982362 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing herinrichting Kloosterweg
Tekst van het document
Daar waar getijdengeulen zich insneden, werden zandige pakketten afgezet. De hoger gelegen veengronden werden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. Een groot deel van het plangebied onttrok zich door zijn hoge ligging waarschijnlijk aan deze gebeurtenissen. Het Laagpakket van Walcheren heeft zich vermoedelijk enkel in een zuidelijk gedeelte kunnen afzetten. Omstreeks 800 n. Chr. bestond Zeeland grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf de Late Middeleeuwen begonnen de bewoners zich met grootschalige bedijkingen tegen het 17 Vos & Van Heeringen 1997: 28. 18 Van der Valk & Beekman 2021. 19 Vos & Van Heeringen 1997. 20 Vos & Van Heeringen 1997 paleogeografische kaart. 21 Vos & Van Heeringen 1997. 22 Vos & Van Heeringen 1997.
18
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuwgewonnen land werd naast landbouw en veeteelt ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen werd namelijk gebruikt bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 23 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, hetgeen tijdens stormvloeden leidde tot dijkdoorbraken met catastrofale gevolgen. Hierbij ging veel land verloren. De hernieuwde mariene activiteit had ook op Schouwen grote invloed: grote delen van het middeleeuwse landschap verdwenen tussen 1400 en 1600 voorgoed onder water. 24 Met het geleidelijk afbreken van de zandige kustbarrière stak intussen in het duingebied een nieuw fenomeen de kop op: duinoverstuivingen. Beekman heeft in zijn standaardwerk over de Kop van Schouwen beargumenteerd dat de Oude Duinen in twee fasen werden begraven onder zich steeds verder inlands verplaatsende buitenduinen. De eerste duinoverstuiving dateert hij in de periode 900-1300, waarbij het vroegmiddeleeuwse cultuurlandschap bedekt raakte met metersdik jong duinzand.
Dit proces werd mede in gang gezet, of tenminste versterkt, door de aanleg van wegen en intensieve beweiding van het gebied in de Karolingische periode. De tweede duinoverstuiving in de 17 de en 18de eeuw werd geïnstigeerd door de sterk vergrote dynamiek in de Oosterschelde en de daarmee gepaard gaande veranderingen voor de kust van de Kop van Schouwen: het vergroten van de geul de Hammen en het ontstaan van het Krabbengat, waardoor de kuststrook ernstig werd aangetast. 25 Uit onderstaande figuur valt op te maken dat het plangebied vooral tijdens de Eerste Duinoverstuiving is getroffen, met name de zuidelijke helft van het plangebied.
Figuur 6 Duinoverstuivingen, erosie en kustafslag. Het plangebied staat in roze aangegeven. Bron: Beekman 2007: 150.
23 Dekker 1971: 20. 24 Wilderom 1964: 49-56. 25 Beekman 2007: 256-259
19
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Voorafgaand aan deze overstuivingen bestond het landschap op Westelijk Schouwen uit lage beboste duinen met ertussen vochtige laagten. Op Schouwen zorgden een geleidelijke verstuiving van de duinen in de 10 de en 11de eeuw en een versnelde verstuiving in de 12 de en 13de eeuw voor een ingrijpende verandering van het landgebruik. De in het onmiddellijke achterland aanwezige akkers raakten namelijk overdekt met duinzand. In de ontstane duinvalleien was wel nog beweiding mogelijk met schapen en runderen. Om het naderend zand tegen te gaan, is in de 13 de eeuw ten westen van Haamstede een kamduin vastgelegd om het slot Haamstede te beschermen, dat eveneens uit de 13 de eeuw dateerde. Ook bij Renesse, Burgh en Westenschouwen werden aanplantingen voorzien die overstuiving moesten voorkomen. Zodoende ontstond een duinzoom langs deze dorpen. Deze vormt nog steeds de overgang tussen het polderland en de binnenduinen26 en loopt ten zuidoosten van het plangebied. Het tegenwoordige duingebied zelf is onder te verdelen in enerzijds hoge, reliëfrijke buitenduinen en anderzijds de minder hoge binnenduinen, oftewel het gebied tussen de buitenduinen en de lage polder. 27 Op onderstaande figuur is te zien dat het plangebied in de binnenduinen te situeren valt. Hierbinnen ligt een noordelijk gedeelte van het plangebied in een duinpoldergebied bestaande uit hogere, open duingraslanden.
