CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

760151 Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Nieuwbouw Gors Scheldestraat 5 Zierikzee (760151)7.556 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Brugzicht Zorgappartementen & dagbesteding GORS Scheldestraat 5 te Zierikzee

Ruimtelijke onderbouwing

Colofon Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. omgevingsvergunning voor de bouw van 27 (zorg)appartementen met dagbesteding Opdrachtgever: Gors Postbus 2160 4462 DZ GOES Opdrachtnemer Opdurp Management BV , Schoolstraat 20 4354 AK VROUWENPOLDER 06-41 288 492 aline@opdurp.com www.opdurp.com Projectgegevens Projectnaam 2022-GORS Zierikzee Datum: 2 december 2022 Auteur: drs. S.A.C. van Opdurp Kwaliteitscontrole: A. Remijn

-1-

INHOUD Hoofdstuk 1. Inleiding ...

pag. 3

..1.1. Algemeen ...........................................

3

..1.2. Plangebied .........................................

3

..1.3. Doel ...................................................

4

..1.4. Leeswijzer ..........................................

4

Hoofdstuk 2. Het project ...

pag. 5

. 2.1. Beschrijving van het project ........ .......

6

2.2. Ruimtelijke kaders .......................... 77

7

Hoofdstuk 3. Beleidskader ... ..

pag. 9

3.1. Provinciaal beleid ............................

9

. .3.2. Gemeentelijk beleid ..........................

9

Hoofdstuk 4. Milieu- en omgeving

pag. 11

4.1. Inleiding ............................... 4.2. Bodem .

11 .......

11

4.3. Niet gesprongen conventionele explosieven

13

.4.4. Externe veiligheid

13

4.5. Akoestiek ......................................

15

4.6. Natuur

16

4.7. Luchtkwaliteit

19

4.8. Licht en duisternis

20

4.9. Mobiliteit en parkeren

22

4.10 .Energie en klimaat

22

4.11. Bedrijven en milieuzonering

23

4.12. Water

23

4.13. Archeologie

28

4.14. Vormvrije m.e.r.-beoordeling

28

Hoofdstuk 5. Uitvoerbaarheid .........

pag. 29

..5.1. Maatschappelijke ..........................

...

29

..5.2. Economische ..................................

...

29

-2-

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1. Algemeen Op het perceel Scheldestraat 5 te Zierikzee, bevindt zich het pand van Gors, bekend als Brugzicht. Het pand is in gebruik door Gors als voorziening gericht op dagbesteding. Het pand, is getoetst op functionaliteit, bouwkundige aspecten en installatiekwaliteit tijdens een variantenstudie in 2019. De conclusie was dat op alle aspecten het pand verouderd is en vervangende nieuwbouw het meest wenselijk is. Om die reden heeft Gors voor nieuwbouw gekozen. Bij de vervangende nieuwbouw wordt naast dagbesteding een uitbreiding van het voorzieningenniveau gerealiseerd door zorgwoningen toe te voegen. Met name voor de steeds ouder wordende cliënten en cliënten met een intensieve zorgvraag (op lichamelijk, cognitief en gedragsniveau) is een gecombineerde vorm van wonen- en zorgverlening wenselijk en veelal noodzakelijk om adequate zorg te kunnen leveren. Gors kan met deze nieuwe voorziening invulling geven aan cliëntgerichte, betekenisvolle zorg en ondersteuning. Dit bevordert de kwaliteit van zijn of haar kwaliteit leven.

1.2. Plangebied Het plangebied aan de Scheldestraat ligt buiten de grachten/stadswallen van Zierikzee en binnen de woonwijk Poortambacht. De geldende bestemmingsregeling betreft “Zierikzee buiten de grachten” (dd. 9 april 2020). Het perceel wordt aan de noordzijde begrensd door, en ontsloten op de Scheldestraat en ten zuiden grenst het perceel aan de Miereweg. Ten westen van het kavel op nummer 7, is een basisschool gevestigd en aan de oostzijde grenst het aan het perceel Scheldestraat 3 waar een kinderopvang en peuterspeelzaal aanwezig is. De strook tussen de Scheldestraat en de Miereweg heeft een maatschappelijke bestemming. Op onderstaande figuur is het plangebied, ten opzichte van de Stad Zierikzee aangeduid en is het projectgebied aangegeven.

Fig 1., projectgebied

-3-

1.3 Doel Het doel van deze ruimtelijke onderbouwing is aan te tonen dat de bouw van de 27 zorgappartementen met dagbesteding past binnen de doelstellingen van de gemeente Schouwen Duiveland en dat de voorziening goed past in haar omgeving. Deze ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage bij de Omgevingsvergunning gevoegd en bij een latere herziening in een bestemmingsplan opgenomen.

1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing staat, naast dit inleidend hoofdstuk, uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk twee wordt het initiatief toegelicht. In hoofdstuk drie worden de geldende planologische beleidskaders beschreven. Het vierde hoofdstuk beschrijft de beoordeling van de relevante omgevings- en milieuaspecten. In het laatste hoofdstuk vijf, wordt vervolgens ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

-4-

Hoofdstuk 2 Het project 2.1.

Beschrijving van het project

2.1.1. Huidige situatie

Het huidige gebouw van Gors beslaat een oppervlakte van 1229 m2, bestaat uit één bouwlaag en is deels voorzien van een kap. De oriëntatie is gericht op de Scheldestraat.

Fig.2 .. huidige situatie Gors, Scheldestraat 5 (bron; foto streetview google)

Het huidige gebouw kan niet voorzien in de behoefte van de gebruikers. Momenteel verhuizen cliënten van Gors soms gedwongen naar de VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg) omdat de huidige woonruimte niet meer voldoet. Echter zitten de cliënten van Gors in de VVT niet op hun plek (tenzij ernstig dementerend) vanwege het ontbreken van expertise op het gebied van verstandelijke beperking en niet passende ondersteuning. De verstandelijke beperking, gecombineerd met lichamelijke beperkingen als gevolg van het ouder worden, is zo wezenlijk anders en gecompliceerder dan die van een gemiddelde verpleeghuisbewoner, dat hier specifieke huisvesting voor nodig is. Die huisvesting vraagt een meer verpleeghuisachtige woonvorm, specifiek gericht op deze doelgroep. Aanpassing van het huidige gebouw is afgewogen, echter het is praktisch onhaalbaar om ook de woonfunctie hierin te creëren en bovendien zeer kostbaar. Daarnaast zal een aanpassing niet tot een opwaardering tot de huidige duurzaamheidseisen leiden. De realisatie van een nieuw gebouw wat in aanvang is beoogd voor de functie van wonen met zorg en tevens aan de duurzaamheidseisen kan voldoen, heeft dan ook de voorkeur.

