CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

983628 Bijlage 3 Hageweg 1 Bruinisse vastgesteld 1 - toelichting

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Hageweg 1 Bruinisse (983628)25.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

53

4.10.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.11

Water

4.11.1 Toetsingskader Algemeen In ruimtelijke plannen moet voldoende aandacht besteed worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.

Regelgeving In de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw tussen rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten (d.d. 14 februari 2001) is overeengekomen dat vanaf de ondertekening van deze overeenkomst op alle voor de waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets uitgevoerd dient te worden. Concreet betekent de invoering van de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro.

In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Bij voorkeur in de initiatieffase.

Grondwateronttrekking Zorgvuldig omgaan met grondwaterwinning beperkt het risico op verzilting van het vaak schaarse zoete grondwater. Door verzilting neemt het zoutgehalte van het (grond)water en de bodem toe. Verzilting kan tot schade leiden voor de landbouw, omdat het grondwater minder of ongeschikt wordt voor beregeningsdoeleinden. Winning van grondwater kan verlaging van de grondwaterstand en daarmee verdroging van gebieden tot gevolg hebben. Om verdroging tegen te gaan zijn in kwetsbare gebieden, bijvoorbeeld (natte) natuurgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, alleen grondwaterwinningen op basis van een melding toegestaan als ze kortdurend zijn (maximaal 6 maanden) en een laag debiet hebben (maximaal 100 m3 per uur en maximaal 1.000 m3 per maand) hebben. Voor alle andere grondwateronttrekkingen is altijd een vergunning van het waterschap of de provincie vereist. 4.11.2 Toetsing Aan de hand van het aanmeldformulier van het waterschap Scheldestromen (versie 4 juni 2019) is nagegaan of het plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. In bijlage 4 bij deze toelichting is het ingevulde aanmeldformulier opgenomen. Op basis van het aanmeldformulier vindt afstemming plaats tussen initiatiefnemer en het waterschap. Hiermee wordt aan de waterbelangen getoetst. Waar nodig zullen ingrepen worden uitgevoerd.

54

4.11.3 Conclusie Het aspect water levert geen belemmering op voor voorliggend bestemmingsplan.

4.12

Flora en fauna

4.12.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast de bescherming vanuit Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het 'Natuurnetwerk Nederland' (NNN). De bescherming van NNN verloopt via het ruimtelijkordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving.

Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1. Soorten van de Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Andere soorten' (onderdeel A 'fauna' en onderdeel B 'flora'). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht ten nemen voor in het wild levende dieren en planten.

Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, vernielen of te verstoren.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken. Indien op voorhand significante effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een passende beoordeling opgesteld te worden. Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Zeeland) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een stelsel van ecologisch hoogwaardige natuurgebieden; de Natura 2000-gebieden maken daar deel van uit. Naast de Natura 2000-gebieden bevat het NNN ook overige leefgebieden van soorten en – om isolatie te voorkomen – gebieden die een verbinding vormen tussen natuurgebieden. Het NNN is onderdeel van het actieve beleid om bedreigde dier- en plantsoorten in een gunstige staat van instandhouding te brengen. De natuurgebieden die behoren tot het NNN en hun functies worden planologisch beschermd, hier geldt het 'nee, tenzij'-principe. De planologische

55

bescherming betekent in het kort dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Het Zeeuwse deel van het natuurnetwerk heet het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Hieraan wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet natuurbescherming (Wnb) en in provinciale- en gemeentelijke regelgeving. 4.12.2 Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn een natuurtoets en een zogenoemde voortoets uitgevoerd. De verslaglegging van deze toetsen is gecombineerd tot één rapportage die als bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd. Een natuurtoets beschouwt het effect van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten. Een voortoets beschouwt het effect van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde gebieden. De navolgende alinea's vatten de resultaten van deze toetsen samen. Soortenbescherming Bijlage 5 doet verslag van de bureaustudie naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en een terreinbezoek om vast te stellen of er beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn. Tabel 4.7 laat de resultaten zien.

Tabel 4.7: (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied

56

57

Met de aanwezigheid van algemene broedvogels in het plangebied wordt rekening gehouden door buiten het broedseizoen te werken, hiermee wordt ten aanzien van deze soortgroep voldaan aan het bepaalde in de Wet natuurbescherming en is op dit punt geen nader onderzoek noodzakelijk. Voor de overige soorten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn, geldt dat nader onderzoek uitgevoerd wordt. Op basis van dat onderzoek wordt bepaald of voor één of meerdere soorten een ontheffing van het bepaalde in de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Om ervoor te zorgen dat er in het plangebied geen werkzaamheden uitgevoerd worden die nadelige effecten hebben op beschermde soorten is in lid 4.4.4 van de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Die voorwaardelijke verplichting bepaalt dat werkzaamheden in het plangebied pas uitgevoerd mogen worden als voor de in tabel 4.7 genoemde soorten vaststaat (door uitvoering van nader onderzoek) dat geen ontheffing nodig is, dan wel dat de benodigde ontheffing verleend is. Bijlage 6 beschrijft dat het nader onderzoek dat uitgevoerd moet worden de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Die bijlage beschrijft op hoofdlijnen tevens wanneer en hoe het nader onderzoek uitgevoerd wordt. Bij de werkzaamheden dient de zorgplicht uit de Wet natuurbescherming in acht genomen te worden.

