CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

973510 Bijlage Quickscan flora en fauna

Gemeenteraad 23 november 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Omgevingsvergunning Molenstraat Dreef 14 Bruinisse (973510)5.849 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora en fauna Molenstraat en Dreef te Bruinisse

Concept

Maart 2023 P23-014 / W2263 Auteur: C. Mouthaan Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl

Quickscan flora en fauna Molenstraat en Dreef te Bruinisse

Natuur-Wetenschappelijk Centrum, Noorderelsweg 4A, 3329 KH Dordrecht

Quickscan flora en fauna Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Opdrachtgever:

Erik van den Bos, Architecten BV.

Uitvoering:

Natuur-Wetenschappelijk Centrum

Veldwerk:

J. Klute, T. Salomons

Samenstelling:

C. Mouthaan

Foto’s:

NWC

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molwenstraat en Dreef in Bruinises. [Samenst.: Mouthaan, C.] [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/NWC.

Trefw.: Wet natuurbescherming, Molenstraat/Dreef, Bruinisse

P22-014 / W2263

Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder toestemming van de uitgever of de opdrachtgever.

Dordrecht, maart 2023

Inhoud

Samenvatting

1

Inleiding

7

2

Gebiedsbeschrijving

9

3

Wettelijk kader

11

4

Methode

17

5

Resultaten

19

6

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen

21

Referenties

Bijlagen: Bijlage 1: Foto’s van het plangebied Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen

Samenvatting

Onderstaande tabel geeft de conclusies uit voorliggend rapport weer. Voor de volledigheid en om een verkeerde interpretatie te voorkomen, dient ook hoofdstuk 6 (effecten, verplichtingen en aanbevelingen) gelezen te worden. Soortgroep

Effecten beschermde soorten

Verplichtingen

Vleermuizen

Mogelijke

Zorgplicht.

vernietiging

verblijfs-

plaatsen

Aanvullend onderzoek volgens het meest recente vleermuisonderzoek door middel van vijf inventarisaties.

Vogels vaste Verblijfplaats

Mogelijke verstoring of vernieling broedsels

Zorgplicht. Aanvullend onderzoek naar gevonden kraaiennest

Algemene broedvogels

Mogelijke verstoring of vernieling broedsels

Zorgplicht. Werken buiten broedseizoen (maartaugustus). Als het werken buiten het broedseizoen niet lukt, moet er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd worden.

Grondgebonden

zoog-

Geen effecten

Zorgplicht

Flora

Geen effecten

Zorgplicht

Gebiedsbescherming

Mogelijke verstoring voor natura

Aanvullend onderzoek naar de toene-

2000 gebieden ‘Grevelingen’ en ‘Oosterschelde’

mende stikstof depositie aan de hand van AERIUS berekening.

dieren

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

1. Inleiding Er zijn plannen om de bestaande bebouwing te slopen en nieuwbouw te realiseren aan de Molenstraat ten hoogte van Dreef in Bruinisse. De geplande werkzaamheden kunnen van invloed zijn op de aanwezige beschermde flora en fauna in het plangebied. In het kader van de Wet natuurbescherming dient hiervoor daarom eerst een quickscan (en mogelijk aanvullend onderzoek) naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden plaats te vinden en moet een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt worden, inclusief maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzachten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van het gebied voor aanwezige beschermde soorten gewaarborgd blijft. In 2014 is al eens een natuurwaarden onderzoek uitgevoerd op deze locatie door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (Demmer, 2014). Overigens dienen de onderzoeksresultaten van dit natuurwaardenonderzoek geactualiseerd te worden gezien de situatie door de jaren veranderd kan zijn. Erik van den Bos, Architect BV. heeft het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) opdracht gegeven een quickscan flora en fauna op deze locatie uit te voeren en om te adviseren omtrent de relevante natuurwetgeving.

7

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

8

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

2.

Gebiedsbeschrijving en voorgenomen plannen

Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich aan de Dreef 14, grenzend aan de Molenweg in Bruinisse (Zeeland)(zie figuur 1). Het bestaat uit een loods waar zich een winkel in bevindt. Het gebouw is twee verdiepingen hoog en heeft een platdak.

