CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

967038 Bijlage Camping De Oase Renesse ter vaststelling 26072023 Toelichting

Commissie Ruimte en Economie 9 oktober 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststelling bestemmingsplan Camping de Oase Renesse (967038)19.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Per gebied gelden verschillende voorwaarden. Wanneer een gebied bestemd wordt in een risicogebied, worden ontwikkelingen in dit gebied getoetst aan het beleid.

36/67

Figuur 4.1 Aandachtsgebied niet-gesprongen explosieven, rood omkaderd het plangebied (Bron: Gemeente Schouwen-Duiveland, bewerking Rho adviseurs) Toetsing De beoogde locatie voor het centrumgebouw valt binnen een gebied met hoge trefkans op niet-gesprongen explosieven. Op de locaties hebben echter na 1945 diverse werkzaamheden plaatsgevonden waarbij de grond geroerd is. De kans op het alsnog aantreffen van niet-gesprongen explosieven is dus klein, ervan uitgaande dat deze destijds al ontdekt en verwijderd zijn. Op de uitbreidingslocatie hebben zover uit historisch onderzoek blijkt geen oorlogshandelingen plaatsgevonden. Conclusie Aanvullend onderzoek naar niet-gesprongen explosieven in niet noodzakelijk. Werkzaamheden rondom het centrumgebouw moeten wel uitgevoerd worden volgens het protocol 'Toevalstreffers CE uit de Tweede Wereldoorlog'.

4.3

Archeologie

Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en

37/67

werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologie beleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgesteld beleidsplan archeologie. Dit archeologie beleid is voorzien van een gedetailleerde beleidskaart, die een overzicht geeft van gekende en te onderzoeken waarden. Zo zijn de gekende waarden onderverdeeld in: terrein van zeer hoge archeologische waarde, terrein van hoge archeologische waarde en terrein van archeologische waarde. In de te onderzoeken waarden is een onderscheid gemaakt in onderzoeksgebied A en B. De beleidskaart is gedetailleerder dan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Toetsing Archeologisch onderzoek nieuw centrumgebouw In opdracht van R.O. Advies is in december 2020 een archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Dit onderzoek is uitgevoerd op de locatie waar het te realiseren centrumgebouw komt. De rapportage is toegevoegd in bijlage 7. Uit het onderzoek blijkt dat er zich oude getijdenafzettingen bevinden op de locatie, afgedekt met veen. In geen van de boringen is echter een intact veenprofiel aangetroffen. Oude duin- en/of zandstranden zijn tevens niet aangetroffen. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden naar verwachting geen archeologische resten verstoord. Echter, ondanks dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is er wel een kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht e. artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Tevens wordt door het onderzoeksbureau geadviseerd in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming archeologie op te nemen, met een vrijstellingsdiepte tot 3,5 m -NAP. Deze dubbelbestemming is opgenomen in de vorm van de bestemming 'Waarde - Archeologie - 8'. Archeologisch onderzoek uitbreidingslocatie In opdracht van de gemeente Schouwen-Duiveland is in maart 2003 een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de uitbreidingslocatie.

De rapportage is toegevoegd in bijlage 8. Op basis van de landschappelijke gegevens en de bewoningsgeschiedenis is aan het onderzoeksgebied een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde toegeschreven. Uit het inventariserend veldonderzoek blijkt dat eventuele archeologische resten in de ondergrond reeds zijn verstoord. De locatie wordt als niet-behoudenswaardig aangemerkt. Nader onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. In februari 2011 is in opdracht van de gemeente Schouwen-Duiveland opnieuw een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit vanwege de beoogde kwaliteitsverbetering op locatie en de aanleg van een fietspad langs de Lagezoom. In dit rapport wordt verwezen naar de rapportage uit 2003. Aangegeven wordt dat deze rapportage geactualiseerd moet worden. De rapportage uit 2011 geeft daar invulling aan en is toegevoegd

38/67

in bijlage 9. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodem inderdaad zodanig is verstoord dat voor de perioden late IJzertijd/Romeinse tijd tot de Nieuwe tijd er een lage verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten. Voor de Nieuw tijd is de verwachting op bewoning ook laag, de verwachting op het aantreffen van infrastructuur en perceelsgreppels is middelhoog. Archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In dit bestemmingsplan is er voor dit deel van het plangebied dan ook geen dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' opgenomen. Overige gronden Voor de overige gronden in het plangebied is geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. De geldende dubbelbestemming ('Waarde - Archeologie - 6') is dan ook overgenomen in dit bestemmingsplan. Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Toetsing Op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland, figuur 4.2, is te zien dat er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In de nabije omgeving van het plangebied zijn een aantal historische objecten gelegen. Aan de Lagezoom 27 is een rijksmonument en historische boerderij aanwezig. Dit betreft een woonhuis uit 1664 en een aangebouwde houten schuur uit 1953. De beoogde herinrichting en uitbreiding vormen geen belemmering voor cultuurhistorische waarden, omdat deze geen invloed hebben op de nabij gelegen cultuurhistorische objecten.