Om nadelige gevolgen te voorkomen wordt geadviseerd voor de uitvoering van het voornemen begint rekening te houden met aanwezigheid van soorten door verblijfplaatsen waar mogelijk te behouden en altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen, of indien dit niet mogelijk is, deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied In de omgeving van het plangebied zijn de volgende Natura 2000-gebieden aanwezig (tussen haakjes de afstand tot het Natura 2000-gebied): Grevelingenmeer (circa 350 meter), Oosterschelde (circa 800 meter), Krammer-Volkerak (circa 5 kilometer). In bijlage 5 is in hoofdstuk 6 een voortoets opgenomen. Daarin zijn de effecten van de planontwikkeling op het Grevelingenmeer beschouwd. De conclusie luidt als volgt: op basis van de ligging van het plangebied achter een dijk, de recreatievoorzieningen in de omgeving en het afgeleide bestaand gebruik van het gebied kunnen effecten van verstoring met uitzondering van effecten van stikstofdepositie worden uitgesloten.

Om de effecten van de planontwikkeling op de stikstofdepositie te beoordelen is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Dat onderzoek heeft betrekking op zowel de bouw- als de gebruiksfase. AERIUS Calculator (het wettelijk voorgeschreven programma voor stikstofberekeningen) toont voor de gebruiksfase, vergeleken met de referentiesituatie, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar. Daarnaast toont AERIUS Calculator voor de bouwfase, vergeleken met de referentiesituatie, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar. Geconcludeerd wordt dat het aspect stikstof de besluitvorming over dit bestemmingsplan daarom niet in de weg staat.

Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) In het plangebied zijn geen gebieden aanwezig die behoren tot het Natuurnetwerk Zeeland. Aan de overzijde van de Hageweg is, op circa 15 meter afstand vanaf het plangebied, Natuurnetwerk Zeeland aanwezig. Qua beheertype gaat het om kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en botanisch waardevol grasland (A02.01), dat zich uitstrekt over de hele dijk langs de Hageweg (zie figuur 4.6). Dit is bestaande natuur. Uit de toetsing zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting blijkt dat er geen sprake is van directe of indirecte aantasting van het Natuurnetwerk Zeeland.

58

Figuur 4.6: ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland; binnen de rode belijning is globaal het plangebied weergegeven (Bron: Atlas van Zeeland, kaart: natuurbeheerplan Zeeland 2022)

Houtopstanden Als gevolg van het planvoornemen zullen houtopstanden binnen het plangebied worden verwijderd. Houtopstanden in het plangebied liggen binnen de bebouwde kom als bedoeld in de Wet natuurbescherming van de gemeente Schouwen-Duiveland. Houtopstanden binnen de bebouwde kom Wnb vallen niet onder de bescherming van houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Er dient wel rekening gehouden te worden met gemeentelijke bomenbescherming in de APV of Bomenverordening. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft een bomenlijst opgesteld voor bomen met een beschermde status. Deze bescherming houdt in dat alle bomen die op een gemeentelijke lijst voorkomen, waarvan de status vastgelegd wordt in de APV, niet zonder meer gekapt mogen worden. Alle bomen die niet op deze waardevolle bomenlijst worden opgenomen, zijn kapvergunningsvrij. Dit betekent dat alleen voor bomen die op deze lijst staan een aanlegvergunning moet worden aangevraagd en dat bij toekenning een herplantplicht wordt opgelegd (Buro ruimte & groen, 2009). De bomen in het plangebied staan niet op de lijst met beschermde bomen van de gemeente Schouwen-Duiveland (Gemeente Schouwen-Duiveland, 2022). Dit betekent dat voor het kappen van de bomen ook geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd. Er zijn geen gevolgen wat betreft de bescherming van houtopstanden op het planvoornemen.

4.12.3 Conclusie Het aspect flora- en fauna vormt geen belemmering voor het plan.

59

4.13

Licht en duisternis

4.13.1 Toetsingskader Algemeen Kunstmatige verlichting komt voor bij (auto(snel))wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. Regelgeving De regelgeving die voorhanden of in voorbereiding is, richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Voor vergunningplichtige bedrijven geldt in het algemeen dat zij niet mogen bestaan zonder omgevingsvergunning op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (2.1 lid 1 onder e Wabo). Eventuele hinder door kunstverlichting van een bedrijf is dan geregeld via een omgevingsvergunning. In plaats van een omgevingsvergunning kan ook een Algemene Maatregel van Bestuur gelden voor een bedrijf (8.40 Wet milieubeheer).

Dit houdt concreet in dat voor een aantal bedrijven van rechtswege het een en ander (onder andere lichthinder) geregeld is 4.13.2 Toetsing Het gebruik van verlichting moet voldoen aan de gemeentelijke 'Module Licht en Duisternis', bij uitwerking van het vlekkenplan (bijlage 2 bij deze toelichting) tot een inrichtingsplan moet bepaald worden hoe de verlichting in het plangebied zo gerealiseerd wordt dat aan die module voldaan wordt. Het voorgaande wordt afgedwongen door artikel 4.4.5 van de regels van dit bestemmingsplan. Tevens maakt de toepassing van de module deel uit van de privaatrechtelijke overeenkomst. In voorliggend bestemmingsplan zijn daarnaast lichtmasten in de bestemming 'Groen' toegestaan tot een hoogte van 6 meter (zie artikel 3.2.3 van de regels van dit bestemmingsplan). Om zo min mogelijk lichthinder te krijgen, is het belangrijk dat de lampen zodanig geplaatst worden dat ze vooral naar beneden gericht zijn, en een plat armatuur hebben, zodat de lamp aan de zijkant onzichtbaar is. Het gebruik van dit soort lage (oriëntatie)verlichting in het plangebied is privaatrechtelijk voorgeschreven en wordt uitgewerkt in een verlichtingsplan dat moet voldoen aan de bovengenoemde 'Module Licht en Duisternis'. Het is daarmee een uitvoeringsaspect dat in het vervolg van de planvorming voor de transformatie van de locatie 'Onze Hoeve' verder uitgewerkt wordt.

