatselijk bekend als Zuidweg (ong.) te Bruinisse. (Bron, Perceelloep, 2023)
Figuur 5: locatie in de gemeente Schouwen-Duiveland, rode stip. (Bron, Google Maps, 2023)
1.3.
Geldende bestemmingsplanregeling
Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse’’ (vastgesteld 2015) van de gemeente Schouwen-Duiveland van toepassing. Hierin hebben de onderhavige gronden de bestemming ‘Agrarisch' (artikel 3). Er geldt tevens een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 7 (artikel 22). Ter plaatste van de agrarische bestemming is geen bebouwing aanwezig. Aanvrager wenst een burgerwoning te realiseren op de in eigendom zijnde gronden. Een burgerwoning realiseren binnen deze agrarische bestemming is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast kent het bestemmingsplan ‘’Bebouwde kom Bruinisse’ geen wijzigingsbevoegdheid binnen artikel 3 (agrarische bestemming). Tevens is in dit geval in artikel 29 van de planregels geen algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming.
7
In figuur 6 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven en is het plangebied ter hoogte van de rode druppel weergegeven op deze verbeelding. Opvallend is dat het gebied overheerst wordt door andere bestemmingen, met name bedrijfsbestemmingen en het perceel is feitelijk gelegen in een bestaand bebouwingslint. Aan beide zijden grenst het perceel namelijk aan woonbestemmingen en tegenover het perceel, aan de andere zijde van de weg, grenst het perceel tevens aan woonbestemmingen. Ook grenst het perceel aan de achterzijde aan agrarische gronden, welke zijn gelegen in het bestemmingsplan ‘’Buitengebied Schouwen-Duiveland’’.
Figuur 6. Uitsnede verbeelding vigerende bestemmingsplan ‘’Bebouwde kom Bruinisse. (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl, 2023)
Conclusie Het voorgenomen gebruik als burgerwoning is niet passend binnen het vigerende bestemmingsplan ‘’Bebouwde kom Bruinisse’, aangezien op het perceel de agrarische bestemmingsplan is geprojecteerd. Binnen het bestemmingsplan is geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen om middels een planologische procedure de agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming.
1.4.
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader getoetst. In hoofdstuk 3 wordt de ontwikkeling beschreven en vanuit ruimtelijk oogpunt geanalyseerd. In hoofdstuk 4 wordt achtereenvolgens het milieu- en duurzaamheidskader beschreven en getoetst. In hoofdstuk 5 worden de mogelijke overige belemmeringen besproken en in hoofdstuk 6 en 7 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 8 zijn de bijlagen opgenomen.
8
2. BELEIDSKADER 2.1.
Inleiding
De gemeente Schouwen-Duiveland heeft te maken met geldende beleidskaders van diverse overheden. Nieuwe ontwikkelingen dienen zich te bewegen binnen de marges van deze beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de voor dit plan relevante beleidskaders beschreven en wordt het plan daaraan getoetst.
2.2.
Rijksbeleid
2.1.1. Nationale Omgevingsvisie (2020) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' vastgesteld (afgekort NOVI). De visie bevat hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Als de Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI wordt door het rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving met bijbehorende opgaven geformuleerd. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
De vier prioriteiten De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. Dat zijn complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Politieke en maatschappelijke keuzes zijn vooral daar nodig, om op deze prioriteiten voortgang te boeken op een manier die draagvlak heeft en bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. Het gaat hier om de volgende prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Drie afwegingsprincipes Doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: ‘(a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter
9
vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze dubbele doelstelling uit de Omgevingswet is vertaald in een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving: ‘’ontwikkeling van de leefomgeving gaat samen met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit’’. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw. Om aan het afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, gebruikt het rijk in het omgevingsbeleid drie afwegingsprincipes. Deze zijn: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Relatie tot ruimtelijke ontwikkeling bouwen woning In de uitwerking van prioriteit 3 'Sterke en gezonde steden en regio's' is een aantal beleidskeuzes opgenomen. Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stads- en dorpsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk wil het rijk de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet alleen in een bouwmogelijkheid voor een woning op een bestaand agrarisch perceel aan de rand van het dorp Bruinisse. De rijksbelangen worden niet geraakt. 2.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang uit de Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Door de (thans 14) nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. De rijksbelangen zijn bij dit plan niet in het geding. 2.1.3. Besluit ruimtelijke ordening (2017) Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
Dit betekent dat in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt. 10
Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking De belangrijkste motiveringsplichten van de Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. Middels deze ruimtelijke onderbouwing wordt alleen het gebruik voor een burgerwoning mogelijk gemaakt. Het begrip 'woningbouwlocatie', zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening is niet nader gedefinieerd in het Bro. Het moet echter gaan om een ruimtelijke ontwikkeling van enige omvang. Op grond van jurisprudentie is er vanwege de omvang in dit geval geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Gesteld kan worden dat de gebruiksmogelijkheden te kleinschalig zijn om onder het regime van artikel 3.1.6 lid 2 Bro te vallen, waarin de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen (o.a. Uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 23 april 2014, zaaknummer 201306183/1).
