CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2026.135 Bijlage 2 Omgevingsverordening Zeeland 2024 (1694326)

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken30.306 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) kustlandschap, natuur en met de cultuur en economie van de Zeeuwse badplaatsen. Met de voorwaarde ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel

74

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

1, onder A, wordt bedoeld dat een ontwikkeling zich voegt in het landschap en daar onderdeel van uitmaakt. Met de voorwaarde ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en de toekomstige accommodatie in bijlage IV, onderdeel 1, onder A, wordt bedoeld productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatief aanbod en kwaliteitsverbetering. Met de voorwaarde ‘economische uitvoerbaarheid’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder B, wordt tevens verwezen naar artikel 5.25 van deze verordening. Met de voorwaarde ‘markt en onderscheidend vermogen van het concept’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder C, wordt bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling in relatie tot bestaande accommodatie. Met de voorwaarden ‘sociaal maatschappelijke bijdrage’ in bijlage IV, onderdeel 1, onder D, wordt bijvoorbeeld gedoeld op nieuwe voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners.

Artikel 5.23 Verblijfsrecreatie buiten de kustzone De verblijfsrecreatie buiten de kustzone vraagt in de toekomst om een kwaliteitsverbetering en productinnovatie en –differentiatie. Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Dit streven is gebaseerd op de gedachtegang in de Zeeuwse kustvisie. Daar waar in artikel 5.13 specifieke voorwaarden voor ontwikkelingen voor de kustzone worden benoemd, wordt in artikel 5.14 volstaan met algemene uitgangspunten. Voor het gebied buiten de kustzone wordt beoogd via een gebiedsgerichte aanpak de voorkomende knelpunten in gezamenlijkheid op te lossen en de regionale kansen te verzilveren. Dit kan op termijn leiden tot specifieke uitgangspunten voor specifieke regio’s of gebieden. Tot die tijd gelden de in artikel 5.14 opgenomen algemene kaders voor nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatiebedrijven. Nieuwvestiging en uitbreiding is mogelijk binnen de begrenzing stedelijk gebied. In afwijking hierop is nieuwvestiging ook mogelijk indien gezamenlijke partijen – vooruitlopend op de uitkomsten van een gebiedsgerichte aanpak – in gezamenlijkheid een specifiek aandachtsgebied aanwijzen en gaan ontwikkelen. Dit is nader verwoord in bijlage IV, onderdeel 4.

Voor bestaande bedrijven ligt de focus op kwaliteitsverbetering, productinnovatie en -differentiatie. Eventuele daarvoor noodzakelijk uitbreiding in eenheden en/of oppervlakte is mogelijk indien deze voldoet aan het Ontwikkelkader zoals benoemd in bijlage IV. In bijlage IV, onderdeel 3 en 4, zijn de specifieke voorwaarden voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen nader gespecificeerd. Het ontwikkelkader zet in op de samenhang tussen verblijfsrecreatieve ontwikkelingen en de omgeving. Hier wordt gedoeld op de integratie van accommodatie met het (deels te creëren) landschap, natuur en met de cultuur en economie van de omgeving. Met de voorwaarde ‘integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder A, wordt bedoeld dat ontwikkelingen zich voegen in het landschap en daar onderdeel van gaan uitmaken. Met de voorwaarde dat ‘er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van de bestaande en toekomstige accommodatie’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder A, wordt bedoeld productinnovatie, onderscheidende kwaliteit, differentiatie in het verblijfsrecreatieve aanbod en kwaliteitsverbetering. Met de voorwaarde ‘economische haalbaarheid’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder B, wordt tevens verwezen naar de artikel 5.16 en artikel 5.17 van deze verordening.

Met de voorwaarde ‘markt en onderscheidend vermogen van het concept’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder C, wordt bedoeld de onderscheidende kwaliteit van de ontwikkeling ten opzichte van bestaande accommodatie. Met de voorwaarde ‘sociaal maatschappelijke bijdrage’ in bijlage IV, onderdeel 3, onder D, wordt bijvoorbeeld gedoeld op nieuwe voorzieningen, dagrecreatieve mogelijkheden of een ommetje voor bewoners.