Voor de zekerheid is de toepassing van de lage oriëntatieverlichting ook voorgeschreven in artikel 4.4.5 van de regels van dit bestemmingsplan. Daarnaast zorgt dynamische verlichting dat de verlichting enkel aan is, als er ook reden voor is. Zeker als er verlichting plaatsvindt aan de rand van de kern is het belangrijk dat dit zorgvuldig gebeurd, zodat er geen onnodige horizonvervuiling plaatsvindt die op grote afstand zichtbaar kan zijn. Bij de verdere uitwerking van het voornemen worden alle maatregelen genomen om lichthinder en -vervuiling te voorkomen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om vleermuisvriendelijke verlichting en standaard naar beneden gerichte verlichting toe te passen. 4.13.3 Conclusie Het aspect licht vormt geen belemmering voor het plan.

60

4.14

Klimaat en energie

4.14.1 Toetsingskader Het Klimaatakkoord van Parijs is een wereldwijde overeenkomst van de Verenigde Naties ondertekend door vrijwel alle landen ter wereld. Hierin zijn onder andere vrijwillige afspraken gemaakt om de opwarming van de aarde af te remmen door de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Het doel is om de opwarming wereldwijd gemiddeld tot ruim beneden de 2°C te beperken ten opzichte van de gemiddelde temperatuur op aarde voor de industriële revolutie. In Nederland is deze internationale opgave verwerkt in een nationaal klimaatakkoord dat op 10 juli 2019 is ondertekend. Het centrale doel daarin is dat in 2030 de Co2-uitstoot de helft moet bedragen dan dat in 1990. Daarnaast moeten in 2050 alle gebouwen op een andere manier dan met aardgas verwarmd worden. De Co2 uitstoot in 2050 moet worden teruggebracht naar netto bijna nul. Op het gebied van klimaatadaptatie is de doelstelling dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is. Het regionale beleid sluit aan op het Parijse en het nationale klimaatakkoord (zie paragraaf 2.5.1 en 2.5.2). Dit geldt ook voor het gemeentelijk beleid (zie paragraaf 2.6.4): 4.14.2 Toetsing Er is op dit moment geen gasaansluiting aanwezig op het terrein. Gelet op de landelijke doelstelling van gasloos wonen en werken zullen de recreatiewoningen aardagsloos worden opgeleverd. Daarnaast wordt klimaatbestendig gebouwd.

Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit 2012. Dit kan niet worden geborgd in een bestemmingsplan. Op het gebied van klimaatadaptatie is waterrobuust ontwerpen één van de uitgangspunten geweest in het vlekkenplan, dat in grote lijnen is vertaald in dit bestemmingsplan. De bestaande watergangen blijven behouden, en de watergang aan de oostzijde wordt iets verbreed. Waar mogelijk vervult water ook een rol in speelplekken. Ook het groen blijft zo veel mogelijk behouden. Beide dragen bij aan het voorkomen van wateroverlast en hittestress. In de (her)inrichting van de buitenruimte wordt zodoende aandacht besteed aan het veranderende klimaat. De recreatiewoningen zullen klimaatbestendig gebouwd worden, waarbij aansluiting gezocht wordt bij het Bouwbesluit 2012. Dit kan niet worden geborgd in het bestemmingsplan. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling inspeelt op de vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen, en het op een logische wijze inrichten van de buitenruimte, gelet op de effecten die de klimaatverandering met zich meebrengt. 4.14.3 Conclusie Het aspect klimaat en energie vormt geen belemmering voor het plan.

4.15

M.e.r.-beoordeling

4.15.1 Toetsingskader Algemeen In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een plan (bijvoorbeeld bestemmingsplan) of besluit (bijvoorbeeld de omgevingsvergunning) plan-m.e.r.-plichtig, projectmer-plichtig of vormvrij of niet vormvrij mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het bevoegd gezag dient bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die zouden moeten noodzaken tot het doorlopen

61

van een m.e.r.-procedure. Hierbij dient bevoegd gezag rekening te houden met de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Wetswijziging per 16 mei 2017 Op 16 mei 2017 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat (ook) voor een vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig plan een separaat m.e.r.-beoordelingsbesluit door bevoegd gezag noodzakelijk is en dat de informatie hiervoor in een zogenaamde aanmeldingsnotitie gegeven moet worden (voor 16 mei 2017 was dit nog vormvrij en kon de informatie en het besluit onderdeel uitmaken van het moederbesluit). Het uitgangspunt (”geest van de wet”) van een m.e.r.-beoordeling is dat er in beginsel geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden, tenzij er sprake is van wezenlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. 4.15.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling valt binnen categorie D10 van het Besluit m.e.r. De omschrijving van deze categorie en de bijbehorende drempelwaarden zijn opgenomen in onderstaande tabel.

Tabel 4.8: Categorie D10 van het Besluit m.e.r.

De bezoekersaantallen en het oppervlakte van het terrein (circa 4,4 hectare) liggen onder de drempelwaarden als genoemd in categorie D10 van het Besluit m.e.r. Zodoende is geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde. Daarom kan een aanmeldnotitie (vormvrije m.e.r. beoordeling) opgesteld worden.

In bijlage 8 bij deze toelichting heeft de vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Uit de m.e.r-beoordeling blijkt dat als de voorwaardelijke verplichtingen in de regels van dit bestemmingsplan nageleefd worden er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen.

62

4.15.3 Conclusie Uit de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling nodig.

4.16

Conclusie

Gelet op de voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat er vanuit de milieuaspecten geen belemmering aanwezig is voor onderhavig bestemmingsplan.