2.1.4 Conclusie Rijksbeleid Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De voorgenomen woning is in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.
2.3.
Provinciaal beleid
2.3.1. Omgevingsplan Zeeland (2018) Op 21 september 2018 hebben Provinciale Staten het Omgevingsplan Zeeland 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 bevat de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsplan behandelt de thema's economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Ten opzichte van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 is voor het overgrote deel geen nieuw beleid gevormd. De kern van het omgevingsplan wordt gevormd door vier integrale strategische toekomstgerichte opgaven die nationaal en provinciaal centraal staan: 1. 2. 3. 4.
duurzame en concurrerende economie; klimaatbestendige en -neutrale samenleving; waardevolle leefomgeving; toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving.
Voor de ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt is de opgave 'toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving' van toepassing. In de paragraaf ‘Stedenbeleid’ is vastgelegd dat het nodig blijft om de woningbouw in dorpen te faciliteren. Hier ligt de opgave primair bij herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern, vervangende nieuwbouw en het verleggen van bestaande plannen naar nieuwe kansrijke locaties die inspelen op de lokale behoeftes. Als dit noodzakelijk is, behoort maatwerk door een beperkte uitbreiding tot de mogelijkheden. De totale woningmarktafspraken in de regio bieden hiervoor het kader.
11
Wonen Gezien de ruimtelijke doelen, de klimaat en demografische opgave, de uitgangssituatie van de woningvoorraad en de toekomstverwachtingen, is woningbouwbeleid essentieel. Woningbouwprojecten, zeker de omvangrijke, hebben een gemeentegrensoverschrijdend impact. Er moet daarom op regionaal niveau gekozen worden voor de woningbouwplannen die qua omvang, locatie en type aansluiten bij de woonwensen van de Zeeuwse burger. De keuzes moeten worden gemaakt in regionale woningmarktafspraken door de vijf Zeeuwse woningmarktregio's (De Bevelanden, Schouwen-Duiveland, Tholen, Walcheren en ZeeuwsVlaanderen). Bij het maken van regionale woningmarktafspraken dient de totale woningvoorraad te worden betrokken. Het overgrote deel van de woningvoorraad van de komende decennia is immers al aanwezig in de vorm van de gebouwde voorraad. Het aantal toevoegingen is daarmee in de marge en vereist het verleggen van de focus van nieuwbouw naar aanpassing van de bestaande woningvoorraad. Om de regio's te ondersteunen bij het maken van regionale woningmarktafspraken draagt de provincie actuele kennis aan op het gebied van de gewenste kwaliteit van de woningbehoefte. Voor het bepalen van de kwantitatieve behoefte is de bevolkings- en huishoudenprognose leidend.
De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 2.3.2. wordt hierop ingegaan. Conclusie Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag omgevingsvergunning) maakt de nieuwbouw van één burgerwoning mogelijk binnen een agrarisch perceel binnen de bebouwde kom van Bruinisse. Het toevoegen van een woonperceel leidt in dit geval niet tot aantasting van de provinciale belangen, omdat sprake is van maatwerk binnen een groeikern, zoals verder uitgediept onder hoofdstuk 2.4. De provinciale belangen zijn niet in het geding. 2.3.2. Omgevingsvisie Zeeland 2018 In de Omgevingsverordening van de provincie Zeeland zijn regels opgenomen ten aanzien van de fysieke leefomgeving van de provincie Zeeland. Hierbij zijn de uitgangspunten opgenomen die zijn vastgelegd in het provinciale omgevingsplan. Voor de ontwikkeling met betrekking tot dit plan is onderstaand artikel van toepassing. Artikel 2.7 Wonen In lid 1 is opgenomen dat in de toelichting bij een bestemmingsplan waarin een nieuwe kleinschalige woningbouwlocatie in het landelijk gebied wordt toegelaten als aannemelijk wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden.
Nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied, die niet voldoen aan de in bijlage C bedoelde voorwaarden, worden in een bestemmingsplan niet toegelaten. Naast het beoordelingskader van artikel 2.7 van de Omgevingsverordening is artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder duurzame verstedelijking) van toepassing indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de term "kleinschalige woningbouwmogelijkheden" wordt beoogd een afzonderlijke categorie aan te duiden die wordt onderscheiden van reguliere uitbreidingslocaties/ nieuwe woonwijken die, in hoofdzaak, in of aansluitend aan het bestaand stedelijk gebied worden ontwikkeld. Artikel 2.7 is daarop niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ontwikkeling in het landelijk gebied, maar alleen van een kleinschalige ontwikkeling in de vorm van het toevoegen van 12
een woning, weliswaar aan de rand van het landelijk gebied, maar wel binnen de kern van Bruinisse. Toetsing aan Omgevingsverordening Het toevoegen van een woning valt onder de mogelijkheden van de omgevingsvisie Zeeland. Het bestaande bebouwingslint aan de Rijksstraatweg/Zuidweg van Bruinisse wordt niet aangetast. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is deze woning goed inpasbaar, aangezien aan beide zijden naast dit perceel en tevens aan de overzijde van de weg als burgerwoningen zijn gerealiseerd. Het plan maakt onderdeel uit van de lokale woningbehoefte. Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag) maakt door opheffing van het strijdige gebruik een woning binnen de agrarische bestemming mogelijk. Hier is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, zoals opgenomen in de definitie in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toetsing aan de Ladder is derhalve niet nodig. Conclusie Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag) maakt door opheffing van het strijdige gebruik een woning binnen de agrarische bestemming mogelijk. De ruimtelijke- en beeldkwaliteit worden niet aangetast. De provinciale belangen zoals verwoord in de Omgevingsverordening Zeeland (2018) zijn niet in het geding.
2.4.
Gemeentelijk beleid
2.4.1. Strategische visie ‘tij van de toekomst’ De ambities op het gebied van wonen, werken en verblijven heeft de gemeenteraad in 2011 vastgesteld in de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst'. Wonen De woningvoorraad is afgestemd op de wensen van de (nieuwe) inwoners. In aantal zijn vraag en aanbod van woningen in balans. De kwalitatieve woningvoorraad is afgestemd op de woningbehoefte en verkeert in goede staat. Ouderen kunnen lang zelfstandig wonen en nieuwe inwoners vinden een plek naar wens. Aangetrokken door het eilandleven, is Schouwen-Duiveland een aantrekkelijke plek voor deeltijdbewoners. Een eiland om te genieten van het leven, de rust en de ruimte en tegelijkertijd inspiratie op te doen voor professie en beroep. Keuzen •
•
• •
13
De gemeente gaat vooralsnog uit van een behoefteraming van 670 woningen tot 2040. Na 2020 vindt zo nodig bijstelling van deze raming plaats en vindt alleen herstructurering en functieverandering plaats om tot een kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad te komen, leegstand te voorkomen en aanbod in overeenstemming te brengen met de marktvraag; Woningbouw is mogelijk in alle kernen, daarbij rekening houdend met de grootte van de kern en het voorzieningenniveau. De gemeente realiseert kwaliteitsverbetering door het vervangen van oude woningen door nieuwe (herstructurering); Uitbreiding van het aantal woningen wordt niet uitgesloten. Prioriteit wordt gegeven aan de realisatie van nultreden huurwoningen; De gemeente gaat zeer terughoudend om met het bouwen van woningen in het buitengebied;
• •
Deeltijd wonen in de kernen wordt toegestaan om leegstand en verpaupering te voorkomen; De gemeente legt een relatie tussen de verdiencapaciteit van de nieuwbouwplannen en de herstructureringsopgave in de bestaande woningbouw of bedrijventerreinen. Dit krijgt vorm in een verevenings- of herstructureringsfonds. Daar waar mogelijk wordt ingezet op het verbeteren van de sociale veiligheid.
De gemeente heeft een regisserende rol bij het bepalen van de woningbouwopgave waar zij in de komende 30 jaar voor staan, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin. Toetsing aanvraag Deze ruimtelijke onderbouwing (met bijbehorende aanvraag) voorziet in het feitelijk toevoegen van een woning, maar in planologisch opzicht het verplaatsen van een woontitel, waarover in paragraaf 2.4.2. meer. Het bouwen van een levensloopbestendige woning in de kern van Bruinisse in overeenstemming is met de ambities uit de Strategische Visie, zoals blijkt uit de bovenstaande tweede en derde aandachtpunt. Conclusie De visie heeft een hoog abstractieniveau, waarin geen uitspraken worden gedaan op perceelsniveau. Het bouwen van een burgerwoning op de voorgenomen locatie is niet strijd met de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid. Daarom kan worden gesteld dat deze ruimtelijke onderbouwing voor het oprichten van een woning in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Strategische visie 'Tij van de Toekomst'. 2.4.2. Woonvisie 2018-2027 De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft op 28 juni 2018 de 'Woonvisie 2018 2027' vastgesteld. De Woonvisie zorgt voor passend beleid om de komende 10 jaar de veranderende uitdagingen op het gebied van wonen aan te gaan.