Artikel 5.15 5.24 Strandzonering Het strand, de duinen, dammen en dijken vormen samen de waterkeringszone en beschermen Zeeland en de buurprovincies tegen overstromingen. Het strand en de duinen vormen hiernaast het grootste aaneengesloten natuurgebied van Nederland. Het ervaren van de elementen en het vrije uitzicht op de horizon zijn grote kwaliteiten die gekoesterd moeten worden. Ook bieden ze volop ruimte aan recreatieve activiteiten, van uitwaaien op een leeg winters strand tot en met de zomerse hectiek van zwemmen, zonnebaden en water gerelateerde sporten.

75

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Het provinciaal belang is gelegen in het borgen van deze kwaliteiten, door in te zetten op het garanderen van de waterveiligheid, het beschermen en versterken van de natuurlijke processen en het bieden van strandplezier voor inwoner en toerist. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen natuurstranden en recreatiestranden, weergegeven in begrensde strandvlakken. Het betreft een dynamische grens met als begrenzingen de gemiddelde laagwaterlijn en de duinvoet en daarmee het droge en intergetijde deel van het strand. Ten behoeve van het provinciaal belang, wordt uitbreiding en kwaliteitsverbetering van bestaande bebouwing toegestaan onder de in dit artikel benoemde voorwaarden. De primaire functie van de waterkering, bescherming tegen overstroming, is hierbij leidend. Dit artikel is mede bedoeld om uitvoering te geven aan de in artikel 7.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving opgenomen instructieregel over het kustfundament. In het vijfde lid van dit artikel zijn de voorwaarden voor een slaaphuisje op een recreatiestrand opgenomen. Deze voorwaarden zijn overeenkomstig de voorwaarden uit de Kustvisie. Kwaliteitsverbetering van de bestaande objecten vindt plaats binnen de kaders van de vigerende bestemmingsplannen, met een maximum bebouwd oppervlak van 40 m2, waarvan maximaal 25 m2 inpandig. De maximale bouwhoogte is 4,5 m.

Een volwaardige tweede verdieping is daarmee niet toegestaan. De bouwhoogte wordt gemeten vanaf de bovenkant van de begane grondvloer van het gebouw. Voor de bouwhoogte geldt dat een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen tot maximaal 50 cm, mits het slaaphuisje voldoet aan actuele duurzaamheidseisen. Bij duurzaamheid wordt maatwerk geleverd, waarbij door de gemeente in het kader van de vergunningverlening de volgende eisen worden afgewogen: ● de RC waarde van de wanden (minimaal 4,5) en van het dak (minimaal 6); ● het volledig elektrisch of gelijkwaardig daaraan functioneren van het slaaphuisje; ● zonnepanelen op het dak die niet boven de maximale bouwhoogte uitkomen; ● landschappelijke inpassing van de buitenzijde van het dak (voorzien van natuurlijke materialen die na gebruik hergebruikt kunnen worden); ● een lichtplan met zo weinig mogelijk uitstraling.

Artikel 5.16 5.25 Verbod permanent wonen Het provinciale beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen. Hiermee worden bedoeld zomerhuizenterreinen, hotels, recreatieve appartementencomplexen en kampeerterreinen. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie (zie artikel 5.17) en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht. Individuele burgerwoningen in het buitengebied worden niet tot de verblijfsrecreatieve complexen gerekend. De regel is bedoeld voor nieuwe plannen en besluiten die verblijfsrecreatieve complexen of de uitbreiding daarvan toelaten. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vigerende omgevingsplannen kennen veelal reeds de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan. Bij een wijziging van deze vigerende omgevingsplannen dient de regel dat permanente bewoning niet is toegestaan.

Artikel 5.17 5.26 Centraal bedrijfsmatige exploitatie Bij de toelichting op artikel 5.165.25 is aangegeven dat het provinciaal beleid is gericht op het voorkomen van permanente bewoning van tot verblijfsrecreatie bestemde complexen. Een doelstelling is dergelijke complexen te behouden voor de verblijfsrecreatieve markt en te bevorderen dat deze complexen ook daadwerkelijk voor de recreatieve verhuur worden aangeboden in de vorm van een centraal bedrijfsmatige exploitatie en wordt voorkomen dat er langs oneigenlijke weg extra reguliere woningen aan het woningaanbod worden toegevoegd. Dit aspect wordt van provinciaal belang geacht. In de praktijk blijkt dat er ook behoefte is aan verblijfsrecreatieve complexen die niet verplicht worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Om hier in te kunnen voorzien kan onder voorwaarden worden afgeweken van bovengenoemde hoofdregel.

