911137 Bijlage 2 Rapportage Ecologische voortoets
Tekst van het document
+
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Februari 2021 – aangepast mei 2022 P20-202/W1939 Auteur: C. Huibers Natuur-Wetenschappelijk Centrum 078-6213921 info@nwcadvies.nl www.nwcadvies.nl
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Opdrachtgever:
Erik van den Bos Architect B.V.
Uitvoering:
Natuur-Wetenschappelijk Centrum
Samenstelling:
Christine Huibers – van de Velde
Foto’s:
NWC Advies
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke [Samenst.: Huibers, C.], [Foto’s: NWC] Met lit. opg., Dordrecht: Strix/ NWC.
Trefw.: Wet natuurbescherming, Natura-2000, Voordelta, Grevelingen, Kop van Schouwen, Oosterschelde, sloop- en nieuwbouw, Rampweg, Scharendijke
W1939/P20-202
Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt of verveelvoudigd, door middel van; druk, fotokopie, microfilm of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toe-stemming van de uitgever of de opdrachtgever.
Dordrecht, februari 2021 – aangepast mei 2022
Inhoud 1
Inleiding
5
2
Wettelijk kader
7
2.1. Soortenbescherming 2.2. Gebiedsbescherming 2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
7 9
3
Gebiedsbeschrijving
11
4
Methode
21
5
Toetsing Wet natuurbescherming soortbescherming
25
5.1 5.2
Resultaten veldonderzoek Effecten, verplichtingen en aanbevelingen
25 26
6
Toetsing Wet natuurbescherming gebiedsbescherming
27
7
Conclusie
31
Referentie
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
1.
Inleiding Er bestaan plannen voor de sloop van een cafetaria aan de Rampweg 13 te Scharendijke. Op de plaats van de te slopen cafetaria zal een nieuwe horecagelegenheid gebouwd worden (figuur 1). De bestaande cafetaria is enigszins gedateerd en al enige tijd niet meer in bedrijf. Omdat als gevolg van de voorgenomen plannen mogelijk beschermde natuurwaarden en habitattypen van naastgelegen Natura 2000-gebieden significant negatief beïnvloedt worden, dient in het kader van de natuurwetgeving (Wet natuurbescherming, Natura 2000) een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt te. Ook maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzachten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van het gebied voor aanwezige beschermde soorten gewaarborgd blijft zullen worden onderzocht. Allereerst dient een ecologische voortoets te worden uitgevoerd in het kader van zowel soort- als gebiedsbescherming. Daarnaast zal beschouwd worden of er (mogelijk) effecten op het Natuurnetwerk Zeeland te verwachten zijn als gevolg van de planuitvoering. Erik van den Bos Architecten B.V. heeft het NWC opdracht gegeven om de benodigde ecologische voortoets op te stellen in het kader van de soort- en gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming.
Hieruit zal duidelijk worden of de sloop en herbouw in het kader van soortbescherming kan leiden tot aantoonbare negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.
5
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Figuur 1: Impressie van de nieuw te bouwen horecagelegenheid.
6
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
2.
Wettelijk kader In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om de bescherming van soorten als de bescherming van gebieden.
2.1
Soortbescherming Voor dier- en plantensoorten zijn in de Wnb een aantal verbodsbepalingen opge-nomen, waarvan vooral de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 belangrijk zijn in het kader van flora- en faunaonderzoek bij onder andere ruimtelijke ontwikkelingen (tekstvak 1 op de volgende pagina). De verbodsbepalingen uit de artikelen gelden overal in Nederland, ongeacht het type of de omvang van de werkzaamheden of activiteiten die uitgevoerd worden. De bepalingen uit de Wnb kunnen daarom van invloed zijn op ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van infrastructuur, het slopen en realiseren van bebouwing, het uitbreiden van industriegebieden en het kappen van bomen. Ook bij het opstellen of herzien van bestemmingsplannen zijn de bepalingen uit de Wnb van belang. In het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel (Algemene Wet Bestuursrecht) dient bij het opstellen en herzien van bestemmingsplannen en bij (ruimtelijke) activiteiten een toetsing aan de Wnb plaats te vinden. Deze toetsing moet de volgende onderdelen bevatten: •
Een inventarisatie van het voorkomen van wettelijk beschermde dier- en plan-tensoorten in het plangebied en binnen de invloedssfeer van de activiteit;
•
een inventarisatie en beoordeling van (significant) nadelige effecten als gevolg van de activiteit op beschermde soorten die binnen het plangebied en/of binnen de invloedssfeer van de activiteit aanwezig zijn;
•
indien nodig een opname van maatregelen die de negatieve effecten op aanwezige beschermde soorten en hun leefgebieden mitigeren en/of compenseren.
De Wnb kent drie categorieën van beschermde soorten die ook terug te vinden zijn in de artikelen met verbodsbepalingen: alle vogels uit de Europese Vogelrichtlijn (artikel 3.1), alle soorten die in de Europese Habitatrichtlijn vermeld worden (artikel 3.5) en “overige soorten” (artikel 3.10) die alleen op nationaal niveau beschermd worden. Provincies mogen afwijken van de lijst met “overige soorten” door vrijstelling te verlenen voor bepaalde soorten. Hierdoor kan deze lijst per provincie verschillen. Een overzicht van alle beschermde soorten is te vinden in bijlage 1.
7
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Tekstvak 1: Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
Artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming: Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van de dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5.
