2025.432 -VNG- complete set vergaderstukken najaars alv 28 november 2025 (1634922)
Tekst van het document
Asielzoekers die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn, krijgen gerichte re-integratieondersteuning toegesneden op hun mogelijkheden. Regionale werkcentra en samenwerking In alle 35 arbeidsmarktregio’s worden regionale werkcentra opgezet die leidend zijn bij het aan het werk helpen van asielzoekers. Hierdoor kan al vanaf dag één in het AZC de nadruk op participatie worden gelegd. In of nabij het AZC wordt de samenwerking tussen verschillende partners georganiseerd – zoals het COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers), UWV, gemeenten, onderwijsinstellingen en werkgevers. Onder regie van gemeenten stellen zij gezamenlijk voor elke nieuwkomer een persoonlijk profiel op, gebaseerd op diens opleiding, competenties, motivatie en perspectief. Deze aanpak sluit aan bij de structuur van de regionale werkcentra en bevordert een naadloze overgang naar participatie, onderwijs of werk. Er zijn diverse lokale initiatieven die succesvol zijn in een vergelijkbare aanpak, hiervan worden de succesfactoren overgenomen. Maximaal inzetten op ontwikkelkansen Voor iedere nieuwkomer wordt een ontwikkelplan opgesteld op basis van zijn of haar eerder genoten opleiding en opgedane ervaring. Er wordt actief gestuurd op snelle diploma-erkenning en waar nodig aanvullende scholing, zodat iemand aan de slag kan in de baan die het beste bij hem of haar past.
Dit kan ook betekenen het gericht wegwerken van deficiënties voor beroepen waarin in Nederland een toelating voor nodig is waar specifieke scholing voor is vereist. Omscholing of bijscholing in (maatschappelijke) tekortsectoren – zoals zorg en welzijn, onderwijs en veiligheid – krijgt speciale aandacht. Voor degenen die niet direct kunnen werken, wordt een participatieplan gemaakt om op andere manieren volwaardig mee te doen in de samenleving. We zetten hierbij in op een verplichtend karakter: het recht op opvang betekent een verplichting tot participatie/werk. Aan de slag Gemeenten zijn de meest aangewezen partij om asielzoekers naar werk te begeleiden. Hiermee voorkomen zij ook dat asielzoekers, zodra zij de status van vergunninghouder krijgen, doorstromen naar de bijstand. Voor mensen die zeer intensieve begeleiding nodig hebben richting werk, kunnen leerwerktrajecten bij sociale werkbedrijven een passende uitkomst bieden. Nagenoeg alle gemeenten beschikken over of zijn verbonden aan een werkontwikkelbedrijf dat hiertoe mogelijkheden biedt. Er is direct werk beschikbaar (in huis of via de lokale/regionale werkgeversnetwerken) en expertise in begeleiding. Ook hebben veel werkontwikkelbedrijven de afgelopen jaren al ervaring opgedaan met de inburgering en re-integratie van statushouders.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
10
Het aanbod aan asielzoekers ligt in het verlengde hiervan. Denk aan: • (onbetaalde) Participatiebanen waarin asielzoekers leren wat werken in Nederland inhoudt en bezig zijn met de Nederlandse taal. • duale trajecten, een combinatie van (betaald) werk en praktijkgerichte taalondersteuning Op veel plekken is er ook ondersteunend instrumentarium ontwikkeld, zoals vertaal-apps, ook toegesneden op bijvoorbeeld werk in de groenvoorziening, het werken met taalbuddies op de werkvloer, of bewustzijn ontwikkeling – ook bij reguliere werkgevers op cultuursensitief werken. Continuïteit van begeleiding en integratie Zolang mensen in de opvang verblijven, ontvangen zij onder meer intensieve begeleiding op het gebied van taal, cultuur en basisvaardigheden. Deze ondersteuning vergroot de kans op succesvolle integratie — zowel voor de nieuwkomer als voor de ontvangende samenleving. De begeleiding stopt niet bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning: ook na statustoekenning blijft een ononderbroken ontwikkellijn cruciaal. Voor statushouders is stabiliteit essentieel. Onnodige verhuizingen, onderbreking van werk of vertraging in het inburgeringstraject moeten worden voorkomen. De inspanningen die tijdens de opvangfase zijn gestart — waaronder vrijwillige voorinburgering via het COA — vormen de basis waarop wordt voortgebouwd.