39/67

Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart, rood omkaderd het plangebied (Bron: Provincie Zeeland) Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Waterhuishouding

Toetsingskader Voor ruimtelijke plannen dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg. Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de

40/67

waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd. Toetsing en conclusie Uit het aanmeldformulier uit bijlage 10 blijkt dat binnen het plangebied voldoende ruimte is voor de benodigde watercompensatie. De daadwerkelijke invulling is uitgewerkt in een waterbergingsplan en wordt nog nader afgestemd met het waterschap Scheldestromen. Voor het overige zijn er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding.

4.6

Verkeersaspecten

Om de verkeerskundige gevolgen van de ontwikkeling te onderzoeken is een memo opgesteld waarin beoordeeld wordt of de ontsluitingswegen voldoende capaciteiten bieden om de verkeerstoename op een goede en verkeersveilige manier af te wikkelen, deze memo is opgenomen in bijlage 11. De hoofdlijnen uit de memo zijn opgenomen in onderstaande paragraaf. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten via de Roelandsweg. Tegenover de bestaande ingang bevinden zich een transferium en busstation. De Roelandsweg is ingericht als gebiedsontsluitingsweg. Ter hoogte van de ingang geldt een maximum snelheid van 30 km/u. De Roelandsweg sluit ter hoogte van de Lagezoom via een rotonde aan op de N652. Deze weg verbindt Renesse met de rest van Schouwen-Duiveland en via de N57 met Brabant en Rotterdam. In de toekomstige situatie wordt de hoofdontsluiting verplaatst naar de Lagezoom. De ontsluiting aan de Roelandsweg zal dan enkel benut worden voor het showterrein en vrachtleveringen. Ter hoogte van veld 5 blijft de bestaande ontsluiting op de Roelandsweg behouden. Deze zal net als in de huidige situatie in de basis afgesloten zijn. Ter hoogte van de ondersteunende technische faciliteiten in het zuidoosten van het plangebied blijft de bestaande ontsluiting op de Roelandsweg tevens behouden. Deze zal incidenteel gebruikt worden voor bevoorrading.

Beide ontsluitingen kunnen tevens dienen als calamiteitenontsluiting. Mede naar aanleiding van zienswijzen is besloten om de ingang van de camping op de Lagezoom meer naar het noordoosten te verplaatsen, zodat de ingang dichter bij de rotonde op de Roelandsweg komt te liggen en er voor gasten die zich naar de provinciale weg begeven in substantieel mindere mate aanleiding is om richting de Kooijmansweg te rijden. Het bestemmingsplan en de relevante bijlagen zijn daarop aangepast. Langzaam verkeer Langs de westzijde van de Roelandsweg ligt tussen Hogezoom en Lagezoom een vrijliggend fietspad in twee richtingen. Dit fietspad kruist de weg ter hoogte van de planontwikkeling. Vanaf hier kunnen fietsers via het transferium het centrum van Renesse op een snelle manier bereiken. Het fietspad sluit in het noorden tevens aan op de rotonde met de Hogezoom. Vanaf de rotonde wordt het fietsverkeer op de Hogezoom zowel in westelijke richting als in de richting van het centrum van Renesse gemengd met de gemotoriseerde verkeer.

41/67

Langs de Vroomweg (noordelijke tak van de rotonde) is nog wel een vrijliggend fietspad aanwezig en hoeft het fietsverkeer zich niet te mengen met het gemotoriseerde verkeer. Vanaf de bestaande ontsluiting van de camping aan de Roelandsweg loopt het tweerichtingen-fietspad door richting de Lagezoom. Dit fietspad langs de Lagezoom eindigt ter hoogte van de Kooijmansweg. Langs de Kooijmansweg tussen Lagezoom en de N652 ligt aan de oostzijde van de rijbaan een vrijliggend fietspad. Op het gedeelte van de Kooijmansweg tussen de Lagezoom en de Hogezoom deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Voor de voetganger zijn in de huidige situatie verschillende mogelijkheden om het centrum van Renesse en het strand te bereiken. De meest directe route loopt vanaf de ingang van de camping aan de Roelandsweg, via het transferium en de Wilhelmina-weg. De Wilhelminaweg is een verkeersluwe weg en is gesloten voor autoverkeer. Fietsers en voetgangers mogen hier wel gebruik van maken en delen samen de verkeersruimte. De fiets- en voetgangersverbindingen blijven in de toekomst gelijk. Openbaar verkeer Het plangebied is goed bereikbaar met openbaar vervoer. Binnen 50 meter loopafstand tegenover de huidige hoofdingang van de camping ligt een transferium waar streekbussen halteren.