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn of bijdrage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen of af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.10 1. Het is verboden: a) In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten genoemd in de bijlage, onderdeel A bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b) De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen; c) Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Soorten Europese Vogelrichtlijn en Europese Habitatrichtlijn Wanneer één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of artikel 3.5 Wnb overtreden worden door de voorgenomen activiteit, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin de activiteit plaatsvindt. Een ontheffing voor het overtreden van verbodsbepalingen wordt voor soorten uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn alleen verleend wanneer voldaan wordt aan elk van de volgende voorwaarden: •
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
•
Zij is nodig:
8
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
a) b) c) •
In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; of In het belang van een dwingende reden van groot openbaar belang; of In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort
in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Voor vogels kan echter geen beroep gedaan worden op belang b “dwingende reden van groot openbaar belang”. Wanneer overtreding van de verbodsbepalingen voorkomen kan worden door het treffen van mitigerende maatregelen, is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Wel kan in dergelijke gevallen toch ontheffing aangevraagd worden om de te treffen maatregelen goed te laten keuren. Indien het bevoegd gezag de maatregelen goedkeurt, wordt door hen een “positieve afwijzing” afgegeven. Bij de aanvraag van een ontheffing in het kader van de Wnb zijn een activiteitenplan en, in sommige gevallen, een compensatieplan noodzakelijk. Hierin staan de bevindingen uit de flora- en faunatoets vermeld en worden maatregelen beschreven die uitgevoerd zullen worden om ervoor te zorgen dat de nadelige effecten op beschermde plant- en diersoorten in en binnen de invloedssfeer van de activiteit zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel te beperken. Overige soorten Voor de soorten uit deze categorie geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 mits een door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit.
Indien aantoonbaar gewerkt kan worden volgens een dergelijke gedragscode, hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van één of meerdere verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wnb. Indien er geen goedgekeurde gedragscode van toepassing is op de activiteit of het niet mogelijk is om volgens een dergelijke gedragscode te werken, dient bij overtreding van verbodsbepalingen wel een ontheffing aangevraagd te worden. De ontheffing kan voor deze soorten echter op grond van meer belangen verleend worden dan het geval is voor de Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Zorgplicht Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. 2.2
Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden en hun bijzondere natuurwaarden vindt onder de Wet natuurbescherming plaats via Europese Natura 2000-gebieden. De Wet natuur-bescherming regelt de bescherming van specifieke natuurwaarden in gebieden die in het
9
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
kader van de Europese Vogel- en Europese Habitatrichtlijn aangewezen en/of aangemeld zijn als speciale beschermingszone (Natura 2000-gebieden). Voor deze beschermde gebieden zijn aanwijzingsbesluiten opgesteld waarin beschreven staat voor welke (natuurlijke) habitats en dier- en plantensoorten het gebied aangewezen is. Voor deze kwalificerende waarden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld. Projecten, plannen en andere handelingen die nadelige effecten hebben op één of meerdere instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zijn vergunningplichtig of moeten de goedkeuring, een “bestuurlijk oordeel”, van het bevoegd gezag hebben (in veel gevallen zijn dit Gedeputeerde Staten en in andere gevallen is dit de minister van Economische Zaken). Zij oordelen dan dat een vergunning niet nodig is. Of deze goedkeuring wordt gegeven, is afhankelijk van de uitkomst van de zogenaamde habitattoets. Allereerst dient er een voortoets uitgevoerd te worden waarin bepaald wordt of de activiteit vergunningsplichtig is. In deze toets worden alle relevante aspecten van het project in kaart gebracht. Uit de voortoets kunnen twee mogelijkheden volgen:
2.3
•
Er is zeker geen nadelig effect. In dit geval is er geen vergunning of aanvullende toetsing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming;
•
er is sprake van een mogelijk significant nadelig effect in de vorm van verstoring en/of er is sprake van verslechtering van aangewezen habitats. In dit geval dient een passende beoordeling opgesteld te worden en kan alleen een vergunning verleend worden als uit de beoordeling blijft dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor ruimtelijke ingrepen in het NNN heeft de overheid spelregels opgesteld. Natuurwaarden van het NNN worden afgemeten aan doelsoorten. Bij begeleid- en nagenoeg natuurlijke ecosystemen komt daar het aspect natuurlijkheid bij: bij begeleid natuurlijke ecosystemen vindt er extensief beheer plaats, bij natuurlijke ecosystemen vindt er geen beheer plaats. Het is belangrijk dat verlies van en winst aan belangrijke natuurwaarden hieraan worden afgemeten. Ruimtelijke ingrepen moeten vooraf worden getoetst op hun effect op het areaal, de samenhang en de kwaliteit van het NNN. Ingrepen die geen significant negatief effect op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN hebben, kunnen in principe doorgang vinden. Als echter het tegenovergestelde geldt, hangt doorgang van de plannen ondermeer af van het belang van de plannen en van de mogelijkheden voor mitigatie en compensatie. Hierbij geldt het 'Nee, tenzij-regime'. Per saldo dient de kwaliteit en/of kwantiteit van het NNN te verbeteren. De regels ten aanzien van compensatie staan vermeld in de Beleidsregel Natuurcompensatie.
Waar Natura 2000-gebieden met het NNN overlappen, blijft ook het NNN-regime gelden.
10
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
3.
Gebiedsbeschrijving De toetsing heeft betrekking op het plangebied aan de Rampweg 13 te Scharendijke op het eiland Schouwen-Duiveland (provincie Zeeland) (figuur 2 en 3). Het plangebied bevindt zich ten westen van het centrum van Scharendijke. Aan de noordzijde bevindt zich de Brouwersdam en het perceel wordt verder omringd door duinen en parkeerterrein. De planlocatie bevat een horecagelegenheid.
Figuur 2: Ligging van het plangebied in de omgeving.
Beschermde gebieden – Natura 2000 Voor de precieze begrenzing van het Natura 2000-gebied is de omschrijving in het aanwijzingsbesluit van dit gebied leidend. De gebieden die onder de bescherming van de Wet natuurbescherming vallen en waar het plangebied dichtbij gelegen ligt is, zijn Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen´ (50 meter), ‘Voordelta’ (200 meter), Grevelingen’ (250 meter), en ‘Oosterschelde’ (4 kilometer) (figuur 4). Vanwege deze ligging dient er een ecologische voortoets uitgevoerd te worden om te kijken of de geplande werkzaamheden effect hebben op de habitattypen en instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Voorgenomen plannen Het voornemen is om binnen het plangebied de oude cafetaria te slopen en op deze locatie een nieuwe horecagelegenheid te bouwen.
11
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Figuur 3: Ligging plangebied.
Figuur 4: Ligging van het plangebied (rood omkaderd) in verhouding met het Natura 2000-gebied de ‘Voordelta’, Grevelingen’, Kop van Schouwen´ en ‘Oosterschelde’.