De rest van het plangebied loopt door besloten, bosachtige lagere delen (zie ook hoofdstuk 2.3.1).
Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode lijn) op een kaart met deellandschappen op de Kop van Schouwen. Bron: Beekman 2007: 252.
26 Beekman 2007: 64-65.
27
Beekman 2007: 20.
20
ARTEFAC T RAPPORT 815
2.2.2
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 28 (niet afgebeeld) ligt het grootste deel van het plangebied binnen een zone met code Na1. Dit wil zeggen dat hier sprake is van duin- en strandzand van de Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort. Bij het opstellen van de nieuwe lithostratigrafie is voor duin- en strandzand een indeling gemaakt die enkel op lithostratigrafische gronden berust en die losgekoppeld is van een tijdsgebonden indeling. De oudere eenheden van de Oude en Jonge Duinzanden (daterend uit 1975) worden hierbij ondergebracht in één pakket: het Laagpakket van Schoorl. De strandzanden worden als het Laagpakket van Zandvoort benoemd. Een 600 m lang zuidelijk deel van het plangebied maakt deel uit van een zone met code Na9. Dit wil zeggen dat hier sprake is van zeeklei van het Laagpakket van Walcheren op veen van de Formatie van Nieuwkoop op duin- en strandzand van het Laagpakket van Schoorl/Zandvoort (Formatie van Naaldwijk). Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland29 (figuur 8) loopt het plangebied door vier verschillende zones. De meest noordelijke 860 m ligt in een oranjegekleurde zone met code S2. Deze code duidt Jonge Duin- en Strandzanden op Oude Duin- en Strandzanden aan. Ten zuiden daarvan maakt een ruim 1.000 m lang gedeelte deel uit van een zone met code S3.
Deze code duidt Jonge Duin- en Strandzanden op Oude Duin- en Strandzanden aan, waarbij Afzettingen van Duinkerke (nieuwe nomenclatuur: Laagpakket van Walcheren) en/of Hollandveen aanwezig zijn. De kronkelende gr0ene lijn die deze zone doorsnijdt, geeft de grens aan van de Afzettingen van Duinkerke. Ten zuiden van bovengenoemde zone loopt een circa 400 m lang deel van het plangebied door een zone met code S6. Deze zone duidt op Jonge Duin- en Strandzanden op Afzettingen van Calais op Oude Duin- en Strandzanden, waarbij Afzettingen van Duinkerke en/of Hollandveen aanwezig zijn. De meest zuidelijke 100 m van het plangebied liggen in een langgerekte noord-zuid georiënteerde zone met code D0.3a. Hier is sprake van Afzettingen van Duinkerke IIIa. Daar waar het plangebied de westelijke begrenzing van deze zone kruist, loopt een roze lijn. Deze markeert de grens van de Jonge Duin- en Strandzanden (2 m diktelijn). Het Hollandveen, dat kan voorkomen in de zones met codes S3 en S6, kan hier volgens de Bijkaarten voorkomen als eutroof tot mesotroof veen, dan wel als zwart begroeiingsvlak of veenrest. De bovenkant van de pleistocene afzettingen bevindt zich volgens de Bijkaarten op 35 m -NAP of dieper. Basisveen is niet aanwezig.
28 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003.
29 Van Rummelen 1967.
21
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode lijn) en een selectie van DINO-boringen (blauwe genummerde stippen) op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: Van Rummelen 1967.
Bij deze Geologische Kaart dient echter een kanttekening te worden geplaatst. Op deze kaart worden de duinafzettingen op de binnenduinen en de duinzoom als Jong Duin benoemd. Wij volgen echter de benadering van Beekman en Van der Valk, 30 die stellen dat de binnenduinen en duinen op de duinzoom per definitie als Oud Duin kunnen worden gekarakteriseerd. Dit wordt onderbouwd door het voorkomen van archeologica vanaf de Late Bronstijd. Zo zijn in de stuifketels in de Meeuwenduinen door erosie van het Jong Duin op het niveau van de Oude Duinen schervenvloeren (maar ook grondsporen) uit de Late Bronstijd, de IJzertijd en Vroege tot volle Middeleeuwen gedocumenteerd. Dit impliceert ook dat de ‘Duinkerke-afzettingen’ in dit gebied mogelijk van vroeger datum zijn dan de Geologische Kaart laat vermoeden. In recente publicaties wordt ook een mogelijke verklaring voor de verkeerde interpretaties op de geologische kaart gegeven. 31 Aanvullend geldt dat voor het gebied dat de duinzoom vormt, de daar aanwezige Oude Duinzanden grotendeels zijn afgezet als afgestoven duinzand, afkomstig van de meer noordwestelijk gelegen duinen, waar ten gevolge van het intensieve gebruik vanaf de IJzertijd een verschraling van de ondergrond heeft plaatsgevonden.