-5-

2.1.2. Toekomstige situatie Bebouwing

Het nieuwe gebouw is een gebouw in 2 lagen, waarbij twee gevelelementen aan de zijde van de Scheldestraat een kap illustreren.. Zie hiervoor onderstaande impressies. Het gebouw is voorzien van 3 patio’s waar cliënten veilig en beschermd ‘buiten’ kunnen verblijven. Het bebouwingsoppervlak van het gebouw is slechts 100 m2 groter dan het huidige pand en beslaat iets meer dan 50% van het bestemmingsplanmatig aangegeven bebouwingsvlak. Het totale bebouwd oppervlak, inclusief berging bedraagt 1520 m2. Dit is ruimschoots binnen de toegestane 60% bebouwingsoppervlakte zoals het geldende bestemmingsplan voorschrijft. Het gebouw meet in de nieuwe situatie 7, 10 m’. De toegestane hoogte volgens het bestemmingsplan bedraagt 8,00 m’.

Fig 3: Toekomstige situatie, bron: impressies architect RoosRos (omgevingsvergunningaanvraag)

Functie Het nieuwe gebouw biedt ruimte aan een woonzorgconcept voor 27 cliënten, dagbesteding voor de huidige Gors cliënten (waaronder de bakkerij) en ook het bestaande wijkcentrum (15 personen) is ingepast. Op de begane grond zullen 10 personen een woonvertrek hebben, met een gezamenlijke woonkamerfunctie (geschikt voor 12 personen) en patio-ruimte van 15 m2. Op de begane grond wordt ook een slaapwachtkamer gerealiseerd diverse bergingen en functionele diensten ruimtes. Op de verdieping komen 17 kamers, waarvan 1 kamer geschikt is voor 2 personen. Ook worden hier 2 gemeenschappelijke woonkamers gerealiseerd en zijn hier 2 patio’s voorzien. Het gebouw is compact vormgegeven. Dit biedt een voordeel voor de medewerkers en zorgt voor minder loopruimtes. Voor cliënten voorziet het gebouw in veel privacy (eigen ruimtes) met

-6-

diverse ontspanningsfaciliteiten (o.a. ook een snoezelruimte en ruime badkamers). Door de concentratie van zorg, wonen en dagbesteding onder één dak biedt de ruimte voor zorgverleners de tijd maximaal voor de cliënten in te zetten. Door de realisatie van de nieuwbouw is Gors gereed voor de vraag van de ouder wordende cliënten om zorg op maat te bieden voor nu en later.

2.2

Ruimtelijke kaders

2.2.1. Geldend bestemmingsplan Het onderhavige perceel, Scheldestraat 5, ligt binnen het bestemmingsplan ‘Zierikzee buiten de grachten’. Het bestemmingsplan is onherroepelijk vastgesteld op 9 april 2020. Op het perceel rust de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 6’. Het perceel kent een bouwvlak aanduiding en het perceel mag 60% bebouwd worden. Tevens is de maximale bouw / goothoogte vastgesteld op 8,00 m’.

Fig 4. Uitsnede bestemmingplan Zierikzee buiten de grachten, bron: ruimtelijke plannen, met aanduiding projectgebied

De nieuwbouw voldoet qua afmetingen aan de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Met betrekking tot het gebruik, wijkt het af voor het onderdeel (zorg)wonen. Binnen de bestemming Maatschappelijk is het gebruik voor maatschappelijke voorzieningen, - dienstverlening toegestaan. Binnen de huidige bestemmingsregels is ingeval er een aanduiding geldt ook een specifiek gebruik toegestaan, bijvoorbeeld onderwijs, kantoren of wonen. Het perceel kent geen specifieke aanduiding en om die reden is de dagbesteding passend binnen de huidige bestemmingsregels, de functie wonen met zorg, niet. Daarom is een planprocedure vereist om deze functie ‘wonen’ ter plaatse van Maatschappelijk toe te staan.

-7-

2.2.2. Afwijking / procedure Het bouwplan voldoet qua bouwvoorschriften aan het geldende bestemmingsplan. Het perceel heeft een oppervlakte van 2984 m2. Het hoofdgebouw meet 1460 m2 (inclusief tuinpatio’s) en een berging 60m2. Totaal zal het project aldus 1520 m2 omvatten wat het geheel op een bebouwingspercentage brengt van 50,9 % en daarmee ruim binnen het maximale bebouwingspercentage van 60% valt. Ook de hoogte, die maximaal 8,00 m’ mag bedragen, wordt niet overschreden. De bovenkant, dakrand meet namelijk 7,10 m’. De twee gevelelementen zijn beeldbepalend voor het aanzicht, echter voor de maatvoering van ondergeschikte aard. Voorts is het gebouw gesitueerd binnen het bouwvlak en is het parkeren, conform normering, op eigen terrein georganiseerd. De afwijking ligt in het feit dat Gors hier ter plaatse, naast de dagbesteding, tevens voor haar cliënten wonen wil faciliteren. Het ontbreekt op dit perceel in het bestemmingsplan aan een specifieke aanduiding bij de bestemming ‘Maatschappelijk’ voor ‘wonen’. Dit is wel mogelijk binnen de huidige bestemmingsplansystematiek. Om de nieuwbouw voor dagbesteding en (zorg)wonen mogelijk te maken is het noodzakelijk een ruimtelijke onderbouwing op te stellen teneinde hiervoor een afwijkingsprocedure te kunnen doorlopen. Het voorliggende document voorziet hierin.