Het nieuwe woonbeleid zorgt er voor dat de gemeente binnen de vastgestelde kaders zo optimaal mogelijk de kansen benut, de kwaliteiten van Schouwen-Duiveland behoudt en de leefbaarheid in de kernen versterkt, bestaande inwoners voorziet van passende woningen en meer nieuwe inwoners probeert aan te trekken. Door het stellen van kaders stimuleert de gemeente nieuwe kwalitatief passende oplossingen en wordt leegstand in de bestaande woningvoorraad zo veel mogelijk beperkt. Alleen op deze manier kan zij nog nieuwe ruimtelijke plannen voor woningbouw onderbouwen en realiseert de gemeente de juiste woning op de juiste plaats voor huidige en komende generaties. De juiste keuzes worden gemaakt om in 2040 het strategische doel te hebben bereikt: we wonen prettig, naar wens en behoefte. Het gaat om minder en kwalitatief betere nieuwbouw en om veel aandacht voor de vitaliteit van de bestaande voorraad. Daarbij functioneert Schouwen-Duiveland als één samenhangende woningmarkt. Dat betekent dat een ingreep in de ene kern, in meer of mindere mate effect heeft op de andere kernen in de gemeente. Om dit strategische doel te bereiken stelt de gemeente tot 2027 het volgende doel: • • •
verbeteren van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad; onttrekken van woningen die verouderd of incourant zijn; toevoegen van woningen, waar er te weinig van zijn.
Evenwicht tussen plancapaciteit en behoefte is vereist De gemeente streeft een duurzaam, toekomstbestendig evenwicht na tussen de plancapaciteit en de benodigde woningbouw om zo ruimte te behouden en creëren voor 14
(nieuwe) gewenste plannen. De grootste uitdaging is eerst de huidige plancapaciteit, waar mogelijk, meer in evenwicht te brengen met de kaders en (urgente) beleidsaccenten van de Woonvisie. Qua nieuwbouw loopt de woningmarktregio over in het aantal geplande woningen. De gemeenteraad geeft in de Woonvisie een vertrekpunt en een aanpak voor deze herprogrammering om met elkaar tot een gezond, duurzaam en toekomstbestendig evenwicht te komen. Per woonmilieu gaat zij de bestaande harde en zachte plannen beoordelen aan de hand van een toetsing-/afwegingskader. Dit is nodig, omdat de totale plancapaciteit (876 woningen) momenteel bijna 2x zo groot als de totale gemeentelijke lokale behoefte (396 woningen). Prioriteringskader voor (bestaande) plannen Een aantal harde plannen van de gemeente, maar ook van ontwikkelaars komen ondanks het aantrekken van de woningmarkt niet van de grond. De gemeente gaat haar eigen plannen beoordelen en overleggen met de ontwikkelaars om de resterende harde plannen, waar nodig, te herprogrammeren. Alle resterende bestaande plancapaciteit wordt beoordeeld vanuit de in de Woonvisie opgenomen kwalitatieve en kwantitatieve beleidskaders. De punten uit het onderstaande afwegingskader worden geconfronteerd met de plancapaciteit. Kern van het toetsings-/afwegingskader: • • •
geen kwantitatieve uitbreiding in balans/transitiekernen nodig; plannen moeten voorzien in kwalitatieve woningbehoefte op middellange termijn; ontwikkelingen op structuurversterkende plekken (inbreiding, beeldbepalend plek, kwaliteit plan sluit aan bij kwaliteit locatie).
Kwalitatief kan het volgende nog in een vraag voorzien op basis van de woningmarktanalyse en de in deze Woonvisie opgenomen kwalitatieve en kwantitatieve beleidskaders: • • •
Flexibel bouwen het liefst zo dat ze geschikt (te maken) zijn voor diverse doelgroepen; Opgave ligt overwegend bij woningen voor ouderen en doorstromers, soms (beperkt) starters; Dan gaat het om kleinere woningen, levensloopbestendig, middenhuur (€ 600 - € 900); Dicht bij voorzieningen (past bij wensen ouderen, starters).