100.97

100.93

100.68

Figuur 1: De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Voorgenomen plannen De bestaande bebouwing zal worden gesloopt waarna nieuwbouw gerealiseerd wordt aan de Dreef 14 in Bruinisse. Beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op ongeveer 770 meter afstand van Natura 2000-gebied ‘Grevelingen’ en 500 meter afstand van Natura 2000 gebied ‘Oosterschelde’ (figuur 2). Vanwege deze afstand en de aard van de werkzaamheden kan niet worden uitgesloten dat deze een effect hebben op de mate van stikstofdepositie. Daarom wordt aangeraden een AERIUS berekening uit te voeren om het verwachte effect vast te stellen. Het plangebied bevindt zich niet in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wel ligt er een NNN gebied op ongeveer 500 meter van het plangebied. Echter, door de omvang van de beoogde

9

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

werkzaamheden wordt er geen nadelig effect verwacht. Hierdoor is een toetsing aan de weten regelgeving omtrent het NNN niet nodig.

Figuur 2: De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Grevelingen’ en ‘Oosterschelde’ (groen gearceerd).

Figuur 3: De ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen gearceerd).

10

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

3.

Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming De provincies zijn sinds 1 januari 2017 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet natuurbescherming en dus ook voor ontheffingsaanvragen. Om een ontheffingsaanvraag in behandeling te nemen, dient het onderzoek aan goedgekeurde voorwaarden (o.a. ten aanzien van methode, intensiteit, periode, tijd tussen onderzoeksmomenten) te voldoen. Slechts als het onderzoek volgens deze voorwaarden uitgevoerd is, kan volgens de wetgever een goed onderbouwde uitspraak gedaan worden over; - de aanwezigheid van beschermde soorten; - de functie van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor deze beschermde soorten; - het belang van een gebied of onderdelen binnen een gebied voor aanwezige beschermde soorten; - de effecten van plannen op deze soorten; - de keuze voor te nemen (mitigerende- en/of compenserende) maatregelen. De voorwaarden waaraan onderzoek moet voldoen, staan beschreven in de kennisdocumenten die in opdracht van de wetgever door BIJ12 opgesteld zijn en de inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus.

Onderzoeken die niet volgens deze voorwaarden uitgevoerd zijn, kunnen volgens het bevoegd gezag geen basis en onderbouwing vormen van ontheffingsaanvragen en aanvragen zullen om die reden afgewezen worden. Het NWC is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens bovengenoemde kennisdocumenten en inventarisatieprotocollen. Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opgenomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1).

11

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: - Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit; - Een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit, op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn; - Indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op de beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren.

De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1. Soorten Europese Vogelrichtlijn en -Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt.

Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: - Er bestaat geen andere bevredigende oplossing; - Zij is nodig: a) In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of b) In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of c) In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

12

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven.

13

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk voorkomen, dan wel beperkt worden.

14

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit. Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via (Europese) Natura 2000-gebieden.

De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het kader van de Europese Vogel- en -Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplicht of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Uit de habitattoets kunnen drie mogelijkheden volgen: - Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; - Er is sprake van een nadelig effect in de vorm van verstoring, maar dit is niet significant en er is geen sprake van verslechtering van aangewezen habitats. Hieruit volgt dat een vergunningaanvraag niet aan de orde is.

Wel is een bestuurlijk oordeel van het bevoegd gezag nodig;

15

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

- Er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en is een vergunning nodig. Een ‘passende beoordeling’ is een rapport waarin (de zo exact mogelijke omvang van) de effecten, afzonderlijk of in combinatie met andere activiteiten, van een plan, project of handeling op een Natura 2000-gebied beschreven staan. Deze nadelige effecten worden in relatie tot de instandhoudingsdoelen bepaald. Indien uit de passende beoordeling volgt dat er significant nadelige gevolgen op zullen treden, moeten de plannen getoetst worden aan de zogenaamde ADC-criteria; 1. Zijn er Alternatieven? 2. Is er sprake van een Dwingende reden van groot openbaar belang? 3. Zijn er Compenserende maatregelen voorzien? Wanneer er een alternatief bestaat voor de voorgenomen plannen dat niet tot significant nadelige effecten op instandhoudingsdoelstellingen leidt, moet dit alternatief gekozen worden. De ecologische belangen hebben in dit geval voorrang op de economische belangen. Wanneer er geen alternatieven voorhanden zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en/of er voldoende compenserende maatregelen getroffen worden, kan vergunning voor de voorgenomen plannen verleend worden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. De bescherming van het Natuurnetwerk is opgenomen in de Verordening Ruimte van de desbetreffende provincie en valt hiermee buiten de Wet natuurbescherming. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen onder meer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.

