CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

984574 Bijlage 1. Welstandsnota 2023

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen Welstandsnota 2023 (984574)19.254 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

WELSTANDSNOTA 2023

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad der gemeente Schouwen-Duiveland, d.d. …

Inhoud 1. Introductie. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 2. Algemene welstandscriteria . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6 3. Gebieds- en objectgericht welstandsbeleid. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 9 4. Welstandscriteria voor specifieke objecten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29 5. Toetscriteria . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38 6. Reclame. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54 7. Welstandcriteria bij excessen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66

1

Introductie DOEL In de strategische visie ‘Tij van de Toekomst’ heeft de gemeenteraad de volgende keuze geformuleerd: ‘We gaan zorgvuldig om met landschap, natuur, cultuur en milieu en investeren ook in het verbeteren van deze kwaliteiten’. Met deze welstands-/monumentennota geeft de gemeente vorm en inhoud aan deze keuze. Deze nota stelt de kaders vast waaraan ruimtelijke initiatieven in onze gemeente worden getoetst. Deze nota is gericht op 2 groepen lezers. In de 1e plaats is deze nota bedoeld voor de initiatiefnemers en hun adviseurs. Zij lezen in deze nota welke criteria de gemeente hanteert bij het toetsen van ruimtelijke initiatieven op het vlak van welstand. In de 2e plaats richt deze nota zich op de leden van de welstandsmonumentencommissie en ambtenaren. Voor hen is deze nota een ‘werkinstructie’. De nota legt het kader vast waaraan zij aanvragen dienen te toetsen.

WETTELIJK KADER De Woningwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om het toetsingskader voor het voeren van welstandsbeleid vast te leggen in een welstandsnota. Het overgrote deel van de Nederlandse gemeenten kiest ervoor het toetsingskader voor welstand vast te leggen in een nota. Deze nota is aangepast aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en sluit aan bij de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). In deze nota is consequent de terminologie van de Wabo doorgevoerd. De op 1 oktober 2010 in werking getreden Wabo heeft verschillende vergunningstelsels samengebracht in de omgevingsvergunning. De modernisering van de monumentenzorg (MoMo) is vanaf 1 januari 2012 verankerd in de ruimtelijke wetgeving. De MoMo kent 3 pijlers: cultuurhistorische belangen meewegen in ruimtelijke ordening, vervolgens krachtiger en eenvoudiger regelgeving en als derde het bevorderen van herbestemmingen. In deze nota wordt nadrukkelijk aangesloten bij de 2e pijler. Duidelijke voorschriften maken het mogelijk om bij de eenvoudige (kortere) procedures cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van een integrale afweging.

ROL COMMISSIE IN RUIMTELIJKE KWALITEIT Complexere ruimtelijke initiatieven worden beoordeeld door de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij de start van een ruimtelijk initiatief speelt de commissie voor de aanvrager een adviserende rol (bij een vooroverleg of principeverzoek). Bij de afhandeling van aanvragen toetst de commissie aan deze nota en adviseert het college over vergunningverlening. Eenvoudigere aanvragen worden ambtelijk afgedaan. Het toetsingskader voor deze ambtelijke afhandeling is opgenomen in hoofdstuk 5.

OPBOUW VAN DE NOTA EN LEESWIJZER Na dit hoofdstuk benoemt de nota in hoofdstuk 2 de algemene welstandscriteria. Deze criteria vormen de basis voor de welstandstoetsing in brede zin. De criteria zijn concreet gericht op het architectonisch ontwerp en terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. Hoofdstuk 3 bevat de gebiedsgerichte welstandscriteria. De nota deelt Schouwen-Duiveland in, in verschillende deelgebieden, zoals bijvoorbeeld de verschillende historische kernen, de dijkdorpen en het

4

buitengebied. Deze indeling is gebaseerd op ruimtelijke kenmerken. De nota beschrijft per deelgebied de welstandscriteria. Hoofdstuk 4 bevat de welstandscriteria voor een aantal specifieke objecten zoals bijvoorbeeld strandpaviljoens, antenneinstallaties en persluchtvulstations. Het betreft bouwwerken die zo specifiek zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze staan of worden geplaatst, eigen criteria nodig hebben. Hoofdstuk 5 bevat de welstandscriteria gedetailleerde criteria voor (onder meer) aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen en rolhekken, luiken en rolluiken. Deze regels zijn zo gedetailleerd omdat aanvragen aan de hand van deze regels ambtelijk worden afgedaan, zonder tussenkomst van de Commissie ruimtelijke kwaliteit. In hoofdstuk 6 is de vroegere reclamenota ondergebracht. Ook in dit hoofdstuk is sprake van detaillering om de spelregels voor iedereen zo duidelijk mogelijk te maken. Hoofdstuk 7 bevat de zogenoemde excessenregeling. Dit hoofdstuk bevat criteria voor repressief toezicht op vergunningvrije bouwwerken.

5

2

Algemene welstandscriteria ALGEMENE CRITERIA De algemene welstandscriteria liggen ten grondslag aan iedere planbeoordeling. Het is belangrijk dat iedere aanvrager en ontwerper, naast de meer concrete richtlijnen en specifieke criteria uit deze nota, kennis neemt van deze algemene welstandscriteria.

1. Algemeen Het bouwplan is aanvaardbaar in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context. De karakteristiek per deelgebied staat beschreven in de gebiedsomschrijvingen. Het bouwwerk heeft een evenwichtige samenhang bij de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen van het bouwwerk. Het bouwplan is aanvaardbaar in relatie tot de te verwachten toekomstige ontwikkelingen in een gebied. De commissie voor welstand en monumenten beoordeelt het bouwplan daarbij op de volgende aspecten: • situering • massa en vorm • maat en schaal • gevelkarakteristiek • detaillering • materiaalkeuze, kleurstelling en textuur Bij de vervanging van een bouwwerk dat, naar de huidige maatstaven gemeten niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, is het beleid van de welstandsnota maatgevend.

2. Situering Situering betekent de positie van het bouwwerk in relatie tot de belendingen, de stedenbouwkundige opzet van de omgeving en de publieke ruimte. Onderdelen van de beoordeling van de situering zijn de positie en de afstand van de bouwwerken onderling, de plaatsing op de kavel, de bouwrichting en de herhaling of ritmiek in de stedenbouwkundige opzet. Een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand is op een logische wijze gepositioneerd, gewogen aan de hand van bovengenoemde onderdelen. Dit uiteraard binnen de mogelijkheden die zijn aangegeven in het bestemmingsplan.

3. Massa en vorm Het gaat hierbij om de hoofdvorm en hoofdmassa van een bouwwerk. De hoofdvorm is de typering van een bouwwerk, bijvoorbeeld: 2 bouwlagen met een zadeldak of 1 bouwlaag met een plat dak. Een vorm kan een richting hebben: ontwikkeling in de lengte, in de breedte of in de hoogte. Een volledig rond bouwwerk is richtingloos. De keuze van een richting is vaak afhankelijk van

6

de omgeving. Massa betekent het zichtbare volume. Een te grote massa kan de ontwerper geleden (samenstellen in onderdelen) zodat er kleinere massaeenheden ontstaan. Onderdelen van de beoordeling van de massa en vorm zijn: het profiel, de samenstelling en de richting van een bouwwerk. De kapvorm neemt hierbij een bijzondere plaats in. Een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand heeft een duidelijke hoofdvorm en is op een logische wijze gewogen aan de hand van deze onderdelen. Verder is het van belang dat bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en opbouwen in een ondergeschikte verhouding staan tot de hoofdmassa.