Het college heeft op 27 november 2018 een besluit genomen over de herprogrammering, waaruit duidelijk is geworden op welke wijze meer evenwicht wordt gebracht tussen behoefte en aanwezige plancapaciteit. Het volgende is hierin besloten: 1. instemmen met het toetsings-/afwegingskader woningbouwplannen op basis van de vastgestelde uitgangspunten in de Woonvisie; 2. instemmen met het voorlopige advies (doorgaan/stoppen/aanpassen) ten aanzien van de woningbouwplannen op basis van de nieuwe Woonvisie; 3. instemmen met het uitgangspunt dat bij de realisatie van zachte woningbouwplannen de initiatiefnemer een financiële bijdrage levert aan het op te richten Transitiefonds; 4. punt 3 (hoogte financiële bijdrage) wordt verder uitgewerkt en keuzes worden nader aan het bestuur voorgelegd. Toetsing bouwplan initiatief aan Toetsingskader Het onderhavig planinitiatief betreft kwantitatief gezien geen toevoeging van een woning op grond van de Woonvisie. In dit geval is namelijk sprake van een verplaatsing van een woontitel. Zoals blijkt uit onderstaande figuur 7, is in de Rietveld te Oosterland in plaats van 3 wooneenheden, welke volgens de maatvoering op de rode markering aanwezig mogen zijn, 15
twee woontitels gerealiseerd. Door deze woontitel niet in te vullen, wordt deze planologische woontitel van de Rietveld te Oosterland naar het bouwplan op de Zuidweg verplaatst, waarvoor deze ruimtelijke onderbouwing wordt opgesteld.
Figuur 7. Uitsnede bestemmingsplan ‘’kom Nieuwerkerk-Oosterland’’, waarin een woontitel wordt verplaats naar de Zuidweg (Bron, www.ruimtelijkeplannen.nl,2023)
Conclusie Door de verplaatsing van de woontitel van Oosterland naar de Zuidweg te Bruinisse is geen sprake van een kwantitatieve toevoeging van een woontitel volgens de Woonvisie. Daarnaast kan ook worden geconcludeerd dat feitelijk sprake is van een inbreidingslocatie, gelet op de naastgelegen woningen in de directe omgeving. 2.4.3. Structuurvisie Wonen Schouwen-Duiveland heeft de ambitie ieder huishouden naar wens te kunnen laten wonen. Om dit te kunnen bewerkstelligen zijn er maatregelen nodig om opgaven op de woningmarkt structureel aan te kunnen pakken. Maatregelen om te kunnen blijven werken aan wonen krijgen handen en voeten in de Structuurvisie Wonen. Het gaat daarbij om het toevoegen van woningen die in een kwalitatieve behoefte voorzien met aandacht voor balans tussen vraag en aanbod op middellange termijn.Ten aanzien van prioritering van woningbouw is in de Structuurvisie de volgende tabel opgenomen:
16
Figuur 8. Tabel algemene lijn op gemeentelijk niveau v.w.b. woningbouw. (Bron, Structuurvisie Wonen, gemeente Schouwen-Duiveland, 2023)
Toetsing bouwplan initiatief aan tabel en conclusie Door verplaatsing van een woontitel van de Rietveld te Oosterland naar Bruinisse is geen sprake van het toevoegen van een woning. Daarnaast kan worden gezegd dat sprake is van een maatschappelijke meerwaarde, aangezien de woning levensloopbestendig zal worden uitgevoerd. Daarmee past het plan binnen de Structuurvisie Wonen. 2.4.4. Welstandsbeleid 2012 In de door de gemeenteraad vastgestelde Welstandsnota 2012 zijn algemene welstandscriteria geformuleerd die ten grondslag liggen aan iedere planbeoordeling. De welstandscriteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving te passen en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. De criteria zijn gebaseerd op de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie wordt aangetroffen. Daarnaast is een belangrijke pijler van de welstandsnota het gebieds- en objectgerichte welstandsbeleid welke is gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is Schouwen-Duiveland. Bij het benoemen van de welstandsgebieden is uitgegaan van de huidige situatie. De gebiedsuitwerkingen in deze welstandsnota zijn gericht op de bestaande context, te weten steden en dorpskernen, planmatige uitbreidingen, bedrijfs- en haventerreinen, sport en recreatie en buitengebied. Er is onderscheid gemaakt tussen verschillende welstandsniveaus.