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Ten behoeve van dit onderzoek zijn de ondergrondgegevens32 uit het DINOloket (TNO Geologische Dienst Nederland) geraadpleegd. Deze zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische lagen in het plangebied in te schatten. Uiteraard kan de bodemopbouw plaatselijk afwijken vanwege onbekende lokale omstandigheden. In de 30 Zie: Beekman 2007, Van der Valk & Beekman 2012 en Van der Valk & Beekman 2021. 31 Zie van der Valk & Beekman 2021: 18-27. 32 https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens.
22
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
nabijheid van het plangebied is een aantal DINO-boringen bekend. Ten behoeve van voorliggend onderzoek zijn DINOboringen bestudeerd in de directe nabijheid van het plangebied die voldoende diep zijn doorgezet en waarbij tevens de lithostratigrafische eenheden zijn benoemd. Deze boringen staan genummerd aangegeven op bovenstaande figuur en worden hieronder besproken. ⎯ In DINO-boring 1 (B42E0231) is vanaf het maaiveld tot 5,68 m -mv/ 1,38 m -NAP zand van het Laagpakket van Zandvoort vastgesteld, met hieronder een 0,15 m dik laagje veen van het Hollandveen Laagpakket. Vanaf 5,83 m -mv/ 1,53 m -NAP is tot aan de einddiepte van 33,25 m -mv/ 28,95 m -NAP zand van het Laagpakket van Wormer aangetroffen. ⎯ In DINO-boring 2 (B42E0491) is tot 4,80 m -mv/ 0,90 m -NAP zand van het Laagpakket van Schoorl aangetroffen. Hieronder bevindt zich een 0,50 m dik pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, voornamelijk bestaande uit klei. Vanaf 5,30 m -mv/ 1,40 m -NAP dekt dit een 0,70 m dikke laag Hollandveen af. Het Laagpakket van Wormer is vanaf 6,00 m -mv/ 2,10 m -NAP tot aan de einddiepte van 6,20 m -mv/ 2,30 m -NAP aanwezig. ⎯ In DINO-boring 3 (B43E0445) is tot 2,50 m -mv/ 0,12 m -NAP zand van het Laagpakket van Schoorl aangetroffen. Hieronder is tot aan de einddiepte van 3,30 m -mv/ 0,92 m -NAP klei van het Laagpakket van Walcheren aanwezig.
Een via het DINOloket gegenereerd doorsnedemodel 33 voorspelt dat het Laagpakket van Schoorl (aangegeven als NASC op onderstaande figuur) in het hele plangebied de bovenzijde vormt van de natuurlijke ondergrond. Hieronder situeert het model in het grootste deel van het plangebied het Laagpakket van Zandvoort (NAZA) op diep reikende afzettingen van het Laagpakket van Wormer (NAWO). In de zuidelijke helft van het plangebied worden tussen de Laagpakketten van Schoorl en Zandvoort plaatselijk relatief dunne afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (lichtgroengekleurd) en het Hollandveen Laagpakket (bruin) weergegeven, binnen een gebied dat grofweg correspondeert met zones S3 en S6 op de Geologische Kaart van Nederland (zie boven). In het meest zuidelijke deel van het plangebied situeert het model diep reikende geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (BNAWA) onder het Laagpakket van Schoorl; dit deel correspondeert grofweg met zone D0.3a op de Geologische Kaart.