-8-

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1. Provinciaal beleid Omgevingsplan 2018 Algemeen Op 21 september 2018 hebben Provinciale Staten van Zeeland het Omgevingsplan Zeeland 2018 vastgesteld. Dit plan is het provinciale beleidsplan voor ruimte, water en natuur, kortom de fysieke leefomgeving, en heeft een wettelijke basis in de Wet ruimtelijke ordening, Wet milieubeheer en Waterwet. Daarnaast ondersteunt het Omgevingsplan de economische, sociale en mobiliteitsdoelen. Het beleid en de financiering voor die onderwerpen is uitgewerkt in de aparte beleidsplannen en - agenda’s. De gewenste ontwikkeling is qua activiteit bouwen en gebruiken grotendeels toegestaan. Er is echter sprake van een beperkte strijdigheid met het bestemmingsplan. Bij het toestaan van afwijkingen dient men, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, in beeld te brengen wat de eventuele gevolgen kunnen zijn. Gelet op de geringe afwijking op het gebied van de gebruiksfunctie, en het feit dat het plan vervangende nieuwbouw betreft binnen stedelijk gebied, zijn de (beleids- en/of planologisch) gevolgen voor de provincie Zeeland zeer beperkt en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. Conclusie: Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het onderhavige plan. 3.2.

Gemeentelijk beleid

Beleidsvisie “Zorglandschap 2021-2025, aanbod voor specifieke zorgdoelgroepen op SchouwenDuiveland in de pas met de vraag”. De onderhavige ontwikkeling is getoetst aan de beleidsuitgangspunten van de gemeente op het gebied van wonen en zorg. Het plan behelst een woonzorgvoorziening voor cliënten met een indicatie op grond van de Wlz (Wet langdurige zorg). Het plan speelt in op de behoefte van de ouder wordende cliënten die baat hebben bij zorg op maat, ontspanning en begeleiding én wonen, onder één dak. Na realisatie van de nieuwbouw van Brugzicht, zullen de locaties Kaersemakersstraat en Touwbaan worden teruggegeven worden aan de eigenaar en verhuurder Zeeuwland. Op deze locaties zijn momenteel respectievelijk 8 en 12 appartementen gesitueerd voor de cliënten van Gors. Met de beoogde 27 kamers aan de Scheldestraat kunnen 7 cliënten meer dan in de huidige situatie worden opgevangen. De toevoeging van deze 7 eenheden is met onderzoek (en wachtlijst) met de gemeente afgestemd en de noodzaak hiervan is aangetoond. Transitievisie Warmte voor Schouwen-Duiveland In 2050 worden onze gebouwen niet meer met aardgas verwarmd. Dit teneinde de uitstoot van CO2 terug te dringen en klimaatverandering tegen te gaan. Ook willen we de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen (aardgas) verminderen, zowel uit Groningen als het buitenland.

De overstap van duurzame en aardgasvrije verwarming noemen we de warmtetransitie. De gemeenteraad van Schouwen-Duiveland heeft in december 2021 een visie opgesteld met een handelingsperspectief om initiatieven te toetsen.

-9-

Met de realisatie van de nieuwe woonzorgvoorziening wordt het gebouw voorzien van een warmtepomp installatie en wordt het platdak voorzien van zonnepanelen. Met uiteraard ook een goede isolatie voor wanden, vloeren, dak en beglazing, is het gebouw bijna energieneutraal (BENG) Conclusie: Het plan speelt in op de behoefte van Gors’ ouder wordende cliënten die baat hebben bij zorg op maat, ontspanning, begeleiding én wonen, onder één dak. De toevoeging van 7 zorgappartementen is middels onderzoek aangetoond en past binnen de beleidsuitgangspunten van het woonzorg beleid van de gemeente. Daarnaast past de beoogde nieuwbouwontwikkeling in het warmtetransitiebeleid; het nieuwe gebouw wordt verwarmd met warmtepompen en zonnepanelen en vormt een hoogwaardige duurzaam ontwikkelde dagbesteding met zorgwonen wat voldoet aan de BENG normering.

- 10 -

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de relevante omgevings- en milieuaspecten behandeld die van toepassing zijn op het projectgebied. Hierbij is uitgegaan van de activiteiten die in het beoogde plan worden gevraagd. De ontwikkeling betreft een nieuwbouw met functiewijziging voor ‘maatschappelijk met wonen’ en de nieuwbouw van de huidige dagbesteding, kadoshop, lunchroom, bakkerij en kinderboerderij van Gors, bekend onder de naam van ‘Brugzicht’. 4.2. Bodem Bodemkwaliteit Door ABO Milieuconsult is in opdracht van Gors, volgens de NEN 5740 en NEN 5725 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Scheldestraat 5. De werkzaamheden hebben plaatsgevonden in september – oktober 2021. De resultaten van dit onderzoek, d.d. 12 oktober 2021 zijn bij deze ruimtelijke onderbouwing als bijlage bijgevoegd. Het perceel heeft een totale oppervlakte van circa 4.500 m2. Hierop zijn 12 boringen verricht. 7 boringen zijn tot 0,5 m – mv verricht, 4 boringen tot 2,0 -mv en 1 boring is tot 3,2 -mv verricht. Van deze boringen is 1 boring voorzien met een peilbuis. Onderzoekers hebben in de boven- en de ondergrond licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetroffen. Ter plaatse van de moestuin zijn in de bovengrond tevens licht verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen aangetroffen.

Echter de aangetroffen concentraties in de grond en het grondwater zijn dermate gering dat deze resultaten geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Opgemerkt wordt dat bij het eventueel afvoeren van grond (tijdens de bouwwerkzaamheden), het onderhavige onderzoek onvoldoende is om uitspraken te kunnen doen over de hergebruiksmogelijkheden. Om dat te kunnen te bepalen is gelden er andere beoordelingscriteria en onderzoeksstrategieën.

Conclusie: de bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de nieuwbouw op het perceel.