16

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

4.

Methode In het kader van de Wet natuurbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan bestond uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voor het literatuuronderzoek is gebruikgemaakt van verspreidingsgegevens van soorten verzameld door de verschillende soortenorganisaties. Op basis van het literatuuronderzoek is o.a. bepaald voor welke soortgroepen de aanwezigheid en/of de geschiktheid van het plangebied onderzocht diende te worden. Tijdens de quickscan is rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats, algemene broedvogels, grondgebonden zoogdieren en reptielen en amfibieën. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde dagvlinders omdat de bodem te voedselrijk is om als biotoop voor de waardplanten van deze vlindersoorten te kunnen dienen. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Aquatische fauna worden op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en/of kenmerken van het plangebied niet verwacht. De Rugstreeppad komt volgens recente verspreidingsgegevens niet in de nabije omgeving van het plangebied voor.

Om deze reden kon de aanwezigheid van beschermde soorten uit deze soortgroepen eveneens op voorhand worden uitgesloten. Het veldbezoek is op 17 februari uitgevoerd door medewerkers van het NWC. De temperatuur tijdens het veldbezoek bedroeg ongeveer 11 °C, het was bewolkt en de wind had een kracht van 4 Bft. Deze gegevens zijn door de medewerkers in het veld gemeten of ingeschat. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld in hoeverre de bomen en de bebouwing binnen het plangebied geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Er is onder andere gelet op de aanwezigheid en kenmerken van holtes in de bomen en spleten, kieren en een spouwgang in de bebouwing. Ook is gelet op sporen van vleermuizen, zoals keuteltjes, afgebeten insectenvleugels en aanwezigheid van meststrepen bij eventuele invliegopeningen. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en (kleinschalige) weilanden en andere half open gebieden. Hierbij is tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in en in de omgeving van het plangebied.

17

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving. Voorbeelden van deze soorten zijn de Buizerd (Buteo buteo), de Huismus (Passer domesticus) en de Gierzwaluw (Apus apus). Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). De bomen binnen het plangebied zijn beoordeeld op hun geschiktheid voor en aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vogels. Dit is gedaan door te letten op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc.), nesten (o.a. horsten en oude kraaiennesten) en aan de hand van waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/territoriumindicerend gedrag). Tevens is bekeken of het gebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Broedvogels Tijdens het veldbezoek is beoordeeld in hoeverre broedvogels in het plangebied aanwezig zijn en of zij een nest hebben of nestindicatief gedrag vertonen. Naast vogels met een vaste verblijfplaats, gaat het hier om vogelsoorten die elk broedseizoen een nieuw nest maken of goed in staat zijn een nieuw nest te maken.

Vogelnesten van algemene broedvogels vallen alleen onder de bescherming van de Wnb wanneer het in gebruik is (tijdens het broedseizoen). Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten. Flora Er is tijdens het veldonderzoek een inventarisatie uitgevoerd naar de vegetatie die op en langs de kade groeit. Op oude(re) kademuren groeien in verband met de gebruikte mortel vaak specifieke plantensoorten waaronder mogelijk (strikt) beschermde soorten. Soorten als de Schubvaren (Asplenium ceterach) en de Muurbloem (Erysimum cheiri) zijn wettelijk beschermd.

18

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

5.

Resultaten Vleermuizen Het pand bevat invliegopeningen voor vleermuizen. Er is een spouwmuur aanwezig. Aan de noord-oostzijde zijn open stootvoegen te zien (foto 1). Het gebouw kan daarom mogelijk dienen als verblijfsplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten als de Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis en de Laatvlieger. Doordat de panden niet veel verdiepingen hebben en geen grote blinde muren hebben, is het onwaarschijnlijk dat in de bebouwing massawinterverblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis aanwezig zijn.