63

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de werking van dit bestemmingplan en vat de ideeën samen die ten grondslag liggen aan de regels van dit bestemmingplan. Bij het verwoorden van die ideeën is tevens een toelichting gegeven op de werking van die regels, de samenhang tussen regels en verbeelding alsmede de reden waarom regels gesteld zijn. Dit hoofdstuk dient daarmee als achtergrondinformatie bij het interpreteren van de regels.

5.2

Plansystematiek

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde standaarden voor de digitale opmaak en ontsluiting van besluiten zoals dit bestemmingsplan (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste nummering en volgorde: In hoofdstuk 1 Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de regels opgenomen van de bestemmingen, zoals die op de verbeelding voorkomen. Het gaat daarbij om regels die het toelaatbaar gebruik van gronden regelen en regels voor het bouwen. Hoofdstuk 3 Algemene regels bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en de algemene bouwregels. De overgangs- en slotregels in hoofdstuk 4 geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een geometrische plaatsbepaling van het plangebied en van de daarin aangewezen bestemmingen met regels. Dit betekent dat de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan gezamenlijk bepalen wat er wel mag en wat er niet mag in het plangebied. Bij ieder bestemmingsplanplan hoort ook een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht.

Dit bestemmingsplan is een ontwikkelgericht plan dat de transformatie van het kampeerterrein naar een park met recreatiewoningen mogelijk moet maken. Waar een meer conserverend bestemmingsplan meer nadruk legt op het bieden van rechtsbescherming ten aanzien van bestaand gebruik, legt dit ontwikkelgerichte bestemmingsplan meer nadruk op flexibiliteit. In het plangebied is dit zonder gevolgen omdat er wel sprake is van bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden, maar er buiten de bedrijfswoning geen sprake is van fysiek aanwezige bouwwerken. Daarbij is het gehele plangebied in eigendom van de initiatiefnemer van de reeds beschreven transformatie. De bedrijfswoning (kantine inbegrepen) wordt daarnaast betrokken in dit initiatief. Het bieden van flexibiliteit in het plangebied gaat niet ten koste van de belangen van eigenaren/gebruikers rondom het plangebied, dit wordt in de navolgende alinea's nader toegelicht.

64

5.3

Toelichting op de bestemmingen

5.3.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in de regels worden gebruikt. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogtematen en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen moeten worden, gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Deze bestemming is opgenomen om de oostelijke parkeerplaats in het plangebied af te schermen van het terrein van Aquadelta. Hiermee wordt voorkomen dat eigenaren/gebruikers van recreatiewoningen op het naburige terrein geconfronteerd worden met uitzicht op deze parkeerplaats.

De bouwmogelijkheden in deze bestemming zijn beperkt teneinde zoveel mogelijk ruimte te bieden aan bijvoorbeeld groen- water- en speelvoorzieningen. Er mogen alleen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van nutsvoorzieningen. Tevens zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van bijvoorbeeld antennes, speeltoestellen en (licht)masten toegestaan.

Artikel 4 Recreatie - Recreatiewoning In deze bestemming mogen de nieuwe recreatiewoningen worden gebouwd. Er is voorzien in een flexibele bestemming waarbij de grens van het bouwvlak gelijk is aan de bestemmingsgrens. Daarmee kunnen de nieuwe recreatiewoningen overal in de bestemming gerealiseerd worden. Door het vastleggen van de belangrijkste verkeersstructuur in deze bestemming met behulp van de aanduiding 'verblijfsgebied', de waterstructuur in de bestemming 'Water' en de bestaande bedrijfswoning alsmede de parkeerplaatsen in aanduidingen, is de hoofdstructuur van het plangebied geborgd. De hoofdstructuur van het plangebied is verder geborgd door in het deel van het plangebied ten noorden van de aanduiding 'verblijfsgebied' de aanduidingen 'groenvoorziening' op te nemen. In deze aanduiding 'groenvoorziening' is opgaande beplanting toegestaan. Dit geeft structuur aan dit deel van het plangebied. Naast opgaande beplanting mogen ter plaatse van deze aanduiding 'groenvoorziening' ook recreatiewoningen geplaatst worden of de erven van de recreatiewoningen komen te liggen. Ter plaatse van de aanduiding moet de aanwezigheid van de recreatiefunctie wel ondergeschikt zijn aan het (opgaande) groen. Recreatiewoningen kunnen dus (deels) in de groenvoorzieningen liggen. Hiermee worden geleidelijke overgangen in het plangebied gecreëerd.

Door het vastleggen van deze hoofdstructuren is het vlekkenplan uit bijlage 2 bij deze toelichting vertaald naar dit bestemmingsplan.

Ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsgebied', is de belangrijkste interne ontsluiting van het plangebied voorzien. Omdat het exacte tracé van deze ontsluiting bij de verdere uitwerking van het voornemen nader bepaald moet worden en omdat het tracé afhankelijk is van de daadwerkelijke gesteldheid van het terrein biedt de aanduiding ruimte om de ontsluitingsweg te verschuiven. In de aanduiding kan zowel een weg

65

voor gemotoriseerd verkeer komen als wegen en paden voor langzaam verkeer. Bijbehorende voorzieningen zoals lantaarnpalen en dergelijke zijn ook toegestaan in de bestemming 'Recreatie Recreatiewoning' (en daarmee ook in de aanduiding 'verblijfsgebied').