76

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Hiervan is sprake wanneer wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: ● De ontwikkeling wordt gerealiseerd binnen de begrenzing van de badplaatsen Cadzand-Bad, Breskens, Vlissingen, Zoutelande, Westkapelle, Domburg, Oostkapelle, Vrouwenpolder, BurghHaamstede en Renesse; en ● De ontwikkeling onderdeel uitmaakt van een bredere visie op de betreffende badplaats en in het verlengde daarvan een bijdrage levert aan het versterken van de leefbaarheid, de ruimtelijke kwaliteit en de herstructurering/transformatie van de betreffende badplaats; De ontwikkeling een bijdrage levert aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid, de herstructurering en de gewenste ontwikkelruimte van de desbetreffende badplaats, hetgeen wordt onderbouwd in een door de gemeenteraad vastgestelde ruimtelijke visie op de betreffende badplaats. Van de visie wordt verwacht dat duidelijk wordt gemaakt welke ruimtelijke begrenzingen (qua oppervlakte en hoogte) er worden getrokken door het toewijzen van gebieden waar het toevoegen van deeltijdwoningen gewenst is om de kwaliteit van de betreffende badplaats te versterken.

● Aan de ontwikkeling een actuele prognose ten grondslag ligt op basis waarvan de specifieke behoefte aan deeltijdwonen wordt onderbouwd; ● De desbetreffende gemeente een door gedeputeerde staten geaccordeerde programmering hanteert waarmee ze in de aangetoonde behoefte kan voorzien. De desbetreffende gemeente een door gedeputeerde staten geaccordeerde programmering hanteert en publiceert, waarbij geplande en gerealiseerde aantallen per locatie per jaar in beeld worden gebracht. Het betreft hier aantallen verblijfseenheden die niet verplicht worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, die voldoen aan bovengenoemde voorwaarden. Het is mogelijk op of aansluitend aan bedoelde complexen gronden aan te wijzen voor 'dienstwoning' (waar, in verband met noodzaak vanuit de bedrijfsvoering, permanente bewoning is toegestaan). Dergelijke woningen worden, voor de toepassing van deze verordening, geacht niet te behoren tot het 'verblijfsrecreatieterrein' zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 5.135.22, artikel 5.145.23, artikel 5.165.25 en artikel 5.175.26. In artikel 5.175.26, vierde lid is de instructie opgenomen dat een omgevingsplan voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein regels bevat die betrekking hebben op duurzaam beheer en onderhoud van een terrein.

Onder duurzaam beheer wordt verstaan een verzorgde openbare ruimte en maatregelen die leiden tot een intensiever gebruik van ruimte en, zo mogelijk, maatregelen die leiden tot een hoger bedrijfseconomisch rendement en minder milieubelasting. Dit kan bijvoorbeeld worden gewaarborgd door in het omgevingsplan de eis van een centrale bedrijfsmatige exploitatie op te nemen. Ook kan worden gedacht aan privaatrechtelijke afspraken over het in eigendom houden van de grond die tot het complex behoort dan wel de gronden waarop de gemeenschappelijke voorzieningen worden gerealiseerd alsmede omtrent de kwalitatieve instandhouding van het complex.

Artikel 5.27 Kleinschalig kamperen In dit artikel worden enkele concrete onderdelen van het provinciale beleid voor kleinschalig kamperen geregeld. Gezien het grote aantal kleine kampeerterreinen in de provincie, de betekenis voor de bijdrage aan de differentiatie van het toeristisch product en het behoud van een landschappelijk aantrekkelijke omgeving (ruimtelijke kwaliteit) worden deze onderdelen van het recreatiebeleid als provinciaal belang aangemerkt. Het doel bij het kleinschalig kamperen is uit te gaan van toeristisch kamperen (gebruik van niet permanente kampeermiddelen). Ten hoogste 5 kampeermiddelen zijn permanent toegestaan.