Figuur 9 Doorsnedemodel van het plangebied. A = het noordelijke uiteinde, A’ = het zuidelijke uiteinde. Bron: https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
33
https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
23
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland34 (figuur 10) is de meest noordelijke 850 m van het plangebied gesitueerd in een geelgekleurde zone met code Zn21. Dit wil zeggen dat hier sprake is van vlakvaaggronden, ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand. Deze vallen onder de kalkloze zandgronden. De rest van het plangebied ligt in een zone met code pZg21. Hier is sprake van beekeerdgronden, ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand. Deze vallen eveneens onder de kalkloze zandgronden. Bij het bepalen van het grondwaterregime wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie onderstaande tabel). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. Deze trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebieden met een goede ontwatering zijn zeer geschikt voor landbouw. Mede daarom, met name in het verleden, vormden goed ontwaterde gebieden mogelijk een aantrekkelijk vestigingsgebied.
Indeling grondwatertrappen grondwatertrap I II III IV V VI GHG in cm -mv (< 20) (< 40) < 40 > 40 < 40 40 - 80 GLG in cm -mv < 50 50-80 80-120 80-120 > 120 > 120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand
VII > 80 (> 160)
In het deel van het plangebied binnen zone Zn21 bedraagt de grondwatertrap VI, hetgeen wijst op een goede ontwatering. In het deel van het plangebied binnen zone pZg21 is sprake van een grondwatertrap III, hetgeen betekent dat het gebied hier aanzienlijk minder goed ontwaterd is.
34 Pleijter 1994.
24
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Figuur 10 Projectie van het plangebied (rode lijn) op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Pleijter 1994.
Op de bodemkaart van Kuipers uit 1960 35 (figuur 11) maakt het plangebied deel uit van zones met codes 14 (duinvlaktegronden) en 15 (duinrandgronden). Duinvlaktegronden kennen een sterke wisseling in het grondwaterpeil; deze werden van oudsher vooral gebruikt als duinweilanden. Ook werd er wel elzenhakhout geteeld. Hiertoe werden op regelmatige, korte afstand van elkaar greppels gegraven waarlangs elzen werden geplant. Duinrandgronden hebben een vrij constant hoog grondwaterpeil; deze zijn vaak gebruikt als elzenbosontginningsgronden en hebben een humeuze laag. 36 De onderbroken lijn het plangebied in het noorden kruist, markeert de westelijke begrenzing van het veen in de ondergrond.
35 Kuipers 1960. 36 Kuipers 1960: 99-100.
25
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Figuur 11 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Schouwen-Duiveland. Bron: Kuipers 1960.
Geomorfologie Ook op de Geomorfologische Kaart van Nederland 37 (figuur 12) is de meest noordelijke 1.000 m van het plangebied goeddeels te situeren in een lichtgroengekleurde zone met code 2M49b. Deze code duidt op een vlakte, ontstaan door afgraving en/of egalisatie van duinen, relatief laaggelegen. Ten zuiden hiervan ligt het plangebied binnen een donkergeelgekleurde zone met code 2M49, hetgeen wil zeggen dat hier sprake is van een vlakte, ontstaan door afgraving en/of egalisatie van duinen. In de omgeving van het plangebied staan pijltjes weergegeven. De pijltjes naar rechts duiden op plaatselijk vergraven en/of geëgaliseerd terrein; de pijltjes omlaag duiden op plaatselijk afgegraven terrein. In het uiterste noorden ligt een zeer klein deel van het plangebied in ongekarteerd gebied. Verder liggen in het noordelijke gedeelte twee zeer kleine delen van het plangebied in zones met code 3L7b, hetgeen wil zeggen dat hier sprake is van lage kustduinen met bijbehorende vlakten en laagten, relatief laaggelegen.
37 Wolfert 1991.
26
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Figuur 12 Projectie van het plangebied (rode lijn) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Wolfert 1991.