Foto 1: Open stootvoegen aan noordoostzijde van het gebouw

Vogels met een vaste verblijfplaats Het dak is niet geschikt als verblijfplaats voor huismussen en gierzwaluwen. In de middelste plantaan is wel een nest aangetroffen van een kraaiachtige. Tijdens het veldbezoek is er geen acitiviteit waargenomen. Het is aan te bevelen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden om verstoring en vernietiging van nesten te voorkomen. Wanneer er toch in het broedseizoen gewerkt wordt dient er vooraf door een deskundige een broedvogelcheck uitgevoerd te worden voordat het plangebied wordt vrijgegeven.

19

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Algemene broedvogels Algemene broedvogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen (globaal van maart tot en met augustus) wanneer deze een nest met eieren en/of jongen hebben. Vogelnesten van algemene broedvogels vallen alleen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming wanneer het in gebruik is. De aanwezigheid van broedactiviteit is leidend, vanaf het moment dat de vogels een nest maken tot aan het moment dat de jongen nest verlaten. Er zijn geen bestaande nesten van algemene broedvogels in het plangebied waargenomen tijdens het veldbezoek. Er zijn wel twee Turkse tortels in de meest linker plantaan gezien. Deze waren aan het rusten op het moment van het veldbezoek. Ook is er grenzend aan de oostzijde van het plangebied een merelnest aangetroffen, deze was niet in gebruik op het moment van het bezoek. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn er geen zoogdierindividuen waargenomen. Ook zijn er geen holen, holten of sporen aangetroffen die op hun aanwezigheid kunnen duiden. Flora Binnen het plangebied staan 3 grote plantanen van +- 50 cm dik. Deze bevatten geen holtes, scheuren, spleten of losse bast. Wel maken zij deel uit van een mogelijke route/verbinding. Grenzend aan het plangebied bevinden zich struiken. Hierin staan de soorten kamperfoelie en laurierkers. Er staan geen beschermde plantensoorten in het plangebied.

20

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

6.

Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Vleermuizen Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen niet met zekerheid uitgesloten worden. De bebouwing is geschikt om door vleermuizen gebruikt te worden als verblijfplaats. Om deze redenen dient aanvullend vleermuisonderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol (2021) uitgevoerd te worden. Dergelijk onderzoek moet bestaan uit vijf vleermuisinventarisaties die in de periode half mei tot en met eind september uitgevoerd worden. Vleermuizen gebruiken gedurende het jaar namelijk een netwerk van verschillende verblijfplaatsen (i.e. kraamplaats, zomerverblijfplaats, paarverblijf, (massa) winterverblijfplaats). Het vleermuisprotocol stelt daarom dat vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de functies, die de bebouwing mogelijk jaarrond voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren. Op basis van de uitkomsten van het aanvullende onderzoek wordt duidelijk of maatregelen en/of een ontheffing nodig zijn. Vogels met een vaste verblijfplaats Er is een kraaiennest aangetroffen in het plangebied. Deze bevindt zich in een plantaan dicht op het te slopen gebouw. Dit nest kan in gebruik zijn door een vogelsoort met een vaste verblijfsplaats, bijvoorbeeld een Buizerd of een Sperwer, en zou verstoord worden bij de geplande werkzaamheden. Om deze reden is er aanvullend onderzoek nodig.

Algemene broedvogels Algemene broedvogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen wanneer deze een nest met eieren en/of jongen hebben. Het is aan te bevelen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden om verstoring en vernietiging van nesten te voorkomen. Wanneer er toch in het broedseizoen gewerkt wordt dient er vooraf door een deskundige een broedvogelcheck uitgevoerd te worden voordat het plangebied wordt vrijgegeven. Grondgebonden zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen individuen of sporen van grondgebonden zoogdieren waargenomen in het plangebied. Voor grondgebonden zoogdieren zijn er hierdoor vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen naast de zorgplicht. Flora Het plangebied bevat geen beschermde flora. Hierdoor zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen ten aanzien van flora.