4. Maat en schaal Bij maat gaat het om de maatvoering (breedte, lengte en hoogte) van een bouwwerk op zichzelf. Bij schaal gaat het om de betrekking die bestaat tussen afmetingen van het geheel en de afmetingen van de onderdelen. Met schaalmiddelen kan een ontwerper een groot gebouw klein doen lijken en aan een klein gebouw een zekere grootheid verlenen. Zo bestaat er ook een schaal van een bouwwerk ten opzichte van de schaal van de omgeving. Een strakke schaaleenheid in het straatbeeld leidt al snel tot verveling. Te grote tegenstellingen werken verstorend. De schaal van veel gebouwen is gebonden aan een vast gegeven: de menselijke maat. Dit is een vaste en vertrouwde maat waaraan een beschouwer de totale omvang van een bouwwerk meet. De maat van veel oude bouwwerken is gebaseerd op ambachtelijke werken (metselen), beperkte technische mogelijkheden (overspanning houten balk tot 4,5 meter), of een matenstelsel gebaseerd op onderdelen van het lichaam (voet, el, duim enzovoort). Op verschillende gebieden hebben zich schaalvergrotingen voorgedaan, bijvoorbeeld door de intrede van nieuwe bouwtechnieken, door het gebruik van grote machines en door het veranderen van het wereldbeeld. Het is dus van belang te bepalen wat de maat en de schaal van een gebied is.

Een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand heeft een maat en een schaal die (ongeveer) overeenkomt met die van de omgeving. Schaal- en maatproblemen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij het samentrekken van 2 panden tot 1 groot geheel, bij het wijzigen van de functie van een gebouw of op een bedrijventerrein waar een groot gebouw staat naast een klein gebouw.

5. Gevelkarakteristiek Bij de gevelkarakteristiek gaat het om de verschijningsvorm van de gevelaanzichten van een bouwwerk. Onderdelen van de beoordeling van de gevelkarakteristiek zijn onder meer: • Gerichtheid en oriëntatie: de straatgevel is het meest georiënteerd naar de straat en niet naar binnen. • Geleding: de vorm van ramen of uitbouwen geven aan een gevel een geleding. Deze kan horizontaal, verticaal of een combinatie van beide zijn. • Compositie: de indeling van de gevel waardoor een harmonieus, symmetrisch of asymmetrisch geheel ontstaat. • Ritme: de herhaling van vormen. • Plasticiteit: ruimtelijkheid in de gevel door uitspringende of diepliggende vormen zoals kozijnen, nissen, erkers, dakranden en balkons. Een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand heeft een logische en consequente gevelkarakteristiek, gewogen aan de hand van de bovenliggende onderdelen. Het zwaartepunt van de beoordeling van de gevelkarakteristiek van een bouwwerk ligt op de beoordeling van de gevels die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte.

7

6. Detaillering Bij detaillering gaat het om de wijze van uitvoering van de bouwonderdelen en hun onderlinge samenhang. Het gaat hierbij om de details die een beeldbepalende functie hebben. De wijze van uitvoering wil zeggen: hoe ziet het eruit, welke afmetingen hebben de onderdelen en uit welke materialen zijn ze samengesteld. Voorkomende beeldbepalende details bij een bouwwerk zijn onder meer: • Het gootdetail, de toepassing van gootklossen en gootbeugels. • Het dakranddetail bij een hellend dak. • Detaillering van een dakkapel. • Kozijndetails. • Bijzondere gevelonderdelen zoals plaatselijk terugspringend metselwerk en de toepassing van rollagen/ speklagen. • De toepassing van muurankers. • Het toepassen van ornamenten. Onderdelen van de beoordeling van de detaillering zijn oorspronkelijkheid, gaafheid en stijlzuiverheid. Een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand heeft detailleringen die consequent zijn toegepast en die passen bij de gekozen bouwstijl. De (esthetische) kwaliteit van een bouwwerk valt of staat met de keuze van de detaillering. Het belang van de beoordeling van de detaillering door de welstandscommissie neemt toe naarmate de oorspronkelijkheid, gaafheid en stijlzuiverheid van een bouwwerk toeneemt. Denk hier bij met name aan de gemeentelijke monumenten.

7. Materiaal, kleur en textuur Materiaal- en kleurtoepassing hebben een grote invloed op het uiterlijk van een bouwwerk en de omgeving. Textuur is de wijze waarop een materiaal is samengesteld en hoe de structuur eruit ziet. Materialen kunnen heel ingetogen zijn, maar ook erg opvallend. Het is belangrijk de materiaalkeuze af te stemmen op de omgeving. Ingetogen materiaal- en kleurgebruik verdienen de voorkeur. Op de juiste wijze toegepaste contrasterende kleuren en materialen kunnen een positieve bijdrage leveren aan het straatbeeld. Het is, op enkele uitzonderingen na, niet de bedoeling kleuren en materialen uit te sluiten. De toepasbaarheid hangt af van het ontwerp en de omgeving. Een bouwwerk dat voldoet aan de redelijke eisen van welstand kent een materiaal- en kleurgebruik en textuur die in harmonie zijn met het ontwerp en met de omgevingskarakteristiek.

8

3

Gebieds- en objectgericht welstandsbeleid Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebieds- en objectgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria kunnen worden gebruikt voor de vergunningsplichtige bouwplannen. De objectgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor bouwplannen van rijks- en gemeentelijke monumenten. Bij een aanvraag omgevingsvergunning vragen burgemeester en wethouders advies aan de welstands-/ monumentencommissie. De bouwplannen die niet door de afdeling Ruimte en Milieu getoetst kunnen worden, worden voorgelegd aan deze commissie. De commissie interpreteert de criteria in het licht van het concrete bouwplan.

GEBIEDSGERICHT Per gebied wordt een samenhangend beoordelingskader opgesteld, waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen: • de gebiedsbeschrijving • een waardebepaling • ontwikkeling en beleid • het welstandsniveau • de welstandscriteria

GEBIEDSBESCHRIJVING De gebiedsbeschrijving bestaat uit een algemene beschrijving van de ruimtelijke structuur, de cultuurhistorische betekenis en de stedenbouwkundige en architectonische principes. Een beschrijving van de waargenomen beeldbepalende kenmerken, voorafgaand aan de op te stellen criteria, helpt een beeld te vormen van de beeldkwaliteit van het gebied. Dit is van belang omdat bij de beoordeling van bouwwerken niet alleen gekeken dient te worden naar de beeldkwaliteit van het te realiseren bouwwerk, maar ook naar de ‘passendheid’ in de bestaande omgeving en de gewenste ontwikkelingen van de omgeving. De gebiedsbeschrijving vormt een belangrijk onderdeel voor de beoordeling van vergunningaanvragen.

WAARDEBEPALING, ONTWIKKELINGEN EN BELEID Per gebied is op basis van een ruimtelijke analyse en beleidsanalyse aangegeven wat de waardebepaling, eventuele ontwikkelingen en beleidsintenties zijn voor wat betreft de ruimtelijke kwaliteit. Hierbij worden bepaalde ontwikkelingen gesignaleerd en wordt soms verwezen naar gerelateerde beleidsplannen, zoals beeldkwaliteitsplannen, stedenbouwkundige visies en bestemmingsplannen. Met name voor gebieden waar het ambitieniveau ten aanzien van de verschijningsvorm hoog ligt, zal de gemeente een integraal ruimtelijk kwaliteitsbeleid voeren. Het gaat dan niet alleen om de welstandsbeoordeling van bouwwerken, maar ook om de afstemming met bijvoorbeeld de inrichting van de openbare ruimte.