Het plangebied ligt in de dorpskern Bruinisse, grenzend aan het landelijke gebied en heeft de aanduiding ‘welstandsgebied 3’. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De welstandscriteria beschrijven daarom de basiskwaliteiten van deze gebieden. In Schouwen-Duiveland zijn dit de naoorlogse planmatige uitbreidingen bij dorpen en steden, sport- en recreatiegebieden en bedrijfs- en haventerreinen, mits deze niet grenzen aan het buitengebied of andere bijzondere welstandsgebieden. Voor deze zogenaamde randen wordt welstandshalve altijd extra aandacht besteed aan de architectonische kwaliteit van klein- en grootschalige ontwikkelingen of toevoegingen. 17
Conclusie Het bouwplan voor de woning wordt om advies voorgelegd aan de Welstands/monumentencommissie van de gemeente Schouwen-Duiveland. Bij het bijbehorende bouwplan wordt rekening gehouden met het welstandsadvies. De kleuren en materialen zullen ter goedkeuring worden voorgelegd aan de welstandscommissie. 2.4.5. Duurzaamheid In de Woonvisie is meer aandacht gevraagd voor duurzaamheid en technologische vernieuwing. De bewustwording en behoefte om energie te besparen neemt verder toe. Een ingrijpende verandering is de energietransitie. Duurzaamheid is een belangrijk thema. Bij woonbeslissingen wordt duurzaamheid steeds vaker meegenomen door kopers/bewoners. Duurzaamheid speelt zowel een rol in de bestaande woningvoorraad als in de nieuwbouw. Door duurzaam te bouwen of woningen te verduurzamen, wordt bijgedragen aan energiebesparing in woningen. Duurzaamheid is echter meer dan energiebesparing. Het draagt ook bij aan voorkomen van uitputting van grondstoffen, een beter woon- en leefklimaat, een gezond binnenmilieu en gezondheid van bewoners. Duurzaam bouwen heeft ook een positieve weerslag op de leefbaarheid van de woningen en de woonomgeving en op de betaalbaarheid, woonlasten worden lager. Toetsing planinitiatief Het initiatief gaat uit van het toevoegen van een woning.
De nieuwe woning wordt gasloos en energiezuinig uitgevoerd overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Dit betekent dat de woning een neutraal 'gebouw gebonden' energiegebruik heeft. Dit betreft het energiegebruik voor ruimteverwarming, ruimtekoeling, warmtapwater, elektriciteit voor de hiervoor benodigde installaties en (forfaitair) verlichting én 'gebruik gebonden'. De ruimte rondom de woning wordt als tuin ingericht. Bij de inrichting zal rekening gehouden worden met het versterken van de groenstructuur en de biodiversiteit, hetgeen blijkt uit het bijbehorende landschapsplan. Conclusie De woning wordt overeenkomstig de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en de bepalingen in het Bouwbesluit gebouwd. Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van duurzaam bouwen en klimaatadaptatie.
2.5.
Conclusie
Op grond van het vorengaande uit dit hoofdstuk kan worden geconcludeerd dat het toevoegen van een woning achtereenvolgens voldoet aan het rijks-, als provinciaal- als gemeentelijk beleid.
18
3. PLANOLOGISCHE ANALYSE 3.1.
Ruimtelijke en functionele analyse
De ontwikkeling ziet op de realisatie van een woning op het perceel Zuidweg (ong) te Bruinisse. Tevens zal de kavel worden heringericht. Die herinrichting betreft een ruimtelijke inpassing met nieuwe ondergrond (water/ groen/(half)verharding) voorzien van een groene erfbeplanting. In onderstaande figuur is de gewenste ontwikkeling vanuit dit perspectief weergegeven.
Figuur 9: ontwerp landschapsplan. (Bron: Buro Ruimte & Groen, 2023)
19
Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een braakliggend stuk terrein en is al jaren niet in gebruik. Ten westen van het perceel is een burgerwoning gelegen (Rijksstraatweg 1) met een bijbehorende bedrijfsbestemming met een functieaanduiding ‘opslag’. Deze woning met het bedrijf is omgeven door een groenstrook met een breedte van ongeveer 13 meter tot de naastgelegen watergang. Ten westen van deze watergang is het bewuste perceel gelegen. Ook ten oosten van de voorgenomen woning is een burgerwoning gesitueerd, namelijk op het adres Zuidweg 1 te Bruinisse. Ten westen daarvan is weer het woonadres Zuidweg 3 gelegen. Tevens is aan de overzijde van de dijk bebouwing gelegen en dan is het bijzonder woonbestemmingen, zodat geen sprake zal zijn van een solitaire burgerwoning in dit gebied. In de huidige situatie is sprake van een uitweg van en naar het perceel. Zoals aangegeven zal tussen de bestaande woningen op de Zuidweg 1 en Rijksstraatweg 1 te Bruinisse een burgerwoning worden gerealiseerd. Analyse nieuwe situatie De planlocatie ligt aan de vroegere weg naar Zijpe een buurtschap met haven waar tot 1988 een veerverbinding was naar st Philipsland. Karakteristiek is het open zicht naar de polder (vanaf de iets hoger gelegen Rijksstraatweg) met af en toe een woning of boerderij. Aan de horizon is de dijk te zien die de polder scheidt van het Zijpe.