- 11 -

4.3. Niet gesprongen conventionele explosieven Het centrum van Zierikzee, hier ‘oranje’ gekleurd, heeft op basis van het gemeentelijk NGE beleid, een aanduiding als ‘Verhoogde kans op het aantreffen van CE (conventionele explosieven)’. Echter, het bevoegd gezag (de gemeente Schouwen-Duiveland), kan op basis van haar beleid ter zake een afweging maken om al dan niet onderzoek te laten verrichten. Mede gelet op het feit dat ter plaatse van het project de grond dusdanig verstoord is (zowel qua omvang als ook diepte) is de verwachting ‘laag’ om hier nog NGE aan te treffen. Het beleid schrijft dan vervolgens voor om volgens het protocol toevalstreffer te werken, welke uiteraard tijdens de uitvoering van het werk zal worden gehanteerd.

(figuur 5, bron; gemeente Schouwen-Duiveland, kaart uitsnede risico kaart)

Conclusie: de NGE vormen geen belemmering voor de realisatie van dit project.

4.4. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Ook de risico's die luchthavens geven vallen onder externe veiligheid. De aan deze activiteiten verbonden risico’s moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: •

•

Plaatsgebonden risico (PR): Inwoners van een bepaald gebied kunnen te maken krijgen met plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou die persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Deze kans mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen. Het PR wordt ‘vertaald’ als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers en is een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van

- 12 -

een gedegen verantwoording, kan afwijken. Dit betreft de zogeheten verantwoordingsplicht. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen inclusief bijbehorende relevante gegevens zijn weergegeven. De risicokaart vormt een hulpmiddel bij het beoordelen van het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast kan ook het risicoregister worden geraadpleegd. Relatie tot ontwikkeling Op de risicokaart is te zien dat: • • • •

Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting; Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen.

Het projectgebied is gesitueerd in de lichtblauwe cirkel. Conclusie: Vanuit een oogpunt van externe veiligheid, is er geen belemmering voor de projectontwikkeling.

(figuur 6 Uitsnede risicokaart, bron gemeente Schouwen-Duiveland)

- 13 -

4.5. Akoestiek In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit: • woningen; • onderwijsgebouwen; • ziekenhuizen; • verpleeghuizen; • verzorgingstehuizen; • psychiatrische inrichtingen; • kinderdagverblijven. Relevante geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal met een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Daarnaast kan het als het gaat om bijvoorbeeld logiesruimtes (hotelkamers, recreatieve verblijven) wenselijk zijn om een goed en aangenaam binnenklimaat te kunnen waarborgen. Industrielawaai De geluidsruimte is voor een deel van de bedrijven vastgelegd in de omgevingsvergunning milieu (inrichting type C), het grootste deel van de bedrijven valt echter onder de algemene voorschriften uit het Activiteitenbesluit, afdeling 2.8 Geluidhinder (inrichtingen type A en B). In het Activiteitenbesluit zijn gevelbelastingen opgenomen voor gevoelige gebouwen.

Het onderdeel ‘Industrielawaai’ is in casu niet van toepassing omdat het project niet is gelegen in of nabij een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Railverkeerslawaai Ook dit onderdeel van ‘geluidhinder’ is niet aan de orde door het ontbreken van railverkeer in de omgeving van het projectgebied.

Wegverkeerslawaai Relatie tot ontwikkeling Het plangebied bevindt zich aan een 30km/u-weg, echter is tevens binnen 200 m gelegen van de Laan van St. Hillaire wat een 50km/u-weg is. Weliswaar ligt het in de verwachting dat, mede gelet op bestaande bebouwing, het aspect wegverkeerslawaai deze ontwikkeling niet belemmerd, het geluidsonderzoek wordt nog nader onderbouwd Conclusie: PM (volgt)

- 14 -

4.6. Natuur Door onderzoeksbureau Maasarend is onderzoek gedaan in het kader van de Wet Natuurbescherming, evenals de Vogel- en Habitatrichtlijn, naar de aanwezigheid van beschermde gebieden, beschermde soorten flora en fauna en beschermde houtopstanden. Naast een bureaustudie heeft er op 10 juli 2021 veldonderzoek plaatsgevonden. En vervolgens zijn aanvullende onderzoeken uitgevoerd op het gebied van stikstof (opgenomen in paragraaf 4.7 van dit hoofdstuk) en onderzoek op het gebied van vleermuizen en vogels (verwerkt in deze paragraaf), in december 2021 en in juli 2022. Tevens is ontheffing verstrekt door het bevoegd gezag ter zake, de provincie Zeeland d.d. 25 augustus 2022, met betrekking tot het verstoren van activiteiten van de gewone dwergvleermuis. Stikstof Het perceel ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) of een Natura 2000 gebied. Echter door de afstand van het perceel ten opzichte van beschermde natuurgebieden, in combinatie met de aard van de werkzaamheden, heeft Maasarend geadviseerd onderzoek te doen naar de stikstofdepositie. De richtlijnen met betrekking tot het berekenen van de stikstofdepositie is tijdens het opstellen van deze onderbouwing diverse keren gewijzigd. Het meest recente onderzoek is bijgevoegd.

Referentiesituatie Met behulp van de meest recente versie van Aerius calculator d.d. 30 november 2022, is een berekening gemaakt van de referentiesituatie. Van een (planologisch) plan, zoals een bestemmingsplan of omgevingsplan, is de huidige feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie de referentiesituatie. Als uitgangspunt is hierbij de aanwijzingsdatum van het N2000 gebied Oosterschelde bepalend (7 december 2004). De rekenresultaten zijn als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In de berekening is met name uitgegaan van de emissies als gevolg van ruimteverwarming, die op basis van de emissiewaarden van TNO zijn bepaald. Bij een vloeroppervlakte van 1.350 m2 resulteert dit in een jaarlijkse uitstoot van 216 kg/NOx per jaar. Uit de berekening met Aerius calculator volgt in de huidige situatie een depositie van 0,04 mol/ha/jaar op het N2000 gebied Oosterschelde. Tussentijdse situatie In de aanlegfase zal de belangrijkste uitstoot van stikstof plaatsvinden als gevolg van met name diesel gebruikend materieel. De uitstoot van dit materieel is ingevoerd in het rekenmodel van Aerius Calculator. Hieraan ligt een Excel met uitgangspunten ten grondslag. Een schermafdruk van deze uitgangpunten is bijgesloten bij de Aerius rekenresultaten. Voor de berekening van de aanlegfase is een tijdelijke situatie ingevoerd.