De bestaande bedrijfswoning (boerderij 'Nooit Gedacht' met schuur) blijft net als in de huidige situatie een bedrijfswoning waar tevens ruimte is voor ondergeschikte lichte horeca (tot en met categorie 1b uit de Staat van Horeca-activiteiten en tot een oppervlak exclusief terras van maximaal 350 m2) en detailhandel. Met het toestaan van de ondergeschikte lichte horeca is het mogelijk om de bestaande kantine in de boederij/op de omliggende gronden voort te zetten. De aanduiding 'bedrijfswoning' maakt het gebruik van de boerderij als bedrijfswoning mogelijk en de aanduiding 'dienstverlening' maakt het gebruik van de boerderij voor horeca en detailhandel (als onderdeel van het verlenen van service aan gasten) mogelijk. De bouw- en gebruiksregels die bij deze aanduiding horen zijn overgenomen uit het in 2013 vastgestelde bestemmingsplan 'Recreatieterreinen'. Om in de toekomst eventueel recreatiewoningen ter plaatse van de boerderij mogelijk te maken, zonder dat een zogenoemde buitenplanse bestemmingsplanwijziging daarvoor nodig is, is een bepaling opgenomen die (impliciet) recreatiewoningen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' en 'dienstverlening' toelaat.

De parkeerplaatsen voor de recreatiewoningen zijn eveneens voorzien in deze bestemming. Hun locatie is aangeduid met behulp van de aanduiding 'parkeerterrein'. Vanwege de functie van de terreinen zijn de bouwregels die aan deze aanduiding gekoppeld zijn zo vormgegeven dat hier minder bouwwerken gebouwd mogen worden dan in de rest van de bestemming 'Recreatie - Recreatiewoning'.

De bouwregels voor de recreatiewoningen maken de bouw van vrijstaande, twee-aaneengebouwde, aaneengebouwde en gestapelde recreatiewoningen mogelijk. Ook hiermee wordt voorzien in flexibiliteit: het type woning dat gebouwd kan worden kan door deze mogelijkheden immers afgestemd worden op de marktvraag. Verder is voorzien in bepalingen over de maximale bouwhoogte en het maximale aantal bouwlagen. De maximale bouwhoogte van recreatiewoningen met een kap is 7,5 meter. Recreatiewoningen met een kap moeten een goothoogte van maximaal 3,5 meter krijgen. Bij recreatiewoningen met een plat dak mogen de bouw- en goothoogte niet meer dan 6,5 meter zijn. Het is niet verplicht om de recreatiewoningen te voorzien van een hellend dak. Maar als woningen een hellend dakvlak krijgen, mag dat dakvlak geen grotere hellingshoek dan 60 graden hebben. De goot- en bouwhoogte van zowel de recreatiewoningen als de bestaande voormalige boerderij (de bedrijfswoning) met bijbehorende opstallen zijn vastgelegd op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

Tevens is een maximaal oppervlak van de recreatiewoningen opgesteld. Dit oppervlak heeft alleen betrekking op de grondprojectie van het gebouw. De begane grond mag een oppervlakte hebben van maximaal 75 vierkante meter. Deze oppervlakte is inclusief bijgebouwen en overkappingen. Een eventuele tweede bouwlaag mag ook een oppervlakte hebben van 75 vierkante meter. Hiermee kan in beginsel een recreatiewoning van 150 vierkante meter ontwikkeld worden. Een recreatiewoning met een dergelijke oppervlakte biedt de mogelijkheid voor de overnachting van gemiddeld 7 personen per recreatiewoning. Om te voorkomen dat recreatiewoningen overbevolkt raken en om de verkeersgeneratie per woning te maximeren, is in de gebruiksregels van deze bestemming bepaald dat het totale aantal bedden in deze bestemming maximaal 532 mag bedragen, wat op basis van het gemeentelijk beleid neerkomt op gemiddeld 7 bedden per recreatiewoning. Indien nodig kunnen door middel van lid 4.5.1 meer dan 7 bedden per recreatiewoning geboden worden mits dit niet leidt tot overschrijding van het maximum van 532 recreatiewoning.

66

De bouwregels voorzien ook in mogelijkheden voor de bouw van bijbehorende bouwwerken. Om verrommeling te voorkomen mag er per recreatiewoning één bijbehorend bouwwerk gerealiseerd worden en zijn eisen gesteld aan de situering van deze bijbehorende bouwwerken. Tevens zijn voor zowel de recreatiewoning als de bestaande voormalige boerderij met opstallen (de bedrijfswoningen) regels gesteld over het maximale bebouwd oppervlak.

De gebruiksregels verbieden het permanent bewonen van recreatiewoningen. Hotels zijn ook niet toegestaan in het plangebied. In het geval van deze specifieke ontwikkeling is het niet verplicht om in het plangebied te voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Dit omdat voor de exploitatie gebruik gemaakt kan worden van het nabijgelegen Aquadelta. Desgewenst kan de bestaande bedrijfswoning wel fungeren als locatie voor de centrale bedrijfsmatige exploitatie. De gebruiksregels bevatten in lid 4.4.4 een voorwaardelijke verplichting die vraagt om nader onderzoek naar beschermde soorten zoals die in tabel 4.7 in deze toelichting benoemd zijn. Als uit nader onderzoek blijkt dat deze beschermde soorten niet in het plangebied aanwezig zijn, dan kunnen de functies als bedoeld in lid 4.1 onder sub a, sub d, en sub f gerealiseerd worden. De voorwaardelijke verplichting is specifiek aan deze functies gekoppeld omdat zij de transformatie van Onze Hoeve tot recreatiewoningterrein mogelijk maken (sub a) en nieuwe mogelijkheden scheppen ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan (sub d en sub f). Ofwel de realisatie van deze functies kan vragen om ingrepen met mogelijk negatieve effecten op beschermde flora en fauna die niet toegestaan zijn in het bestemmingsplan 'Recreatieterreinen'.