Actueel Hoogtebestand Nederland De onderstaande bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4; figuur 13) illustreert het contrast in maaiveldhoogten. Rechtsonder is een deel van de Polder Schouwen te zien, waar het maaiveld vaak onder NAP ligt. In het ten noordwesten daarvan gelegen duingebied komt het maaiveld op veel plaatsen boven de 10 m +NAP uit. Het plangebied ligt binnen het duingebied echter relatief laag. De maximale maaiveldhoogte bedraagt circa 5,50 m +NAP; deze wordt centraal in het plangebied bereikt, ongeveer tussen de kruisingen met de Westerenbanweg en de Vertonsweg. Voor het overige ligt het maaiveld veelal rond 4,50 m +NAP. In het uiterste zuiden van het plangebied ligt het echter lager, rond 3,00 – 3,50 m +NAP. Indien op het plangebied wordt ingezoomd en verder wordt verfijnd (figuur 14), blijkt dat het wegdek veelal 0,10 tot 0,60 m hoger ligt dan de directe omgeving; dit duidt op kunstmatige ophoging ter plaatse van het wegcunet. Samenvatting landschap Het landschap in het plangebied heeft zich gevormd vanaf ongeveer het Neolithicum, uit afzettingen van het Laagpakket van Wormer (vanaf 1,53 m -NAP) met mogelijk plaatselijk het Laagpakket van Zandvoort.
Hier bovenop kunnen het Hollandveen Laagpakket (vanaf 1,38 m -NAP) en/of het Laagpakket van Walcheren (vanaf 0,12 m -NAP) aanwezig zijn, beide met name in de zuidelijke helft van het plangebied. In het uiterste zuiden kan sprake zijn van kreekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, die tot in het Laagpakket van Wormer reiken. Tegenwoordig maakt het plangebied deel uit van de binnenduinen op Schouwen; dit betreft Oude Duinen. De bovenzijde van de natuurlijke ondergrond bestaat naar verwachting dan ook uit het Laagpakket van Schoorl. De dikte hiervan varieert naar verwachting, van omstreeks 2,5 m in het zuiden van het plangebied tot 4 - 7 m elders. 27
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Figuur 13 Projectie van het plangebied (zwarte lijn) op een bewerkte uitsnede van de hoogtekaart. Bron: pdok.nl (AHN4, 0,5 m-raster DTM).
Figuur 14 Projectie van het plangebied op een bewerkte uitsnede van de hoogtekaart. Bron: pdok.nl (AHN4, 0,5 m-raster DTM).
28
ARTEFAC T RAPPORT 815
2.3
Historie
2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling 38
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 e eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Bedijkingsgeschiedenis Het plangebied ligt in het binnenduinengebied ten noordwesten van Haamstede. Dit kon dankzij zijn relatief hoge ligging, boven het hoogwaterpeil, al worden bewerkt en bewoond in de periode voorafgaand aan de bedijkingen. Niettemin wordt dit gebied soms als polder benoemd, genaamd Westeren en Oosteren Ban. 39 Door de hoge ligging hoefde het echter nooit daadwerkelijk te worden ingepolderd.
Het zijn zodoende wellicht de oudste gebieden van Noord-Zeeland. 40 Het plangebied maakt deel uit van de Westeren Ban. Vanaf het huidige Burghsluis liep in de Middeleeuwen een kreek genaamd de Schelveringe met hierlangs een kreekrug vanuit de Oosterschelde naar Haamstede. Waar en tot hoe ver de rug en kreek ten noorden van Haamstede doorliepen, is niet duidelijk en is een punt van discussie. De kreek was vermoedelijk bevaarbaar, waardoor Haamstede tot in elk geval de 12de eeuw een verbinding met de Schelde had. 41 Lokale dammen en dijken werden op Schouwen-Duiveland al aangelegd vanaf de 11 de eeuw, vermoedelijk na een grote stormvloed in 1014. 42 Na een grote stormvloed in 1134 begon men in heel Zeeland aan systematischer bedijkingen. Het eiland Schouwen werd geheel omdijkt; zo ontstond de Polder Schouwen, de grootste polder op Schouwen-Duiveland en een van de oudste in Zeeland. 43 De noordwestelijke begrenzing hiervan ligt ongeveer 100 m ten zuidoosten van het plangebied. De Polder Schouwen was aanvankelijk veel groter. De zuidkust lag oorspronkelijk circa 4 km zuidelijker. In de loop der eeuwen ging zo’n 3.000 ha door landafslag verloren; hier loopt nu de Oosterschelde. 44 Bewoningsgeschiedenis De vroegst gedocumenteerde periode is de Romeinse tijd, die in Nederland begon in 12 v.
