CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

732831 Bijlage 2 Vormvrije m.e.r-beoordeling

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen bestemmingsplan Jannewekken 11 Zierikzee (732831)6.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Zierikzee, Jannewekken 11

Gemeente Schouwen-Duiveland

Datum: 1 december 2021 Projectnummer: 200286

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r. –beoordeling Leeswijzer

3 3 5

2

Kenmerken van het plan

6

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving van het plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

6 6 7 7

3

Plaats van het plan

9

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

9 9 10

4

Kenmerken van het potentiële effect

15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Inleiding Natuur Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Archeologie

15 16 19 19 20 21

5

Conclusie

23

Gebruikte onderzoeken/bronnen

25

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In het centrum van Zierikzee is het perceel van Jannewekken 11 gelegen. De huidige drukkerij op het perceel zal binnenkort haar deuren sluiten. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats woningen te realiseren, passend bij de ruimtelijke en functionele kenmerken van de omgeving. Het beoogde programma bestaat in totaal uit 12 levensloopbestendige patiowoningen, 4 woningen direct aan de Jannewekken en 8 woningen rondom een groen hofje. De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan ‘Bebouwde Kom Zierikzee’, aangezien de geldende bedrijfsbestemming geen woningbouw mogelijk maakt. Om de beoogde ontwikkeling alsnog mogelijk te maken moet er een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving. Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De m.e.r. –beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

3

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl)

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sedert een wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.-richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag. Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld.

Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor plannen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavig plan (de realisatie van 12 patiowoningen aan de Jannewekken 11 te Zierikzee) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of

4

2

3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m of meer.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 12 levensloop2 bestendige patiowoningen. Het totale plangebied betreft circa 3.400 m . Onderhavige activiteit blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over het bijbehorende bestemmingsplan. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r.

juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen:  kenmerken van de activiteit;  plaats waar de activiteit wordt verricht;  kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

5

2 2.1

Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het plan besproken. De aard en de omvang van het plan worden in beeld gebracht, Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving van het plan Aangezien de drukkerij binnenkort stopt met haar werkzaamheden is gezocht naar nieuwe passende invulling aan het plangebied in de vorm van maximaal 12 patiowoningen. Op deze manier wordt leegstand en verloedering voorkomen en wordt een toekomstbestendige invulling gerealiseerd. De patiowoningen zijn levensloopbestendig. Dit houdt in dat de woningen tenminste één slaap-, bad- en woonkamer op de begane grond hebben. Deze woningen spelen in op de vraag naar seniorenwoningen op de woningmarkt. Aan de Jannewekken worden vier van deze patiowoningen gebouwd met de voorgevel richting de weg. Deze woningen passen binnen het huidige karakter van de straat en de rest van het omliggende gebied. De overige acht woningen zullen gerealiseerd worden rondom een groen hofje aan de noordzijde van het perceel. Tussen de woningen direct aan Jannewekken en het hofje is ruimte gemaakt voor parkeervoorzieningen. Zo blijft parkeren zoveel mogelijk uit het zicht. Navolgend is een impressie van de beoogde ontwikkeling weergegeven.

Impressie beoogde inrichting plangebied (bron: Eve Architecten)

6

2.3

Omvang van het plan 2

De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt circa 3.400 m . De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 12 levensloopbestendige patiowoningen. De maximale bouwhoogte van de woningen aan de weg Jannewekken bedraagt 8 meter, de noordelijk gelegen woningen rondom het groene hofje kennen een maximale bouwhoogte van 7 meter. De parkeergelegenheden worden op eigen terrein gefaciliteerd.

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere planen Cumulatie met andere planen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functies binnen het plan maken geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de directe nabijheid van het plangebied. In het geheel legt het plan hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de nieuwbouw wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De beoogde ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

7

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavig plan vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

8

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, aan de noordoostzijde van de kern Zierikzee. Het ligt in het centrum, binnen de veste, net ten zuiden van de N59. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen, voorzieningen en bedrijven. In het zuiden grenst het plangebied aan de Jannewekken.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) (Bron: PDOK. Bewerking: SAB)

Drukkerij gelegen op het perceel Jannewekken 11 (Bron: SAB)

9

Het plangebied bestaat uit een drukkerij met één laag met een kap. De overige gronden zijn grotendeels verhard en deels in gebruik als parkeerplaats. In het oosten en noorden staan enkele kleine bomen en wat struiken.

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

In of in de directe nabijheid van het plangebied is geen wetlandgebied aanwezig.