21

Quickscan flora en fauna t.b.v. Molenstraat/Dreef te Bruinisse

Zorgplicht Onder de zorgplicht wordt volstaan dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat wanneer kan worden vermoed dat door handelen of nalaten ‘wezenlijke’ nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, deze handelingen achterwege gelaten worden, of dat maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. De zorgplicht geldt in Nederland voor alle in het wild voorkomende dieren en planten, ook als zij geen beschermingsstatus volgens de Wet Natuurbescherming hebben. In het kader van de zorgplicht kunnen de volgende maatregelen genomen worden: - Zoveel mogelijk buiten de kwetsbare perioden van aanwezige soorten werken. - De werkzaamheden dienen zoveel mogelijk tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden. - Indien er tussen zonsondergang en zonsopkomst gewerkt wordt dient het werkterrein en de directe omgeving zo min mogelijk verlicht te worden, om verstoring voor aanwezige dieren rondom het plangebied zoveel mogelijk te voorkomen. - Voordat vegetatie (zoals bosschages) verwijderd wordt controleren op de aanwezigheid van dieren (zoals egels) en indien aanwezig deze zorgvuldig te verplaatsen naar een geschikte locatie in de directe omgeving.

- Wanneer mogelijke schuilplekken van dieren, zoals blad- en takkenhopen, houtstronken en houtwallen, worden verwijderd, dient dit met zorg te gebeuren. - Er moet worden voorkomen dat aanwezige dieren worden verdrukt of gedood. - Het materieel/de persoon die de ingreep uitvoert dient zodanig gepositioneerd te zijn dat eventueel aanwezige dieren een vrije vluchtroute hebben naar een bereikbaar en veilig alternatief habitat. - Indien dit niet mogelijk is, dienen aanwezige dieren zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie in de directe omgeving. - Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen; - Waar nodig kan er gebruik gemaakt worden van ecologische begeleiding tijdens de werkzaamheden voor bijvoorbeeld het herkennen van een beschermde plant, het aanwijzen van een exacte locatie van een nest, groei-, of rustplaats, het op juiste wijze plaatsen of verwijderen van amfibieschermen, nestkasten, etc.

22

Referenties Database NWC Websites: www.pdok.nl www.natura2000.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.zoogdiervereniging.nl www.zuidholland.nl

Bijlage 1: Foto’s van het plangebied

Foto 1: Struiken aan de oostzijde van het plangebied

Foto 2: Achterzijde gebouw

Bijlage 2: Beschermde soorten Wet natuurbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming worden alle in Europa voorkomende en in het wild levende vogels beschermd en onderstaande soorten uit overige soortgroepen:

Amfibieën Alpenwatersalamander Bastaard kikker1 Boomkikker Bruine kikker1 Geelbuikvuurpad Gewone pad1

Heikikker Kamsalamander Kleine watersalamander1 Knoflookpad Meerkikker1 Middelste groene kikker

Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander Vroedmeesterpad Vuursalamander

Grote vos Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Iepenpage Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kommavlinder Moerasparelmoervlinder Pimpernelblauwtje Sleedoornpage

Spiegeldikkopje Tijmblauwtje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren maan Zilverstreephooibeestje

Dagvlinders Aardbeivlinder Apollovlinder Bosparelmoervlinder Boszandoog Bruin dikkopje Bruine eikenpage Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote parelmoervlinder

Haften Oeveraas

Kevers Brede geelrandwaterroofkever Gestreepte waterroofkever Juchtleerkever

Vermiljoenkever Vliegend hert

Kreeftachtigen Europese rivierkreeft

Landzoogdieren Aardmuis1 Bever Boommarter Bosmuis1 Bunzing3 Damhert Das Dwergmuis1 Dwergspitsmuis1 Edelhert Eekhoorn

Gewone zeehond Grote bosmuis Haas7 Hamster Hazelmuis Hermelijn3 Huisspitsmuis1 Konijn7 Lynx Molmuis Noordse woelmuis

Rosse woelmuis1 Steenmarter5 Tweekleurige bosspitsmuis4 Veldmuis1 Veldspitsmuis Vos1 Waterspitsmuis Wezel3 Wilde kat Wild zwijn6 Woelrat1

Egel1 Eikelmuis Gewone bosspitsmuis1

Ondergrondse woelmuis4 Otter Ree1

Wolf

Gevlekte Witsnuitlibel Gewone Bronlibel Groene glazenmaker Kempense heidelibel Mercuurwaterjuffer Hoogveenglanslibel

Noordse winterjuffer Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Speerwaterjuffer