Een tijdelijke situatie is bedoeld voor tussentijdse situaties, oftewel, situaties die in de tijd gezien plaatsvinden tussen de Referentie en de Beoogde situatie. Tijdelijke emissies kunnen extra zijn, boven op de emissies in de Referentiesituatie, of een tijdelijke vervanging van de Referentiesituatie. Hieruit blijkt dat de ingevoerde gegevens een depositieresultaten oplevert van 0,05 mol/ha/jaar. De maximaal tijdelijke toename is daarmee 0,01 mol/ha/jaar (0,05 aanlegfase – 0,04).

- 15 -

Beoogde situatie

In de exploitatiefase is de emissie van stikstofoxiden verwaarloosbaar, omdat het gebouw volledig elektrisch verwarmd zal worden (warmtepomp). Tevens zijn vervoersbewegingen ingevoerd (50 per dag, licht verkeer). Er zijn vanuit de exploitatiefase geen belemmeringen voor de realisatie van als gevolg van stikstofdepositie. In de tussentijdse situatie is er een tijdelijke overschrijding van de grens van 0,00 mol/ha/jaar. Uit de gebiedsrapportage (Gebiedsrapportage 2016 Natura 2000 gebied nr. 118 Oosterschelde) blijkt echter dat de door Aerius aangegeven habitattypen H1330 Schorren en zilte graslanden (binnendijks) geen stikstofoverbelasting kennen. De rekenresultaten zijn als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er een tijdelijke stikstofdepositie zal plaatsvinden als gevolg van de realisatie van de bebouwing. In de huidige situatie vindt echter een vergelijkbare continue depositie plaats waarna in de nieuwe situatie geen depositie van stikstof zal kennen. In de beoogde situatie bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplanwijziging.

Flora Binnen ca. 1,5 kilometer van het projectgebied zijn de afgelopen 10 jaar de beschermde soorten Muurbloem en Schubvaren aangetroffen. Tijdens het veldbezoek op 10 juli 2021 zijn deze niet aangetroffen en is geconstateerd dat de locatie geen geschikte habitat biedt voor de beschermde vaatplanten. Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde vaatplanten wordt hiermee uitgesloten. Vleermuizen Op basis van de bureaustudie is het aannemelijk dat vleermuizen gebruik maken van het perceel of de directe omgeving. Het betreft de soorten: - gewone dwergvleermuis; - ruige dwergvleermuis Op het perceel zijn geen groenstructuren aanwezig die een rol kunnen spelen als foerageergebied. De huidige bebouwing zou wel dienst kunnen doen als zomer-, kraam of paarverblijfplaats. Een winterverblijfplaats wordt uitgesloten. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2021 moet inzicht verschaffen in het functiegebruik van de bestaande bebouwing. Dit aanvullende veldonderzoek (zie bijlagen) is uitgevoerd tijdens de paarperiode op 15 augustus 2021. Geconstateerd is dat er geen verblijfsplaatsen van vleermuizen of baltsende dieren zijn aangetroffen. Wel zijn tijdens beide onderzoeken tussen de één en zes gewone dwergvleermuizen foeragerend waargenomen op diverse locaties grenzend aan het perceel. De ruige dwergvleermuis is niet waargenomen.

Evenmin is geconstateerd dat het perceel onderdeel uitmaakt van vliegroutes van vleermuizen. Echter is in het nader onderzoek (na 15 juli 2022) een vleermuis(nest) van de gewone dwergvleermuis, geconstateerd. Hiervoor is ontheffing

- 16 -

aangevraagd bij de provincie Zeeland en ook inmiddels verkregen (d.d. 25 augustus 2022). Conclusie en advies vleermuizen Vanuit de resultaten van de uitgevoerde veldonderzoeken en inmiddels verkregen ontheffing met betrekking tot een verblijfplaats van een vleermuis, is er geen belemmering voor het realiseren van het project. Overige zoogdieren Op basis van de bureaustudie is het mogelijk een aantal beschermde soorten zoals Bunzing, Haas, Konijn en Noordse woelmuis aan te treffen binnen op het perceel of de directe omgeving. Veldonderzoek wees uit dat op het perceel geen geschikt habitat aanwezig is voor deze of andere beschermde overige zoogdieren en zijn negatieve effecten van de nieuwbouw uit te sluiten. Vogels Op basis van de bureaustudie is de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten mogelijk. Dit betreft nesten van de soorten Buizerd, Gierzwaluw, Huismus, Slechtvalk en Sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende soorten waargenomen binnen het projectgebied en de directe omgeving: Boerenzwaluw, Gierzwaluw, Houtduif, Huismus, Kleine mantelmeeuw, Kokmeeuw, Koolmees, Merel, Pimpelmees, Scholekster, Spreeuw, Tjiftjaf, Turkse tortel, Vink en Zilvermeeuw. Huismus De inventarisaties naar Huismus zijn uitgevoerd op 11 en 30 april 2022. Er zijn geen territoria of nestlocaties van Huismus waargenomen binnen het projectgebied.

Er is gedurende beide inventarisaties geen verdere activiteit van Huismus waargenomen, zoals sociale interacties, zandbaden of bezoek aan drinkplaatsen, binnen of direct grenzend aan het projectgebied . Gierzwaluw De inventarisaties naar Gierzwaluw zijn uitgevoerd op 13 juni, 24 juni en 11 juli 2022. Deze inventarisaties duurden twee uur en zijn op 13 juni en 11 juli 2022 gecombineerd met vleermuisinventarisaties. Op 24 juni 2022 heeft er een inventarisatie naar alleen Gierzwaluw plaats gevonden. Tijdens deze inventarisaties zijn er geen verblijfplaatsen van gierzwaluwen waargenomen in het projectgebied of de directe omgeving van het projectgebied. Reptielen en amfibieën Het perceel ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van beschermde reptielen. Er is ook geen geschikt habitat hiervoor aanwezig. Een negatief effect op beschermde soorten als gevolg van de nieuwbouw wordt uitgesloten. Insecten Door het ontbreken van diverse, opgaande begroeiing op het perceel of in de directe omgeving is geen geschikt habitat aanwezig voor de beschermde dagvlinder Grote vos. Een negatief effect op beschermde soorten insecten wordt hiermee uitgesloten.