Lijn 104 en 133 halteren voor de richting Spijkenisse metrostation, Oude-Tonge busstation, Middelburg busstation en Westenschouwen Dorp. Verkeersgeneratie Huidige situatie In de huidige situatie zijn maximaal 512 standplaatsen mogelijk op de camping en is een showterrein aanwezig met verkooppunt evenals enkele centrumvoorzieningen die bevoorraad moeten worden. De standplaatsen zijn onder te verdelen in stacaravans (voor toeristisch en permanent gebruik) en kampeerhuisjes. De verkeersgeneratie is berekend door middel van het stappenplan uit de Agenda Toerisme 2018-2026 van de gemeente Schouwen- Duiveland. De camping genereert in de huidige situatie 1.541 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag en 1.689 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie komen er 77 standplaatsen bij en is het per standplaats mogelijk 6 bedden te hanteren. Het showterrein blijft behouden en de centrumvoorzieningen worden vernieuwd. De verkeersgeneratie is berekend door middel van het stappenplan uit de Agenda Toerisme 2018-2026 van de gemeente Schouwen-Duiveland. De camping genereert in de toekomstige situatie op een gemiddelde weekdag 2.664 mvt/etmaal en op een gemiddelde werkdag 2.923 mvt/etmaal. Dit is een verkeerstoename van 2.923-1.689= 1.234 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag.

Verkeerstoedeling Bestaande situatie In de huidige situatie wikkelt de volledige verkeersgeneratie van 1.689 mvt/etmaal zich af via de hoofdontsluiting van de camping aan de Roelandsweg. Er wordt vanuit gegaan dat 100% van de bezoekers van de camping (standplaatsen en showterrein) in zuidelijke richting rijdt richting de N652. Ook het vrachtverkeer voor

42/67

de bevoorrading zal via de N652 de camping bereiken. Van het personeel zal 50% in noordelijke richting en 50% in zuidelijke richting rijden. Vandaar de 26 mvt/etmaal in noordelijke richting en de 1.1663 mvt/etmaal (1.689-26) in zuidelijke richting. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt de hoofdontsluiting verplaatst naar de Lagezoom. De ontsluiting aan de Roelandsweg zal dan enkel benut worden voor het showterrein en vrachtleveringen. Dit betekent dat 4 mvt/etmaal direct wordt afgewikkeld via de Roelandsweg. De overige verkeersgeneratie van de toekomstige situatie (2.923-4 = 2.919 mvt/etmaal) wordt straks afgewikkeld via de Lagezoom. Dit betreft zowel het personeel als de bezoekers van de camping (standplaatsen). Aangenomen wordt dat het merendeel van het verkeer naar de Roelandsweg zal afwikkelen (90%) en een kleiner deel (10%) via de Kooijmansweg. Om deze afwikkeling te bevorderen wordt bij de uitgang van de camping een adviesbord geplaatst met de rijrichting naar de Roelandsweg. Ook is de hoofdentree ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan richting de Roelandsweg verplaatst. Dit draagt er aan bij dat het voor het verkeer logischer wordt om te kiezen voor de richting Roelandsweg. Op het kruispunt van de Roelandsweg en de Lagezoom (net ten noorden van de rotonde) komen de twee verkeerintensiteiten (4 mvt/etmaal en 2.627 mvt/etmaal) weer bij elkaar.

Op dit klein stukje wegvak zullen in de toekomst 2.631 mvt/etmaal afgewikkeld worden. Verkeersafwikkeling en cumulatie Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en de cumulatie wordt verwezen naar bijlage 11. Geconcludeerd kan worden dat de wegenstructuur de verkeersgeneratie van voorliggende ontwikkeling en ontwikkelingen voldoende en veilig kan afwikkelen. Parkeren De parkeerbehoefte voor alle standplaatsen kan volledig worden opgelost op eigen terrein en leidt daarmee niet tot knelpunten. De onderbouwing hiervoor is opgenomen in paragraaf 2.2. en zit in het kwaliteitsverbeteringsplan (zie bijlage 1). Conclusie De verkeerstoename en wijziging in de wijze van ontsluiten van de camping leidt niet tot knelpunten op het omliggend wegennet. Hierbij is ook rekening gehouden met gecumuleerde effecten vanuit omliggende plannen. De parkeerbehoefte voor alle functies kan volledig worden opgelost op eigen terrein waardoor er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om de parkeerbehoefte op te vangen. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De