OBJECTGERICHT Per object (rijks- of gemeentelijk monument) wordt een samenhangend beoordelingskader opgesteld waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen:

9

• • • •

de objectbeschrijving een waardebepaling het welstandsniveau de welstandscriteria

OBJECTBESCHRIJVING/WAARDEBEPALING De objectbeschrijving bestaat uit een algemene beschrijving van het object waarin de cultuurhistorische betekenis en de stedenbouwkundige en architectonische waarden worden aangegeven. De objectbeschrijving wordt aangevuld met een afschrift uit het rijks- of gemeentelijk register en vormt een belangrijk onderdeel voor de beoordeling van vergunningaanvragen. Bij restauratie is het wenselijk voorafgaand een bouw en/of kleurhistorisch onderzoek te verrichten.

WELSTANDSNIVEAU GEBIEDS- EN OBJECTGERICHT Voor monumenten en alle gebieden is op basis van de aanwezige kwaliteit het gewenste welstandsniveau vastgesteld. Er is onderscheid gemaakt in een 4-tal welstandsniveaus: 1. De beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. (extra bescherming gericht op consolidatie van historische context) 2. De bijzondere welstandsgebieden. (extra inspanning tot voordeel van de bestaande of gewenste ruimtelijke kwaliteit) 3. De reguliere welstandsgebieden. (normale inspanning gericht op het handhaven van de basiskwaliteit) 4. De welstandsvrije gebieden. (geen welstandstoetsing).

WELSTANDSCRITERIA De welstandscriteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving te passen en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. De criteria zijn dan ook gebaseerd op de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie wordt aangetroffen. Dat betekent overigens niet dat om imitatie van historische of andere bestaande elementen wordt gevraagd, juist een eigentijdse vormgeving kan de karakteristieken benadrukken. De criteria kunnen beschouwd worden als ‘agenda’ voor de welstandsbeoordeling. Daarnaast vormen de criteria discussiepunten waarmee de welstands-/monumentencommissie in gesprek kan gaan met de aanvrager. De welstandscriteria worden in sommige gevallen aangevuld met criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken.

GEBIEDSINDELING EN WELSTANDSNIVEAUS Gebiedsindeling Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is Schouwen-Duiveland onderverdeeld in verschillende gebiedscategorieën. Bij het benoemen van de welstandsgebieden is uitgegaan van de huidige situatie. De gebiedsuitwerkingen in deze welstandsnota zijn dan ook gericht op de bestaande context. • Steden en dorpskernen • Planmatige uitbreidingen • Bedrijfs- en haventerreinen • Sport en recreatie • Buitengebied

Welstandsniveaus Binnen het objectgerichte welstandsbeleid voor monumenten en het selectieve gebiedsgerichte welstandsbeleid is het van belang om vast te stellen welke regulering gewenst is.

10

Dit is inzichtelijk gemaakt door het vastleggen van zogenaamde welstandsniveaus. De vertaling naar welstandsniveaus houdt rekening met het feit dat bij monumenten en de beschermde stads- en dorpsgezichten de lat hoog dient te liggen, omdat de historische, landschappelijke, architectonische of stedenbouwkundige kwaliteit hierom vraagt. In andere gebieden ligt de nadruk juist op het toevoegen van nieuwe waarden binnen de bestaande context of is het conformeren aan de bestaande eigenschappen de juiste toon. Daarnaast zijn er veel gebieden aan te wijzen waar de thematiek niet veel anders is dan in andere (vergelijkbare) gebieden elders. Voor deze neutrale gebieden ligt de lat welstandshalve lager en gelden veelal min of meer universeel te noemen uitgangspunten en criteria. Voor deze categorie gebieden moet het dan ook makkelijker zijn de criteria te standaardiseren. Het welstandsniveau vormt als het ware het ambitieniveau ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving. Het is dus van belang om het welstandsniveau aan te laten sluiten bij het bestaande kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen.

Niveau 1 – Beschermde stads- en dorpsgezichten/monumenten Het welstandsniveau beschermde stads- en dorpsgezichten/monumenten is slechts aangewezen als er sprake is van zeer hoge cultuurhistorische, landschappelijke, architectonische en/of stedenbouwkundige kwaliteiten en het monument of het gebied van cruciale betekenis is voor het totaalbeeld van de kernen of het landschap. Bij de monumenten en in deze welstandsgebieden past de welstands-/ monumentencommissie de gebieds- en objectgerichte welstandscriteria nauwgezet toe. Deze zijn gericht op het behoud van het monument of de bestaande omgeving. In Schouwen-Duiveland is er momenteel sprake van 2 beschermde stadsgezichten en 2 beschermde dorpsgezichten in het kader van de Monumentenwet 1988. Tevens zijn er 830 objecten die aangewezen zijn als rijksmonument in het kader van de Monumentenwet 1988 en 370 objecten die aangewezen zijn als gemeentelijke monument in het kader van de Erfgoedverordening Schouwen-Duiveland 2010. Deze 4 gebieden en de monumenten zijn in het welstandsbeleid tevens aangemerkt als beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten en vallen derhalve onder het welstandsniveau 1. Het welstandsbeleid voor deze gebieden en monumenten is er op gericht de historische kwaliteit te behouden en waar mogelijk te versterken.

Voor deze gebieden en monumenten is het welstandsbeleid daarom uitgewerkt tot op een klein schaalniveau (architectonische detailleringen enzovoort). Niveau 2 – Bijzondere welstandsgebieden Door de bijzondere ruimtelijke context en cultuurhistorische betekenis is een groot aantal gebieden in Schouwen-Duiveland als bijzonder aangemerkt. Voor deze gebieden geldt daarom een bijzonder welstandsregime. Het gaat dan om de gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is en de gemeente ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet of kan gaan inzetten. Het welstandstoezicht is gericht op het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. In Schouwen-Duiveland vallen hier bijvoorbeeld alle dorpskernen onder, met uitzondering van de aanwezige beschermde stads- en dorpsgezichten. Daarnaast zijn ook de dorpsranden belangrijke plekken. De overgang van bebouwd gebied naar buitengebied moet met zorg worden vormgegeven, opdat harde randen rond dorpen worden tegengegaan. Ook het buitengebied van Schouwen-Duiveland kent bijzondere en waardevolle kenmerken en eigenschappen. Een deel van het agrarische buitengebied is tevens benoemd als Belvederegebied, waaruit voortvloeit dat ook voor welstandstoetsing extra zorg besteed wordt aan het behouden, benutten en eventueel versterken van de cultuurhistorische identiteit.

11

Niveau 3 – Reguliere welstandsgebieden In de gemeente Schouwen-Duiveland geldt voor een aantal gebieden een regulier welstandsregime. Het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en het welstandstoezicht is gericht op het handhaven van de basiskwaliteit van de gebieden. Deze gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De welstandscriteria beschrijven daarom de basiskwaliteiten van deze gebieden. In Schouwen-Duiveland zijn dit de naoorlogse planmatige uitbreidingen bij dorpen en steden, sport- en recreatiegebieden en bedrijfsen haventerreinen, mits deze niet grenzen aan het buitengebied of andere bijzondere welstandsgebieden. Voor deze zogenaamde randen wordt welstandshalve altijd extra aandacht besteed aan de architectonische kwaliteit van klein- en grootschalige ontwikkelingen of toevoegingen. Niveau 4 – Welstandsvrije gebieden Welstandsvrij zijn gebieden die uit oogpunt van bescherming van de visuele kwaliteit als ongevoelig kunnen worden aangemerkt. In deze gebieden worden bouwaanvragen dan ook niet getoetst aan ‘redelijke eisen van welstand’. Vergunningsvrije bouwwerken krijgen geen welstandstoets. Deze bouwwerken, waarvoor geen vergunning nodig is, moeten echter wel aan minimale welstandseisen voldoen.