Artikel 5.28 Jachthavens en waterrecreatie In artikel 5.19 worden regels gesteld voor het toevoegen van nieuwe ligplaatsen in jachthavens. In het eerste lid is bepaald dat nieuwe ligplaatsen primair zijn toegelaten in bestaande jachthavens. Het woord ‘primair’ geeft aan dat ook nieuwe ligplaatsen buiten de bestaande jachthavens mogelijk zijn, bijvoorbeeld in het kader van integrale gebiedsontwikkeling. Hierbij bestaat afwegingsruimte waarbij afgewogen dient te worden in hoeverre bij nieuwvestiging buiten bestaande jachthavens de kansen voor transformatie of verplaatsen van een bestaande jachthaven zijn benut. Het provinciale beleid is gericht op het borgen en versterken van de kwaliteit van de verblijfsrecreatieve sector in samenhang met de omliggende natuur- en landschapswaarden. Doel is de Zeeuwse Kwaliteitskust te beschermen, versterken en waar nodig herstellen.

77

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Jachthavens en waterrecreatie vormen een belangrijk onderdeel van het (verblijfs)recreatief product van Zeeland. Jachthavens worden de afgelopen periode geconfronteerd met een teruglopende bezetting. Inmiddels neemt het aantal nieuwe gebruikers toe door de inzet op de huur van boten. Daarnaast is een positieve trend te zien binnen de funsporten (op en aan het water). Voor bestaande bedrijven blijft kwaliteitsverbetering en innovatie van groot belang. Het provinciaal beleid richt zich op het verbeteren van de kwaliteit door het opwaarderen of herinrichten van bestaande jachthavens. Een rem op toevoeging van ligplaatsen kan deze opgave ondersteunen. Het provinciaal beleid richt zich daarom eveneens op het voorkomen van overaanbod van ligplaatsen, maar wel met oog voor kansen vanuit gebiedsontwikkeling. In dat kader dienen gemeenten per initiatief en gebiedsaanpak een beoordeling te maken van de economische uitvoerbaarheid van het initiatief en de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering en sanering. Daarbij kan de gemeente rekening houden met specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld zeezeilers of woning met ligplaats), de bezettingsgraad van jachthavens in de buurt en alternatieve mogelijkheden in bestaande jachthavens. Prioriteit wordt gegeven aan de kwaliteitsverbetering en transformatie van de bestaande jachthavens.

Het doel is dat het totale aantal ligplaatsen in Zeeland per saldo niet toeneemt. Een beperkt aantal extra ligplaatsen binnen een bestaande haven of een tijdelijke toename in het kader van gebiedsontwikkeling zijn mogelijk.

Artikel 5.20 5.29 Lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen In dit artikel is het (terughoudende) beleid voor lawaaisporten, gemotoriseerde luchtsporten en landingsplaatsen verwoord. Dit beleid is reeds lange tijd onderdeel van provinciale beleidsplannen, waaronder het streekplan Zeeland 1997, het Omgevingsplan Zeeland 2006-2012, het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 en het Omgevingsplan Zeeland 2018. Provinciale belangen hierbij zijn het tegengaan van hinder voor mens en natuur, behoud van stilte in de grote natuurgebieden van Zeeland (met inbegrip van de Deltawateren) en het behoud van de waarde van een rustig platteland. Het aanwijzen van nieuwe terreinen en de uitbreiding van bestaande terreinen voor bedoelde sporten is slechts mogelijk in de in artikel 5.20, eerste lid, benoemde gevallen. In het eerste lid, onder b, wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om bestaande lawaaisportterreinen die langdurig worden gebruikt voor vergunde activiteiten ook planologisch mogelijk te maken. Dit is alleen toegestaan als de doelstelling van het beleid, tegengaan van geluidhinder, niet in het geding is. Daarom is als voorwaarde gesteld dat aannemelijk moet zijn dat er geen toename van geluidhinder zal ontstaan. Onder langdurig gebruik wordt in dit kader gebruik verstaan waar vóór de datum van 1 januari 2003 een vergunning voor is verleend.