De overige functies die in lid 4.1 mogelijk worden gemaakt zijn al toegestaan door dit vigerend bestemmingsplan en kunnen daarmee voor inwerkingtreding van dit bestemmingsplan 'Hageweg 1 Bruinisse', met inachtneming van het bepaalde in de Wet natuurbescherming, gerealiseerd worden. Als uit nader onderzoek blijkt dat voor handelingen met effecten op één of meer van de in tabel 4.7 genoemde soorten een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is, dan moet die ontheffing verleend zijn voor de eerdergenoemde functies gerealiseerd mogen worden. Tabel 4.7 heeft het specifiek over handelingen met (mogelijke) effecten op: vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest; amfibieën; vleermuizen; kleine marterachtigen, specifiek de bunzing, hermelijn en wezel en mogelijk de boommarter en steenmarter; grondgebonden zoogdieren, specifiek het konijn en de haas. Lid 4.4.5 bevat een voorwaardelijke verplichting waarin bepaald is dat er pas vergunningen voor de bouw van recreatiewoningen in het plangebied verleend mogen worden als het vlekkenplan (bijlage 2 bij deze toelichting en bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan) uitgewerkt is tot een inrichtingsplan. Dat inrichtingsplan moet in ieder geval het volgende duidelijk maken: a. b. c. d. e. f.

Hoe structuren uit het 'Vlekkenplan' gerealiseerd worden. Hoe bestaande groenstructuren ingepast worden in de nieuwe situatie. De beeldkwaliteitseisen waaraan recreatiewoningen. Hoe erfafscheidingen vorm worden gegeven. Hoe minimaal 800 vierkante meter van het plangebied ingericht wordt als speelvoorziening die voor alle recreanten op Onze Hoeve toegankelijk is. Hoe de verlichting in het plangebied zodanig uitgevoerd wordt dat deze vleermuisvriendelijk is, voldoet aan de gemeentelijke 'Module Licht en Duisternis' die de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland op 25 juni 2009 vastgesteld heeft en waar mogelijk voorziet in de toepassing van lage oriëntatieverlichting.

67

Een dergelijke uitwerking tot inrichtingsplan behoeft gemeentelijke goedkeuring. Zodra die goedkeuring gegeven is, kunnen de omgevingsvergunningen voor de bouw van recreatiewoningen verleend worden. Met deze bepaling wordt gegarandeerd dat de ontwikkeling van 'Hageweg 1 Bruinisse' de kwaliteit krijgt die de gemeente wenst. Tevens is bepaald dat de maatregelen uit het inrichtingsplan na uitvoering in stand gehouden moeten worden.

Tot slot voorzien de regels van deze bestemming in een wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt om de aanduiding 'dienstverlening' te verplaatsen, en het bebouwingspercentage te vergroten als aan een aantal voorwaarden voldaan wordt. Deze mogelijkheid is overgenomen uit het bestemmingsplan 'Recreatieterreinen'.

Artikel 5 Water De bestaande watergang in het plangebied blijft behouden en wordt deels verbreed. Een ideaalbeeld voor deze watergang voorziet onder meer in een zogenoemde waterspeeltuin. Om die waterspeeltuin, op termijn, mogelijk te maken is in deze bestemming een mogelijkheid geboden voor de bouw van speeltoestellen. Andere bouwwerken die toegestaan zijn, zijn bijvoorbeeld steigers en bruggen. Om het waterbelang te beschermen is de bouw van gebouwen niet toegestaan en is de maatvoering van de toegestane bouwwerken, geen gebouwen zijnde, beperkt gehouden.

Waar de regels voor de bouwwerken, geen gebouwen zijnde te beperkt zijn, kan het bevoegd gezag door middel van lid 5.3 een hogere bouwhoogte toestaan. Dergelijk toestaan mag alleen als de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig aangetast worden.

Artikel 6 Waarde - Archeologie - 7 Dit artikel bevat regels ter bescherming van archeologische waarden. Deze dubbelbestemming is opgenomen omdat het plangebied op de archeologische beleidskaart aangeduid is als onderdeel van een gebied waar archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Om dergelijke waarden te beschermen is voorzien in een stelsel van aanleg- en sloopvergunningen. Deze vergunningen zijn van toepassing bij ingrepen met een groter oppervlak dan 5.000 vierkante meter of bij bodemingrepen die dieper dan 50 centimeter onder maaiveld reiken. Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om de mogelijkheid te creëren om een archeologische waarde, na onderzoek, geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. 5.3.3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Krachtens artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening moet artikel 7 verplicht worden opgenomen in bestemmingsplannen. Het doel van deze bepaling is het voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan beoogd is in het bestemmingsplan, bijvoorbeeld wanneer (delen van) percelen van eigenaar wisselen.

68

Artikel 8 Algemene bouwregels De algemene bouwregels bevatten bouwregels die gelden voor het gehele plangebied. Lid 8.1 bepaalt dat in het hele plangebied ondergronds gebouwd mag worden, tenzij daar in hoofdstuk 2 van de regels beperkingen aan gesteld zijn.

Lid 8.2 bepaalt de overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen toegestaan is, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 meter.