Hiervoor kan een repressieve toetsing plaatsvinden, die is geregeld in de ‘excessenregeling’ in hoofdstuk 7.

BEOORDELINGSCRITERIA GEBIED Bij het opstellen van de welstandscriteria zijn de volgende beoordelingsaspecten benoemd en gewaardeerd.

Plaatsing In deze categorie komt de situering van een gebouw aan de orde. De positie van het gebouw/bouwwerk in relatie tot de belendingen, stedenbouwkundige opzet en de publieke ruimte. Onderdelen: • verkavelingstype • positie onderling • afstand onderling • plaatsing op kavel • bouwrichting • herhaling/ritmiek

Massa en vorm Het gaat hier om de hoofdvorm en -massa van een gebouw in relatie tot, of met de omgeving. In de ruimtelijke verschijningsvorm zijn de massa en de vorm van het gebouw het intermediair tussen stedenbouwkundige en architectonische beeldaspecten. Onderdelen: • opbouw hoofdmassa • profiel ruimte • samenstelling massa • kapvorm en -richting • relatieve omvang • vormbehandeling

12

Gevelkarakteristiek Het gaat hier om de verschijningsvorm en/of aanzichten van een gebouw. Naast de relatie met de omgeving wordt hier met name de karakteristiek van het gebouw als object beschreven en gewaardeerd. Onderdelen: • gerichtheid en oriëntatie • geleding • indeling en plasticiteit

Detaillering, kleur en materiaal Het gaat hier om de karakteristieken die invulling geven aan de verschijningsvorm van een gebouw. Ten opzichte van de hiervoor genoemde beoordelingsaspecten zijn deze aspecten bepaald niet ondergeschikt. Juist kleur en materiaal zijn zeer beeldbepalend voor de verschijningsvorm van een gebouw, straat en/of gebied. Onderdelen: • gaafheid/oorspronkelijkheid • materiaalgebruik • kleurtoon en toepassing • decoraties en ornamenten In de welstandscriteria is rekening gehouden met de hardheid van de criteria. Strenge criteria bieden weinig ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en hebben vaak een behoudende werking. Voor gebieden met een hoge beeldkwaliteit zijn behoudende criteria zeer geschikt. Zo kan het voorkomen dat in een historische dorpskern hardere eisen worden gesteld aan de gevelaanzichten dan in bijvoorbeeld naoorlogse woongebieden. Sturende en ruim te interpreteren welstandscriteria bieden meer flexibiliteit en ontwikkelingsvrijheid, waarvan adviserende criteria de meeste speelruimte leveren. Om de interpretatiemogelijkheden en prioriteitstelling in criteria te vertalen kan gebruik gemaakt worden van termen als behouden, respecteren, nastreven, wensen, gericht veranderen of zelfs uitsluiten. Hierbij is de term ‘behouden’ meer gericht op dwingend handhaven en ‘wensen’ en ‘nastreven’ meer als sturend ontwikkelen.

Hierdoor wordt voor elk van belang zijnd kenmerk of eigenschap aangegeven hoe men hiermee, in relatie tot de bestaande context, dient om te gaan.

Behouden Handhaven in de zin van behouden of herstellen van bestaande karakteristieken. Specifieke of beeldbepalende kenmerken van een gebied kan men hiermee waarborgen. Het gaat hier dan ook om het behouden van specifieke en vaak oorspronkelijke kenmerken bij nieuwbouw, renovatie of bij veranderingen en toevoegingen aan bestaande bouwwerken. Dit hoeft niet altijd te betekenen dat men nauwgezet dezelfde eigenschappen in zijn oorspronkelijke vorm dient terug te laten komen, maar wel dat in verre mate gestreefd dient te worden naar een op de oorspronkelijke context gelijkende vormgeving. Kortom, de afwijkingsmogelijkheden zijn beperkt.

Respecteren Respecteren in de zin van het vertalen of gebruik maken van bestaande, vaak beeldbepalende, beeldaspecten bij nieuwbouw, renovatie of bij veranderingen en toevoegingen aan bestaande bouwwerken. Het gaat hierbij om het benaderen van bestaande beeldbepalende eigenschappen en kenmerken of een vertaling of bewerking ervan naar een meer eigentijdse vormentaal. Hierin zit, met respect voor en passend binnen de bestaande context, meer vrijheid in bijvoorbeeld vormgeving, detaillering, profielen en kleur- en/of materiaalgebruik.

13

Nastreven of wensen Veranderen in de zin van een gewenst beeldaspect mogelijk maken ten behoeve van verbetering van de bestaande of gewenste kwaliteit. Het gaat hierbij om het inzetten van ontwikkelingen ter verbetering van de bestaande beeldkwaliteit. Dit kan bereikt worden via de weg van de geleidelijkheid of via het toepassen van gericht beleid. Deze welstandscriteria zijn sturend van aard en de mate aan vrijheid om ze te interpreteren is relatief groot.

Gericht veranderen of uitsluiten Veranderen in de zin van doelbewust vernieuwen door toevoegen van nieuwe beeldaspecten, herstellen van gevormde verstoringen/ aantastingen of het uitdrukkelijk afwijken van bestaande kenmerken of eigenschappen via een gericht beleid. Ook hier gaat het om het inzetten van een ontwikkeling ter verbetering van de bestaande kwaliteit. Het kan dus voorkomen dat bepaalde niet passende, ongewenste of beeldverstorende kenmerken en eigenschappen verplicht dienen te worden veranderd of expliciet worden uitgesloten. Ondanks de verruiming van de mogelijkheden, dient men met vernieuwing of afwijking altijd zorgvuldig om te gaan. De vrijheid is dus beperkt, maar door gewenste veranderingen zijn de mogelijkheden voor vernieuwing ruimer. In voorgaande termen zit uiteraard een bepaalde reikwijdte die alleen per situatie (bouwplan en context) nader geïnterpreteerd kan worden. Dit is een taak van de welstands-/monumentencommissie in samenspraak met de initiatiefnemer en/of de vormgever van een plan. Alleen in samenhang met alle onderdelen van een bouwplan kan de relevantie van afzonderlijke criteria bepaald worden. In de welstandscriteria is tevens onderscheid tussen relatieve criteria en absolute criteria. Per beoordelingsaspect zijn relatieve criteria geformuleerd door te verwijzen naar de omliggende bebouwing.

Hierin zit veelal ook verweven in welke mate men kan afwijken van de bestaande situatie. Vervolgens is het beoordelingsaspect nader toegelicht aan de hand van meer absolute criteria die van belang zijn bij het ontwerp van een gebouw. Deze meer absolute criteria vormen de belangrijkste ingrediënten voor een bouwplan waarmee het ontwerp past of juist niet past binnen haar omgeving. In sommige gebieden kan men volstaan met alleen relatieve criteria. Voor andere gebieden is het juist nodig explicieter aan te geven welke aspecten de bestaande of beoogde kwaliteit omvat, en waarop de welstands-/ monumentencommissie met nadruk zal letten. In de volgende paragraaf worden de welstandsniveaus en de welstandscriteria weergegeven.

14

BESCHERMDE STEDEN, DORPEN EN MONUMENTEN Beschermde stads-/dorpsgezichten (Zierikzee, Brouwershaven, Noordgouwe, Dreischor), rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten Welstandsniveau De beschermde stads-/dorpsgezichten en monumenten vallen onder welstandsniveau 1, een beschermd stads-/dorpsgezicht en monumenten.