43/67

geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situatie bedraagt 63 dB. Voor verblijfsrecreatie wordt in de gemeente Schouwen-Duiveland hetzelfde beleid gehanteerd als voor reguliere woningen. Toetsing en conclusie Camping De Oase ligt binnen de geluidzone van de Roelandsweg, de N652, de Kooijmansweg en de Lagezoom. Om deze reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 12. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van de Roelandsweg, de N652, de Kooijmansweg en de Lagezoom op de buitenste zijden van het recreatieterrein de 48 dB grens op meerdere plekken overschreden wordt. Uit een vergelijking met de planontwikkeling blijkt dat alle recreatieve eenheden op de verschillende standplaatsen in deze zones buiten de 48 dB contour liggen.

Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling nemen de verkeersbewegingen in zijn algemeenheid toe (zie paragraaf 4.6 en bijlage 11). Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). Alleen voor de Lagezoom (tussen de Roelandsweg en de Kooijmansweg) zal dit het geval zijn. Omdat hier geen andere geluidgevoelige objecten zoals woningen aanwezig zijn, zijn relevante negatieve uitstralingseffecten naar de omgeving dan ook uitgesloten.

4.8

Milieuhinder en bedrijven

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering dienen voor verschillende bedrijfsactiviteiten richtafstanden aangehouden te worden. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen

44/67

kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer. Toetsing Ten zuidwesten van het plangebied zijn de omliggende gronden in gebruik als agrarische gronden. Grondgebonden agrarische bedrijven, zoals akkerbouw- fruitteelt- en veeteeltbedrijven zijn hier toegestaan. Op basis van de Provinciale Omgevingsverordening 2018 (artikel 2.17) dient daarom rekening gehouden te worden met een aan te houden richtafstand van 50 meter. Tussen de agrarische gronden en de daadwerkelijke recreatieobjecten op het uitbreidingsdeel ligt de Kooijmansweg, een fietspad en een groenzone. Hiermee is voldoende afstand om de bedrijfsvoeringen elkaar onderling niet te belemmeren. Ten zuiden, op de hoek van de Kooijmansweg en de Lagezoom zijn woningen aanwezig en een minicamping. Voor kampeerterreinen geldt een richtafstand van 50 meter voor geluid en 30 meter voor geur. Binnen deze afstand zullen geen standplaatsen worden gerealiseerd. Aan de westzijde aan de Lagezoom bevindt zich bedrijventerrein 'Duinzoom'. Hier bevinden zich een bouwmarkt, een leverancier van bouwmaterialen, een afvalverwerkingsbedrijf en een taxibedrijf. Voor bouwmarkten, tuincentra en hypermarkten geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid.

Het aanwezige afvalverwerkingsbedrijf valt onder vuiloverslagstations. Voor vuiloverslagstations geldt een richtafstand van 300 meter voor geluid en 200 meter voor geur. Groep V past binnen de omschrijving opslaggebouwen (verhuur opslagruimte). De richtafstand hiervoor bedraagt voor geluid 30 meter. De afstand van het plangebied tot het afvalverwerkingsbedrijf bedraagt circa 450 meter. De afstand tot de eerder genoemde bedrijven op bedrijventerrein 'Duinzoom' bevinden zich op circa 250 tot 450 meter afstand. Binnen deze afstand zullen geen standplaatsen worden gerealiseerd. Er wordt aan de richtafstanden voldaan. Het nieuwe centrumgebouw wordt op gelijke afstand tot de woningen aan de Roelandsweg gerealiseerd als nu het geval is. Planologisch blijft de grens tussen het bouwvlak en de aangrenzende woonbestemming gelijk. Hier blijft de bestemming ook hetzelfde. Een nadere toetsing aan de richtafstanden is daarmee niet van toepassing. Conclusie Er is en blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuhinder bestaan er daarmee geen belemmeringen voor onderliggend bestemmingsplan.

4.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de

45/67

laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van grenswaarde 1) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ 1. De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval. 2. Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de uitoefening van de bevoegdheden/realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de uitoefening van de bevoegdheden/realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld.

Besluit niet in betekenende mate bijdragen In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project veroorzaakt een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing Ten gevolge van de ontwikkeling zal de verkeersgeneratie met 1.123 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde) toenemen (zie bijlage 11). Hierbij is uitgegaan van een vrachtverkeerpercentage van maximaal 0,2%. Dit is beduidend hoger dan het feitelijk aandeel vrachtleveringen (2 mvt/etmaal). Met behulp van de NIBM-tool is onderzoek gedaan of de verkeersgeneratie mogelijk een in betekende mate bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Er is namelijk geen sprake van een toename van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 met 3% of meer. Daarom is nader onderzoek niet noodzakelijk.