Kustgebieden

Het plangebied ligt in een bestaande stedelijke kern en niet in de directe nabijheid van de kust. Daarnaast kent het plangebied geen permanente of tijdelijke verzadiging van opkomend water, zoals bijvoorbeeld bij wetlands.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt niet in een

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

van het NNN.

Nationaal Park.

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het plange-

in een berg- of bosgebied.

3.3.2.1

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen

bied liggen Natura 2000-gebied

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

(zie verder onder 1).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij com-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in een

munautaire wetgeving vastge-

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

gebied waar op basis van

10

Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

stelde normen inzake milieu-

derrichtlijn water)

communautaire wetgeving

kwaliteit reeds worden over-

reeds normen worden over-

schreden

schreden.

Gebieden met hoge bevol-

Het plangebied is niet gelegen

kingsdichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

Verdrag van Valletta

Het plangebied heeft een hoge

historisch belang

Monumentenwet

archeologische verwachtings-

cultureel belang

Gemeentelijk landschaps-

waarde (zie verder onder 2).

ontwikkelingsplan

Het plangebied ligt in een be-

o 

beschermd stads- en dorpsgezicht

schermd stadsgezicht en mo-

archeologisch belang

lenbiotoop (zie verder onder 3).

1.Natura 2000-gebied Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Oosterschelde” en “Grevelingen” in de directe omgeving van het plangebied. Deze liggen respectievelijk 1,8 en 5,6 kilometer van het plangebied verwijderd.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. (Bron: PDOK. Bewerking: SAB)

Met het plan wordt een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt. Het is uitgesloten dat bijvoorbeeld licht of geluid afkomstig van de ontwikkeling op deze grote afstand omliggend Natura 2000-gebied kan verstoren. Wel is met de ontwikkeling een toename van stikstofemissie te verwachten. Dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

11

2. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Op de locatie van onderhavige ontwikkeling geldt vastgesteld gemeentelijk archeologisch beleid. Op de gemeentelijk archeologische beleidskaart, zoals navolgend weergegeven, ligt het plangebied in een terrein van hoge archeologische waarde. Het be2 leid is dat bij ingrepen van meer dan 250 m en waarbij dieper wordt gegraven dan 50 cm onder maaiveld rekening moet worden gehouden met archeologische resten.

Uitsnede archeologische Beleidskaart van de gemeente Schouwen-Duiveland, met daarop het plangebied in blauw (bron: Bureau voor Archeologie)

Gezien voorgaande kunnen voor wat betreft archeologie op voorhand geen negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom nader onderzocht.

12

3. Cultuurhistorische waarden Binnen het plangebied is geen monumentale en/of cultuur-historisch waardevolle bebouwing aanwezig. Wel wordt de volledige dorpskern, binnen de grachten, gekenmerkt als ‘beschermd stadsgezicht’, zoals navolgend weergegeven. Een beschermd stads- of dorpsgezicht is een gebied in een stad of dorp met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. De bescherming is bedoeld om de cultuurhistorische identiteit van een gebied te behouden en in te zetten bij ontwikkelingen. De patiowoningen passen binnen de karakteristieke eigenschappen van het historische stadsgezicht. Zo blijven zij onder de maximale bouwhoogte die gangbaar is in de stadskern en krijgen de woningen een passend rustiek uiterlijk.

Beschermd stadsgezicht van Zierikzee (rode kleur) en ligging van het plangebied (geel omlijnd) (Bron: Atlas leefomgeving)

Het plangebied ligt daarnaast voor een deel binnen de 100 meter molenbiotoop rondom molen ‘De Hoop’. In de Provinciale Omgevingsverordening 2018 zijn regels opgenomen over de molenbiotoop (artikel 2.29), die een klein deel van het plangebied beslaat. Een molenbiotoop waarborgt de windvang en de belevingswaarde van een molen. De desbetreffende molen is korenmolen ‘De Hoop’, gelegen aan de Lange Nobelstraat 43. In de omgevingsverordening is vastgelegd dat binnen 100 meter van de molen, de bebouwing niet hoger dan het laagste punt van de verticaal staande wieken mag zijn. Van 100 tot 400 meter dient een zekere mate van vrije windvang gewaarborgd te kunnen worden. Omdat de stelling van molen De Hoop circa 12,30 meter hoog is en de bouwhoogte van de woningen maximaal 8 meter is, kan worden voldaan aan de regels rondom de molenbiotoop. Voorliggende ontwikkeling zal daarom niet leiden tot het aantasten van de windvang en de belevingswaarde van de molen.