Welstandscriteria •

•

De welstandscriteria voor de beschermde stads- en dorpsgezichten dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast; of De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele objectbeschrijving van het desbetreffende monument waarop de bouwaanvraag van toepassing is, te worden gehanteerd.

Algemeen • • • • •

Behouden van de cultuurhistorische waarde van de beschermde stads- en dorpsgezichten. Behouden van het besloten karakter en formele karakter van deze kernen. Vormgeving van de dorpsrand in relatie tot het omliggende landschap. Behouden van de individuele herkenbaarheid van bebouwing binnen het samenhangende gevelbeeld. Het is wenselijk voorafgaand aan een bouwplan bouw en/of kleurhistorisch onderzoek te verrichten.

Plaatsing • • •

Plaatsing in de bestaande rooilijn of bij verspringing binnen de uitersten van de belendingen. Behouden van bestaande gesloten gevelwanden. Behouden van positie en oriëntatie van de oorspronkelijke bebouwing bij renovatie en (vervangende) nieuwbouw.

Massa en vorm • • • • • •

Bouwmassa’s wat betreft maat en schaal afstemmen op monument en belendingen. Gebouwen afdekken met een kap met hellend(e) dakvlak(ken). Respecteren van de meest voorkomende kapvormen, zijnde het schilddak en het (gecombineerde) zadeldak zonder wolfseinden. Voorgevel uitvoeren als lijst- of topgevel. Voorgevel uitvoeren als individuele gevel. Ontsluiting minimaal aan de voorzijde situeren.

Gevelkarakteristiek • • • • • •

Behouden van oorspronkelijke bouwstijl. Respecteren van oorspronkelijke gevelkenmerken, -geleding en -opbouw bij renovatie of verbouwing. Streven naar individuele presentatie per pand door middel van gevelkarakteristieken. Uitsluiten van gesloten gevels aan de straatzijde. Streven naar verticale geleding in voorgevels. Behouden van oorspronkelijke toevoegingen aan gevels (naam, pand, jaartal, raamluik, vlaggenmast, balkon, bordes, balustrade, stoeppaal, versiering).

15

Goten • • •

Behouden van oorspronkelijke gootopbouw. Behouden van oorspronkelijke kenmerken van de goot. Behouden van oorspronkelijke toevoegingen goot (attiek, versiering).

Daken • • • •

Behouden van oorspronkelijke bouwstijl. Behouden van oorspronkelijke kenmerken van het dak. Behouden van oorsponkelijke toevoegingen daken (schoorsteen, waterbord, windveer, dakkapel, dakraam, balustrade, versiering).

Detaillering, kleur en materiaal • • • •

• • • • • • • • •

Detaillering uitvoeren in harmonie met gebouw en omgeving. Behouden van oorspronkelijke materialisering. Voor kozijnen zijn andere materialen dan hout niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Kunststof toepassingen zijn slechts toegestaan indien de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Dit in alle gevallen ter beoordeling van de welstands-/ monumentencommissie. Dakpanbedekking wordt uitgevoerd in ongeglazuurde keramische dakpannen . Betonnen dakpannen zijn slechts toegestaan, indien de toepassing acceptabel is gelet op de directe omgeving. Dit in alle gevallen ter beoordeling van welstands-/monumentencommissie. Respecteren van oorspronkelijke kleuren. Toepassing van sterk contrasterende kleuren en materialen is niet toegestaan. Het schilderen van metselwerk, natuursteen of pleisterwerk (welke nog niet eerder geschilderd zijn) is niet toegestaan tenzij de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en de architectonische opzet. Behouden van authentieke vensterindeling en kozijnprofielen. Bij lichtopeningen in voorgevels dient een borstwering van minimaal 30 centimeter te worden toegepast. De breedte van deuropeningen in de voorgevel mag niet groter dan 30 % van de totale breedte van de woning zijn.

Behouden van authentieke detailleringen, ornamenten en versieringen van daken, goten, gevels en interieuronderdelen met monumentale waarde.

Aanvullende criteria voor kleine bouwwerken De kleine bouwwerken aan de ‘2e ring’ en achterstraten dienen wat betreft massa, vorm, materiaal en kleur zowel op het hoofdgebouw als op elkaar te worden afgestemd. Hierbij dient een zekere mate van beperking te worden gesteld aan de onderlinge variatie.

16

OVERIGE DORPSKERNEN De historische kern Schuddebeurs, de dorpen (Burgh, Haamstede, Kerkwerve, Nieuwerkerk, Noordwelle, Ouwerkerk, Renesse, Serooskerke, Ellemeet, Scharendijke, Oosterland, Sirjansland, Zonnemaire en Bruinisse) Welstandsniveau De historische kern Schuddebeurs, de 3 straatdorpen (Scharendijke, Sirjansland en Oosterland, de historische delen van de ringdorpen (Burgh-Haamstede, Renesse, Noordwelle, Kerkwerve, Serooskerke, Nieuwerkerk en Ouwerkerk), het dijkdorp Zonnemaire en het voorstraatdorp Bruinisse vallen onder welstandsniveau 2; bijzonder welstandsgebied.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • • • • • • • • •

Behouden/respecteren van de cultuurhistorische waarde van het historische deel van de kern en/of dorpen. Respecteren van het groene, overwegend besloten karakter van de bosrijke omgeving met de landgoederen als enclave in het omliggende open polderlandschap. Respecteren van de diversiteit in het bebouwingsbeeld van vrijstaande panden in een groene omgeving. Respecteren van de individuele herkenbaarheid van bebouwing binnen het samenhangende gevelbeeld. Respecteren van het formele en veelal besloten karakter van kerkring. Behouden van de visuele relatie tussen bovendijkse en benedendijkse bebouwing. Streven naar zachte overgang van kern en/of dorp naar buitengebied. Vormgeving van de kern en/of dorpsranden in relatie tot het omliggende landschap. Het is wenselijk voorafgaand aan een bouwplan bouw- en/of kleurhistorisch onderzoek te verrichten.

Plaatsing • • • • •

Respecteren van diversiteit in positionering van de vrijstaande bebouwing. Streven naar positionering van het hoofdgebouw op de kavel op enige afstand van het openbare gebied. Respecteren van de bestaande rooilijnen of bij verspringing binnen de uitersten van de belendingen. Behouden van besloten gevelwanden. Behouden/Respecteren van de oorspronkelijke positie en oriëntatie bij renovatie en (vervangende) nieuwbouw.

Massa en vorm • • • • •

Respecteren van de verscheidenheid in bouwhoogte en volume, waarbij kapvorm en -richting van ondergeschikt belang zijn. Streven naar uitvoeren van voorgevels als top- of lijstgevel. Streven naar individualiteit per gebouw in massa en vormeter Bouwmassa wat betreft maat en schaal afstemmen op belendingen. Streven naar afdekking met kap.

17

• • •

Respecteren van de meest voorkomende kapvormen, zijnde het (gecombineerde) zadeldak zonder wolfseinden en schilddaken met wisselende kaprichtingen. Streven naar het uitvoeren van voorgevels als individuele gevels. Bij bebouwing aan de kerkring streven naar situering van de ontsluiting minimaal aan de voorzijde.

Gevelkarakteristiek • • • •

Respecteren van de oorspronkelijke of overheersende bouwstijl bij renovatie of verbouwing. Behouden/respecteren van de oorspronkelijke gevelkenmerken, -geleding en -opbouw bij renovatie of verbouwing. Respecteren van de aanwezige gevelkarakteristiek, mede bepaald door een kleinschalige gevelgeleding en/of de samenstelling van bouwdelen. Uitsluiten van gesloten gevels aan de straatzijde.