In onderstaande figuur zijn de rekenresultaten uit de NIBM-tool weergegeven.

46/67

Figuur 4.3 NIBM-tool (Bron: Rho adviseurs) Conclusie De ontwikkeling van de camping draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.10 Ecologie Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied, in ieder geval voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

47/67

er zijn geen alternatieve oplossingen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldoen moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat. Toetsing

48/67

Gebiedsbescherming Natura-2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura-2000. De afstand tot een Natura 2000-gebied bedraagt circa 300 meter. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Kop van Schouwen' (zie figuur 4.4.). De ontwikkeling betreft het uit gebruik halen van ruim 8,4 hectare agrarische grond en de uitbreiding en herinrichting van de camping. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofonderzoek voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd, waarbij tevens is ingegaan op verschillende scenario's. De resultaten hiervan zijn vervat in bijlage 13. Uit de rekenresultaten blijkt dat nergens binnen de relevante Natura 2000-gebieden sprake zal zijn van een toename van de depositie als gevolg van het project dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Op een groot deel van het omliggende duingebied zal juist sprake zijn van een daling van de depositie. Concreet betekent dit dat de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen voor een Natura-2000-gebied heeft en ook niet tot een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming leidt.

Figuur 4.4 Ligging van de planlocatie (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Provincie Zeeland) Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het meest dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ, bevindt zich aan de Roelandsweg en ligt op ongeveer 30 meter. Hiermee ligt dit gebied binnen de 100 meter afwegingszone rond natuurgebieden (art. 2.27 OVZ 2018). Om deze reden moet onderbouwd worden dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het

49/67

natuurgebied niet onevenredig worden aangetast. Het betreft de volgende natuurtypen: N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.06 Ruigteveld N14.03 Haagbeuken- en essenbos N17.06 vochtig en hellinghakhout Natuurtypen - BIJ12 noemt per natuurtype verschillende kwalificerende soorten planten, insecten en broedvogels. Deze zijn bepalend voor de biotische kwaliteit per natuurtype.

Figuur 4.5 Ligging plangebied (rood omkaderd) ten opzicht van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland) Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk zijn effecten als areaalverlies en versnippering niet aan de orde. Ook de waterhuishouding wordt niet gewijzigd. Denkbare effecten zijn slechts vermesting en verzuring door toename van de stikstofdepositie en verstoring door licht, geluid en beweging. Uit de verschilberekening in AERIUS Calculator op een drietal extra rekenpunten op de rand van het NNZ blijkt dat er sprake zal zijn van een forse afname van de depositie ter plaats (5 tot 8 mol/ha/jr). Verstoring door licht of beweging vanuit het plangebied zal niet optreden door de hoge wal en de dichte beplanting langs de rand van het terrein (zie onderstaande figuur). De wal schermt ook het geluid van het recreatieterrein af. Daarnaast is het aangrenzende NNZ reeds verstoord door het verkeer op de Roelandsweg en de N652. Tenslotte zal er ook geen sprake zijn van extra recreatiedruk op het aangrenzende NNZ, aangezien dit niet toegankelijk is. De beoogde ontwikkeling van het recreatieterrein is niet van invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Zeeland.

50/67

Figuur 4.6 Situatie Natuurnetwerk Zeeland en Camping De Oase gezien vanaf de Roelandsweg Soortenbescherming Voor de ontwikkeling zijn twee quickscans flora en fauna uitgevoerd. Eén quickscan is uitgevoerd ten behoeve van de realisatie van het nieuwe centrumgebouw, de tweede is uitgevoerd voor de uitbreidingslocatie. Voor beide deellocaties zijn ook nadere onderzoeken uitgevoerd. Ecologisch onderzoek nieuw centrumgebouw Ten behoeve van de realisatie van het centrumgebouw wordt bestaande bebouwing (deels) gesloopt. Hiervoor is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 14. Vleermuizen Middels aanvullend onderzoek moet meer duidelijkheid worden verkregen voor wat betreft de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de winkel en de werkschuur. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functies als zomer-, paar- en kraamverblijf van de onderzoekslocatie voor de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Kleine marterachtigen De onderzoekslocatie kan door kleine marterachtigen worden gebruikt als foerageergebied, migratieroute en schuilplaats. Vaste rust- of verblijfsplaatsen zijn niet te verwachten. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van de onderzoekslocatie voor kleine marterachtigen.

Konijn Op de onderzoekslocatie kunnen burchten aanwezig zijn die door konijnen worden gebruikt als vaste verblijfplaats. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van de onderzoekslocatie voor konijnen. Dit in combinatie met het nader onderzoek naar kleine marterachtigen. Huismus De onderzoekslocatie bevat elementen die onderdeel kunnen zijn van het functioneel leefgebied van de huismus. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar het functioneel leefgebied van de huismus.