Kemp´s zeeschildpad Lederschildpad Levendbarende hagedis Muurhagedis

Ringslang Soepschildpad Zandhagedis

Libellen Beekrombout Bosbeekjuffer Bronslibel Donkere waterjuffer Gaffellibel Gevlekte glanslibel

Nachtvlinders Teunisbloempijlstaart

Reptielen Adder Dikkopschildpad Gladde slang Hazelworm

Sporenplanten Varens Kleine vlotvaren Blaasvaren Groensteel Schubvaren

Bladmossen Geel schorpioenmos Tonghaarmuts

Vissen Beekdonderpad Beekprik Elrits

Gestippelde alver Grote modderkruiper Houting

Kwabaal Steur

Weekdieren Bataafse stroommossel

Platte schijfhoren

Vaatplanten Akkerboterbloem Akkerdoornzaad Akkerogentroost Beklierde ogentroost Berggamander Bergnachtorchis Blauw guichelheil Bokkenorchis Bosboterbloem Bosdravik Brave hendrik Brede wolfsmelk Breed wollegras Bruinrode wespenorchis Dennenorchis Dreps Drijvende waterweegbree

Groenknolorchis Groot spiegelklokje Grote bosaardbei Grote leeuwenklauw Honingorchis Kalkboterbloem Kalketrip Karthuizeranjer Karwijselie Kleine ereprijs Kleine schorseneer Kleine wolfsmelk Kluwenklokje Knollathyrus Knolspirea Korensla Kranskarwij

Pijlscheefkelk Roggelelie Rood peperboompje Rozenkransje Ruw parelzaad Scherpkruid Schubzegge Smalle raai Spits Havikskruid Steenbraam Stijve wolfsmelk Stofzaad Tengere distel Tengere veldmuur Trosgamander Veenbloembies Vliegenorchis

Echte gamander Gevlekt zonneroosje Glad biggenkruid Gladde zegge Groen nachtorchis

Kruipend moerasscherm Kruiptijm Lange zonnedauw Liggende raket Naaldenkervel

Vroege ereprijs Wilde averuit Wilde ridderspoor Wilde weit Zomerschroeforchis

Grote hoefijzerneus Grote rosse vleermuis Ingekorven vleermuis Kleine dwergvleermuis Kleine hoefijzerneus Laatvlieger Meervleermuis

Mopsvleermuis Noordse vleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Gewone vinvis Griend Grijze dolfijn Kleine zwaardwalvis Narwal Noordse vinvis Orca Potvis

Spitsdolfijn van gray Tuimelaar Walrus Witflankdolfijn Witsnuitdolfijn Witte dolfijn

Vleermuizen Baardvleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis

Zeezoogdieren Bruinvis Bultrug Butskop Dwergpotvis Dwergvinvis Gestreepte dolfijn Gewone dolfijn Gewone spitsdolfijn

1 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies. 2 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Flevoland. 3 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Gelderland, Noord-Holland en

Noord-Brabant. 4 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Zuid-Holland. 5 Voor deze soort geldt enkel in Friesland een vrijstelling. 6 Voor deze soort geldt enkel in Noord-Brabant een vrijstelling.

7 Voor deze soort geldt een vrijstelling in alle provincies m.u.v. Zeeland.

Bijlage 3: Vleermuizen en ruimtelijke ingrepen

Vleermuizen en hun leefgebied worden beschermd door de Wet natuurbescherming. In deze wet is bepaald dat in het geval van een ruimtelijke ingreep ruim van tevoren bekeken moet worden of de ingreep nadelige invloed kan hebben op vleermuizen en hoe hiermee omgegaan moet worden. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken het hele jaar door gebruik van verschillende verblijfplaatsen (o.a. in bomen en gebouwen). Vleermuisverblijfplaatsen zijn op te delen in verschillende typen: winterverblijfplaats (waar overwinterd wordt), dagkwartieren (waar de mannetjes in de kraamkolonieperiode overdag zitten, alleen of in kleine groepjes), kraamkolonies (vrouwtjes en hun jongen, vaak in grote groepen), paar-verblijven (waar gepaard wordt, vaak in het najaar, soms gelijk aan de winterverblijfplaats) en tussenkwartieren (gebruikt in de periode tussen overwinteren en de zomerperiode in). Per type verblijfplaats gebruiken vleermuizen vaak meerdere verblijven waar tussen gewisseld wordt, bijvoorbeeld wanneer elders het klimaat geschikter is of om aan parasieten te ontkomen. Vleermuizen zijn wel zeer honkvast wat betreft de typen verblijven die ze gebruiken. Dit betekent dat hun verblijven belangrijk zijn voor instandhouding van de populatie en dat deze daarom beschermd worden door de wet. Sinds mei 2009 is het Vleermuisprotocol vastgesteld.

