967038 Bijlagen toelichting Bijlage 15 Rapport quickscan flora en fauna uitbreidingsdeel
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING CAMPING DE OASE (DEEL III) LAGE ZOOM TE RENESSE
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Lage Zoom te Renesse Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Postbus 430 4330 AK Middelburg
Rapportnummer Versienummer
16054.003 D2
Status
Eindrapportage
Datum
5 oktober 2021
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw A.M. Vergeer, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw C.I. Langendoen, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 7
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................. 11 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 13 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 14 Ongewervelden............................................................................................................... 15 Vaatplanten..................................................................................................................... 15
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 17 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 8 Soortenbescherming ........................................................................................................ 8 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 9 Houtopstanden ............................................................................................................... 10
Algemene broedvogels ................................................................................................... 17 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Kleine marterachtigen, haas en konijn ........................................................................... 17 Algemene grondgebonden zoogdieren .......................................................................... 18 Amfibieën ........................................................................................................................ 18 Japanse duizendknoop ................................................................................................... 19 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 19
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 20 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 20 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 21
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 23
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 16054.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Rho Adviseurs voor leefruimte opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming voor camping de Oase (deel III) aan de Lage Zoom te Renesse. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 1 van 25
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 84.000 m²) ligt aan de Lage Zoom, circa 700 meter ten zuiden van de kern van Renesse.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft in de huidige situatie een deel van een agrarisch perceel aan de Lage Zoom. Het noordwestelijke deel van het perceel betreft een onbegraasde weide met Engels raaigras, die is omzoomd door dubbele bomenrijen bestaande uit coniferen in combinatie met onder andere meidoorn, zwarte els en haagbeuk. Dit deel van de onderzoekslocatie wordt in dit rapport verder aangeduid als de raaigrasweide. Het overige deel van de onderzoekslocatie bestaat uit akkerlandschap dat is begroeid met verschillende hoge grassen en soorten als rolklaver en boterbloem. Dit deel van de onderzoekslocatie wordt in dit rapport verder aangeduid als de akker. Midden in de akker bevindt zich een droogstaande greppel. Langs de randen van het perceel bevinden zich met riet begroeide sloten met hoge oevers. Op de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie ligt een talud van een à twee meter hoog dat is begroeid met ruigtesoorten als brandnetel, akkerdistel en braam. Buiten de onderzoekslocatie ligt ten noordwesten van de onderzoekslocatie een (half-)natuurlijk, open perceel met ruig grasland dat van de onderzoekslocatie wordt gescheiden door een sloot. Ten oosten
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 2 van 25
van de onderzoekslocatie ligt camping de Oase, die van de onderzoekslocatie wordt gescheiden door een sloot en houtwal met onder andere kornoelje, es, zomereik, gewone esdoorn en meidoorn. Aan de zuidoostzijde en de zuidwestzijde wordt de onderzoekslocatie begrensd door sloten, bomenrijen en respectievelijk de Lage Zoom en de Kooijmansweg. Ten zuidoosten van de Lage Zoom bestaat het landschap uit agrarisch gebied en ten zuidwesten van de Kooijmansweg liggen verschillende campings. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 20 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 3 van 25
Figuur 3. Overzicht akker in oostelijke kijkrichting, achter de houtwal op de achtergrond bevindt zich camping de Oase.
Figuur 4. Detail hoog gras op akker.
Figuur 5. De akker, gezien in noordelijke richting, aan de rechterkant de sloot en bomenrij met daarachter camping de Oase, op de achtergrond is de bomenrij te zien waarachter het noordelijke veld ligt.
Figuur 6. Talud ten zuiden van akker.
Figuur 7. Detail talud, begroeid met ruigtesoorten.
Figuur 8. Noordzijde akker, kijkrichting oost.
Figuur 9. Drooggevallen greppel midden op akker.
Figuur 10. Overzicht van de raaigrasweide, omringd door dubbele bomenrijen.
Figuur 11. Binnenkant dubbele bomenrij.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 4 van 25
Figuur 12. Bomenrij noordzijde raaigrasweide met bramenruigte in het midden.