Door werkplekken, leerwerktrajecten en inburgeringstrajecten naadloos te laten aansluiten op het verblijf in het AZC, blijft de lijn van participatie vanaf dag één in stand. Dit voorkomt verlies van motivatie, onnodige kosten en vertraging bij integratie. Deze doorgaande lijn wordt geborgd door afspraken met werkgevers en de inzet van leerwerktrajecten waarin ook aandacht is voor taalontwikkeling op de werkvloer. Tegelijk wordt het inburgeringstraject afgestemd op de persoonlijke situatie van de statushouder, zodat werk, opleiding en inburgering elkaar versterken in plaats van belemmeren. Verder betekent dit ook een herschikking van de huidige voorinburgering en de inburgering als iemand statushouder is geworden. Structurele stabiele opvangcapaciteit en werkgeversperspectief Wanneer mensen veel moeten verhuizen door het opvangtekort naar een andere regio, verliezen werkgevers arbeidspotentieel. Dit zorgt ervoor dat werkgevers niet in deze groep mensen willen investeren. Voldoende capaciteit van opvangplaatsen door heel Nederland is hierbij cruciaal en een kans voor werkgevers en voor de samenleving. Het behoud van de Spreidingswet is hiervoor essentieel, ook in situaties wanneer de instroom van asielzoekers (tijdelijk) afneemt.
Investeren in een toekomst in Nederland of bij terugkeer De huidige regeling voor de eigen bijdrage ontmoedigt asielzoekers vaak om aan de slag te gaan. Op dit moment wordt een (relatief groot) deel van hun verdiende geld ingehouden om tegemoet te komen aan de opvangkosten. Het voorstel is om een deel van de eigen bijdrage die asielzoekers betalen voor de tegemoetkoming in de opvangkosten opzij te zetten in een spaarvoorziening voor asielzoekers met een eigen inkomen in het asielzoekerscentrum. Het nieuwe voorstel maakt dit eerlijker en aantrekkelijker. De spaarvoorziening vormt een tegoed dat asielzoekers later kunnen gebruiken en anders (deels) betaald zou zijn aan eigen bijdrage: bij een positieve verblijfsstatus helpt het hen om zelfstandig te gaan wonen met een financiële buffer (bijvoorbeeld voor inrichtingskosten, een overbruggingsbudget of een huurwaarborg), en bij terugkeer biedt het een vangnet voor vertrek- en herintegratiekosten en zou het ook kunnen dienen als middel om de terugkeer te stimuleren. Op deze manier worden eigen verantwoordelijkheid en participatie gestimuleerd en verloopt de overgang naar de volgende fase soepeler. Dit is een win-win voor zowel de nieuwkomer als de samenleving.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
11
De vrijgave vindt pas plaats na afronding van de asielprocedure, voor specifieke kosten, zoals: • Inrichtingskosten bij huisvesting – bijvoorbeeld meubilair en basisvoorzieningen wanneer iemand na een verblijfsvergunning een woning krijgt; • Waarborgsommen of huurvoorschotten – financiële zekerheid om een huurcontract af te sluiten; • Ondersteuning bij vrijwillige terugkeer – bijdrage in de kosten voor reis of herstart in het land van herkomst.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
12
Doorstroom naar (opstart) woningen – van opvang naar een eigen thuis Naast werk is huisvesting cruciaal: zonder woonruimte geen nieuwe start. Nederland kampt met een fors woningtekort van ruim 400.000 woningen. Om de druk op de woningmarkt te verlichten, is het nodig de komende jaren extra in te zetten op tussenvormen voor verschillende doelgroepen, waaronder statushouders. Dit neemt niet weg dat de bestaande woningbouwplannen en afspraken onverkort moeten worden uitgevoerd. Tegelijkertijd is aanvullende inzet nodig en uiteraard oplossingen voor de netcongestie en stikstof. Het gaat niet om een vast gedefinieerd woningtype, maar om een “next best” woonoplossing voor mensen die nu tussen wal en schip vallen door het woningtekort, dat voorlopig niet volledig kan worden ingelopen. Daarbij is ook nadrukkelijk de insteek dat dit ook voor andere groepen die met spoed woonruimte nodig hebben, ingezet wordt en een gedeelte van de woningen wordt gebruikt voor statushouders. De investeringen in opstartwoningen kunnen worden bekostigd uit de honderden miljoenen die nu jaarlijks worden besteed aan noodopvang, omdat statushouders niet tijdig aan een woning kunnen worden geholpen. Op dit moment verblijven zo’n 18.000 statushouders onterecht in COA-opvang. De gemiddelde kosten daarvan bedragen € 71 per dag.