13

Gezien voorgaande kunnen voor wat betreft cultuurhistorie op voorhand negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom niet nader onderzocht. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het plangebied maakt geen

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 4).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

4. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

14

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het plan en de plaats van het plan zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de komst van de woningen. Hoofdstuk 2 laat zien dat het plan de realisatie van maximaal 12 levensloopbestendige patiowoningen aan de Jannewekken 11 te Zierikzee betreft. Dit is een herontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de wijdere omgeving van het plangebied bevinden zich Natura 2000-gebieden. Daarnaast kunnen beschermde dier- of plantensoorten in het plangebied aanwezig zijn en is er een mogelijke verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld:  natuur: Het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten als gevolg van stikstofdepositie.  verkeer: De nieuwe woonontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-)effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid.  geluidshinder: Het plan heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving.  luchtkwaliteit: De toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  archeologie: De functies in onderhavig plan kunnen leiden niet tot negatieve effecten van archeologische waarden. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken het concrete plan en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.

Om alle aspecten nog kort langs te lopen:  externe veiligheid: De functies in onderhavig plan leiden niet tot externe veiligheidseffecten.  cultuurhistorie: De functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden.

15

 bodem: Onderhavig plan bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem.  geurhinder: De functies in onderhavig plan leiden niet tot geurhinder.  water: Er is met het plan niet tot nauwelijks sprake van een toename van de bebouwing c.q. verharding ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand niet te verwachten. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het centrum van Zierikzee. De omgeving van Zierikzee kenmerkt zich door agrarische gronden en de nabijheid van estuaria. In de nabijheid liggen natuurgebieden als de Oosterschelde, Mastgat en Grevelingenmeer. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en bedrijven. Verder is het plangebied ten westen gelegen tegen een appartementencomplex, ten oosten gelegen tegen een woonhuis en ten noorden gelegen tegen een bedrijventerrein. Op 15 april 2020 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een oud gebouw en een kleine fietsenstalling. De overige gronden zijn grotendeels verhard en deels in gebruik als parkeerplaats. In het oosten en noorden staan enkele kleine bomen en wat struiken. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

De zuidzijde van het te slopen gebouw.

De oostzijde van het te slopen gebouw.

16

De noordoostzijde van het te slopen gebouw.

Een fietsenhok ten noordwestzijde van het te slopen gebouw.

4.2.2

Effecten ontwikkeling 1

SAB heeft met een quick scan natuur onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben 2 op beschermde natuur buiten het plangebied. Hiervoor is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan en het stikstofonderzoek uiteengezet. Gebiedsbescherming Ten behoeve van het plan met de realisatie van 12 patiowoningen zullen bouw- en sloopwerkzaamheden plaatsvinden. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn) per 01 juli 2021 heeft de wetgever een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk gemaakt van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouw3 sector. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Daarbij inbegrepen zijn de voertuigbewegingen die onlosmakelijk verbonden zijn aan deze activiteiten. De wetgever verwacht wel van initiatiefnemer een inspanningsverplichting om bij bouw- en sloopwerkzaamheden gebruik te maken van zo schoon mogelijk materieel.

In het licht van deze vrijstelling voor de bouw- en sloopwerkzaamheden is een berekening van stikstofemissie en bijbehorende stikstofdepositie voor de aanlegfase niet vereist. Het is immers aannemelijk dat door het tijdelijk karakter van de emissies door bouwactiviteiten de stikstofemissie op landelijk niveau gelijk blijft en slechts een klein aandeel vormt van de totale stikstofdepositie, te weten circa 1,3 procent van de stikstofdeken. Uit de uitgevoerde berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

1

SAB (2020). Quick scan natuur. Zierikzee, Jannewekken 11. Projectnummer: 200286. 28 april 2020.

2

SAB (2020). Onderzoekstifstofdepositie. Zierikzee, Jannewekken 11. Projectnummer: 200286. 1 oktober 2021.

3

https://www.aanpakstikstof.nl/actueel/nieuws/2021/06/18/stikstofwet-gaat-in-per-1-juli-2021 17

Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. 4

Mogelijk zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Met een nader onderzoek naar soorten is onderzocht of kan worden uitgesloten dat vleermuizen negatieve effecten ondervinden door de voorgenomen ontwikkeling. Uit het onderzoek blijkt dat er een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden, gezien de aanwezigheid van drie verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één zomerverblijfplaats van de laatvlieger. Tevens dienen mitigerende en compenserende maatregelen genomen te worden om negatieve effecten op soorten en individuen zoveel als mogelijk het voorkomen. Deze ontheffingsaanvraag met bijbehorende maatregelen zullen tijdig worden geregeld door de initiatiefnemer. Gedurende de ruimtelijke ontwikkelingen kan geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaan. Daarom is geadviseerd om eventueel ontstane poelen tijdens de werkzaamheden direct te dempen, om het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen en om materialen zoals tegels waar de rugstreeppad onder kan schuilen zo min mogelijk en zo kort mogelijk in het plangebied te laten liggen. Hiermee kan de vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Overige essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van andere beschermde soorten zijn in het plangebied niet aanwezig.