Figuur 13. Bramenruigte raaigrasweide.
Figuur 14. Detail loopsporen onder bramenruigte raaigrasweide.
Figuur 15. Brede houtwal aan westzijde raaigrasweide, bestaande uit rododendrons, coniferen en brandnetels.
Figuur 16. Duiveneieren onder bomenrij rond raaigrasweide.
Figuur 17. Japanse duizendknoop direct ten noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 18. Sloot ten noorden van onderzoekslocatie.
Figuur 19. Half-natuurlijk open graslandschap ten noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 20. Sloot met riet, bomenrijen (iep), fietspad en Lage Zoom direct ten zuiden van de onderzoekslocatie.
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens de camping naar het westen uit te breiden, waarbij een nieuw receptiegebouw en nieuwe standplaatsen worden gerealiseerd (figuur 21). De bomenrijen bestaande uit coniferen zullen gefaseerd verwijderd worden. In plaats hiervan zullen nieuwe bomen en bomenrijen op het terrein worden aangeplant.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 5 van 25
Figuur 21. Inrichtingsplannen de Oase 2021 (bron: Rho Adviseurs).
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 6 van 25
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 24 augustus 2021. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Zeeland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 7 van 25
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 8 van 25
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 9 van 25
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 10 van 25
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: gierzwaluw, huismus, roek, grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. Op voorhand kan het voorkomen van gierzwaluw en huismus uitgesloten worden als broedvogels op de onderzoekslocatie. Deze soorten broeden in bebouwing, welke niet aanwezig is op de onderzoekslocatie. De ooievaar broedt op hoge, torenvormige structuren zoals bebouwing, hoogspanningsmasten of nestpalen. Deze zijn niet aanwezig op of nabij de onderzoekslocatie, waardoor een broedgeval van de ooievaar op de onderzoekslocatie daarom worden uitgesloten. De roek is een koloniebroeder. De nesten worden in de toppen van hoge bomen gebouwd. Op de onderzoekslocatie is geen cluster van grote nesten aangetroffen. Hierdoor kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de roek broedt binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de roek wordt niet nodig geacht. De grote gele kwikstaart nestelt graag bij stromend water in een nis in de muur, bij bomenwortels in natuurlijke oevers en onder bruggen.
Dit is niet in geschikte vorm aanwezig op de onderzoekslocatie. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF is de grote gele kwikstaart de afgelopen jaren meerdere malen in de omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Deze waarnemingen zijn met name in de wintermaanden, wanneer de mannetjes zich door het hele land verspreiden. De grote gele kwikstaart broedt voornamelijk in het (zuid)oosten van het land. Hiermee kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de grote gele kwikstaart broedt binnen de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de grote gele kwikstaart wordt niet nodig geacht. De kerkuil, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief broeden in grote nesten, bijvoorbeeld ekster- en kraaiennesten, nestkasten of nestclusters. Op de onderzoekslocatie bevinden zich enkele dubbele bomenrijen. Deze rijen waren goed te overzien vanuit de binnenzijde, omdat aan de donkere binnenkant weinig bladeren en takken zijn gevormd. In deze bomen op de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten aanwezig. De overige bomen bevatten tevens geen grote nesten en daarvoor ook matig geschikt doordat ze een erg open karakter hebben of dun zijn. Om bovenstaande redenen kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat deze vogels broeden binnen de onderzoekslocatie.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 11 van 25
5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten in sommige gevallen jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Boomholten zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie. Wel is de locatie geschikt voor nestbouwers, zoals eksters, om te broeden. Er zijn echter geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie in de toekomst een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. In de directe omgeving is voldoende alternatief broedgelegenheid aanwezig voor deze soorten. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3
Overige broedvogels