Dat betekent een jaarlijkse uitgave van circa € 466 miljoen (365 dagen x € 71 x 18.000). Wanneer deze middelen gericht worden ingezet in structurele woonoplossingen, kan de uitstroom naar zelfstandige huisvesting worden versneld, met aanzienlijke besparingen op dure noodopvang. Ondanks de benodigde eenmalige investeringen is huisvesting kostenneutraal, omdat bewoners huur betalen. Daarmee levert deze aanpak niet alleen menselijke en maatschappelijke winst op, maar ook een financieel verstandige oplossing: minder kosten voor opvang, snellere economische zelfstandigheid en meer doorstroming op de woningmarkt. De invulling kan per gemeente verschillen en in de praktijk uiteenlopende vormen aannemen, zoals: • Flexibele nieuwbouw: permanente gebouwen die later anders kunnen worden ingedeeld. • Transformatie van panden: leegstaande kantoren of andere gebouwen ombouwen tot woonruimte. • Opdeling van bestaande woningen: huurwoningen opsplitsen in onzelfstandige woonruimten, zogeheten ‘verkamering’. • Tijdelijke woonunits: flexibele woningbouwconcepten zoals containerwoningen. Selectiecriteria en doelgroep mix Doorstroom naar opstartwoningen is afhankelijk van economische binding (werk in de regio) of kwetsbaarheid (medische/sociale redenen). Er wordt ingezet op gemengde bewoning (jongeren, studenten, lokale spoedzoekers, statushouders).
Dit bevordert integratie en vermindert weerstand in de samenleving. Daarnaast wordt ingezet op het stimuleren van eigen initiatief in huisvesting. Net zoals bij arbeidstoeleiding, is begeleiding nodig om mensen bewust te maken van hun rol en mogelijkheden op de woningmarkt. Denk aan ondersteuning bij inschrijving als woningzoekende, inzicht in inschrijftijdopbouw, uitleg over huurvoorwaarden en oriëntatie op vervolgwoningen. Daarmee wordt huisvesting een leerproces dat mensen voorbereidt op duurzame, zelfstandige bewoning.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
13
Gemeenten kunnen hierin actief ondersteunen met begeleiding, voorlichting en digitale tools, zodat mensen regie leren nemen over hun eigen woonloopbaan. Inschrijftijdopbouw Gemeenten stimuleren bewoners om zelf stappen te zetten op de woningmarkt – via directe inschrijving, oriëntatie op vervolghuisvesting en waar mogelijk groei naar middenhuur of vrije sector. Voor diegenen die aangewezen zijn op sociale huurwoningen wordt mogelijk gemaakt dat tijdens hun verblijf in een opstartwoning inschrijftijd wordt opgebouwd voor een reguliere sociale huurwoning. Deze aanpak zorgt ervoor dat statushouders perspectief hebben op doorstroming. Het normaliseert hun positie door hen vanaf het begin onderdeel te maken van reguliere systemen – net zoals andere woningzoekenden. Het bevordert regie op huisvesting, voorkomt langdurige afhankelijkheid van crisisvoorzieningen, en legt een directe koppeling tussen opvang, huisvesting en participatie. Gemeenten kunnen zo beter sturen op doorstroom, en statushouders worden niet onnodig belemmerd in hun ontwikkeling. Bovendien sluit deze werkwijze aan bij de uitgangspunten van de Wet versterking regie volkshuisvesting, waarin het beter bedienen van aandachtsgroepen3 en het stimuleren van doorstroming op de woningmarkt centraal staan.