Conclusie Gezien voorgaande, en ervan uitgaande dat voornoemde werkwijzen worden uitgevoerd, is voor wat betreft natuur op zijn hoogst sprake van een beperkt negatief milieueffect. Dit geldt enkel voor het aspect soortenbescherming. In ieder geval kan een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden uitgesloten.

4

SAB (2021). Nader onderzoek Wet natuurbescherming Jannewekken 11 te Zierikzee. Projectnummer: 200286. 13 oktober 2020. 18

4.3

Verkeer

4.3.1

Huidige situatie In de huidige situatie geldt reeds een verkeersaantrekkende werking ten gevolge van het bestaande bedrijfspand.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gege5 nereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2020) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Schouwen-Duiveland wordt geclassificeerd als ‘niet stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘centrum’. CROW kent geen kencijfers voor patiowoningen, derhalve is veiligheidshalve uitgegaan van twee-onder-één-kapwoningen. De onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw waarbij het getal naar boven is afgerond. Dit betreft geen verschilberekening met de huidige situatie, zo wordt de worst-case situatie berekend. Koop, huis, twee-onder-een-kap (12) Minimaal

7,2 x 12 = 86,4

Maximaal

8,0 x 12 = 96,0

Voor onderhavige ontwikkeling zal sprake zijn van een verkeersgeneratie van circa 100 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersgeneratie kan zonder negatieve gevolgen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de omliggende 30 km/uur wegen. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende. Zeker gezien niet uitgegaan is van een effectieve verkeerstoename, maar een worst-case situatie. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4.4

Geluid

4.4.1

Huidige situatie Het plangebied is binnenstedelijk gelegen waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting gezien binnenstedelijke ligging.

5

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 19

4.4.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling van maximaal 12 levensloopbestendige patiowoningen zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. Onderhavig plan zal worden ontsloten op aangrenzende 30 km/uur weg Jannewekken. Nabij deze weg zijn reeds bestaande woningen gelegen. Op deze woningen zou de geluidbelasting dus kunnen toenemen. In het kader van het op te stellen bestem6 mingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Voor de Jannewekken geldt ter hoogte van het plangebied een etmaalintensiteit van 620 motorvoertuigen per etmaal. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking geschat op circa 100 motorvoertuigen per etmaal. Bij dit plan is daarmee te verwachten dat de verkeerstoename op de aangrenzende 30 km/uur weg Jannewekken lager zal zijn dan 40 %. Deze toename bedraagt met voorgaande uitgangspunten op zijn hoogst ca. 16 %. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename. Gezien voorgaande worden is voor wat betreft geluid geen sprake van een significant negatieve (milieu)effect.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM10)

Achtergrondconcentratie (2018, huidig) 3 16 - 18 µg/m 3 15 - 17 µg/m 3 10 - 11 µg/m

Grenswaarde 3 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m

Stikstofdioxide en (zeer) fijnstof huidige situatie (Bron: Atlas Leefomgeving).

4.5.2

Effecten ontwikkeling Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 12 patiowoningen. Gezien de omvang is het plan ruimschoots als NIBM aan te merken conform de ministeriële re6

SAB (2021). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Zierikzee, Jannewekken. Projectnummer: 200286. 4 november 2021. 20

geling ‘niet in betekenende mate’ (NIBM), zoals weergegeven in navolgende uitsnede. Van plannen die onder de NIBM-grens blijven, wordt gesteld dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dat onderhavig plan onder de NIBM-grens blijft, is een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit.

Berekening NIBM-tool, op basis van 100 extra voertuigbewegingen, waarvan 1,0% vrachtverkeer (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu)

Hiernaast geldt dat in de bestaande situatie de achtergrondconcentraties van de luchtverontreinigende stoffen onder de wettelijke grenswaarden liggen. Gezien de beperkte omvang van het plan kan worden verwacht dat ook met de planbijdrage deze nog steeds onder de wettelijke grenswaarden zullen liggen. Dit is eveneens een belangrijke aanwijzing dat geen sprake is van negatieve effecten op het gebied van luchtkwaliteit. Wat betreft het aspect ‘luchtkwaliteit’ is dus geen sprake van negatieve milieueffecten.