De bepaling over bestaande maten en afstanden in lid 8.3 beoogt maten die afwijken van de in de regels van dit bestemmingsplan voorgeschreven maten toe te staan. Het lid is nadrukkelijk een bouwregel en geen gebruiksregel. Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht komen te vallen. In de bepaling is nadrukkelijk vastgelegd dat op de bedoelde bestaande afwijkingen het overgangsrecht niet van toepassing is.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken op een manier die in strijd is met de aan die gronden gegeven bestemming(en). In dit artikel is tevens bepaald wat in ieder geval als verboden gebruik geldt. In dit artikel is tevens duidelijk gemaakt dat evenementen niet gelden als strijdig gebruik zodat het bijvoorbeeld mogelijk is om collectieve recreatie-activiteiten te organiseren in het plangebied.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels is bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag af kan wijken van de maten en bouwgrenzen zoals vastgelegd in hoofdstuk 2 van de regels van dit bestemmingsplan. Het artikel staat beperkte afwijkingen toe voor bijvoorbeeld het bouwen van ingangspartijen en antennes. Afwijkingen zijn alleen toegestaan als zij niet leiden tot wijzigingen van de bestemmingen in het plangebied. In artikel 10 is een bepaling opgenomen die het commercieel gebruik van het plangebied als kampeerterrein en als terrein voor kampeerhuisjes, kampeermiddelen en trekkershutten verbiedt. Met deze bepaling wordt geregeld dat het plangebied ontwikkeld wordt tot een recreatiewoningenterrein en niet langer gebruikt wordt als kampeerterrein. Om dit te bereiken verbiedt deze bepaling in essentie het gebruik zoals dat toegelaten was door artikel 11.1, sub a van het bestemmingsplan 'Recreatieterreinen' voor zover dit gebruik vanuit een commercieel oogpunt plaatsvindt. In dit bestemmingsplan 'Onze Hoeve' is een uitzondering voor niet-commercieel gebruik opgenomen zodat een eigenaar/gebruiker van een recreatiewoning desgewenst en incidenteel een naaste kortdurend kan laten overnachten in een kampeermiddel op het perceel van de recreatiewoning.

Artikel 11 Algemene wijzigingsregels Lid 11.1 bevat een algemene flexibiliteitsbepaling die het mogelijk maakt om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein.

69

Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad.

Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters.

Artikel 12 Overige regels Lid 12.1 is opgenomen omdat in dit bestemmingsplan verwezen wordt naar andere wetten en regels. Ook worden in dit bestemmingsplan procedures, begrippen en/of functies uit andere regelingen van toepassing verklaard. ok in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wet ruimtelijke ordening worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen om in lid 12.1 een verwijzing naar andere wettelijke regeling op te nemen die bepaalt dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het Staatsblad.

De parkeerregeling in lid 12.2 is opgenomen omdat parkeerregels niet meer in de bouwverordening maar in bestemmingsplannen opgenomen moeten worden. Dit lid bepaalt dat in het plangebied op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien. Wanneer er sprake is van voldoende parkeergelegenheid wordt bepaald op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid. Tijdens de planvorming voor dit initiatief is met dit beleid rekening gehouden, zo blijkt uit paragraaf 4.2. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht In dit artikel regelt het overgangsrecht dat betrekking heeft op bouwwerken die en gebruik dat strijdig is met dit bestemminsplan. Lid 13.1 tot en met lid 13.3 bevat de in artikel 3.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig afwijking worden verleend tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Lid 13.4 tot en met lid 13.7 bevat het in artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven overgangsrecht voor gebruik. Gebruik dat in strijd is met de regels van het voorheen geldend bestemmingsplan mag worden voortgezet.

70

Artikel 14 Slotregel Dit artikel bepaalt hoe dit bestemmingsplan aangehaald moet worden.

5.4

Handhaving

5.4.1 Handhaving en bestemmingsplannen De regels van het bestemmingsplan leggen een ruimtelijke relevante norm vast, met dikwijls een daaraan gekoppelde afwijkingsmogelijkheid, die het bestuur de mogelijkheid geeft in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt ook de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van de individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang.

De term handhaving wordt vaak eng uitgelegd als uitsluitend het toepassen van sancties achteraf, zoals bestuursdwang en dwangsom. Dit wordt de repressieve vorm van handhaving genoemd. Handhaving bestaat ook uit het stellen van normen, het geven van voorlichting en het houden van toezicht op een goede uitvoering. Dit is de preventieve invalshoek. In de meest optimale situatie zou sanctionering niet nodig moeten zijn.

Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is steeds meer in de belangstelling komen te staan van bestuurlijk Nederland. Door het plaatsvinden van enkele ingrijpende incidenten is de handhaving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels.

Ook in de jurisprudentie is een verandering tot stand gekomen. De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt zelfs in beginsel een plicht tot handhaving aan. Daarnaast krijgt de rechtszekerheid van bestemmingsplannen bij de rechterlijke toetsing een steeds belangrijkere rol. 5.4.2 Handhavingsbeleid gemeente In de gemeente Schouwen-Duiveland wordt er zo veel mogelijk planmatig gehandhaafd. Hiertoe wordt jaarlijks een handhavingsprogramma vastgesteld. Daarnaast is er ook ruimte om te kunnen handhaven op incidenten en klachten.

In principe dient tegen alle geconstateerde overtredingen te worden opgetreden. Het vaststellen van prioriteiten is echter onvermijdelijk. Als belangrijke handhavingsdoelen kunnen genoemd worden: het tegengaan van het bouwen zonder vergunning en het optreden daar waar sprake is van afwijking van reeds verleende vergunningen. Ook in de gevallen waar de veiligheid in het geding is en/of aantasting van het milieu plaatsvindt, dient prioriteit te worden gegeven aan de handhaving. Het tegengaan van strijdig gebruik van gronden en/of gebouwen is eveneens een belangrijke doelstelling. Als nevengeschikte doelen van de handhaving kunnen worden genoemd: het ongedaan maken van de gevolgen van een overtreding of een daarmee behaald voordeel.