De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan grondbroedende en boombewonende algemene vogelsoorten. Tijdens het veldbezoek van de quickscan is een fazant op de onderzoekslocatie waargenomen en zijn eierschalen van de houtduif aangetroffen (figuur 16). De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en de bomen bevatten geen holten of loshangend schors, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft bijvoorbeeld de natte natuur langs de Lage Zoom, ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomenrijen om de raaigrasweide kunnen fungeren als vliegroute doordat ze donkere lijnvormige elementen vor-
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 12 van 25
men tussen de camping en het nabijgelegen foerageergebied in de natte natuur ten westen van de onderzoekslocatie. Bij de herbestemming van de onderzoekslocatie zullen de bomenrijen gefaseerd verwijderd worden. In eerste instantie worden enkel doorsteken gemaakt in de bomenrij met een breedte van ongeveer 5 meter. Een eventuele vliegroute blijft intact bij onderbrekingen tot maximaal 15 meter. De overige coniferen zullen binnen een periode van ongeveer 10 jaar verwijderd worden. Op het terrein worden nieuwe aaneengesloten bomenrijen gerealiseerd met een zelfde oriëntatie als de huidige rijen met coniferen (figuur 21). De coniferen zullen pas verwijderd worden wanneer de nieuwe beplanting een hoogte heeft bereikt van minimaal 3 meter. Op deze wijze blijft de potentiële vliegroute in stand en wordt een nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen niet noodzakelijk geacht. 5.3
Overige zoogdieren
Alle wilde zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, wezel, noordse woelmuis, damhert, haas en konijn. De bunzing en wezel komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Ondanks dat de hermelijn niet in de omgeving is waargenomen, is het mogelijk dat ook deze soort voorkomt in de omgeving. Kleine marterachtigen komen voor in verschillende landschapstypen, maar de voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. De kleine marterachtigen zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden. Daarnaast komen ze ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten. Op de onderzoekslocatie zijn landschapselementen aanwezig die met elkaar in verbinding staan.
Het betreft de sloten rondom de onderzoekslocatie, de bomenrijen, het talud en het stukje bramenruigte aan de raaigrasweide. Deze plekken kunnen in potentie gebruikt worden als migratieroute en verblijfplaats door kleine marterachtigen. Kleine marterachtigen maken een schuilplaats in oude holen van bijvoorbeeld muis, konijn en mol, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Op de onderzoekslocatie zijn muizenholen aangetroffen. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen tussen de begroeiing en langs de sloten is niet op voorhand uit te sluiten. Ook kan het talud met de bramenstruiken potentieel gebruikt kan worden als vaste rust- en verblijfplaats. Het voedsel van kleine marterachtigen bestaat uit allerlei dierlijk voedsel zoals konijnen, (woel)muizen, (woel)ratten en amfibieën, maar ook vogels en vogeleieren. Op de onderzoekslocatie zijn muizenholen aangetroffen, zijn sloten aanwezig die mogelijk door amfibieën kunnen worden gebruikt als voortplantingsplaats en er broeden waarschijnlijk vogels op de grond. Voedselbronnen voor marterachtigen zijn daarom mogelijk in verschillende vormen aanwezig op de locatie.
Door de aanwezigheid van verbindingselementen, dekking en het voedselaanbod kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie wordt gebruikt als foerageergebied, migratieroute en mogelijk als verblijfplaats door kleine marterachtigen. Nader onderzoek naar de functie van de onderzoekslocatie voor kleine marterachtigen wordt noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 13 van 25
Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen gedaan van de noordse woelmuis. De noordse woelmuis is in ons land een echte moerasbewoner die hier leeft in rietlanden, oeverlanden van meren, langs beken en rivieren, en in drassige, extensief gebruikte hooi- en weilanden. Waar het areaal overlapt met dat van de veldmuis, wordt de noordse woelmuis niet aangetroffen vanwege concurrentie. De veldmuis en aardmuis zijn beiden volgens verspreidingsgegevens van de NDFF binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie aangetroffen. Doordat de onderzoekslocatie grasland betreft dat geschikt habitat vormt voor andere woelmuizen en door de aanwezigheid van andere soorten woelmuizen in de omgeving, kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de noordse woelmuis voorkomt op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar noordse woelmuis wordt niet noodzakelijk geacht. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie meerdere waarnemingen gedaan van het damhert. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen met een dichte onderbegroeiing. Dit is niet aanwezig op de onderzoekslocatie.