12
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Kop van Schouwen Het Natura 2000 gebied ‘De Kop van Schouwen’ is een duingebied gelegen op het westelijke uiteinde van Schouwen-Duivenland. Het betreft een afwisselend gebied waarin verschillende duinhabittypen aanwezig zijn waaronder kalkrijke jonge duinen, oudere kalkarme duinen, klifduinen en stuifduinen. De natte duingedeelten binnen Kop van Schouwen bieden leefgebied voor een endemische ondersoort van de Noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola). De duinen aan de zeezijde van het gebied bevatten veel hoogteverschillen en worden afgewisseld met natte duinvalleien. Op dit duin is natuurlijke begroeiing veelal aanwezig en daarnaast spelen verstuivingsprocessen hier een belangrijke rol. In het noordwesten van het gebied zijn jonge duinvalleien aanwezig en de iets zuidelijker gelegen duinen (Meeuwenduinen) vormen stuivend duin met weinig begroeiing. Verder is in het zuidwesten van het gebied jong duin met struweel en bos aanwezig. In de oostelijke binnenduinen liggen ontkalkte vroongronden met soortenrijke graslanden welke worden afgewisseld met zogenaamde elzenmeten, duinheide en landgoedbossen. Het Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ heeft instandhoudingsdoelstellingen voor in totaal dertien habitat(sub)typen en drie Habitatrichtlijnsoorten (tabel 1 en 2).
Voordelta Het Natura-2000 gebied ‘De Voordelta’ omhelst het ondiepe zeegedeelte van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse Delta. Het betreft een gevarieerd en dynamisch gebied waarin kustwateren (zout), intergetijdengebied en stranden aanwezig zijn. De Voordelta vormt een relatief beschutte overgangszone tussen de voormalige estuaria (waaronder de Oosterschelde) en de volle zee. De Voordelta fungeert als kraamkamer voor diverse vissoorten. Daarnaast vervult het een rol als foerageergebied voor visetende trekvogels en schelpdiereters. Het Natura 2000-gebied ‘Voordelta’ heeft instandhoudingsdoelstellingen voor in totaal tien habitat(sub)typen, zeven Habitatrichtlijnsoorten en zevenentwintig nietbroedvogels (tabel 1, 2 en 4). Grevelingen De Grevelingen is een voormalige zeearm die zich bevindt tussen Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland. In 1971 is de Grevelingen afgesloten en daalden de zoutgehalten geleidelijk door de toevoer van zoet regen- en polderwater. In 1979 is de Brouwerssluis geopend waardoor er vers en zuurstofrijk Noordzeewater het gebied in kan stromen. Hierdoor is het gebied veranderd in een zoutwatermeer. Door het wegvallen van het getij zijn veel slik- en zandplaten permanent droog komen te staan. Het meer vormt een jong, instabiel onderwatersysteem, dat onderhevig is aan interne schommelingen en invloeden van buitenaf.
Het gebied wordt beheerd door Rijkswaterstaat, het Zuid-Hollands Landschap, Staatsbosbeheer en particulieren (tabel 1 t/m 4).
13
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Oosterschelde De Oosterschelde is een voormalig estuarium, dat na aanleg van de Deltawerken is getransformeerd in een ondiepe zoutwaterbaai met een gedempt getij. Het gebied bevat belangrijke getijdennatuur in de vorm van droogvallende platen en schorren welke rusten foerageergebied vormen voor wadvogels. In de monding van de Oosterschelde bevinden zich diepe stroomgeulen die plaatselijk een diepte bereiken van 45 meter. Tussen deze stroomgeulen en in het gebied ten oosten van de Zeelandbrug bevinden zich uitgestrekte gebieden met ondiepe wateren met zandbanken. In het oosten en noorden van het gebied komen grote oppervlakten slikken voor. Het water, het intergetijdengebied en de binnendijks gelegen gebieden vormen tezamen het leefmilieu voor de rijke flora en fauna van het gebied. De grote variatie aan milieutypen in het gebied gaat gepaard met een grote diversiteit aan dier- en plantensoorten. Het Natura 2000-gebied ‘Oosterschelde’ heeft instandhoudingsdoelstellingen voor in totaal tien habitat(sub)typen, vijf Habitatrichtlijnsoorten, acht broedvogels en zevenendertig nietbroedvogels (tabel 1 t/m 4). Gevoeligheid en instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden De meeste habitattypen die gevonden worden in duingebieden zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor de gevolgen van stikstofdepositie.