Dit is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ in overleg met de Dienst Landelijk Gebied (DLG) en de Gegevensautoriteit Natuur (GaN). Het protocol dient als leidraad voor het bepalen hoe en hoe vaak geïnventariseerd moet worden om te voldoen aan de wetgeving. Voor het bepalen of een gebouw of een potentieel geschikte boom van belang is als vleermuisverblijfplaats, is over het algemeen een langlopend onderzoek nodig (van april/mei t/m september/oktober) en zijn 4 tot 7 bezoeken nodig. Om onnodige vertraging te voorkomen, wordt daarom aangeraden om in de planning van de voorgenomen plannen rekening te houden met deze onderzoeksperiode. Maatregelen ten behoeve van vleermuizen zijn nodig: •

indien sprake is van een verblijfplaats die van significant belang is of zou kunnen zijn en/of;

•

indien vleermuizen aangetroffen zijn.

Er is sprake van een significant belangrijke verblijfplaats (ook wel vaste verblijfplaats genoemd, een verblijfplaats die van belang is voor een populatie) als: •

er sprake is van een kraamkolonie;

•

er sprake is van een belangrijke overwinteringsplaats of paarplaats;

•

er geen alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving beschikbaar zijn;

•

de gunstige staat van instandhouding van de (populatie van) de soort in het geding is bij het verdwijnen van de verblijfplaats.

De te nemen maatregelen moeten er voor zorgen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet overtreden worden. Dit betekent dat er geen dieren gedood, verwond of actief verstoord mogen worden en dat in geval van significant belangrijke verblijfplaatsen deze behouden moeten blijven of anders tijdig op een goede manier vervangen dienen te worden. De functie die het leefgebied voor de betreffende populatie vervult, moet onverminderd blijven bestaan.

Om te voorkomen dat dieren gedood, verwond of actief verstoord worden, kunnen de volgende mitigerende maatregelen nodig zijn: •

niet slopen in de winterslaapperiode (in deze periode kan zelden met zekerheid worden vastgesteld dat vleermuizen afwezig zijn in een potentieel geschikt en onoverzichtelijk object, omdat ze dan ook ’s nachts passief zijn. Dat maakt ze in deze periode overigens extra kwetsbaar);

•

vlak voor de sloop onderzoeken of er individuen aanwezig zijn in het te slopen object. Zijn deze wel aanwezig dan geldt dat gewacht moet worden tot het dier of de dieren weg zijn.

Om zeker te weten of de mitigerende maatregelen voldoende zijn kan een ontheffing aangevraagd worden bij de provincie waarin de ingreep plaatsvindt. Een afwijzingsbrief, die stelt dat geen ontheffing nodig is, ‘omdat als de voorgestelde maatregelen genomen worden er immers geen verboden overtreden worden’ geldt als goedkeuring van de voorgestelde maatregelen. Zijn de maatregelen niet voldoende, dan moeten deze aangepast worden. Als dat niet mogelijk is of wanneer compenserende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen), is een ontheffing nodig. Deze wordt alleen verstrekt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang. Jachtgebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen bestaat het leefgebied van vleermuizen ook uit foerageergebied en vliegroutes (vaak bomenrijen of waterlopen). Deze zijn ook beschermd als zij van significant belang zijn. Zij gelden als significant belangrijk indien bij aantasting de functionaliteit van de verblijfplaats(en) in het geding komt. Is dat het geval, dan zijn maatregelen nodig die dit voorkomen, anders is een ontheffing nodig. Ook hier geldt dat deze alleen verstrekt wordt in geval van projecten waarbij sprake is van een groot openbaar belang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13226420/1