Hierdoor kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie in gebruik is als vaste rust- of voortplantingsplaats door een damhertenpopulatie. Nader onderzoek naar damhert wordt niet noodzakelijk geacht. De haas en het konijn komen volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Konijnen wonen in uitgebreide, zelf gegraven gangenstelsels met vele gangen en kamers. Hazen maken legers (ondiepe uithollingen) in bosranden, windkeringen, ruigtezomen en onder heggen. Op de onderzoekslocatie zijn holen van het konijn niet uit te sluiten onder de bramenruigtes op het talud en aan de noordzijde van de raaigrasweide. Onder dit laatste element zijn sporen aangetroffen van regelmatige betreding door een klein zoogdier (figuur 14). Daarnaast zijn legers van hazen niet uit te sluiten in de verschillende typen grasland op de akker en de raaigrasweide. Het kan niet op voorhand worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfsplaats van konijn of haas (zie hoofdstuk 6). Algemene soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. Bij de werkzaamheden dient daarom rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht voor algemene zoogdiersoorten (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende beschermde reptielsoort waargenomen: de levendbarende hagedis. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. De waarnemingen van de beschermde levendbarende hagedis hebben betrekking op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Kop van Schouwen, waar wel geschikt habitat aanwezig is. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: boomkikker, heikikker, rugstreeppad, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 14 van 25
De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De sloten rondom de onderzoekslocatie en de natte greppel op de onderzoekslocatie kunnen onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte. De waarnemingen van de streng beschermde boomkikker, heikikker en rugstreeppad hebben betrekking op het nabij gelegen Natura 2000-gebied Kop van Schouwen, waar specifiek geschikt habitat voor deze soorten aanwezig is. Nader onderzoek naar deze soorten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen wel negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten en kan op het moment van uitvoering van werkzaamheden geschikt habitat ontstaan voor rugstreeppad (zie hoofdstuk 6). Vissen De greppel op de akker valt droog en is daardoor ongeschikt als leefgebied voor vissen. De sloten rondom de onderzoekslocatie kunnen leefgebied vormen voor vissen. De sloot wordt door de ingreep op de onderzoekslocatie niet aangetast, waardoor er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming te verwachten zijn met betrekking tot beschermde vissoorten. Ook zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissoorten in de omgeving van de onderzoekslocatie. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
De onderzoekslocatie bestaat uit monocultuur grasland en verder uit ruigtes met verschillende soorten die gedijen in verstoord habitat. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vaatplanten waargenomen: smeerwortel, gewone bereklauw, akkerdistel, braam, melkdistel, klaproos, hondsdraf, rolklaver, boterbloem, ereprijs, brandnetel, fluitenkruid en wikke. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en verstoord is. In dergelijke pioniervegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 15 van 25
Ten noorden van de onderzoekslocatie is een opstand van Japanse duizendknoop waargenomen (figuur 17). Deze plantensoort is niet beschermd, maar is juist een invasieve exoot die zich gemakkelijk verspreidt door de sterke wortelstokken en het woekerende karakter. Zonder aanvullende maatregelen kan deze soort schade toebrengen aan natuur en bebouwing (zie hoofdstuk 6).