51/67

Algemene broedvogels De onderzoekslocatie bevat (potentiële) nestgelegenheden voor algemene broedvogels. Overtredingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen begin maart en september) uit te voeren. Wanneer de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt gesnoeid of verwijderd, wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen om broedgevallen hierin te voorkomen. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het vergraven van holen en het verwijderen van opgeslagen materialen en de aanwezige hopen met tuinafval.

Overige soortgroepen Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Nader onderzoek Het genoemde nadere onderzoek naar vleermuizen, kleine marterachtigen, konijn en huismus is uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 16. Uit het onderzoek blijkt dat er geen beschermde functies voor vleermuizen zoals verblijfplaatsen aanwezig zijn. Er zijn wel enkele vleermuizen gehoord en gezien. De onderzoekslocatie heeft geen essentiële functie voor de soort. In het onderzoeksgebied zijn tijdens de veldbezoeken geen konijnen en kleine marterachtigen waargenomen. Ook zijn geen sporen van konijnen en kleine marters waargenomen. In het pand aan de Roelandsweg 6 (naast het plangebied) zijn 5 nestlocaties van huismussen aangetroffen. Vernieling is niet aan de orde. Verstoring wordt door de afscheidende dichte haag voorkomen. Wel zijn een kwetterplek en zandbad in het plangebied aanwezig. De kwetterplek en het zandbad (bloemperk) blijven onaangetast. Een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Ecologisch onderzoek uitbreidingslocatie Ter plaatse van de gronden waar de camping uitgebreid wordt is tevens een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 15. Vleermuizen De bomenrijen rond de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als vliegroute voor vleermuizen. De functionaliteit van de bomenrijen komt bij de voorgenomen ingreep niet in het geding. Ook vormt de onderzoekslocatie geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen. Zowel met betrekking tot de vliegroute als tot het foerageergebied wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden en in de permanente situatie vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig, naar beneden gericht en met zo min mogelijk strooilicht) toe te

52/67

passen. Bunzing, wezel, hermelijn, konijn en haas De onderzoekslocatie kan door bunzing, wezel, hermelijn, konijn en haas worden gebruikt als vaste rust- of voortplantingsplaats. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van de onderzoekslocatie voor bovengenoemde soorten. Rugstreeppad De voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie kunnen geschikt habitat creëren voor de rugstreeppad. Het wordt daarom geadviseerd om de werkzaamheden van start tot afronding binnen de winterrustperiode van de rugstreeppad uit te voeren (tussen half november en half maart). Algemene broedvogels De onderzoekslocatie bevat (potentiële) nestgelegenheden voor algemene broedvogels. Overtredingen van de Wet natuurbescherming kunnen op voorhand worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen begin maart en september) uit te voeren. Wanneer de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt gesnoeid of verwijderd, wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen om broedgevallen hierin te voorkomen. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Extra aandacht is vereist bij het vergraven van holen en het verwijderen van opgeslagen materialen en de aanwezige hopen met tuinafval. Overige soortgroepen Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Nader onderzoek Het genoemde nadere onderzoek naar de kleine marterachtigen, konijn en haas is uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 17. Uit het nadere onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van de bunzing, wezel of hermelijn kan worden uitgesloten. Ook de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van een konijn is uitgesloten. Tijdens het onderzoek zijn wel enkele hazen gezien. Vaste rust- of voortplantingsplaatsen zijn niet aangetoond. De omgeving van de onderzoekslocatie wordt gebruikt door hazen als foerageerhabitat. Niet kan worden uitgesloten dat de locatie zelf niet als foerageergebied dient.

Voor het voortbestaan van de lokale populatie hazen is het van belang dat voldoende foerageerhabitat beschikbaar blijft om de functionaliteit van vaste rust- en voortplantingsplaatsen in de omgeving te kunnen garanderen. Bij uitvoering van de voorgenomen plannen blijft voldoende foerageerhabitat beschikbaar in de

53/67

omgeving om de lokale populatie hazen te kunnen voorzien. In de omgeving is in alle richtingen geschikt akkerland en geschikte natuur aanwezig. Er is geen sprake van een ontheffingsplicht op basis van de Wet natuurbescherming. Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of soorten. Een vergunning of ontheffing Wet natuurbescherming is daarmee niet noodzakelijk.

4.11 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid tussen bestaande en in nieuwe situaties.