Detaillering, kleur en materiaal • • • •

• • • • •

Detaillering uitvoeren in harmonie met gebouw en architectonische verschijningsvormeter Respecteren van de oorspronkelijke of overheersende materialisering bij renovatie of verbouwing. Voor kozijnen zijn andere materialen dan hout niet toegestaan. Kunststof toepassingen zijn slechts toegestaan indien de situatie acceptabel is gelet op de belendingen en gekozen architectonische opzet. Dit in alle gevallen ter beoordeling van de welstands-/ monumentencommissie. Betonnen dakpannen zijn niet toegestaan tenzij de toepassing acceptabel is gelet op de directe omgeving. Dit in alle gevallen ter beoordeling van welstands-/ monumentencommissie Behouden van authentieke vensterindeling en kozijnprofielen. Bij lichtopeningen in voorgevels dient een borstwering van minimaal 30 centimeter te worden toegepast. De breedte van deuropeningen in de voorgevel mag niet groter dan 30 % van de totale breedte van de woning zijn. Behouden van authentieke detailleringen, ornamenten en overige gevelversieringen.

Aanvullende criteria voor kleine bouwwerken De kleine bouwwerken bij de zogenaamde achterkantsituaties in de achterstraten, dienen wat betreft massa, vorm, materiaal en kleur zowel op het hoofdgebouw als op elkaar te worden afgestemd. Hierbij dient een zekere mate van beperking te worden gesteld aan de onderlinge variatie.

18

BIJZONDERE WOONCONCENTRATIES (Nieuw-Haamstede, Westenschouwen, Westerenban, Grevelingenhout) Welstandsniveau De bijzondere concentraties vallen onder welstandsniveau 2; bijzonder welstandsgebied.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen •

Vormgeving in aansluiting bij landelijke omgeving.

Plaatsing • •

Streven naar een teruggelegen positionering op de kavel. Accentueren van vrijstaand karakter.

Massa en vorm • • • •

Bouwmassa’s moeten de landelijke bouwtraditie respecteren. Streven naar maximaal 1 bouwlaag met een verdieping in de kap. Streven naar afstemming van massa tussen onderlinge woonbebouwing. Streven naar onderlinge variatie in vormeter

Gevelkarakteristiek • • •

Afstemmen van gevelkarakteristiek op architectuur van het betreffende pand. Detaillering, kleur en materiaal Streven naar toepassing van met de landelijke omgeving harmoniërende kleuren en materialen.

19

PLANMATIGE UITBREIDINGEN Welstandsniveau Alle planmatige uitbreidingen vallen onder welstandsniveau 3; regulier welstandsgebied.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • •

Respecteren van de samenhang op niveau van de wijk, buurt en/of bouwblok. Streven naar de vormgeving van de dorps- en stadsranden in relatie tot het omliggende landschap.

Plaatsing Bij vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen geldt; hoe kleiner de onderlinge afstand, des te meer samenhang dient er in het uiterlijk van de bebouwing te worden aangebracht.

Massa en vorm • • •

Binnen een samenhangende ruimtelijke eenheid (bouwblok, buurt, en dergelijke) bebouwing afstemmen op de belendende panden. Afstemmen van de kapvorm en -richting op de belendende bebouwing. Streven naar accentuering van bebouwing in hoeksituaties en op stedenbouwkundig geëigende locaties in de stedelijke uitbreidingswijken.

Gevelkarakteristiek • •

Afstemmen van gevelkenmerken, -geleding en -opbouw op de architectonische vormgeving van de betreffende samenhangende ruimtelijke eenheid. Uitsluiten van gesloten gevels aan de straatzijde.

Detaillering, kleur en materiaal Binnen een stedenbouwkundige en/of architectonische eenheid streven naar onderlinge afstemming van materialen en kleuren van gevels, daken, kozijnen, ramen en deuren, alsmede aangebouwde gedeeltes.

20

JACHTHAVENS, BEDRIJVEN- EN HAVENTERREINEN Welstandsniveau De jachthavens en buitenranden van de bedrijven- en haventerreinen vallen onder welstandsniveau 3; regulier welstandsgebied. De binnenterreinen van de bedrijven- en haventerreinen zijn welstandsvrij.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • •

Streven naar herkenbaarheid van functie in het ontwerp. Streven naar representatieve bebouwing op zichtlocaties.

Plaatsing • • •

Streven naar een vrije ligging. Uitsluiten van sterk teruggelegen positie op de kavel. Streven naar oriëntatie en ontsluiting op de belangrijkste aangrenzende openbare ruimte.

Massa en vorm • • •

Streven naar eenheid in bouwmassa. Afstemmen van bouwmassa op de aanwezige ruimte. Verschillende bouwdelen toepassen voor verschillende functies.

Gevelkarakteristiek • • • • •

Streven naar toepassing van hoogwaardige materialen. Streven naar transparante vormgeving rondom, zowel op begane grond als op verdieping. Uitsluiten van geheel gesloten gevels op de straatzijde. Streven naar samenhangend gevelbeeld van de gehele gevel. In gevels van woningen is een interpretatie van het utilitaire karakter van het gebied gewenst.

Detaillering, kleur en materiaal • • •

Uitsluiten van sterk contrasterende kleuren en materialen. Toepassen van gedekte kleuren op zichtlocaties aan de buitenrand van bedrijventerreinen. Witte of lichtkleurige dakbedekking is niet toegestaan.

21

SPORT EN RECREATIE Grootschalige recreatieparken Welstandsniveau De grootschalige recreatieparken/kampeerterreinen vallen onder welstandsniveau 3; regulier welstandsgebied met uitzondering van de binnenterreinen. De binnenterreinen van de recreatieparken/ kampeerterreinen zijn welstandsvrij.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • •

Vormgeving in aansluiting bij landelijke omgeving. Streven naar opdeling in landschappelijk passende ruimtelijke eenheden.

Plaatsing Streven naar wisselende oriëntatie van bebouwing aan de randen van het park.

Massa en vorm • •

Afstemmen van bouwmassa’s op landelijke omgeving. Streven naar beperkte onderlinge variatie in vormeter

Detaillering, kleur en materiaal Streven naar toepassing van met de landelijke omgeving harmoniërende kleuren en materialen.

22

SPORTPARKEN EN -VOORZIENINGEN Welstandsniveau De sportparken en –voorzieningen vallen onder het welstandsniveau 3; regulier welstandsgebied.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • •

Streven naar herkenbaarheid van functie in het ontwerp. Duurzaamheid en alternatieve energieopwekking kunnen hier bij uitstek in de architectuur tot uitdrukking worden gebracht.

Plaatsing • •

Streven naar inpassing in aanwezige landschappelijke structuur. Indien er sprake is van clustering van gebouwen dient het bouwwerk zich te voegen naar de bestaande stedenbouwkundige structuur.

Massa en vorm • • • • • • •

Afstemmen van bouwmassa op de aanwezige ruimte. Gevelkarakteristiek Streven naar evenwichtige transparante vormgeving rondometer Streven naar eenvoudige gevelindeling. Detaillering, kleur en materiaal Uitsluiten van onderling of met het landschap contrasterende materialen en kleuren. Streven naar uniformiteit in kleur- en materiaalgebruik per complex.

23

BUITENGEBIED Duingebied Welstandsniveau Voor het duingebied geldt het welstandsniveau 2; een bijzonder welstandsbeleid.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • • •

Respecteren van de landschappelijke kwaliteiten van het duingebied. Bebouwing mag geen afbreuk doen aan de natuurwaarden. Inheemse erfbeplanting kan bijdragen aan een goede inpassing in het landschap. Het is wenselijk hiertoe een beplantingsschema op te stellen.