De afwisseling van bebouwing en doorzichten is kenmerkend en dient ook bij toevoeging van een woning behouden te blijven. Streven is om het open beeld op de polder (ook vanaf de Rijksstraatweg) zoveel mogelijk intact te houden. Voor het situeren van een woning op deze plek is gekeken naar de rooilijn van de woningen in de omgeving. Deze is divers met wisselende afstanden. De nieuwe woning doet mee in dit spel en ligt op ca 20 meter vanaf de weg. Een locatie nog meer naar voren belemmert het zicht vanaf de weg richting polder/dijk teveel komend vanuit westelijke richting. De nevenliggende boerderij heeft vanuit de woning /het terras ook zicht op de omgeving/dijk. Om eventuele bezwaren te voorkomen is de woning niet te ver naar achteren gezet om de zichtlijn zoveel mogelijk vrij te houden. De massa van de nieuwe bebouwing met erf(beplanting) vormt ruimtelijk gezien een geheel met het nevenliggende erf. Bij de erfinrichting is rekening gehouden met de openheid naar de polder toe. De grootste massa is gesitueerd rondom de gebouwen met opgaande (boom)beplantingen en dichte struwelen. Naar achteren toe wordt de beplanting steeds opener van karakter, het achterste terreindeel is geheel open. De bebouwing bestaat uit een woning met aangebouwde schuur, een soort keuterboerderijtje zoals je ze in Zeeland vaak ziet.
Vanaf de huidige inrit/dam te bereiken met aan de voorzijde een wat opener erf met parkeergelegenheid die van de weg afgeschermd wordt met een haag. De bestaande rij bomen langs de sloot blijft zoveel mogelijk intact, wellicht iets dunnen, maar dit geeft gelijk al een stukje inpassing vanaf de weg gezien. Rondom de woning is plek voor een meer formele sier - en moestuin.
20
Aan de achter(zuid)zijde wordt een terras voorzien met uitzicht op de omgeving. Als buffer naar de buren wordt een beplantingsstrook met dichte struikvormers en een enkele boom voorzien. Aan de oostzijde van het perceel wordt een bomenrij aangebracht met een landschappelijke haag. Deze beplanting dient als windbreker. Op enkele plekken wordt aanvullend streekeigen struweel aangebracht. Dit is zo gesitueerd dat belangrijke zichten intact blijven. Omdat de bebouwde en verharde oppervlakte toeneemt is watercompensatie noodzakelijk. Tevens ligt er een opgave tav verevening. Er liggen kansen om de nevenliggende waterloop te voorzien van natuurvriendelijke oever. Dit geeft niet alleen ecologisch en landschappelijk een meerwaarde (accentuering voormalig kreekrestant), maar ook visueel ontstaat een fraai element om naar te kijken. Aanvullend is een poel aangelegd in het lagergelegen terreindeel omgeven door enkele knotbomen. Naar achteren toe wordt het perceel steeds opener. Hier is ruimte voor een eventuele dierenweide. Dit agrarische perceel met een oppervlakte van ruim 6500m² betreft een solitair agrarisch perceel, welke geen onderdeel uitmaakt van omliggende agrarische gronden.
Anders gezegd, de eigenaar van het perceel heeft geen omliggende agrarische gronden en/of een bijbehorende agrarische dienstwoning in eigendom en/of pacht, zodat initiatiefnemer verder niets conform de agrarische bestemming op het perceel kan realiseren/uitvoeren.
3.2
Conclusie
Het bouwen van een woning op het bestaande agrarische perceel met aanpak van het erf door middel van het voorstelde landschapsplan is zowel ruimtelijk en functioneel prima voorstelbaar in deze omgeving. In de huidige situatie is het perceel al omgeven door burgerwoningen en in die zin kan zelfs gesproken worden van een inbreiding. Andersom is het huidige braakliggend stuk agrarische grond ruimtelijk en functioneel op deze locatie niet langer gewenst, gelet op de solitaire agrarische grondpositie. De voorgestelde ontwikkeling doet recht aan deze plek en zorgt zelfs voor een meerwaarde -zowel functioneel als ruimtelijk- in deze diverse omgeving.