- 17 -

Vissen Er zijn geen waterlopen of -partijen aanwezig op het perceel. Een negatief effect door de nieuwbouw wordt op dit aspect dan ook uitgesloten. Houtopstanden Er zijn op het perceel geen beschermde houtopstanden aanwezig. Een negatief effect van de nieuwbouw is hiermee op dit aspect niet aan de orde. Conclusie: De eindconclusie is als volgt: Door de afwezigheid van Huismus binnen het projectgebied is een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van deze soort uit te sluiten. Tevens is door de afwezigheid van Gierzwaluw binnen het projectgebied is een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van Gierzwaluw uit te sluiten. En, de uitvoering van de gewenste ruimtelijke ingreep heeft eveneens geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding van vleermuizen. Vliegroutes en foerageergebieden blijven behouden en er verdwijnt één zomerverblijf van Gewone dwergvleermuis, die gebruikt wordt door één dier. Hiermee komt de gunstige staat van instandhouding van Gewone dwergvleermuis niet in gevaar. Hiervoor is inmiddels de benodigde ontheffing verkregen.

4.7. Lucht In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de luchtkwaliteitseisen opgenomen. Daarnaast zijn er luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit niet in betekende mate bijdragen (Besluit NIBM) en de bijbehorende ministeriële Regeling niet in betekende mate bijdragen (Regeling NIBM). In het Besluit NIBM en de Regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project niet in betekenende mate bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. De definitie van ‘niet in betekenende mate’ is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m3 (μg/m3). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: • woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Conclusie: In dit geval is sprake van de herontwikkeling van de locatie en een beperkte uitbreiding in oppervlakte. De belangrijkste wijziging betreft het overnachten. Dit genereert echter geen extra

- 18 -

verkeer. Op basis van bovenstaande voorbeelden mag geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. Voor de volledigheid is op basis van de berekende verkeersgeneratie de NIBM-rekentool gebruikt. Op basis daarvan kan ook geconcludeerd worden dat de grenswaarde van 3% niet wordt overschreden en de ontwikkeling daarmee niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.8. Licht en duisternis Algemeen Kunstmatige verlichting kan een bron van hinder zijn voor zowel mens als dier.. Er zijn veel functies met kunstmatige verlichting, zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. De hinder hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Maar ook door de kans op blootstelling. Dit is afhankelijk van de omgeving en aan de leefwijze van mens en dier. Er zijn drie soorten effecten van kunstmatige verlichting te onderscheiden, namelijk hinder voor de mens, hinder/verstoring voor de natuur en horizonvervuiling. Bij het aspect kunstmatige verlichting in het ruimtelijk spoor gaat het om: • bescherming tegen verstoring door licht (van natuur), • lichthinder voor mensen, en • donkertebescherming (het donkere landschap). Kunstmatige verlichting heeft op verschillende manieren invloed op het ruimtelijk domein. Dat heeft zijn weerslag in wat als kwetsbare of gevoelige functies kan worden gezien. Verstoring Kunstmatige verlichting in de nacht kan het leven van planten en dieren verstoren. Alle typen functies die nodig zijn voor de habitat van planten en dieren kunnen in principe aangemerkt worden als gevoelige functies. Over het algemeen hebben we het dan over natuur-, agrarische of recreatieve bestemmingen.

De wettelijke kaders uit de Wet natuurbescherming bepalen dan of een bepaalde situatie bescherming behoeft.

- 19 -

Lichthinder Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een "goede ruimtelijke ordening" (Wro/Wabo). Bij hinder door licht zal het feit dat mogelijk mensen langdurig aanwezig zijn, bepalend zijn of een bestemming als gevoelig kan worden beschouwd. Donkertebescherming Het beschermen van de omgeving tegen kunstmatige verlichting heeft te maken met de omgeving (het landschap) als geheel en kan niet strikt gekoppeld worden aan bepaalde specifieke gevoelige functies. Regelgeving Het Activiteitenbesluit regelt lichthinder en de bescherming van het donkere landschap grotendeels met de zorgplicht. Behalve voor assimilatiebelichting bij glastuinbouw en voor verlichting van sportterreinen - waarvoor wel voorschriften bestaan. Daarnaast beschermt de Wet milieubeheer de duisternis en het donkere landschap. De bescherming van de duisternis en het donkere landschap valt onder de Wet milieubeheer (Wm). Namelijk onder de gevolgen voor het fysieke milieu gezien vanuit het belang van de bescherming van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden (artikel 1.1 lid 2 Wm). Het beschermen van de duisternis en het donkere landschap valt daarmee ook onder de zorgplicht. Het bevoegd gezag kan met de zorgplicht maatregelen of voorzieningen voorschrijven.

Dat kan alleen, als de inrichting in een aangewezen gebied ligt. Dat wil zeggen: een gebied waarvoor het bevoegd gezag eisen heeft opgesteld om de duisternis of het donkere landschap te beschermen. Ook heeft de provincie Zeeland in de Zeeuwse Omgevingsvisie 2021 opgenomen dat zij bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij grootschalige lichttoepassingen bij bedrijven zal toetsen of de best beschikbare technieken om lichthinder te voorkomen worden toegepast. Relatie tot ontwikkeling De wijziging van bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen waarvoor nader onderzoek naar de gevolgen voor licht en duisternis nodig is. Op de locatie is immers al een gebouw met verlichting aanwezig. In het ontwerp van de nieuwbouw zal rekening worden gehouden met de lichtuitstraling waardoor verstoring en lichthinder voorkomen worden. Dit gaat samen met de toepassing van dimbare energiezuinige verlichting. Waar mogelijk zal dit ook bijdragen aan donkertebescherming alhoewel dit binnen het stedelijk gebied een relatief begrip is. Conclusie: Vanuit het aspect licht en duisternis bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