Veel plantensoorten in duinhabitats zijn aangepast aan nutriëntarme omstandigheden, en kunnen alleen succesvol voortbestaan op bodems met lage stikstofconcentraties. Landelijk gezien is de staat van instandhouding van een aantal voorkomende habitattypen (bijv. Embryonale duinen (H2110) en Duindoornstruwelen (H2160)) gunstig, maar van anderen is deze matig tot zeer ongunstig. Met name de Grijze duinen (H2130) kennen momenteel een zeer ongunstige staat van instandhouding (tabel 5). Dit komt voort uit meerdere bedreigingen waar het habitattype mee te maken heeft, zoals vergrassing, struweelvorming, en ernstige bedreiging van typische soorten van dit habitattype. Overmatige stikstofdepositie speelt bij veel van deze problemen een belangrijke rol. De instandhoudingsdoelstellingen in de Natura 2000-gebieden het dichtst bij het plangebied zijn voornamelijk gericht op het behoud of de uitbreiding van oppervlakte en/of kwaliteit van deze habitattypen (tabel 6). Tabel 1: Aangewezen habitattypen voor de Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen’(1), ‘Oosterschelde’ (2), ‘Voordelta’ (3) en ‘Grevelingen’ (4). Habitattypen
habitatsubtypen
Natura-2000 gebied
H1110A - Permanent overstroomde zandbanken
Getijdengebied
3
H1110B - Permanent overstroomde zandbanken
Noordzeekustzone
3
H1140A - Slik- en zandplaten
Getijdengebied
3
H1140B - Slik- en zandplaten
Noordzeekustzone
3
H1310A - Zilte pionierbegroeiingen
Zeekraal
2, 3, 4
H1310B - Zilte pionierbegroeiingen
Zeevetmuur
2, 3, 4
H1160 - Grote baaien
2
H1320 – Slijkgrasvelden
2, 3
H1330A - Schorren en zilte graslanden
Buitendijks
14
1, 2, 3
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
H1330B - Schorren en zilte graslanden
Binnendijks
H2110 - Embryonale duinen
2, 4 1, 3
H2120 - Witte duinen
1, 3
H2130A - Grijze duinen
Kalkrijk
1, 2, 4
H2130B - Grijze duinen
Kalkarm
1, 4
H2130C - Grijze duinen
heischraal
1
H2150 - Duinheiden met struikhei
1
H2160 - Duindoornstruwelen
1, 2, 4
H2170 - Kruipwilgstruwelen
1, 4
H2180A - Duinbossen
Droog
1
H2180B - Duinbossen
Vochtig
1
H2180C - Duinbossen
Binnenduinrand
1
H2190A - Vochtige duinvalleien
open water
1
H2190B - Vochtige duinvalleien
kalkrijk
1, 4
H2190C - Vochtige duinvalleien
ontkalkt
1
H2190D - Vochtige duinvalleien
hoge moerasplanten
1
H6410 - Blauwgraslanden
1
H6430B - Ruigten en zomen
Harig wilgenroosje
4
H7140B - Overgangs- en trilvenen
veenmosrietlanden
2
H7210 - Galigaanmoerassen
2
Tabel 2: Aangewezen Habitatrichtlijnsoorten, voor de Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen’(1), ‘Oosterschelde’ (2), ‘Voordelta’ (3) en ‘Grevelingen’ (4). Habitatrichtlijnsoorten
Natura-2000 gebied
H1095 - Zeeprik
3
H1099 - Rivierprik
3
H1102 - Elft
3
H1014 - Nauwe korfslak
1
H1103 - Fint
2, 3
H1340 - Noordse woelmuis
1, 2, 4
H1351 - Bruinvis
2, 3
H1364 - Grijze zeehond
2, 3, 4
H1365 - Gewone zeehond
2, 3, 4
H1903 - Groenknolorchis
1, 4
Tabel 3: Broedvogels aangewezen voor de Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen’(1), ‘Oosterschelde’ (2) ‘Voordelta’ (3) en ‘Grevelingen’ (4). Broedvogels
Natura-2000 gebied
A081 - Bruine kiekendief
2, 4
A132 - Kluut
2, 4
A137 - Bontbekplevier
2, 4
A138 - Strandplevier
2, 4
A191 - Grote stern
2, 4
A193 - Visdief
2, 4
A194 - Noordse stern
2
A195 - Dwergstern
2, 4
15
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Tabel 4: Niet-broedvogels aangewezen voor de Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen’(1), ‘Oosterschelde’ (2) ‘Voordelta’ (3) en ‘Grevelingen’ (4). Niet-broedvogels
Natura 2000-gebied
Niet-broedvogels (vervolg)
Natura 2000-gebied
A001 - Roodkeelduiker
3
A067 - Brilduiker
2, 3, 4
A004 - Dodaars
2, 4
A069 - Middelste zaagbek
2, 3, 4
A005 - Fuut
2, 3, 4
A103 - Slechtvalk
2, 4
A007 - Kuifduiker
2, 3, 4
A125 - Meerkoet
2, 4
A008 - Geoorde fuut
4
A130 - Scholekster
2, 3, 4
A017 - Aalscholver
2, 3, 4
A132 - Kluut
2, 3, 4
A026 - Kleine zilverreiger
2, 4
A137 - Bontbekplevier
2, 3, 4
A034 - Lepelaar
2, 3, 4
A138 - Strandplevier
2, 4
A037 - Kleine zwaan
2, 4
A140 - Goudplevier
2, 4
A041 - Kolgans
4
A141 - Zilverplevier
2, 3, 4
A043 - Grauwe gans
2, 3, 4
A142 - Kievit
2
A045 - Brandgans
2, 4
A143 - Kanoetstrandloper
2
A046 - Rotgans
2, 4
A144 - Drieteenstrandloper
2, 3
A048 - Bergeend
2, 3, 4
A149 - Bonte strandloper
2, 3, 4
A050 - Smient
2, 3, 4
A157 - Rosse grutto
2, 3, 4
A051 - Krakeend
2, 3, 4
A160 - Wulp
2, 3, 4
A052 - Wintertaling
2, 3, 4
A161 - Zwarte ruiter
2
A053 - Wilde eend
2, 4
A162 - Tureluur
2, 3, 4
A054 - Pijlstaart
2, 3, 4
A164 - Groenpootruiter
2
A056 - Slobeend
2, 3, 4
A169 - Steenloper
2, 3, 4
A062 - Toppereend
3
A177 - Dwergmeeuw
3
A063 - Eider
3
A191 - Grote stern
3
A065 - Zwarte zee-eend
3
A193 - Visdief
3
Tabel 5: Aangewezen habitattypen en habitatrichtlijnsoorten van Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen’, ‘Oosterschelde’ en ‘Voordelta’, bijbehorende (landelijke) staat van instandhouding en gevoeligheid voor N-depositie van de habitattypen.