Dit is een termijn van 20 jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van deze verordening. Wat het eerste lid, onder c betreft is een uitzondering gemaakt voor modelvliegtuigen. Afstand tot het NNN is belangrijk. Met het NNN worden de gebieden bedoeld zoals geregeld in de artikelen artikel 5.32 t/m artikel 5.34 van deze verordening. Ook modelvliegtuigterreinen kunnen voor overlast zorgen. Van de gemeente wordt verwacht dat in voorkomend geval een afweging wordt gemaakt waarbij rekening wordt gehouden met het aanhouden van afstand tot gevoelige functies zoals woon- en verblijfsrecreatieve functies. Met de zinsnede aan het eind van het tweede lid "op voorwaarde dat de afwijking van de bepalingen van deze verordening niet wordt vergroot" wordt bedoeld dat geen verdergaande uitbreiding of nieuwvestiging mag worden toegelaten, die uitgaat boven in een vigerend plan of op basis van een eerder verleende vrijstelling/ontheffing reeds toegelaten ontwikkelingen. OOOO De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd: Dit artikel en de bijbehorende bijlage beschrijven de eisen aan ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer. Deze eisen vloeien voort uit de eerste fase van de ontwikkeling van de gebiedsvisie voor het Veerse Meer. Op dit moment wordt deze eerste fase nog uitgewerkt in een tweede fase. De ontwikkeling van deze gebiedsvisie is dus nog in volle gang.

Daarom is de huidige versie van artikel 5.21, en de bijbehorende bijlage, een conceptversie. De definitieve versie van dit artikel en de bijlage kan daarom afwijken van het ontwerp. Omdat de gebiedsvisie in nauwe afstemming met de betrokken partijen wordt ontwikkeld, zullen de belangen van deze partijen in de totstandkoming van de definitieve versie ook worden meegenomen.

78

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Artikel 5.21 en de bijbehorende uitgangspunten in bijlage V komen niet in de plaats van de eisen die artikel 5.13 stelt. Voor initiatieven in de omgeving van het Veere Meer blijft dus ook artikel 5.13 gelden. PPPP Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.21 5.30 Ruimtelijke ontwikkelingen rondom het Veerse Meer QQQQ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.22 5.31 Concentratie agrarische bebouwing RRRR De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.23 5.32 Bufferzones Met deze regels wordt toepassing gegeven aan het provinciale bufferbeleid. Het betreft planologische kwaliteitsnormen. De regels zijn van toepassing op nieuwe situaties (met de zinsnede "voor de eerste maal" en de uitdrukking "nieuw" wordt beoogd de regels niet van toepassing te laten zijn op bestaande situaties). De regels hebben betekenis voor het agrarisch gebied (het buitengebied) in relatie tot woonwijken en verblijfsrecreatieterreinen. Op diverse plaatsen in de provincie is nog sprake van agrarische bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied. In veel van die situaties bevinden zich ook reeds bestaande woningen op korte afstand van agrarische bedrijven. Het bufferbeleid zoals neergelegd in dit artikel is daarop niet van toepassing. Wel verdient ook in die situaties scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies de aandacht. Uit een oogpunt van stads-en dorpsvernieuwing verdient het veelal aanbeveling dergelijke situaties te saneren. Wat het begrip 'bestaand stedelijk gebied’ betreft moet worden gelet op de feitelijke situatie en de aard van de omgeving. Het bestaand stedelijk gebied eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest.

De regels zijn gesteld voor het houden van afstand tot woonwijken of –kernen inclusief landelijke bebouwingsconcentraties (zoals buurtschappen), woonparken, zomerhuizenterreinen en kampeerterreinen. De regels zijn niet bedoeld voor het houden van afstand tot één of enkele woningen in het buitengebied. In die situaties zal maatwerk moeten worden geleverd waarbij per geval na weging van de betrokken belangen, een keuze moet worden bepaald. Met de regeling wordt voorts beoogd een ruimtelijke kwaliteitsnorm te hanteren voor de scheiding van gevoelige en belastende functies (voorkomen/beperken van stank-, stof-, geluid-, of andere hinder én voorkomen dat de nieuwvestiging van gevoelige functies leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven). Deze afstemming tussen gevoelige en belastende functies wordt als provinciaal belang aangemerkt. Bij het bepalen van de afstand moet worden gerekend vanaf de gevel van de agrarische gebouwen of, in het geval waarin sprake is van in het plan aangeduide bouwvlakken, vanaf de grens van het bouwvlak (waarop bebouwing is toegelaten).