Door inschrijftijd te laten meetellen in opstartwoningen draagt het bij aan twee oplossingen: het verlichten van druk op de asielketen én het faciliteren van duurzame integratie. Gezinshereniging en passende woning Indien een statushouder recht heeft op gezinshereniging, wordt bij de toewijzing van een opstartwoning actief beoordeeld of deze geschikt is voor de toekomstige gezinssituatie. Is dit niet het geval, dan moet tijdig een passende voorziening beschikbaar komen om te voorkomen dat gezinsleden bij aankomst dakloos raken of in een onveilige of overvolle situatie terechtkomen. Daarbij moet de inschrijftijd die is opgebouwd in de opstartwoning meegenomen worden bij de toewijzing van een volgende woning, zodat bewoners niet opnieuw onderaan beginnen. Systeemverandering Het idee van tijdelijke of gefaseerde huisvesting voor statushouders is niet nieuw. Eerdere pogingen – zoals containerwoningen, hotelopvang of tijdelijke wooncomplexen – liepen vaak vast door een combinatie van factoren: tijdelijke financiering, hoge kosten, gebrek aan doorstroommogelijkheden, eenzijdige doelgroepen (alleen statushouders), onvoldoende begeleiding of isolatie van bewoners van de omgeving. Opstartwoningen bieden een integrale aanpak. Ze zijn vanaf dag één gekoppeld aan participatie, werk of opleiding en begeleiding.
Er worden structurele afspraken gemaakt over doorstroom, de doelgroep is gemengd en de aanpak sluit aan op lokaal beleid. Daarbij wordt bewust gestuurd op duurzame inzetbaarheid van de woonvormen en een financiering die langer meegaat dan één projectperiode. Opstartwoningen doorkruisen niet de bestaande woningbouwplannen, maar creëren aanvullend aanbod waar nu een groot tekort aan is: kleinschalige, flexibele woonvormen, al dan niet zelfstandig. Het betreft een tijdelijke maatregel zolang de woningmarkt nog niet op orde is. De middelen die nu worden besteed aan kostbare en vaak kwalitatief mindere (nood)opvang zouden hiervoor beter kunnen worden ingezet: investeren in opstartwoningen.
3 Ten tijde van schrijven ontraadt de VNG deze wet aan de Eerste Kamer a.g.v. het amendement Mooiman dat de voorrangsregeling voor statushouders intrekt. Echter is de verwachting dat deze wet op enig moment, mogelijk aangepast, wel in werking zal treden.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
14
Conclusie De kern van de aanpak is het stimuleren van zelfredzaamheid van asielzoekers, het creëren van opstartwoningen als tijdelijke tussenvorm die niet alleen de druk op dure noodopvang vermindert, maar ook direct gekoppeld is aan taal, werk en begeleiding. Door vanaf dag één intensief in te zetten op werk, integratie en economische binding, versterken we de zelfstandigheid van asielzoekers en vergroten we het draagvlak in de ontvangende gemeenten. Uiteindelijk leidt deze samenhangende aanpak tot maatschappelijke meerwaarde: asielzoekers worden sneller economisch actief, de uitgaven aan opvang en begeleiding nemen af, en statushouders krijgen – net als andere woningzoekenden – zicht op een duurzame wooncarrière. Waar mogelijk stromen zij zelfstandig door naar reguliere huisvesting, en bouwen zij inschrijftijd op voor sociale huur. Zo levert het plan zowel een humane aanpak voor mensen op zoek naar een nieuwe start als een duurzame oplossing voor de structurele uitdagingen in de Nederlandse asiel- en woningmarkt. De voorgestelde aanpak levert meer op dan alleen een snellere doorstroom en betere integratie. Het is een wederkerig model waarin asielzoekers én samenleving zichtbaar profiteren. Voor de samenleving betekent dit minder druk op dure noodopvang, een betere benutting van arbeidspotentieel in sectoren met tekorten en meer evenwicht op de woningmarkt.