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 16 van 25
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Vliegroute De bomenrijen rond de raaigrasweide op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als vliegroute voor vleermuizen. De plannen zullen echter geen aantasting van een vliegroute vormen (zie H5.2). Wel is belang dat de realisatie van de nieuwe bomenrijen voltooid is voordat de coniferen verwijderd worden, zodat het lijnvormig element (van minimaal 3 meter hoog) behouden blijft. Doorsteken in de huidige coniferenrij vormen geen overtreding indien de tussenruimten minder dan 15 meter bedragen. Houd rekening met vleermuisvriendelijke verlichting bij de bomenrijen: naar beneden gericht, zo min mogelijk op de bomen gericht en amberkleurig. Indien bovenstaande maatregelen worden nageleefd is nader onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen niet aan de orde. Foerageerhabitat De plannen zullen geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Wel wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie verlichtingsarmaturen te gebruiken die naar beneden schijnen of andere vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) toe te passen, zodat foeragerende en passerende vleermuizen zo min mogelijk beïnvloed worden door de werkzaamheden 6.3
Kleine marterachtigen, haas en konijn
De bunzing, wezel, hermelijn, haas en konijn zijn beschermde inheemse diersoorten volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is hierdoor verboden om de soorten in hun natuurlijk ver-
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 17 van 25
spreidingshabitat opzettelijk te doden en vangen, alsook om vaste rustplaatsen en essentieel functioneel leefgebied van de soorten te beschadigen of vernielen. Wanneer op de onderzoekslocatie essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van kleine marterachtigen, haas en/of konijn aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De bramenruigtes, begroeiing langs de sloten en de graslanden op de onderzoekslocatie bieden potentieel habitat en mogelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen voor deze beschermde soorten. Het verwijderen van de aanwezige beplanting en het vergraven van holen kan leiden tot vernietiging van vaste rustplaatsen en/of foerageergebied van deze soorten, wat in strijd is met de wet Natuurbescherming. Het is daarom van belang om vast te stellen dan wel uit te sluiten dat kleine marterachtigen, haas en/of konijn gebruik maken van de onderzoekslocatie. Om dit te bepalen dient, conform de methode zoals beschreven in de Handreiking wezel, hermelijn en bunzing van de provincie Noord-Brabant, in de periode maart tot en met augustus (voorplantingsperiode) 6 weken onderzoek uitgevoerd te worden met cameravallen.
Aanvullend hierop worden tijdens de rammeltijd (februari tot september, met een piek rond maart/april) van de haas veldbezoeken uitgevoerd door waarnemers. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde bunzing, wezel, hermelijn, konijn en/of haas gebruik maken van de onderzoekslocatie als vaste rustof voortplantingsplaats. 6.4
Algemene grondgebonden zoogdieren
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van vegetatie en snoeiafval buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust uit te voeren. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5
Amfibieën
Rugstreeppad De onderzoekslocatie vormt op het moment geen geschikt voorplanting- en verblijfshabitat voor de rugstreeppad. Tijdens de werkzaamheden kan de onderzoekslocatie echter wel geschikt worden voor de rugstreeppad. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren doordat de grond wordt vergraven en op de onderzoekslocatie zandhopen ontstaan en voortplantingswateren ontstaan in rijsporen. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich tijdens de werkzaamheden vestigt op de onderzoekslocatie, wordt geadviseerd te werken volgens een ecologisch werkprotocol waarin opgenomen wordt hoe vestiging van de rugstreeppad kan worden voorkomen. Omdat zich geen voortplantingslocaties bevinden op of in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie, zijn deze extra maatregelen alleen van toepassing indien gewerkt wordt buiten de winterrustperiode van de rugstreeppad. De precieze winterrustperiode is afhankelijk van lokale klimatologische en meteorologische omstandigheden, maar loopt globaal van half november tot half maart. Wanneer de
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 18 van 25
start, uitvoering en afronding van de ingreep met zekerheid binnen deze periode kan plaatsvinden is een ecologisch werkprotocol niet nodig. Algemene amfibieënsoorten De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.6
Japanse duizendknoop
Japanse duizendknoop is niet opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het wordt echter sterk geadviseerd rekening te houden met de aanwezigheid van de plantensoort in de directe nabijheid van de onderzoekslocatie om te voorkomen dat de soort zich verspreid. Bekijk voor meer informatie www.bestrijdingduizendknoop.nl of neem contact op met de gemeente Schouwen-Duiveland voor vervolgstappen. 6.7
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 19 van 25
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Kop van Schouwen, bevindt zich op circa 320 meter afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 22).
Figuur 22. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de afstand en de aard van de ingreep op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 20 van 25
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 250 meter ten noordoosten van de onderzoekslocatie. In figuur 23 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 23. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Zeeland de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. Door de afstand tussen de onderzoekslocatie en het Natuurnetwerk Nederland kan aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland op voorhand worden uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 21 van 25
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er, indien bij voorgenomen ingreep bomen worden gekapt, sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen onder artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming, waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap (indien de bomen gekapt worden). De rechthebbende draagt zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Indien de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand gerealiseerd wordt, is geen ontheffing van artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming benodigd. Enkel de kapmelding dient dan te worden ingediend bij de provincie Zeeland. Indien de bomen gekapt worden en het niet mogelijk is om dezelfde grond te herbeplanten, dient een ontheffing aangevraagd te worden voor artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.