- 20 -

4.9. Mobiliteit en parkeren Het nieuwe gebouw biedt ruimte aan een woonzorgconcept voor 27 cliënten, dagbesteding voor de huidige Gors cliënten (waaronder de bakkerij) en ook het bestaande wijkcentrum (15 personen) is ingepast. De wijziging ten opzichte van de huidige situatie is dat de cliënten er ook wonen, dus ook overnachten. Het aantal verkeersbeweging (zie ook paragraaf 4.9 onderdeel Stikstof) bedraagt 243 ritten per etmaal. De aanvulling van de huidige functie met ‘wonen’ leidt niet tot een toename van verkeersbewegingen, immers de cliënten beschikken niet over een auto en/of bezoek is niet van dien aard dat er sprake is van een toename. Sterker nog, het halen en brengen van de Gors-dagbesteding naar de op ander locatie gevestigde Gors-woonzorgvestiging komt hierdoor te vervallen. Conclusie: op het onderdeel mobiliteit en parkeren zijn de wijziging nihil te noemen en vormt dan ook geen belemmering voor het project

4.10. Energie en klimaat Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Op 1 januari 2021 is de EPC vervangen door de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De energieprestatie voor bijna energie neutrale gebouwen is vastgelegd aan de hand van drie eisen: 1. maximale energiebehoefte in kWh per m2; 2. maximale primaire fossiel energiegebruik in kWh / m2 en 3. minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten sinds 1 januari 2021 voldoen aan deze BENG norm. Ook is sinds dat moment de aansluitplicht van aardgas bij nieuwbouw geschrapt (i.h.k.v. de Wet Voortgang Energie Transitie (VET)) Bureau S&W bouwkundig ingenieurs is verzocht in dit kader een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) rapportage op te stellen voor het onderhavige project. Deze rapportage is op 25 april 2022 opgesteld en als bijlage bijgevoegd. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. Het gebouw wordt aardgasvrij ontwikkeld. En voorts zijn de zorgappartementen voorzien van een actieve koeling met voldoende capaciteit. De berekening van S&W, toont aan dat wordt voldaan aan de aan de maximum waarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en aan de minimum waarde voor het aandeel hernieuwbare energie.

Conclusie: Energie: het nieuwe gebouw voldoet aan de energieprestatie-eisen conform NTA 8800.

- 21 -

4.11. Bedrijven en milieu zonering Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).

De VNG-handreiking bevat een lijst met bedrijven waaraan, afhankelijk van de mate waarin de in de lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), een categorie wordt toegekend. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. Per bedrijfstype wordt zo een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en de gevel van een woning gelegen in een rustige woonwijk.

Onder een rustige woonwijk wordt verstaan een woongebied met weinig verkeer en praktisch geen bedrijven en/of winkelcentra. Gemengde gebieden zijn gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Naast wonen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en bedrijvigheid. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Zie onderstaande figuur uit het bestemmingsplan Zierikzee buiten de grachten.

- 22 -

(figuur 7.aanduiding gemengd gebied, bron bestemmingsplan Zierikzee buiten de grachten/ Gemeente Schouwen-Duiveland/ ruimtelijkeplannen)

Uit het bestemmingsplan Zierikzee buiten de grachten blijkt dat het terrein aan de Scheldestraat 5 is aangemerkt als rustige woonwijk. De bestemming van de locatie is omschreven als Maatschappelijk (artikel 13). Volgens het bestemmingsplan zijn alleen bedrijven toegelaten uit de milieucategorie 1 en 2 waarbij onderstaande richtafstanden van toepassing zijn.

Milieucategorie Minimale richtafstand tot een rustige woonwijk 1

10 m

2

30 m

Milieucategorieën en richtafstanden (bron: Bedrijven en Milieuzonering, editie 2009, VNG)

Toetsing Noordzijde Scheldestraat Uit de bijlagen met de Staat van bedrijfsactiviteiten blijkt dat de activiteiten in de omgeving volgens het huidige bestemmingsplan Zierikzee buiten de grachten in het gemengd gebied aan de noordzijde van de Scheldestraat in principe niet zijn toegestaan. In de “Staat van Bedrijfsactiviteiten: gemengd” zijn artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven namelijk niet genoemd. Omdat dit een bestaande situatie is, is getoetst aan bovenstaande tabel voor milieucategorie 2. De afstand tot de huisartsenpraktijken aan de Borren Damme is ongeveer 50 m (gevel tot gevel). Bovendien is tussen de gebouwen de Scheldestraat gelegen en zijn de meeste verkeersbewegingen (parkeren huisartsenpraktijken) die als bepalend worden beschouwd voor de uitstraling van geluid op nog grotere afstand gelegen (ongeveer 70 m). Vanuit de huisartsenpraktijk wordt daarom geen invloed

- 23 -

verwacht met betrekking tot de aspecten die het toetsingskader vormen voor het invloedsgebied, namelijk geur, stof, geluid en gevaar.

Zuidzijde Scheldestraat Aan de zuidzijde van de Scheldestraat, waar de ontwikkeling plaatsvindt, zijn van oudsher een basisschool en een kinderdagverblijf gevestigd. Volgens de huidige systematiek volgens het bestemmingsplan Zierikzee buiten de grachten zou de vestiging van deze activiteiten niet mogelijk zijn. Opgemerkt wordt dat met betrekking tot de school en het kinderdagverblijf geldt dat in het kader van het Activiteitenbesluit menselijk stemgeluid op schoolpleinen bij primair onderwijs en bij een kinderdagverblijf sinds 1 januari 2010 bij de toetsing buiten beschouwing wordt gelaten. Hiermee wordt voorkomen dat kinderen niet zouden kunnen buiten spelen, omdat anders de geluidsnormen overschreden zouden kunnen worden. Om toch te beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is ook hier getoetst aan bovenstaande tabel. De basisschool ligt op een afstand van ongeveer 30 à 40 m (westelijke gevel nieuwbouw tot schoolplein). De grens van het schoolplein van het kinderdagverblijf ligt op ongeveer tussen 10 en 20 m (westelijke gevel tot aan de schoolpleinen). De minimale afstand van 10 m wordt daarmee ook hier gehaald. Vanuit de activiteiten aan de zuidzijde van de Scheldestraat wordt daarom geen negatieve invloed verwacht met betrekking tot de aspecten die het toetsingskader vormen voor het invloedsgebied, namelijk geur, stof, geluid en gevaar.