Chr., toen alle stammen in Nederland, inclusief die ten noorden van de grote rivieren, door de Romeinse veldheer Drusus waren onderworpen. Vanaf het midden van de eerste eeuw werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse rijk in West-Europa. Zeeland werd onderdeel van de provincie Gallia Belgica. Aardenburg was een militaire nederzetting en in Domburg bevond zich vermoedelijk een belangrijk regionaal bestuurscentrum met tempelcomplex. Archeologisch onderzoek in de voorbije decennia maakt duidelijk dat niet enkel de strandwallen in het kustgebied werden bewoond, maar dat ook het achterland bestaande uit hoog opgegroeide veenmoerassen werd bewoond en geëxploiteerd. Bij archeologisch onderzoek in Haamstede is gebleken dat hier eveneens een Romeinse nederzetting moet hebben gestaan. 45 Vanaf het einde van de 3 de eeuw n. Chr. lijkt de bewoning in Zeeland grotendeels te zijn verdwenen. Daaraan ten grondslag liggen meerdere factoren waarvan de herhaaldelijke invallen van Germaanse stammen en de daaruit 38 Deels overgenomen uit bureauonderzoeken die Artefact eerder uitvoerde in Burgh-Haamstede. 39 Geoloket Cultuurhistorie Zeeland. 40 Wilderom 1964: 60. 41 Dekkers et al. 2021: 45; Kuipers 1982. Beekman (2007: 41, 71) gaat zelfs uit van een verbinding tot in de 13de eeuw. 42 Kuipers 1982: 108-109. 43 Geoloket Cultuurhistorie Zeeland. 44 Wilderom 1964: 49-56. 45 Dekkers et al. 2021: 35-36.
29
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
volgende ontwrichting van het maatschappelijke leven wellicht een belangrijke is. Maar ook de verdergaande vernatting van het landschap en de overstromingen die het kustgebied teisterden, speelden wellicht een bepalende rol. 46 Hoewel infrastructurele maatregelen tegen wateroverlast reeds vanaf de 1 ste eeuw werden genomen, zorgde de toenemende zeespiegelstijging voor een leegloop. Het valt evenwel niet uit te sluiten dat bijvoorbeeld het oude duinengebied op de Kop van Schouwen nog werd bewoond, al is bewoningscontinuïteit vooralsnog niet aangetoond. Wel is bekend dat Schouwen in de Vroege Middeleeuwen in elk geval al relatief vroeg weer werd bewoond. Behalve uit archeologische vondsten blijkt dit uit enkele schriftelijke bronnen over bezittingen en veroveringen van koningen, graven en abdijen. Niet alleen Walcheren, maar ook Schouwen vormde wat dit betreft al omstreeks de 8 ste eeuw een belangrijk gebied. Uit de 8 ste en 9de eeuw zijn voor Schouwen domeinnamen Villa Inaudaco, Villa Sunnimeri en Villa Scaltheim overgeleverd; laatstgenoemde was waarschijnlijk een bezit van de Sint-Baaf-abdij in Gent. De economische basis werd gevormd door zoutwinning uit veen (het zogeheten darinkdelven) en schapenteelt ten behoeve van de productie van vlees en wol.
Op basis van historische bronnen en archeologische vondsten wordt vermoed dat Inaudaco de vroegmiddeleeuwse naam van Haamstede is geweest en dat de kerk van Haamstede de oudste is van Schouwen. 47 Of de kerk van Burgh, enkele meters ten noordwesten van de ringwalburg, ook een vroegmiddeleeuwse oorsprong heeft, is nog onderwerp van discussie. De AMK meldt dat er wellicht al een kerk in Burgh stond in 776. 48 O.a. Beekman gaat er echter vanuit dat in de bron de kerk van Haamstede bedoeld wordt. Volgens Beekman diende de ringwalburg in Burgh vooral ter bescherming van Haamstede. De kerk van Burgh zou ‘pas’ omstreeks 1100 zijn gesticht, oftewel nadat de ringwalburg buiten gebruik was geraakt. 49 Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat zich ter plaatse van de huidige kerk van Haamstede in elk geval een oudere kerk bevond rond 1100, maar dat er eerder mogelijk een nog oudere voorganger heeft gestaan. Recente 14C-dateringen van skeletten ter plaatse van het kasteelterrein van Haamstede wijzen op een mogelijke datering in de late 7de eeuw; op basis hiervan bestaat het vermoeden dat de kerk van Haamstede mogelijk ook al in de late 7de eeuw bestond. 50 In de 9de eeuw werd het hele kustgebied geteisterd door invallen van de Vikingen. In 837 plunderden Vikingen op Walcheren een handelsnederzetting, die vermoedelijk kan worden geïdentificeerd als Villam Walichrum.