71

5.4.3 Handhaving onrechtmatig gebruik van recreatiewoningen Recreatieverblijven worden veelvuldig onrechtmatig gebruikt. Van onrechtmatig gebruik is sprake wanneer het gebruik in strijd is met de bestemmingsregels van de recreatieve bestemming. Hierbij gaat het niet om de duur van het strijdig gebruik, maar om de strijdigheid van de activiteit met de geldende planregels. Zo is het permanent (laten) bewonen van een recreatieverblijf en het recreatieverblijf (laten) gebruiken ten behoeve van het huisvesten van (buitenlandse) werknemers in strijd met de bestemmingsregels van de recreatieve bestemming. Het onrechtmatig gebruik van recreatieverblijven wordt binnen de gemeente Schouwen-Duiveland als een knelpunt ervaren.

Om de permanente bewoning van recreatieverblijven terug te dringen, heeft de gemeenteraad van de gemeente Schouwen-Duiveland in 2003 de uitvoeringsnota “Verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen” vastgesteld. In deze nota worden de uitgangspunten voor het handhavings- en gedoogbeleid met betrekking tot de permanente bewoning van recreatieverblijven aangegeven. De gemeenteraad heeft besloten dat aan alle permanente bewoners van een recreatiewoning op de peildatum 28 mei 2003, ongeacht de duur van de permanente bewoning, een gedoogbeschikking wordt verstrekt. De bewijslast voor de bewoners om aan te tonen dat zij voor de peildatum reeds woonachtig waren in de recreatiewoning, is in 2004 nader uitgewerkt. In het plangebied is in de huidige situatie sprake van een mogelijkheid tot de bouw van 12 recreatiewoningen. Deze recreatiewoningen zijn echter niet gerealiseerd. Verder was het plangebied een kampeerterrein dat al enige tijd niet meer als zodanig in gebruik is. Dit betekent dat in het plangebied geen sprake is van verleende gedoogbeschikkingen voor het permanent bewonen van recreatiewoningen. 5.4.4 Uitvoering handhaving De uitvoering van het handhavingsbeleid is vastgelegd in de hiertoe relevante handhavingsprotocollen en de paragraaf handhaving en toezicht van het bouwbeleidsplan (december 2011).

Daar waar een overtreding wordt geconstateerd en legalisatie niet mogelijk is, moet in eerste instantie toepassing worden gegeven aan de bestuursrechtelijke handhaving. Het proces van bestuursrechtelijke handhaving wordt vastgelegd in een stappenplan, waarin de verschillende stadia van de besluitvorming en procedures tot uitdrukking komen. Naast de bestuursrechtelijke mogelijkheden van handhaving wordt een duidelijke taak gezien voor de strafrechtelijke handhaving. De uitvoering en voortgang van de handhaving wordt jaarlijks vastgelegd in een verslag, dat bestuurlijk wordt vastgesteld.

72

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie, de koppeling met het exploitatieplan en eventuele inschatting tegemoetkoming in planschade.

6.2

Toepassing Grondexploitatiewet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan, een projectbesluit of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. De voorgenomen ontwikkeling is een particulier initiatief gericht op de realisatie van recreatiewoningen.

Omdat het plan een particulier initiatief betreft zijn er voor de gemeente Schouwen-Duiveland geen financieel-economische consequenties aan de ontwikkeling verbonden. De uitvoeringsrisico's liggen bij de initiatiefnemer. Eventueel benodigde onderzoeken ten behoeve van het bestemmingsplan zijn of worden voor rekening van de initiatiefnemer uitgevoerd. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente Schouwen-Duiveland is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten voor het voorgenomen initiatief waarin de (financiële) afspraken zijn vastgelegd. Het verhalen van planschade maakt onderdeel uit van deze overeenkomst, eventuele planschade komt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de planologische procedure worden leges in rekening gebracht bij de initiatiefnemer.

6.3

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling wordt geheel bekostigd door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer neemt ook eventuele planschadeclaims voor zijn rekening, hiertoe maakt hij afspraken met de gemeente. Voor de gemeente Schouwen-Duiveland zijn ter ten aanzien van de uitvoering van het initiatief geen financieel-economische risico's, mede omdat de kosten voor de gemeente gedekt worden door de in rekening te brengen leges. De gemeente is derhalve van mening dan de economische uitvoerbaarheid van het initiatief geborgd is.

73

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1

Inleiding

Gedurende de voorbereiding van bestemmingsplannen wordt het plan één of meerdere keren ter inzage gelegd. Tijdens de periode van terinzagelegging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode wordt ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de terinzagelegging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan. In dit hoofdstuk wordt beschreven wat de resultaten zijn van deze maatschappelijke consultaties.

7.2

Resultaten vooroverleg

Op basis van het ontwerpbestemmingsplan wordt het vooroverleg gevoerd. De vooroverlegreacties worden samengevat en beantwoord in een nota van beantwoording die als bijlage 9 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd wordt.

7.3

Resultaten terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken, van 17 oktober 2022 tot en met 28 november 2022, ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren brengen. Er is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze was ontvankelijk en daarom in zijn totaliteit beoordeeld. De samenvatting en beantwoording van de zienswijze is opgenomen in bijlage 10 bij deze toelichting. De zienswijze heeft tot een wijziging in paragraaf 3.3 van de toelichting geleid. Daarnaast is de toelichting op een aantal punten aangevuld.

7.4

Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

74

Laan van St. Hilaire 2 4301 SH Zierikzee Postadres: Postbus 5555 4300 JA Zierikzee T (0111) 452 000 F (0111) 452 452 gemeente@schouwen-duiveland.nl www.schouwen-duiveland.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13452417/1