4. MILIEU- EN DUURZAAMHEIDSKADER 4.1.
Inleiding
De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.
4.2.
Bedrijven en milieuzonering
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNGhandreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, 21
ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en de gevel van een woning gelegen in een rustige woonwijk. Wanneer er geen sprake is van een rustige woonwijk, maar van een gemengd gebied, kan één afstandsstap worden teruggedaan. Een bedrijf dat 50 meter afstand tot een rustige woonwijk moet aanhouden, mag zich hierdoor op 30 meter van een gemengd gebied vestigen. Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Voor dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden die gelden ten opzichte van een rustige woonwijk met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Figuur 10: Milieucategorieën en richtafstanden (bron: Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, VNG)
De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. De handreiking is niet rechtstreeks van toepassing, maar wordt wel gebruikt om te kunnen beoordelen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
22
Toetsing/beoordeling De locatie van het plangebied behoort volgens het bestemmingsplan ‘’Bebouwde Kom Bruinisse’’ tot het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Daarom kan er één afstandsstap terug worden gedaan. Het plan ziet op de ontwikkeling van een milieugevoelige functie (wonen). In de directe omgeving zijn milieubelastende functies aanwezig. Ten noorden van het plangebied is een bedrijventerrein aanwezig, waar bedrijven tot en met milieucategorie 4.1 zijn toegestaan. Zowel links als rechts van het plangebied zijn bedrijfsbestemmingen aanwezig met de aanduiding ‘opslag’. Voor opslag geldt volgens de VNG-richtafstandenlijst een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het plangebied ligt op voldoende afstand. Voor activiteiten die vallen in milieucategorie 4.1 geldt in gemengd gebied een richtafstand van 100 meter. Hieraan wordt voldaan. Ook aan de afstanden die gelden voor de overige milieucategorieën op het bedrijventerrein (3.2, 3.1 en 2) wordt voldaan. Uit bovenstaande kan geconcludeerd worden dat er voldoende afstand zit tussen het perceel en de omliggende bedrijfsbestemmingen en het bedrijventerrein. Spuitzone Aangrenzend aan het perceel ligt een agrarische bestemming. Er bestaat geen wettelijke norm voor grondgebonden teelt, maar er dient wel een goed woon- en leefklimaat gemotiveerd kunnen worden.
Gelet op de grote afstand tussen de woning en de achterliggende agrarische gronden, kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
4.3.
Luchtkwaliteit
Wet- en regelgeving De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 5.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden.
Figuur 11: Tabel grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
23
De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde; b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 en PM2,5 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden.
Ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen, gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Het plan omvat het toevoegen van een enkele woning. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Om toch een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2 , PM10 en PM2,5 langs verderop gelegen de N59. Volgens de NSL monitoringtool is de concentratie NO2 , PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden. Langs de Rijksstraatweg/Zuidweg liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze straat zijn evenwel veel lager zijn dan de concentraties van de drukker bereden N59 die onder de grenswaarden liggen. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden.
Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter. De planontwikkeling valt onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.4.
Archeologie
Algemeen In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta)door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden 24
om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valetta is door vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet vervallen en is deze grotendeels verwerkt in de Erfgoedwet. Volgens het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse’ geldt op het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 7' (artikel 22). Deze dubbelbestemming is bedoeld voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelvoudige bestemmingen. Volgens deze bestemming mogen er geen bouwplannen worden gebouwd met een oppervlakte groter dan 5.000 m² en waarbij bovendien grond- of graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter beneden het peil plaatsvinden. Aangezien ruimschoots onder deze maat (circa 100 m2) wordt gebleven is archeologie geen belemmering. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het plan.
4.5.
Geluid en stilte
Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies.
De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt 25
vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/beoordeling In bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing is de akoestische rapportage bijgevoegd. Deze rapportage is de uitkomst van de berekende verkeersintensiteiten voor zowel de Rijksstraatweg als de Zuidweg te Bruinisse op het voorgenomen bouwplan voor het realiseren van de woning. Indien er sprake is van een stedelijke situatie wordt de maximaal te verlenen hogere waarde van 63 dB overschreden indien de jaargemiddelde etmaalintensiteit meer bedraagt dan: • •
17.340 op de Rijksstraatweg; 12.200 op de Zuidweg.
Deze intensiteiten zullen nimmer op deze wegen optreden. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk maken.