Plaatsing • •

Respecteren van het bestaande gespreide bebouwingspatroon. Streven naar een vanuit het landschap zo onzichtbaar mogelijke positionering van de bebouwing.

Massa en vorm • • • •

Bouwmassa’s dienen de landelijke bouwtraditie te respecteren. Streven naar maximaal 1 bouwlaag met een verdieping in de kap. Afdekking met plat dak is niet toegestaan. Voor dakvlakken een helling van 30° of meer toepassen.

Gevelkarakteristiek Respecteren van de traditionele bouwstijl bij renovatie of verbouwing.

Detaillering, kleur en materiaal • • • • • • •

Respecteren van de oorspronkelijke detaillering en ornamentiek bij renovatie of verbouwing. Hoofdzakelijk gebruik van beton, golfplaat of kunststof is niet toegestaan. Streven naar toepassing van met de landelijke omgeving harmoniërende kleuren en materialen. Streven naar een afdekking met dakpannen. In geval van dakpannen streven naar een donkere kleurstelling of oranjerode kleur van het dakvlak. Bij toepassing van ander materiaal voor het dakvlak dan pannen, is een donkere kleurstelling gewenst, bij voorkeur antraciet of zwart. Uitsluiten van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen.

24

AGRARISCH LANDSCHAP Welstandsniveau Voor het gehele agrarisch landschap geldt het welstandsniveau 3; zijnde een regulier welstandsgebied.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden gehanteerd.

Algemeen • • •

Behouden en waar noodzakelijk versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische identiteit en waarde van het agrarische landschap als geheel. Respecteren van de karakteristieke openheid van het landschap. Handhaven van de bestaande zichtlijnen en doorzichten langs de landschappelijke hoofdstructuren. (Vervangende) nieuwbouw vormgeven in relatie tot het omliggende landschap.

Plaatsing • •

Respecteren van het bestaande gespreide bebouwingspatroon. Respecteren van de bestaande omliggende bebouwing en het ensemble van gebouwen op het erf als geheel bij (vervangende) nieuwbouw.

Massa en vorm • •

Afstemmen van (vervangende) nieuwbouw op de bebouwings­hoogte en –massa van de omliggende bebouwing of het ensemble van gebouwen als geheel. Streven naar vormgeving van bedrijfsbebouwing bestaande uit een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde gemetselde plint, die wordt afgedekt met een schilddak of zadeldak zonder wolfseinden.

Gevelkarakteristiek Respecteren van de oorspronkelijke bouwstijl en materialisering bij renovatie of verbouwing.

Detaillering, kleur en materiaal • •

Uitsluiten van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen. Respecteren van de oorspronkelijke detaillering en ornamentiek bij renovatie of verbouwing.

WELSTANDSCRITERIA AGRARISCHE BEDRIJFSBEBOUWING Voor de beeldbepalende agrarische bedrijfsbebouwing is een aparte aanvullende set welstandscriteria opgesteld. Deze criteria dienen altijd in samenhang met zowel de algemene set welstandscriteria als de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied waarop de bouwaanvraag van toepassing is, te worden gehanteerd.

Plaatsing •

Respecteren van de karakteristieke erfindeling bij (vervangende) nieuwbouw van agrarische bedrijfsbebouwing. Dit betekent een woonhuis vóór op het erf aan de weg, erachter eventueel een (oorspronkelijk aangebouwde) schuur met daarachter een mogelijke clustering van de verschillende typen bedrijfsbebouwing.

25

•

•

Streven naar compactheid ten aanzien van de bebouwing op een agrarisch bedrijfsperceel om te grote uitwaaiering te voorkomen. Hierbij is de aanbouw van nieuwe bedrijfsgebouwen aan de woonbebouwing niet toegestaan. Streven naar situering van de bedrijfsgebouwen zodanig ten opzichte van het woongedeelte en de bijgebouwen (bij voorkeur erachter), dat er sprake is van een woon- en een bedrijfszone.

Massa en vorm •

• •

Streven naar vormgeving van bedrijfsbebouwing bestaande uit een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde gemetselde plint, die wordt afgedekt met een schilddak of zadeldak zonder wolfseinden. Streven naar een haakse oriëntatie op de weg van de lengte en de nokrichting van bedrijfsgebouwen. Bij dakvlakken minimaal een helling van 20° of meer toepassen.

Detaillering, kleur en materiaal • • • • • • •

Respecteren van de oorspronkelijke detaillering en ornamentiek bij renovatie of verbouwing. Streven naar een donkere kleurstelling van bedrijfsbebouwing, zoals zwart of donkergroen. Grote gevelopeningen, zoals overheaddeuren, dienen in dezelfde kleur als de gevel te worden uitgevoerd. Het gebruik van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen dient te worden tegengegaan. Streven naar een afdekking van agrarische bedrijfsbebouwing met dakpannen. In geval van dakpannen streven naar een donkere kleurstelling of oranjerode kleur van het dakvlak van de bedrijfsbebouwing. Bij toepassing van ander materiaal voor het dakvlak dan pannen, is een donkere kleurstelling gewenst, bij voorkeur antraciet of zwart. Sterk contrasterende en felle kleuren zijn niet toegestaan.

26

NATUURGEBIEDEN Welstandsniveau Voor alle natuurgebieden geldt het welstandsniveau 2; zijnde een bijzonder welstandsbeleid.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • • •

Respecteren van de landschappelijke kwaliteiten van de natuurgebieden. Bebouwing mag geen afbreuk doen aan de aanwezige natuurwaarden. Streven naar zicht- en herkenbaarheid van functie en identiteit van een gebouw in de architectonische vormgeving.

Plaatsing Respecteren van de landschappelijke kwaliteiten bij de positionering van bebouwing.

Massa en vorm • •

Streven naar 1 en maximaal 2 bouwlagen zonder een verdieping in de eventuele kap. Streven naar een afdekking met een plat, gekromd en/of een flauw hellend (<15º) dakvlak.

Gevelkarakteristiek Afstemmen van de gevelkarakteristiek op de architectuur van het betreffende (hoofd)gebouw.

Detaillering, kleur en materiaal • •

Streven naar toepassing van met de landelijke omgeving harmoniërende kleuren en materialen. Streven naar het tot uitdrukking brengen in de architectuur van duurzaamheid en de relatie met het water en de natuur.

27

DELTAWERKEN Welstandsniveau Voor het gehele gebied van de Deltawerken geldt het welstandsniveau 2; een bijzonder welstandsbeleid.

Welstandscriteria De welstandscriteria dienen altijd in samenhang met de gehele gebiedsbeschrijving van het desbetreffende deelgebied en/of voor in het gebied vastgestelde beeldkwaliteitsplan te worden toegepast.

Algemeen • • • •

Respecteren van de landschappelijke kwaliteiten van de Deltawerken en omgeving. De bebouwing mag geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische en natuurwaarden. Behouden van de karakteristieke openheid en weidsheid van het landschap. Streven naar zicht- en herkenbaarheid van functie en identiteit van een gebouw in de architectonische vormgeving.

Plaatsing Behouden van bestaande zichtlijnen en doorzichten langs de landschappelijke hoofdstructuren bij de positionering van bouwwerken.

Massa en vorm • •

Streven naar 1 en maximaal 2 bouwlagen zonder een verdieping in de eventuele kap. Streven naar een afdekking met een plat, gekromd en/of een flauw hellend (<15º) dakvlak.