54/67

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Toetsing en conclusie Binnen het plangebied is een propaantank (opslag) van 8 m3 aanwezig. Op de opslag van propaan in 1 of 2 opslagtanks en in hoeveelheden kleiner dan 13 m³, is het Activiteitenbesluit van toepassing. De propaantank (8 m³) heeft een PR 10-6 contour van 25 meter. Binnen deze afstand bevinden zich in de huidige en toekomstige situatie geen (beperkt) kwetsbare objecten. Verder is in de nabije omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichting aanwezig. Rondom het projectgebied vindt tevens geen relevant (bulk)vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Toetsing en conclusie In het projectgebied ligt een drinkwatertransportleiding van Evides (zie figuur 4.7). Met deze leiding is rekening gehouden, door deze (inclusief leidingstrook) te voorzien van de dubbelbesteming 'Leiding - Water'. De nieuwe eenheden worden geplaatst conform de voorwaarden die Evides stelt aan werken nabij waterleidingen.

55/67

Hierover zal nog nadere afstemming met Evides plaatsvinden. In of in de nabijheid van het projectgebied liggen ook diverse niet-planologisch relevante leidingen, zoals rioolleidingen, leidingen voor nutsvoorzieningen en drainageleidingen.

Figuur 4.7 Waterleiding Evides (bron: Evides) Op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling zal tenminste drie werkdagen voor de aanvang van graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact (moeten) worden opgenomen met het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC), waarbij gemeld (moet) worden waar en wanneer wordt gegraven. Indien werkzaamheden in de dubbelbestemming 'Leiding - Water' plaatsvinden is een schriftelijk advies van Evides benodigd alvorens een eventueel benodigde vergunning kan worden afgegeven.

4.13 Klimaatadaptatie Toetsingskader In de Klimaatadaptatiestrategie voor Zeeland (KasZ) hebben de verschillende overheden vastgelegd hoe in Zeeland aangepast wordt aan het veranderende klimaat en de gevolgen daarvan. Denk hierbij aan wateroverlast en hitteproblematiek in bebouwd gebied, drinkwaterbeschikbaarheid, schade aan kabels en leidingen door zetting en toename van verzilting van de bodem door meer zoute kewel als gevolg van langdurige droogte en

56/67

zeespiegelstijging. In de KasZ staan per doelgroep opgaven benoemd die moeten worden aangepakt. Toetsing In paragraaf 4.7 van de KasZ staan doelen benoemd ten aanzien van recreatie. In de planvorming is groen (in de vorm van hagen en bomen) als afronding per standplaats onderdeel van het kavelpaspoort. Hiermee wordt schaduwwerking op de standplaatsen bevorderd. Voor het overige worden op het terrein meerdere ruime groenstroken met bomen ingericht. Hemelwater kan vastgehouden worden en geeft verkoeling bij hitte. Ook is er voldoende ruimte voor het opvangen van buien en het zoeken van verkoeling in de zomer door de aanleg van een nieuwe sloot en speelvijver.

4.14 Besluit m.e.r Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Op 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de uitbreiding van de bestaande camping met 8,4 hectare. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld op basis waarvan het bevoegd gezag op 13 september 2022 heeft besloten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling

57/67

noodzakelijk is. De m.e.r-beoordelingsnotitie is bijgevoegd in bijlage 18. Het besluit is bijgevoegd in bijlage 19.

58/67

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische aspecten

Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen zijn van belang voor bestemmingsplannen.

5.2

Regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In hoofdstuk 1 Inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn de regels opgenomen van de bestemmingen, zoals die op de verbeelding voorkomen. Het gaat daarbij om regels die het toelaatbaar gebruik van gronden regelen en regels voor het bouwen. In hoofdstuk 3 Algemene regels bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en de algemene bouwregels. De overgangs- en slotregels in hoofdstuk 4 geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 is de beoogde ontwikkeling beschreven. Hierna wordt ingegaan op de regels van de gehanteerde bestemmingen in relatie met de beoogde ontwikkeling. Groen - Landschappelijk (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen voor de bestaande en uit te breiden groene randen rondom Camping De Oase en regelt primair de landschappelijke inpassing van het recreatieterrein door opgaande beplanting. Er is een standaardbreedte van 5 en 10 meter aangehouden voor het grootste deel van de inpassing. Deze corresponderen met de groene randen uit het kwaliteitsverbeteringsplan.