ken (noordzeekustzone) H1140A - Slik- en zandplaten (getijdengebied)
Minder/ongevoelig
H1140B - Slik- en zandplaten (noordzeekustzone)
Minder/ongevoelig
H1160 - Grote baaien
Minder/ongevoelig
16
Eindoordeel SvI
Minder/ongevoelig
Toekomstperspectief
H1110B - Permanent overstroomde zandban-
Leefgebied
Minder/ongevoelig
Populatie
H1110A - Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied)
Verspreiding
Gevoeligheid N-depositie
Soort/Habitattype
Habitattypen
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
H1310A - Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
Minder/ongevoelig
H1310B - Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)
Ongevoelig
H1320 – Slijkgrasvelden
Minder/ongevoelig
H1330A - Schorren en zilte graslanden (buiten-
Minder/ongevoelig
dijks) H1330B - Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
Onbekend
H2110 - Embryonale duinen
Gevoelig
H2120 - Witte duinen
Gevoelig
H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)
Zeer gevoelig
H2130B - Grijze duinen (kalkarm)
Zeer gevoelig
H2130C - Grijze duinen (heischraal)
Zeer gevoelig
H2150 - Duinheiden met struikhei
Zeer gevoelig
H2160 - Duindoornstruwelen
Gevoelig
H2170 - Kruipwilgstruwelen
Gevoelig
H2180A Duinbossen (droog)
Zeer gevoelig
H2180B - Duinbossen (vochtig)
Gevoelig
H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)
Gevoelig
H2190A - Vochtige duinvalleien (open water)
Zeer gevoelig
H2190B - Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
Gevoelig
H2190C - Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
Zeer gevoelig
H2190D - Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
Minder/ongevoelig
H6410 - Blauwgraslanden
Zeer gevoelig
H6430B - Ruigten en zomen
Ongevoelig
H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmoosrietlanden)
Zeer gevoelig
H7210 - Galigaanmoerassen
Zeer gevoelig
Habitatrichtlijnsoorten H1095 - Zeeprik
N.v.t. / ongevoelig
H1099 - Rivierprik
N.v.t. / ongevoelig
H1102 - Elft
N.v.t. / ongevoelig
H1014 - Nauwe korfslak
Gevoelig (Lg12)
H1103 - Fint
N.v.t. / ongevoelig
H1340 - Noordse woelmuis
N.v.t. / ongevoelig
H1351 - Bruinvis
N.v.t. / ongevoelig
H1364 - Grijze zeehond
N.v.t. / ongevoelig
H1365 - Gewone zeehond
N.v.t. / ongevoelig
H1903 - Groenknolorchis
Gevoelig (H2190B)
Groen = Gunstig Geel = Matig ongunstig Rood = Zeer ongunstig Grijs = Onbekend
17
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Tabel 6: Instandhoudingsdoelstellingen voor de oppervlakte (opp.) en kwaliteit (kwal.) van aangewezen habitattypen en leefgebieden van habitatrichtlijnsoorten binnen de Natura 2000-gebieden ‘Kop van Schouwen’, ‘Oosterschelde’, ‘Voordelta’ en ‘Grevelingen’. Habitat(sub)type
Kop van Schouwen
Oosterschelde
Voordelta
Opp.
Kwal.
Opp.
Kwal.
Opp.
Kwal.
H1110A - Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied)
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H1110B - Permanent overstroomde zandbanken (noordzeekustzone)
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H1140A - Slik- en zandplaten (getijdengebied)
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H1140B - Slik- en zandplaten (noordzeekustzone)
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H1160 - Grote baaien
N.v.t.
N.v.t.
=
>
H1310A - Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
N.v.t.
N.v.t.
>
=
=
=
H1310B - Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)
N.v.t.
N.v.t.
=
=
=
=
=
=
=
=
H1320 – Slijkgrasvelden H1330A - Schorren en zilte graslanden (buitendijks)
=
=
=
=
=
=
H1330B - Schorren en zilte graslanden (binnendijks)
N.v.t.
N.v.t.
>
=
N.v.t.
N.v.t.
H2110 - Embryonale duinen
=
=
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H2120 - Witte duinen
=
>
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)
>
>
=
=
N.v.t.
N.v.t.
H2130B - Grijze duinen (kalkarm)
>
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2130C - Grijze duinen (heischraal)
>
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2150 - Duinheiden met struikhei
=
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2160 - Duindoornstruwelen
= (<)
=
=
=
N.v.t.
N.v.t.
H2170 - Kruipwilgstruwelen
= (<)
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2180A Duinbossen (droog)
= (<)
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2180B - Duinbossen (vochtig)
= (<)
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)
= (<)
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2190A - Vochtige duinvalleien (open water)
>
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2190B - Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
>
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2190C - Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
>
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H2190D - Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
=
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H6410 - Blauwgraslanden
=
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmoosrietlanden)
N.v.t.
N.v.t.
>
>
N.v.t.
N.v.t.
H7210 - Galigaanmoerassen
N.v.t.
N.v.t.
=
=
N.v.t.
N.v.t.
H1095 - Zeeprik
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H1099 - Rivierprik
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
H1102 - Elft
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
=
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
=
=
=
>
>
=
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
=
=
=
>
Habitatrichtlijnsoorten
H1014 - Nauwe korfslak H1103 - Fint H1340 - Noordse woelmuis H1351 - Bruinvis
18
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
H1364 - Grijze zeehond
N.v.t.
N.v.t.
=
=
=
=
H1365 - Gewone zeehond
N.v.t.
N.v.t.
=
>
=
>
H1903 – Groenknolorchis
>
>
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
*Betreft een ontwerp-aanwijzingsbesluit, nog niet opgenomen in definitief aanwijzingsbesluit = behoud > uitbreiding = (<) behoud, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in het besluit met name genoemde waarde.
Beschermde gebieden – Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied maakt geen onderdeel uit van, en grenst niet aan, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is een verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN mogelijk niet nodig.
Figuur 5: Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Zeeland.
19
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
20
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
4.
Methode Literatuuronderzoek Met behulp van literatuuronderzoek is informatie verzameld over de aangewezen habitattypen en doelsoorten die in de omgeving van het plangebied voor kunnen komen en welke functie het plangebied heeft voor deze beschermde habitats en soorten. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de volgende gegevens: •
gegevens onder-meer van FLORON, de Zoogdiervereniging en vooral van data van vogelwaarnemingen van waarneming.nl;
•
verspreidingsgegevens van amfibieën en reptielen van www.ravon.nl;
•
de werkatlas verspreiding zoogdieren in Noord-Brabant;
•
verspreidingsgegevens van www.telmee.nl;
•
FLORON verspreidingsatlas planten;
•
databank NWC;
• gegevens over de betreffende Natura 2000-gebieden van Natura 2000.nl. Bij het bepalen van de soorten en habitats die (mogelijk) voorkomen binnen en in de omgeving van het plangebied, is rekening gehouden met de leeftijd van de data (oude data is alleen gebruikt ter indicatie) en met het waarnemerseffect; soorten die niet waargenomen zijn, zijn mogelijk wel aanwezig, maar niet onderzocht. Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde insecten zoals en dagvlinders omdat de bodem te voedselrijk is om als biotoop voor de waardplanten van deze vlindersoorten te kunnen dienen. Bovendien komen de meeste beschermde vlindersoorten op slechts een aantal locaties in Nederland voor (voornamelijk natuurgebieden). Om deze redenen is deze soortgroep buiten beschouwing van de quickscan gelaten. Aquatische fauna worden op basis van habitateisen, verspreidingsgegevens en/of kenmerken van het plangebied niet verwacht. Veldbezoek Op 9 december 2020 is door medewerkers van het NWC een veldbezoek uitgevoerd. De temperatuur op deze dag bedroeg ongeveer 3 °C, het was mistig en bewolkt en de wind had een kracht van 5 Bft. Deze gegevens zijn in het veld gemeten of ingeschat. Tijdens het veldbezoek is rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen, vogels met een vaste verblijfplaats, beschermde grondgebonden zoogdieren en herpetofauna.