51 Traditioneel worden de Viking-aanvallen gezien als de aanleiding tot de aanleg van de meest bekende exponenten van de Vroege Middeleeuwen in Zeeland: de ringwalburgen, waaronder die in Burgh, ruim 1.000 m ten zuiden van het plangebied. Algemeen is lange tijd aangenomen dat ringwalburgen omstreeks 880-890 n. Chr. door de lokale bevolking moeten zijn opgeworpen als verdediging tegen de Vikingen, maar dit beeld is de laatste jaren ter discussie gesteld en genuanceerd. 52 In de Late Middeleeuwen (1050 - 1500, zie bijlage 3) vond een sterke bevolkingsgroei plaats. Dit ging gepaard met een intensifiëring van de landbouw en ontginning van het landschap. Door heel Zeeland werden gebieden ingepolderd (zie boven), ontwikkelden zich dorpen en werden kerken en kloosters gesticht. In de omgeving van het zuiden van het plangebied stond het klooster van de Grauwe Zusters, waaraan de Kloosterweg zijn naam te danken heeft. Deze Kloosterweg heette in het verleden overigens Haamsteedse Duinweg. 53 Het klooster zou in elk geval in 1535 nog hebben bestaan. Het terrein tussen de Haamsteedse Duinweg, Hogezoom en het Breedeweegje (vermoedelijk de Vroonweg) stond bekend als het Kloosterbevang. Een aangrenzend bevang ten oosten hiervan, tussen de Hogezoom en de Lagezoom, stond bekend als het Noord Kloosterbevang. 54
46 Van Dierendonck 2012: 54-55. 47 Beekman 2007: 36-43. 48 Archis: AMK-terrein 13396. 49 Beekman 2007: 39-41. 50 Dekkers et al. 2021: 44. Zie ook hoofdstuk 2.4 in voorliggend rapport. 51 Henderikx 2012: 65-67. 52 Zie: Van den Berg & Wattenberghe 2023. 53 Beekman 2007: 281, voetnoot 261. 54 Fokker 1909: 83, 295, en overzichtskaart tussen pagina’s 184 en 185; Wilderom 1964: 27-28.
30
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Tevens verrezen er in de Late Middeleeuwen kastelen, waaronder een motte met voorburcht ruim 500 m ten zuidoosten van het plangebied en het Slot Haamstede, ongeveer 300 m ten zuiden van het plangebied. Schouwen was gedurende de Middeleeuwen bestuurlijk opgedeeld in zesdedelen, die belast waren met het dijkonderhoud. Het Schouwse duingebied, waaronder het plangebied, viel hierbuiten. Het duingebied naast de Schouwse polders werd aangeduid als ‘de duinen annex den Lande van Schouwen’. Het bestond uit de Westduinen, de Noordduinen en de binnenduinen van de heerlijkheid Van den Duine. De Hogeweg en Hogezoom vormden hiervan ongeveer de begrenzing. 55 In de Westeren en Oosteren Ban (zie boven) bestond het middeleeuwse (en latere) landschap uit zogenoemde haaimannen: percelen binnenduin die in cultuur waren gebracht en afwisselend werden gebruikt als weide en akkerland (voor hoofdzakelijk de teelt van rogge); de percelen waren omgeven door een houtwal. In de 19de eeuw werd de benaming ‘haaimannen’ vervangen door ‘elzenmeten’. Het gevaar van (o)verstuiving lag altijd op de loer. Beekman onderscheidt twee belangrijke overstuivingsfasen op Schouwen: de Eerste Duinoverstuiving tussen 900 en 1300, en de Tweede Duinoverstuiving tussen 1600 en 1800.