Binnen de bestemming ligt op enkele locaties een aanduiding om voet- en fietspaden dan wel ontsluitingen (niet zijnde de hoofdentree) mogelijk te maken. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht met een hoogte van 3,5 meter. Ter bescherming van de hiervoor genoemde landschappelijke waarden zijn bepaalde werken en werkzaamheden alleen met een omgevingsvergunning toegestaan. Recreatie - Kampeerterrein (Artikel 4) De overige gronden van de camping hebben de bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein' gekregen. Dit in lijn

59/67

met de bestaande bestemmingslegging op de huidige camping. Deze gronden zijn bestemd voor jaarrond recreatief nachtverblijf in stacaravans en kampeerhuisjes. Ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning is één bedrijfswoning toegestaan. Ook is voor de locatie van het zwembad (in het noorden) een losse aanduiding opgenomen. Op deze plek zijn ook dienstverlening, personeelsvoorzieningen, ondersteunende horeca, ondersteunende detailhandel en overige voorzieningen ten behoeve van de verblijfsrecreatie op hetzelfde terrein (met specifieke maatvoering in oppervlakte) toegestaan. De aanduiding 'specifieke vorm van recreatie dienstverlening en beheer' is hiervoor opgenomen. In het zuidoosten zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - techniek en personeel' kampeermiddelen en/of gebouwen voor de tijdelijke huisvesting van personeel toegestaan net als technische ruimtes en/of ruimtes voor opslag. Ter plaatse van het nieuwe receptiegebouw aan de Lagezoom is ook met een aanduiding gewerkt op slechts de receptie hier mogelijk te maken. In de bouwregels zijn voor de diverse type verblijven op de verschillende locaties in het plangebied minimale en maximale maatvoeringen opgenomen. Dit wederom in lijn met het kwaliteitsverbeteringsplan.

De totale invulling ten behoeve van verblijfsrecreatie (exclusief centrumvoorzieningen, ruimtes voor opslag ed.) mag daarbij niet meer bedragen dan 30.810 m2 oftewel 13% van de voor de activiteiten van Camping De Oase in de toekomst beschikbare gronden. In het noorden geldt een bebouwingspercentage van 50% om te borgen dat het centrumgebied ook deels vrij blijft van bebouwing en ruimte geeft aan voorzieningen voor spelen. In de specifieke gebruiksregels is vastgelegd dat uitsluitend permanente standplaatsen zijn toegestaan, in totaal maximaal 589 waarvan 550 ten behoeve van stacaravans en 39 ten behoeve van kampeerhuisjes. Het aantal toegestane standplaatsen per deelgebied (velden in kwaliteitsverbeteringsplan) is gekoppeld aan de diverse aanduidingen 'specifieke vorm van recreatie -1 t/m 3'. Het maximaal aantal bedden ten behoeve van jaarrond recreatief nachtverblijf (exclusief bedrijfswoning en (tijdelijke) huisvesting werknemers) bedraagt ten hoogste 3.534. Hiermee zijn per recreatief verblijf maximaal 6 bedden toegestaan. In de specifieke gebruiksregels is tevens geregeld dat er sprake moet zijn van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Ook zijn alleen ondersteunende horeca en detailhandel toegestaan.

Het minimale aandeel aan sport- en spelvoorzieningen binnen de bestemming en het aantal parkeerplaatsen per standplaats zijn tevens vastgelegd in de specifieke gebruiksregels. Ten behoeve van de borging van de verdere verduurzaming zijn tevens gebruiksregels opgenomen. De vigerende en vanuit de gemeentelijke standaard bij de bestemming behorende wijzigingsbevoegdheden zijn voor zover benodigd overgenomen in dit bestemmingsplan. In dit geval betreft het alleen de wijzigingsbevoegdheid voor kampeerhuisjes. Waarde - Archeologie - 6 (Artikel 5) In het bestemmingsplan zijn twee archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. De dubbelbestemmingen zijn met een arcering op de verbeelding weergegeven. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' is overgenomen uit het geldend bestemmingsplan. Deze gronden zijn in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet verder onderzocht. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Hiervoor

60/67

is het beleid zoals dat is vermeld in paragraaf 4.3 leidend. De regeling is gebaseerd op de standaardregels in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Waarde - Archeologie - 8 (Artikel 6) De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 8' is een nieuwe, niet in de standaardregels van de gemeente opgenomen, dubbelbestemming. Dit omdat aan deze dubbelbestemming een specifieke maatvoering gekoppeld is die samenhangt met het nadere advies wat is gekomen uit het archeologisch onderzoek verricht ter plaatse van het nieuwe centrumgebouw. Ook deze regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Leiding - Water (Artikel 7) Ter bescherming van de belangen van de drinkwatertransportleiding gelegen in het plangebied is de dubbelbestemming 'Leiding - Water' opgenomen. Algemene regels Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. Algemene bouwregels (Artikel 8) Een regeling is opgenomen voor bestaande maten die afwijken van de voorgeschreven maten in deze regels. Het artikel betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande bouwwerken, die wat betreft afstandsmaten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht komen te vallen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13029730/1