4.6

Archeologie

4.6.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft in de huidige situatie een bebouwde bedrijfskavel. Conform de archeologische beleidskaart van de gemeente Schouwen-Duiveland is sprake van een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

4.6.2

Effecten ontwikkeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in een archeologisch bu7 reau- en booronderzoek . Mogelijk zijn tijdens het booronderzoek twee archeologische sporen aangeboord in het noorden van het plangebied; wellicht een met puin volgestorte kelder in boring 1 en wellicht een beer- of waterput in boring 2. Aanbevolen is, het pakket met stadsophopingen net onder het maaiveld, nader te laten onderzoeken 7

Bureau voor Archeologie (2021). Bureau- en inventariserend veldonderzoek. Jannewekken 11, Zierikzee. Projectnummer: 2021091402. 1 november 2021. 21

door middel van een karterend booronderzoek en bij de mogelijke herontwikkeling van het historische erf rekening te houden met archeologische resten door, indien graafwerkzaamheden zijn voorzien, een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Het plangebied met (mogelijk) archeologische resten wordt in voorliggend bestemmingsplan voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Middels deze dubbelbestemming is juridisch-planologisch gewaarborgd dat bij bodemingrepen archeologisch onderzoek moet worden verricht. Gezien voorgaande zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd middels een archeologische dubbelbestemming. Hierdoor kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect.

22

5

Conclusie In voorliggend rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van maximaal 12 levensloopbestendige patiowoningen aan de Jannewekken 11 te Zierikzee nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De navolgende tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer, zoals deze in hoofdstuk 4 aan bod zijn gekomen. Aspect Natuur (gebiedsbescherming)

Natuur (soortenbescherming)

Verkeer

Geluid

Lucht

Archeologie

Beoordeling milieueffecten Op grond van het stikstofonderzoek kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof worden uitgesloten. In het plangebied zijn verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Voor de werkzaamheden worden mitigerende maatregelen getroffen zodat de negatieve effecten zo minimaal mogelijk zullen zijn en wordt een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Daarnaast dient te allen tijde rekening gehouden te worden met alle broedende vogels en de zorgplicht. Voor onderhavige ontwikkeling geldt tevens het advies om de vestiging van de rugstreeppad te voorkomen tijdens de ruimtelijke ontwikkeling. Ervan uitgaande dat de voornoemde werkzaamheden plaats zullen vinden zijn hiermee de negatieve effecten op zijn hoogst beperkt. Dit effect kan zeker niet als een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu worden gekwalificeerd. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de aangrenzende 30 km/uur wegen zonder te verwachten afwikkelingsproblemen. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen.

De toename van het verkeer op de aangrenzende 30 km/uur weg Jannewekken is echter ruim minder dan 40% ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit. Daaarmee zijn negatieve (milieu)effecten uitgesloten. Er zijn geen nadelige gevolgen te verwachten. Gezien de bestaande achtergrondconcentraties en de planbijdrage is geen sprake van een wezenlijke verslechtering. Middels een archeologische dubbelbestemming wordt gewaarborgd dat bij bodemingrepen archeo23

logisch onderzoek moet worden verricht. Op deze manier zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd en kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect. De uitkomst van de in voorgaande hoofdstukken uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effect optreedt. Uitsluitend voor wat betreft natuur (soortenbescherming) zijn er mogelijk negatieve milieueffecten, maar die zijn zeer gering en niet als een belangrijk negatief milieueffect te kwalificeren. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

24

Gebruikte onderzoeken/bronnen Onderzoeken  Quick scan natuur (SAB)  Nader onderzoek Wet natuurbescherming (SAB)  Onderzoek stikstofdepositie (SAB)  Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (SAB)  Archeologisch onderzoek (Bureau voor Archeologie) Bronnen  Risicokaart www.risicokaart.nl  Atlas leefomgeving http://www.atlasleefomgeving.nl/kijken  Publieke Dienstverlening op de kaart (PDOK) http://pdokviewer.pdok.nl/  Milieu-kenniscentrum Infomil http://www.infomil.nl/  CBS-Statline, statistische informatie http://statline.cbs.nl/Statweb/  Wetgeving, overheidsportal http://wetten.overheid.nl/zoeken  Interactieve kaarten archeologische verwachting Archeologie in Nederland (webgispublisher.nl)  AERIUS Calculator, kaartbeeld Natura 2000 https://calculator.aerius.nl/calculator/  Google Maps www.google.nl/maps  Natura 2000 Database http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx  Onderzoek patiowoningen te Zierikzee Bogor Ontwikkeling – Eve Architecten – 7 april 2021

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12843210/1