Bij woon- of verblijfsrecreatieve functies moet, voor het bepalen van de afstand, worden gerekend tot of vanaf de perceelgrens en niet vanaf de gevel van de woning of het recreatieve verblijf (de gronden met de functie erf of tuin dan wel (verblijfs)recreatie behoren tot de woon- of verblijfsrecreatieve functies als bedoeld in dit artikel). Reden hiervoor is dat stofoverlast, stank en de fijne drift van bestrijdingsmiddelen bij fruitteelt het woon- en leefklimaat nadelig kunnen beïnvloeden en een gevaar kunnen vormen voor de volksgezondheid. Een andere overweging is nog dat in erven en tuinen veelal aan- en uitbouwen (vergunningsvrij) en bijgebouwen zijn toegelaten. Het vierde lid is een voorbeeld van een flexibiliteitsbepaling. Deze bepaling is onder meer bedoeld voor herstructureringsprojecten.

79

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Denkbaar is dat een binnen bestaand stedelijk gebied gesitueerd bedrijf wordt gesaneerd en dat het voornemen bestaat daarvoor in de plaats woningen te bouwen. Indien in die situatie tevens sprake is van een buiten bestaand stedelijk gebied gelegen agrarisch bedrijf binnen 100 meter tot de nieuw te bouwen woningen zal moeten worden bezien of een draagkrachtige onderbouwing kan worden geleverd zoals bedoeld in het vierde lid. Mogelijk zal een bestaand agrarisch bedrijf dat is gelegen binnen 100 meter vanaf bestaand stedelijk gebied reeds te maken hebben met beperkingen in de bedrijfsvoering als gevolg van de nabijheid van bestaande woningen. Indien in dat geval geen of nagenoeg geen sprake is van hinder voor de woonfunctie en de nieuw te bouwen woningen niet leiden tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van het bedoelde agrarische bedrijf kan de kleinere afstand in de motivering bij het omgevingsplan worden beargumenteerd. SSSS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.24 5.33 Glastuinbouw TTTT Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25 5.34 Intensieve veehouderij UUUU Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.26 5.35 Agrarische onderzoeksbedrijven VVVV Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.27 5.36 Toepassingsbereik WWWW Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.28 5.37 Weigeringsgronden oprichten en wijzigen veehouderijen XXXX Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.29 5.38 Toelaatbare oprichting veehouderij YYYY Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

80

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Artikel 5.30 5.39 Toelaatbare wijziging veehouderij ZZZZ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.31 5.40 Regionale waterkeringen AAAAA Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.32 5.41 Bestaande natuur BBBBB Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.33 5.42 Agrarisch gebied van ecologische betekenis CCCCC Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.34 5.43 Natuurontwikkelingsgebieden DDDDD Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.35 5.44 Afwegingszone natuurgebieden EEEEE Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.36 5.45 Landschap en erfgoed FFFFF Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.37 5.46 Molenbiotoop GGGGG Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

81

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Artikel 5.38 5.47 Bouwwerken bij provinciale wegen HHHHH Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.39 5.48 Werken bij provinciale vaarwegen IIIII Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.40 5.49 Duisternisgebieden JJJJJ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.41 5.50 Activiteiten binnen stiltegebieden A en B In artikel 5.40 is aangegeven bij welke besluiten het bevoegd gezag rekening moet houden met de doelstellingen uit artikel 2.97. Dit kan zijn op grond van een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschriften. Aangezien in afdeling 5.2 en 5.3 de instructieregels voor omgevingsplannen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op projectbesluiten, geldt dit artikel ook voor projectbesluiten. KKKKK Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.42 5.51 Activiteiten buiten stiltegebieden A en B LLLLL Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.43 5.52 Vrijstelling van de instructieregels MMMMM Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.44 5.53 Verplichting om geluid te meten NNNNN Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.45 5.54 Vastleggen van de uitgangssituatie

82

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

OOOOO Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.46 5.55 Aardkundige waarden PPPPP Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.47 5.56 Inhoud waterbeheerprogramma QQQQQ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.48 5.57 Overleg en verslag waterbeheerprogramma RRRRR Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.49 5.58 Peilbesluiten SSSSS Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.50 5.59 Bescherming grondwater TTTTT Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.51 5.60 Grondwaterregister UUUUU Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.52 5.61 Grondwatermeetnet VVVVV Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.53 5.62 Instructieregels projectbesluit WWWWW