Hieronder wordt per soortgroep besproken op welke manier onderzoek is uitgevoerd tijdens het veldbezoek van 9 december. Vleermuizen Alle vleermuissoorten worden beschermd door de Wet natuurbescherming. Het plangebied is daarom beoordeeld op de mogelijke waarde voor vleermuizen. Hierbij is beoordeeld in hoeverre de bomen en de bebouwing binnen het plangebied geschikt zijn als
21
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
verblijfplaats voor vleermuizen. Er is onder andere gelet op de aanwezigheid en kenmerken van holtes in de bomen en de spouwgang in de bebouwing. Ook is gelet op sporen van vleermuizen, zoals keuteltjes, afgebeten insectenvleugels en aanwezigheid van meststrepen bij eventuele invliegopeningen. Daarnaast is er tijdens het veldbezoek beoordeeld of er in en in de directe omgeving van het plangebied potentieel belangrijke vliegroutes en/of foerageergebied aanwezig zijn, zoals bomenrijen, andere groene, lijnvormige landschapselementen en (kleinschalige) weilanden en andere half open gebieden. Hierbij is tevens gelet op het aanbod van geschikt foerageergebied in en in de omgeving van het plangebied. Vogels met een vaste verblijfplaats Vogels met een vaste verblijfplaats worden jaarrond beschermd door de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook voor hun functionele leefomgeving. Tijdens de quickscan is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats en is bepaald welke gevolgen de voorgenomen plannen voor deze vogels met zich meebrengen (zoals verstoring door geluid). Er is ondermeer gelet op sporen (braakballen, veren, uitwerpselen, etc), nesten (o.a. oude kraaiennesten) en waarnemingen van de betreffende vogelsoorten (geluid/zicht/ territoriumindicerend gedrag).
Tevens is bekeken of het plangebied een significant onderdeel zou kunnen zijn van de functionele leefomgeving van een vogelsoort met een vaste verblijfplaats. Overige vogelsoorten Nesten met eieren worden tijdens het broedseizoen beschermd onder de Wet natuurbescherming. Er is onder meer gelet op de geschiktheid van het gebied voor algemene broedvogels. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek is er beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor strikt beschermde marterachtigen en andere beschermde grondgebonden zoogdieren. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van sporen van deze soorten, holtes in de bomen, holen, burchten en de aanwezigheid van functionele leefomgeving voor deze soorten. Herpetofauna Tijdens het veldbezoek is beoordeeld in hoeverre het plangebied geschikt leefgebied vormt voor beschermde amfibieën- en reptielensoorten. Hierbij is onder andere gelet op de aanwezigheid van geschikt voortplantingswater, een zandige, goed vergraafbare bodem, vegetatie in het algemeen, een goed ontwikkelde onderwatervegetatie en/of schuilplaatsen in de vorm van stenen, stukken hout of holen.
22
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Flora Het plangebied is daarnaast ook beoordeeld op de aanwezigheid en habitateisen van flora die door de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Behalve dat onderzoek is gedaan naar soorten die beschermd worden door de Wet natuurbescherming, is op 9 december ook aandacht besteed aan de aan- of afwezigheid van habitattypen en doelsoorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebieden de ‘Voordelta’, ‘Grevelingen’, ‘Kop van Schouwen´ en ‘Oosterschelde’.
23
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
24
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
5
Toetsing Wet natuurbescherming soortbescherming
5.1
Resultaten veldonderzoek Vleermuizen Het pand van de het cafetaria is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen door het ontbreken van een spouwmuur, de aanwezigheid van een golfplaten en bitumen plat dak en de afwezigheid van geschikte holte en/of kieren in het pand. Mogelijk zullen vleermuizen binnen het plangebied foerageren maar het betreft, door de openheid van het plangebied, geen essentieel foerageergebied. Vanwege de afwezigheid van aaneengesloten groenelementen is er ook een essentiële vliegroute aanwezig in het plangebied. Vogels met een vaste verblijfplaats Tijdens het veldbezoek zijn er verschillende vogelsoorten waargenomen: Pimpelmees, Koolmees, Merel, Zilvermeeuw en langs de Noordzeekust zes jagende grote sternen. Naast de waarnemingen van deze vogelsoorten is er een duivennest in een Gladde iep in het noorden van het gebied aangetroffen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is niet geschikt voor strikt beschermde grondgebonden zoogdieren en/of marterachtigen. Het gebied is hier te open voor. Er zijn geen goede schuilplaatsen, geen foerageergelegenheid en geen geschikte verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig. Wel zijn er tijdens het veldbezoek sporen gevonden van Konijn, Ree en Damhert (foto 3 en 4). De Ree en het Damhert zijn echter binnen de provincie Zeeland vrijgesteld.
Het Konijn is binnen de provincie Zeeland sinds eind 2020 niet meer vrijgesteld. Vanwege de afwezigheid van holen in het plangebied is een vaste verblijfplaats van het Konijn uitgesloten en betreft het hier enkel functionele leefomgeving. Herpetofauna In 2020 bevonden de Rugstreeppad en de Levendbarende hagedis zich, volgens de verspreidingsgegevens, op redelijk verre afstand van het plangebied. Inmiddels heeft de Levendbarende hagedis zich verder uitgebreid richting het plangebied. Flora Rondom het pand zijn Gladde iep, Spaanse aak, Duindoornstruweel en kruidenrijk grasland aanwezig. Op het terras bevindt zich Hedera. Verder zijn algemene kruidensoorten als Smalle weegbree, Duizendblad, Wilde peen, Herfsthoornweegbree en Knolboterbloem waargenomen. Er zijn geen beschermde flora aangetroffen binnen het plangebied. Daarnaast is het plangebied ook niet geschikt voor de Groenknolorchis vanwege het ontbreken van vochtige duinvalleien. De aanwezigheid van deze soort kan met zekerheid uitgesloten worden.