56 Uit een reconstructie door Beekman (zie hoofdstuk 2.2.1) valt op te maken dat vooral de Eerste Duinoverstuiving het plangebied heeft bereikt, en dan met name de zuidelijke helft van het plangebied. Christiaan Costijn (Costien) uit Zierikzee wordt gezien als grondlegger van Haamstede. In de eerste helft van de 13de eeuw verkreeg hij van Floris IV haaimanlanden en duinen in Westen-Schouwen. Hij werd ook de bezitter van het slot te Haamstede, dat in diezelfde periode voor het eerst wordt vermeld. Omstreeks 1300 werd Witte van Haamstede de plaatselijke machthebber. In 1341 werd de Heerlijkheid van Haamstede door Graaf Willem van Henegouwen tot een Baanderheerlijkheid verheven. De heren van Haamstede kregen de eretitel ‘Baanderheren’. Deze waren direct leenman van de Koning en voerden een eigen banier. In de 15de eeuw vervielen de heerlijkheid en het kasteel aan de Grafelijkheid. Het slot van Haamstede werd in 1525 door brand verwoest, waarna er een ruïne stond. In 1609 werd het kasteel herbouwd door Jacob van de Eijnde. Latere eigenaren hebben het in de loop der tijd uitgebreid. 57 Een kaart uit de Brusselse Atlas van Christian Sgrooten uit omstreeks 1570 (figuur 1 5) geeft een beeld van de toenmalige situatie. Vanwege de grofschaligheid van deze kaart is het plangebied niet exact te projecteren.
De kerk van Haamstede (‘Haemstede’) staat weergegeven, met ten westen hiervan een gebouw met twee torentjes: vermoedelijk de toenmalige ruïne van het slot. Ten noordwesten van de kerk staat een klooster ingetekend zonder naamsaanduiding, mogelijk betreft dit het klooster van de Grauwe Zusters. Rond Haamstede en dit klooster is nog enige losse bebouwing weergegeven. Ten westen van het plangebied staat de kapel van Onze Lieve Vrouwe op Zee (‘Onser Frouwe op Zee’) ingetekend, met een weg die hiernaartoe voert vanuit Haamstede. Het valt niet te zeggen in hoeverre deze weg overeenkomt met het plangebied.
55 Beekman 2007: 3. 56 Beekman 2007. 57 Encyclopedie van Zeeland: Haamstede; Wilderom 1964: 30, 305.
31
ARTEFAC T RAPPORT 815
BURGH-HAAMSTEDE KLOOSTERWEG
Figuur 15 Uitsnede van de Effluxus Mosae et duorum cornuum Rheni in mare Britannicu[m] door Sgrooten, 1573. De gele ovaal geeft de globale ligging van het plangebied aan. Bron: Koninklijke Bibliotheek Brussel.
Onze Lieve Vrouwe op Zee was een gehucht. De kapel, die waarschijnlijk dateerde uit de 16 de eeuw, is in 1572 door de watergeuzen verwoest. In het laatste kwart van de 16 de eeuw werd het cultuurland aan de landzijde van de Noordduinen overstoven en daarmee ook de restanten van de kapel. 58 Het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland situeert Onze Lieve Vrouwe op Zee enkele honderden meters ten noorden van Nieuw-Haamstede en ongeveer 1.200 m ten noordwesten van het plangebied. Beekman situeert het echter enkele honderden meters noordwestelijker (zie figuur 17). 59 Visscher en Roman hebben het gehucht nog ingetekend op hun kaart van omstreeks 1655, met hierbij de tekst ‘Onser Vrouwen op Zee is oversant met Bergen’. De ‘Baender Heerlijckheijt van Haemstede’ staat zeer gedetailleerd ingetekend met een deel van het toenmalige stratenplan. Het slot staat aangeduid als ‘’t Huys’. Aan de noordzijde van Haamstede staat een klooster aangegeven; aan de zuidzijde is sprake van ‘Leliendale Vervallen Klooster’. Het gebied ten noordwesten van Haamstede wordt aangeduid als ‘Den Wester Ban’. Hier geeft de kaart meerdere wegen aan richting Onze Lieve Vrouwe op Zee.
Het plangebied is ter hoogte van één van deze wegen te situeren (zie de rode ovaal in onderstaande figuur), maar de kaart is niet nauwkeurig genoeg om met zekerheid te zeggen in hoeverre de afgebeelde weg correspondeert met het plangebied. Langs de weg worden meerdere bomen aangegeven, maar geen bebouwing. Ook ligt het duidelijk buiten het gebied waar grote hoeveelheden duintjes staan ingetekend; dit is meer ten westen en ten noorden van het plangebied te situeren.
58 Beekman 2007: 82-87. 59 Beekman 2007: 185.
32