83

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.56 5.65 Instructieregels projectbesluit XXXXX Na sectie 5.3.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 5.3.4 Uitgangspunten regionale woonafspraken Artikel 5.66 tot en met artikel 5.68 Uitgangspunten voor te maken regionale woonafspraken zijn de dan meest actuele provinciale huishoudensprognose, het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland en de provinciale planmonitor wonen. Gedeputeerde staten stellen hiertoe ten minste eens per drie jaar een prognose beschikbaar en voeren hierop volgend het Kwalitatief Woningmarkt Onderzoek Zeeland uit. Hierin wordt onder meer de kwaliteit van de bestaande voorraad in beeld gebracht. Dit dient als basis voor plannen en realisatie van het toekomstbestendig maken van de bestaande voorraad. De provincie stimuleert daarbij het samenwerken met gemeenten, corporaties en zorgpartijen naar een structurele en langjarige gebiedsgerichte aanpak. Daarnaast beheren gedeputeerde staten een provinciaal monitorsysteem, de planmonitor wonen, voor het bijhouden van de plancapaciteit en realisaties van woningbouw per gemeente. YYYYY Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.58 5.70 Algemene eisen aan faunabeheerplannen ZZZZZ Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.59 5.71 Faunabeheerplan duurzaam beheer van populaties AAAAAA De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.60 Faunabeheerplan schadebestrijding Voor schadebestrijding fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is. [Vervallen] BBBBBB De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.61 Faunabeheerplan uitoefening jacht Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt gebruik genaakt van de verplicht door houders van een omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten te overleggen afschotgegevens (artikel 6.3, vierde lid, Omgevingsbesluit) en door eenieder vrijwillig te verstrekken schattingen, trends en

84

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

-waar redelijkerwijs mogelijk-trendtellingen. Deze gegevens kunnen door soortengegevensverzamelende organisaties worden verstrekt. De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Daarnaast staat de uitoefening van de jacht in dienst van schadebestrijding. Deze samenhang met schadebestrijding en een inschatting van de mate waarin wildsoorten jacht verdragen, moet uit het faunabeheerplan blijken. [Vervallen] CCCCCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.62 Geldigheidsduur faunabeheerplan Gelet op de samenhangende aanpak van duurzaam beheer van populaties, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Dit artikel bepaalt daarom dat een faunabeheerplan een maximale geldigheidsduur heeft van maximaal 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden. In uitzonderlijke gevallen kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. Deze verlenging is alleen mogelijk als er concreet zicht is op de vaststelling van een nieuw plan. [Vervallen] DDDDDD Na sectie 5.59 worden drie secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.72 Faunabeheerplan schadebestrijding Voor schadebestrijding fungeert het faunabeheerplan als koepel. Het is aan de grondgebruikers om binnen het kader van het faunabeheerplan te bepalen wat aan schadebestrijding nodig is.

Artikel 5.73 Faunabeheerplan uitoefening jacht Bij het opstellen van het faunabeheerplan wordt gebruik genaakt van de verplicht door houders van een omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten te overleggen afschotgegevens (artikel 6.3, vierde lid, Omgevingsbesluit) en door eenieder vrijwillig te verstrekken schattingen, trends en -waar redelijkerwijs mogelijk-trendtellingen. Deze gegevens kunnen door soortengegevensverzamelende organisaties worden verstrekt. De jachthouder moet, met inachtneming van het faunabeheerplan, bepalen wat in zijn jachtveld nodig is om een redelijke wildstand te handhaven. Daarnaast staat de uitoefening van de jacht in dienst van schadebestrijding. Deze samenhang met schadebestrijding en een inschatting van de mate waarin wildsoorten jacht verdragen, moet uit het faunabeheerplan blijken.

Artikel 5.74 Geldigheidsduur faunabeheerplan Gelet op de samenhangende aanpak van duurzaam beheer van populaties, schadebestrijding en de uitoefening van de jacht waarin het faunabeheerplan voorziet, is het van belang dat het faunabeheerplan voor verschillende jaren geldig is. Dit artikel bepaalt daarom dat een faunabeheerplan een maximale geldigheidsduur heeft van maximaal 6 jaar. Hiermee wordt aangesloten op de looptijd van andere planperioden, zoals Natura 2000-beheerplannen, zodat het faunabeheerplan hierop afgestemd kan worden. In uitzonderlijke gevallen kunnen gedeputeerde staten op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen. Deze verlenging is alleen mogelijk als er concreet zicht is op de vaststelling van een nieuw plan.

85

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

EEEEEE De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.2 Inwerkingtreding De omgevingsverordening treedt in werking op de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt, dat is op 1 januari 2024.2025

86

Provinciaal blad 2024 nr. 19847

23 december 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16802924/1