25
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Foto 1 en 2: Impressie van het plangebied.
Foto 3 en 4 : Reeën, Damhert, Konijn sporen en keutels.
5.2
Effecten, verplichtingen en aanbevelingen Op basis van het uitgevoerde literatuur- en veldonderzoek kan gesteld worden dat het Konijn, die binnen de provincie Zeeland onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt, zich in de nabije omgeving van het plangebied begeeft. Omdat al vastgesteld is dat deze soorten in de omgeving voorkomen is nader onderzoek voor deze soort niet nodig. Het betreft hier leefgebied en geen vaste verblijfplaats van het Konijn. Omdat het geen essentieel leefgebied betreft is een ontheffing voor de Wet natuurbescherming niet nodig. Om verstoring van het Konijn en andere voorkomende soorten tijdens de werkzaamheden te voorkomen wordt het aanbevolen om het plangebied af te rasteren waardoor de dieren tijdens de werkzaamheden buiten het plangebied worden gehouden. Om te voorkomen dat individuen van de Levendbarende hagedis in het plangebied komen tijdens de werkzaamheden dient het plangebied preventief afgeschermd te worden. 26
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
6
Toetsing Wet natuurbescherming gebiedsbescherming Voor de effectbepaling is het van belang om de relevante storingsfactoren in beeld te brengen die de voorgenomen plannen met zich meebrengen. Effecten die kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen plannen zijn: • verstoring door geluid; • verstoring door licht; • verstoring door trilling; • verzuring als gevolg van stikstofdepositie; • vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Niet alle aangewezen habitattypen en doelsoorten zijn in eenzelfde mate gevoelig voor de mogelijke optredende vormen van verstoring. Het optreden van een groot aantal effecten kan op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten, deze effecten kunnen daarom verder buiten beschouwing gelaten worden. De volgende effecten zijn niet van toepassing: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, optische verstoring, mechanische verstoring, vernatting, verdroging, verzoeting, verzilting, verandering in stroomsnelheid, verandering in overstromingsfrequentie, verandering in de dynamiek van het substraat, veranderingen in populatiedynamiek en/of bewuste verandering in soortensamenstelling. Aangezien het plangebied zich niet in een Natura 2000-gebied bevindt, zullen de voorgenomen plannen niet leiden tot oppervlakteverlies en versnippering.
Ook verstoring door verontreiniging als gevolg van de voorgenomen plannen kan vanwege de ligging van het plangebied buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden redelijkerwijs worden uitgesloten. Optische verstoring en mechanische verstoring worden niet verwacht op basis van de afstand van het plangebied van Natura 2000-gebieden. Onder optische verstoring wordt verstaan; verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen of voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Onder mechanische verstoringen vallen effecten van verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen en dergelijke die optreden ten gevolge van menselijke activiteit. De afstand tussen het plangebied en de Kop van Schouwen bedraagt hemelsbreed ongeveer 50 meter (zie figuur 4). Vluchtgedrag van bijvoorbeeld vogelsoorten bij dergelijke vormen van verstoring wordt over het algemeen geïnitieerd bij menselijke activiteiten binnen maximaal enkele honderden meters (zie tabel 4.4 in Krijgsveld et al., 2008). Het optreden van verstorende effecten als gevolg van optische verstoring en mechanische verstoring kan dus met voldoende zekerheid worden uitgesloten. De mogelijke effecten van verstoring door geluid, licht en/of trillingen kunnen mogelijk wel verder reiken dan deze afstand.
Vernatting en/of verdroging worden niet verwacht omdat de voorgenomen plannen geen invloed zullen hebben op de grondwaterstand of kwel. Als gevolg van vernatting en verdroging treden vaak respectievelijk verzoeting en verzilting op; deze storingsfactoren
27
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
worden daarom ook niet verwacht. Het mogelijk optreden van veranderingen in stroomsnelheid, overstromingsfrequentie, dynamiek van het substraat of populatiedynamiek is niet van toepassing. Ook een bewuste verandering van de soortensamenstelling als gevolg van de voorgenomen plannen wordt niet verwacht. Verstoring door geluid Het volgende wordt verstaan onder verstoring door geluid volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV): Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid.
Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. Verschillende werkzaamheden kunnen per uur geluidsbelastingen veroorzaken tot 140 dB(A). Afhankelijk van de activiteit is het geluidsniveau op een afstand van 10 tot 1200 meter van het plangebied pas afgenomen tot de grenswaarde van 60 dB(A). De grenswaarde van 45 dB(A) wordt bij een afstand van 54 tot 4376 meter van het plangebied pas bereikt voor de in bijlage 2 opgesomde activiteiten. Aangezien het plangebied zich op 50 meter afstand van de Kop van Schouwen, kunnen activiteiten met een hoger bouwlawaai mogelijk negatieve effecten veroorzaken op aangewezen habitatrichtlijnsoorten die gevoelig zijn voor geluid. Voor de Kop van Schouwen is echter alleen de Noordse Woelmuis (Alexandromys oeconomus arenicola) potentieel gevoelig voor geluidsverstoring. Deze soort komt voornamelijk voor binnen de natte ruigere delen van de Vochtige duinvalleien welke niet aanwezig zijn in de nabije omgeving van het plangebied. Vanwege de grote afstand tot het leefgebied van de Noordse woelmuis, kunnen negatieve effecten op deze soorten als gevolg van verstoring door geluid met voldoende zekerheid worden uitgesloten.