Gevelkarakteristiek • • • •

Afstemmen van de gevelkarakteristiek op de architectuur van het betreffende (hoofd)gebouw. Detaillering, kleur en materiaal Streven naar toepassing van met de landelijke omgeving harmoniërende kleuren en materialen. Streven naar het tot uitdrukking brengen in de architectuur van duurzaamheid en de relatie met het water en de natuur.

28

4

Welstandscriteria voor specifieke objecten In deze paragraaf worden de welstandscriteria genoemd voor bouwwerken die vergunningplichtig zijn conform artikel 2.1 Wabo en zó specifiek zijn dat ze, ongeacht het gebied waarin ze staan of worden geplaatst, een eigen serie welstandscriteria vergen. De opzet van deze objectgerichte beoordelingskaders is vergelijkbaar met die van de gebiedsgerichte beoordelingskaders. Ook hierbij gaat het steeds om ‘relatieve’ welstandscriteria. De bouwplannen worden altijd aan de welstands-/monumentencommissie voorgelegd, die bij de beoordeling de criteria interpreteert in het licht van het concrete bouwplan (dit in tegenstelling tot de criteria voor de kleine bouw­plannen in de volgende paragraaf, die vrijwel ‘absoluut’ zijn, waardoor ambtelijke beoordeling mogelijk is). Voor de volgende objecten zijn uitwerkingen opgenomen: • Antenne-installaties. • Windenergielocaties. • Kleine windturbines in het buitengebied. • Mini-windturbines. • Strandpaviljoens en overige voorzieningen op het strand. • Dakopbouwen Nieuwerkerk (Ribesstraat/Lijsterbesstraat/Esdoornstraat/Ooststraat/Meidoornstraat en Muyeweg). • Carport aan de voorzijde Poortambacht te Zierikzee (Oesterstraat/Kreeftstraat enzovoort). • Persluchtvulstations. • Teeltondersteunend voorzieningen. • zonnecollectoren, zonnepanelen en zonneboilers. • Warmtepompen.

ANTENNE-INSTALLATIES Een antenne-installatie heeft een dominant karakter in zijn omgeving. Hierdoor is het belangrijk eisen te stellen aan het kleurgebruik. Voor de antenne-installaties dient de kleur duivengrijs aangehouden te worden en de bijbehorende hekwerken en apparatuurkasten dienen in donkergroen uitgevoerd te worden.

SPRIET-, STAAF EN SCHOTELANTENNES Indien het plaatsen van een spriet-, staaf of schotelantenne vergunningplichtig is conform artikel 2.1 Wabo, gelden de volgende welstandscriteria; Het plaatsen van spriet-. staaf - of schotelantennes bij/op of aan een rijks-/gemeentelijk monument zijn niet toegestaan.

Plaatsing • •

Er is geen andere antenne op, aan of bij een woning/pand aanwezig. Alleen aan de achtergevel of op het achtererf en onzichtbaar vanaf de publieke ruimte.

Maatvoering • • •

Doorsnede schotelantenne maximaal 0,70 meter. Hoogte spriet- of staafantenne maximaal 5 meter, maar niet hoger dan het hoofdgebouw. Hoogte schotelantenne maximaal 3 meter, gemeten vanaf de voet van de antennedrager, maar niet hoger dan het hoofdgebouw.

29

Vormgeving Antenne en bijbehorende voorzieningen als 1 geheel vormgeven.

Materiaal en kleur Onopvallend en aanvaardbaar in relatie tot de omgeving en geen felle en contrasterende kleuren (bij voorkeur antraciet).

GROOTSCHALIGE WINDENERGIELOCATIES Windturbines met een hoogte van meer dan 100m overstijgen de schaal van het landschap en zijn daarom niet langer landschappelijk in te passen. We spreken daarom in plaats van inpassing eerder van toepassing van windenergie in het landschap. De gemeente ziet geen uitbreidingsmogelijkheden van grootschalige windparken buiten de huidige locaties voor windenergie. Wel worden mogelijkheden gezien om de huidige locaties op te waarderen, waarbij het aantal turbine niet mag toenemen. Voor opwaardering zijn onderstaande toepassingsmaatregelen van kracht. Algemene toe- en inpassingseisen: • Windturbines mogen bij voorkeur niet hoger zijn dan 150 meter. Bij windturbines hoger dan 150 meter moet aparte afweging plaatsvinden afhankelijk van de locatie. Bij turbines hoger dan 150 meter is een adaptief lichtsysteem verplicht • Grote windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende grijze kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing zonder enige toepassing van reclame. • Turbines staan in het landschap: een hoge betonnen voet is niet toegestaan. Eventueel een schuinoplopend vlak naar de turbine of een constructieve voet van maximaal 1 meter hoog zijn toegestaan. • Losse objecten zoals hekwerken, transformatoren of schakelkasten worden integraal mee ontworpen. • De mast is conisch en heeft geen uitstulpingen.

• De opstelling is begrijpelijk (bijvoorbeeld vergelijkbaar met de huidige opstelling). • Binnen een opstelling wordt 1 type turbine toegepast. • Grote windturbines zijn uitsluitend toegestaan na positief advies van Welstandscommissie en Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

KLEINE WINDTURBINES IN HET BUITENGEBIED Een windturbine heeft een aanzienlijke impact op de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarom zijn een aantal uitgangspunten opgesteld voor het plaatsen van kleine windturbines in het buitengebied. Voor het plaatsen van een windturbine zijn de volgende algemene toe- en inpassingseisen: • Kleine windturbines worden alleen toegestaan bij agrarische bedrijven met een hoog energieverbruik en niet bij andere bedrijven in het buitengebied (zie ruimtelijk beleid duurzame energie). • Daken moeten substantieel benut worden met zonnepanelen. • De maximale tiphoogte is 21 meter zoals opgenomen in het provinciaal beleid. • Kleine windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende grijze kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing van reclame. • Pas kleine windturbines in als onderdeel van het erf, geclusterd bij bebouwing op het achtererf. • Omkader het erf met een inheemse transparante groensingel. Deze dient voldoende breed, dicht en hoog te zijn en te passen bij het landschap. Hiermee versterk je de landschappelijke waarden. Deze groensingel mag doorbroken zijn vanuit de meest voorkomende windrichting (zuid-west). • De kleine windturbine wordt geplaatst binnen het bouwvlak en is niet toegestaan binnen 15 meter van een kadastrale erfgrens en/of mag het woongenot van de buren niet onevenredig aantasten.

• De fundering mag niet boven het maaiveld zichtbaar zijn

30

•

De kleine windturbine is enkel toegestaan na positief advies van Welstandscommissie en Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.

MINI-WINDTURBINES Mini-windturbines (onder andere windschoepen en windwokkels) zijn relatief nieuw en worden binnen de gemeente nog weinig toegepast. De gemeente wil mini-windturbines toestaan bij centrale voorzieningen bij verblijfsrecreatie, bedrijventerrein, sport, dagrecreatie en cultuur, bij woningen in landelijk gebied en maatwerk bij bedrijven en verenigingen in woongebied. Algemene toe- en inpassingseisen: • In het geval dat mini-windturbines worden toegepast bij nieuwbouw dienen deze integraal onderdeel te zijn van de architectuur van het gebouw. • Mini-windturbines dienen zich in maat en schaal te verhouden tot het gebouw en de omgeving waar zij deel van uitmaken. Welstand beoordeelt de toepassing van mini-windturbines. • Mini-windturbines worden geplaatst op het achtererf. • Mini-windturbines worden uitgevoerd in een terughoudende grijze kleur, passend in het landschap en zonder enige toepassing van reclame. • Bij woningen in het buitengebied worden mini-windturbines niet op het dak geplaatst. • Maximale hoogte is 12 meter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13484304/1