Het betreft een ontheffing voor het herbeplanten op andere grond. Een ontheffing kan verleend worden, indien de herbeplanting voldoet aan de gestelde regels. De ontheffingsaanvraag dient voorgelegd te worden aan de provincie Zeeland.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 22 van 25
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Lage Zoom te Renesse. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen uitbreiding van camping de Oase. Het onderzoek heeft tot doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie plantenen diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen*
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden en snoeiafval buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
gebruik vleermuisvriendelijke verlichting
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
zie maatregelen H6.2
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
ja
mogelijk
- nader onderzoek naar bunzing, wezel, hermelijn, konijn en haas - zorgplicht voor algemene soorten grondgebonden zoogdieren zoals egel en muizen
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
- ecologisch werkprotocol rugstreeppad of werken binnen periode van winterrust - aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene amfibieënsoorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
aandacht Japanse duizendknoop
Gebiedsbescherming
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
320 meter
mogelijk
ja
mogelijk
Natuurnetwerk Nederland
250 meter
nee
nee
nee
ja
mogelijk
nee
mogelijk
Broedvogels
Vleermuizen
Houtopstanden
AERIUS-berekening uit laten voeren Kapmelding of vergunningsaanvraag nodig indien bomen worden gekapt.
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 23 van 25
Conclusie De onderzoekslocatie bevat (potentiële) nestgelegenheden voor algemene broedvogels. Overtredingen van de Wet natuurbescherming kunnen op voorhand worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen begin maart en september) uit te voeren. Wanneer de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt gesnoeid of verwijderd, wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen om broedgevallen hierin te voorkomen. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. De onderzoekslocatie kan door bunzing, wezel, hermelijn, konijn en haas worden gebruikt als vaste rust- of voortplantingsplaats. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van de onderzoekslocatie voor bovengenoemde soorten. De bomenrijen rond de raaigrasweide op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als vliegroute voor vleermuizen. De functionaliteit van de bomenrijen komt bij de voorgenomen ingreep niet in het geding, indien de werkzaamheden worden uitgevoerd zoals beschreven in H6.2. Ook vormt de onderzoekslocatie geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen.
Zowel met betrekking tot de vliegroute als tot het foerageergebied wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de permanente situatie vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig, naar beneden gericht en met zo min mogelijk strooilicht) toe te passen. De voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie kunnen geschikt habitat creëren voor de rugstreeppad. Het wordt daarom geadviseerd om de werkzaamheden van start tot afronding binnen de winterrustperiode van de rugstreeppad uit te voeren (tussen half november en half maart). Indien dit niet mogelijk is wordt geadviseerd een ecologisch werkprotocol op te laten stellen om intrek van deze streng beschermde soort op de planlocatie te voorkomen. Met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het vergraven van holen en het verwijderen van opgeslagen materialen en de aanwezige hopen met tuinafval. Aantoonbaar werken conform de zorgplicht kan gebeuren door te handelen middels een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Met betrekking tot Natura-2000 gebieden zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten, daarom wordt geadviseerd een AERIUS-berekening te laten uitvoeren. De bomen op de onderzoekslocatie vormen een beschermde houtopstand. Indien de bomen gekapt worden is de meldingsplicht of ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming aan de orde, dit is afhankelijk van de wijze van herbeplanting. Het wordt aanbevolen maatregelen te treffen met betrekking tot de Japanse duizendknoop die direct ten noorden van de onderzoekslocatie groeit.
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 24 van 25
Econsultancy Rotterdam, 5 oktober 2021
Rapport 16054.003 versie D2
Pagina 25 van 25
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 5 oktober 2021 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal, periode 2016-2021. NDFF. Geraadpleegd op 5 oktober 2021 van https://ndff-ecogrid.nl.
Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 5 oktober 2021 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 5 oktober 2021 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.