Alle andere activiteiten aan de zuidzijde van de Scheldestraat liggen ruim buiten de 30 m zone voor een rustige woonwijk.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.

- 24 -

4.12. Water Doel Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De meerwaarde van de watertoets is dat zij zorgt voor een vroegtijdige integrale aandacht voor het meewegen van wateraspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening. Voor de direct betrokken instanties, gemeente Schouwen-Duiveland en waterschap Scheldestromen, geld enerzijds het Nationaal Waterplan (NWP, 2009) en anderzijds de Kaderrichtlijn Water. Beiden hebben een zorgplicht voor de kwaliteit van het grondwater en afstromend hemelwater. Afvoer afvalwater (gemeente) In de huidige situatie wordt gebruik gemaakt van een afvoer op het hoofdriool voor het afvalwater (en ook het hemelwater). In de nieuwe situatie zal het vuilwater weer aangesloten worden op het gemeentelijk hoofdriool. Het gebruik wijzigt zo beperkt dat dit geen probleem vormt voor de capaciteit van het riool. Onderstaand een situatieschets van het gemengde riool in de straat. Er ligt hier geen apart hemelwaterriool.

Fig 8, situatieschets gemengd riool in straat (bron gemeente)

- 25 -

Afvoer hemelwater (gemeente en waterschap) Het opnieuw inrichten van het perceel en bebouwing geeft de mogelijkheid om het hemelwater van eigen perceel zelf te verwerken. Dit is een eerste vereiste voordat hemelwater mag worden aangeboden bij de gemeente voor verdere verwerking. Aan de zuidkant van het perceel ligt een watergang van het waterschap waarop het hemelwater afgevoerd kan en mag worden. Dit is ook vanuit het waterschap een gewenste mogelijkheid omdat: - Het water terug gebracht wordt daar waar het hoort (niet naar de zuivering via het gemengde riool) - Het rioolstelsel minder wordt belast

Fig 9, waterloop en aanduiding HWA afwatering bouwtekening

In de aangepaste tekening met kenmerk 1180G-01, d.d. 22 april 2022, is de hemelwaterafvoer gewijzigd en loopt deze niet langer naar het hoofdriool, maar naar het oppervlakte water/ sloot van het waterschap Scheldestromen. Waterberging (waterschap) In overleg met het waterschap Scheldestromen is de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie besproken. Gelet op de geringe toevoeging van bebouwingsoppervlak (ca. 100 m2) en het feit dat de nieuwbouw ruimschoots binnen de 60% bebouwingspercentage ligt zoals in het bestemmingsplan is beschreven, voldoet het plan aan de waterbergingsopgave en kan het hemelwater binnen het peilvak worden gerealiseerd.

- 26 -

4.13. Archeologie Ingevolge het bestemmingsplan Zierikzee buiten de grachten, heeft het perceel naast de Maatschappelijke bestemming, tevens de bestemming Archeologie 6. Conform de vastgestelde regels die horen bij de bestemming Archeologie 6 is archeologisch onderzoek nodig voor bouwplannen die groter zijn dan 2500m2. Daarnaast betreft het vervangende bebouwing met een geringe uitbreiding. Voor de realisatie van de nieuwbouw is daarom geen aanvullend onderzoek naar archeologische waarden noodzakelijk. 4.14. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In gevallen dat een besluit betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst kent de vormvrije mer-beoordeling in essentie twee mogelijke uitkomsten: • •

het is uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten; in dit geval is tenminste een mer-beoordeling nodig (bij besluiten) of noodzakelijk (bij een plan).

Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije mer-beoordeling gehanteerd.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat altijd m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is altijd nodig als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen.

- 27 -

Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • •

het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Bij besluiten over activiteiten die niet op de D-lijst staan is de vormvrije m.e.r.-beoordeling dus niet nodig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd bij activiteiten in kolom 1 van de D-lijst en de besluiten (kolom en 4) die daaraan zijn gekoppeld, in gevallen waarin de omvang beneden de drempelwaarde (kolom 2) ligt. Het kan gaan om besluiten op aanvraag (waarbij bevoegd gezag en initiatiefnemer niet gelijk zijn, bijvoorbeeld bij vergunningen) of besluiten waarbij bevoegd gezag en initiatiefnemer dezelfde zijn. Relatie tot ontwikkeling Uit de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage blijkt dat de ontwikkeling niet als dusdanig is vermeld.

Conclusie Het opstellen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom niet noodzakelijk.

- 28 -

Hoofdstuk 5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De functiewijziging door realisatie van nieuwbouw met toevoeging van enkele zorgappartementen is gezien de bestaande bebouwing en functie op het perceel zeer beperkt en ruimtelijke aanvaardbaar ten opzichte van de omgeving. 5.2. Financiële uitvoerbaarheid Voor bouwplannen zoals aangewezen in artikel 6.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het wenselijk een exploitatieplan vast te laten stellen door de gemeenteraad. Hiervan wordt afgeweken indien het bouwplan niet ‘een voor de eerste maal voorziet in nieuwbouw of omvangrijke verbouwplannen met functiewijzigingen’. Gelet op het feit dat hier sprake is van een vervanging van het bestaande gebouw, betreft het niet een “eerste nieuwbouw”. De nieuwbouw past binnen het bouwvlak van het geldende bestemmingsplan en er is slechts een geringe functiewijziging noodzakelijk. Daarom is hier geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in bovengenoemd artikel. De kosten worden op basis van de legesverordening doorbelast aan de initiatiefnemer die voorts het plan voor eigen rekening en risico ontwikkeld.

- 29 -

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Bodemonderzoek NEN 5740 en NEN 5725 Geluid - volgt Ecologische quickscan Ecologische tussenrapportage Ecologische eindrapportage Natuurontheffing Aerius Energieprestatie rapport

ABO Milieuconsult Greten Raadgevende Ingenieurs Maasarend Maasarend Maasarend Provincie Zeeland Aerius Calculator 30 november 2022 S&W Bouwkundig

- 30 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12187285/2