Verstoring door licht Het volgende wordt verstaan onder verstoring door licht volgens het Ministerie van LNV: Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en bedrijventerreinen, glastuinbouw, sportparken etc. 28
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij aangetrokken of juist verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving door licht uit woonwijken, industrieterreinen, glastuinbouw, agrarische bedrijven etc. kan tot verstoring van het normale gedrag van diersoorten leiden. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij verdreven of juist aangetrokken worden door de lichtbron. De lichtuitstraling vanuit het plangebied zal naar verwachting zowel in de bouwfase als in de toekomstige gebruiksfase beperkt zijn. Dit omdat de meeste activiteiten overdag en bij daglicht plaats zullen vinden en omdat landschapselementen in de directe omgeving van het plangebied zorgen voor een afscherming van het licht t.o.v. de Natura 2000gebieden. Van verstoring door licht is in dit geval daarom geen sprake.
Verstoring door trilling Het volgende wordt verstaan onder verstoring door trilling volgens het Ministerie van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc.. Kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Het plangebied is op korte afstand van Natura 2000-gebied ‘Kop van Schouwen’ gelegen. Overigens zijn voor dit Natura-2000 gebied geen beschermde (niet-)broedvogels aangewezen. Verstoringsafstanden voor te verwachten soorten als kleine zangvogels, spechten en roofvogels zijn relatief klein (zie tabel 4.4 in Krijgsveld et al., 2008). Andere Natura 2000-gebieden liggen op een dergelijke afstand van het plangebied dat het optreden van verstorende effecten als gevolg van trillingen kan worden uitgesloten. Verzuring en vermesting door N-depositie uit de lucht Het volgende wordt verstaan onder verzuring door N-depositie uit de lucht volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit:
29
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
Kenmerk: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Verzuring kan ook optreden ten gevolgen van uitstoot van zwaveldioxide (SO2) en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend kunnen werken (aanvoer van stikstof). Gevolg: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. Het volgende wordt verstaan onder vermesting door N-depositie uit de lucht volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit: Kenmerk: Vermesting is in dit geval de ‘verrijking’ van ecosystemen door stikstofdepositie.
Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofdioxiden). De vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Gevolg: De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden wordt gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten kosten van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna, doordat hierdoor veranderingen van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Meerdere aangewezen habitattypen en leefgebiedtypen binnen de Kop van Schouwen zijn gevoelig tot zeer gevoelig voor verzuring dan wel vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Er zal een verschilberekening gemaakt worden voor het verschil in stikstofdepositie tussen de oude en de nieuwe gebruiksfase.
Omdat er is sprake van een kleinschalig cafetaria (150m2 met terras) waar etenswaren worden verstrekt aan bezoekers van het strand en de bebouwde oppervlakte, de locatie en het aantal (openbare) parkeerplaatsen niet wijzigen zullen de oude en nieuwe gebruiksfase waarschijnlijk gelijk zijn. Er is uitsluitend sprake van een vernieuwing van bebouwing voor een bestaande functie. De bezoekerscapaciteit en de activiteiten wijzigen niet. 30
Ecologische voortoets t.b.v. sloop- en nieuwbouw aan de Rampweg 13 te Scharendijke
7.
Conclusie Wet natuurbescherming soortbescherming Op basis van het uitgevoerde literatuur- en veldonderzoek kan gesteld worden dat het Konijn, die binnen de provincie Zeeland onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt, zich in de nabije omgeving van het plangebied begeeft. Omdat al vastgesteld is dat deze soorten in de omgeving voorkomen is nader onderzoek voor deze soort niet nodig. Het betreft hier functionele leefomgeving en geen vaste verblijfplaats van het Konijn. Omdat het geen essentieel leefgebied betreft is een ontheffing voor de Wet natuurbescherming niet nodig. Om verstoring van het Konijn en andere voorkomende soorten tijdens de werkzaamheden te voorkomen wordt aanbevolen om het plangebied af te rasteren waardoor de dieren tijdens de werkzaamheden buiten het werkgebied worden gehouden. Om te voorkomen dat individuen van de Levendbarende hagedis in het plangebied komen tijdens de werkzaamheden dient het plangebied preventief afgeschermd te worden. Wet natuurbescherming gebiedsbescherming Het plangebied aan de Rampweg 13 te Scharendijke waar sloop- en bouwwerkzaamheden plaats zullen vinden, bevindt zich binnen 50 meter afstand van Natura 2000-gebied Kop van Schouwen. Voor dit gebied is een groot aantal habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten aangewezen.
Storingsfactoren die kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen plannen zijn verstoring door vermesting dan wel verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Er zal een verschilberekening gemaakt worden voor het verschil in stikstofdepositie tussen de oude en de nieuwe gebruiksfase. Omdat er is sprake van een kleinschalig cafetaria (150m2 met terras) waar etenswaren worden verstrekt aan bezoekers van het strand en de bebouwde oppervlakte, de locatie en het aantal (openbare) parkeerplaatsen niet wijzigen zullen de oude en nieuwe gebruiksfase waarschijnlijk gelijk zijn. Er is uitsluitend sprake van een vernieuwing van bebouwing voor een bestaande functie. De bezoekerscapaciteit en de activiteiten wijzigen niet.
31
Referenties Krijgsveld, K.L., Smits, R.R., van der Winden, J. 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels; update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Bureau Waardenburg bv, rapport nr. 08-173. Culemborg, 23 december 2008. Beschikbaar op het World Wide Web via: https://library.wur.nl/WebQuery/groenekennis/1897778 Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008a. Duinen met Hippophaë rhamnoides (H2160). Beschikbaar op het World Wide Web via: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2160.pdf Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008b. Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (”witte duinen”) (H2120). Beschikbaar op het World Wide Web via: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2120.pdf Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2008c. *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) (H2130). Beschikbaar op het World Wide Web via: https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Habitattypen_profielen/Profiel_habitattype_2130.pdf Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021a. Aerius Monitoring. Beschikbaar op het World Wide Web via: https://monitor.aerius.nl/gebied/112/onderwerp/depositie-irt-natuur?deel=toelichting Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2021b.
Aerius Calculator. Beschikbaar op het World Wide Web via: https://calculator.aerius.nl/calculator/?locale=nl# Provincie Zeeland, 2021. Natuurnetwerk Zeeland. Beschikbaar op het World Wide Web via: https://www.zeeland.nl/kaarten-en-cijfers/kaarten/natuur-en-landschap-kaart