Gemeenten krijgen ruimte om lokaal te doen wat nodig is, werkgevers vinden gemotiveerde krachten en buurten worden versterkt door ontmoeting en verbinding. Asielzoekers krijgen direct perspectief, ontwikkelen vaardigheden, vinden sneller werk en bouwen aan een stabiel bestaan. Zij dragen vanaf het begin bij aan hun eigen toekomst én aan de gemeenschap waar zij wonen. Samen maken we het verschil Het succes van deze benadering staat of valt met de goede samenwerking tussen gemeenten, Rijk, uitvoeringsinstanties zoals COA, IND, UWV en DUO, woningcorporaties, werkgevers, onderwijs en maatschappelijke partners. Elke schakel in de keten krijgt een helder omschreven rol: van de IND als efficiënte poortwachter tot de samenwerking in de regionale werkcentra die taal- en werktrajecten coördineren, en van woningcorporaties die flexibele woonconcepten realiseren tot buurtcoaches die sociale integratie bevorderen. Door duidelijke juridische kaders en structurele financiering – waaronder experimenteerruimte in wet- en regelgeving zoals de REBA en de Woningwet – ontstaat de ruimte om dit model op schaal uit te rollen. We nodigen deze partners graag uit om met ons mee te denken en de praktijk verder vorm te geven. Bijlagen 1. Randvoorwaarden en aandachtspunten
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
15
Bijlage 1: Randvoorwaarden en aandachtspunten Dit plan laat zien dat een andere aanpak van opvang en integratie mogelijk is. De uitvoering vergt een stevige inzet van gemeenten, maar óók duidelijke keuzes van het Rijk en een slagvaardige samenwerking in de keten. Veel onderdelen kunnen al binnen bestaande kaders, maar voor enkele sleutelaspecten is beleidsmatige of juridische aanpassing nodig. In dit hoofdstuk benoemen we de belangrijkste aandachtspunten en voorwaarden die moeten worden geborgd om het plan succesvol en op schaal uit te kunnen voeren.
Algemene randvoorwaarden Stabiele AZC-capaciteit (ook bij dalende instroom) In het huidige systeem wordt de opvangcapaciteit van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) sterk afgestemd op de actuele instroom. Bij een hoge instroom wordt snel opgeschaald (vaak met tijdelijke, dure noodopvang), en bij een daling juist weer afgebouwd. Dit leidt tot een cyclisch beleid met: • Continu hoge kosten voor op- en afschaling; • Verlies van expertise en personeel (bij afschaling); • Onbetrouwbaarheid richting gemeenten, uitvoerders en bewoners; • Gebrek aan rust en continuïteit in opvang én integratie. Voor een goed functionerende asiel- en integratieketen is structurele, stabiele capaciteit noodzakelijk — ook bij fluctuerende instroom. Alleen dan is er ruimte voor kwaliteit, menswaardige opvang, en een vroege start van integratie (zoals taal, werkoriëntatie en begeleiding). Het in stand houden van de stabiele financiering van 41.000 plekken bij het COA, ongeacht de bezetting is dan ook essentieel. Deze regeling komt vanaf 2027 in gevaar gezien de financiering t/m 2026 is geborgd, daarna nog niet. Ook evenredige spreiding over het land steunt een stabiel opvanglandschap. Versterk de IND als efficiënte en betrouwbare poortwachter Een tijdige en zorgvuldige beoordeling van asielaanvragen is essentieel voor het functioneren van het hele stelsel.
De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) moet daarom structureel beschikken over voldoende middelen en capaciteit om aanvragen snel en zorgvuldig af te handelen. Kortere procedures zorgen ervoor dat asielzoekers eerder duidelijkheid krijgen over hun toekomstperspectief. Dit is niet alleen van belang voor henzelf, maar draagt ook bij aan het beperken van de kosten voor opvang. Mensen met een verblijfsvergunning kunnen dan sneller doorstromen naar reguliere huisvesting en zijn minder lang aangewezen op opvangvoorzieningen. Daarnaast wordt met een snellere besluitvorming voorkomen dat de overheid jaarlijks tientallen miljoenen euro’s kwijt is aan dwangsommen wegens te trage beslissingen. Investeren in een krachtige en goed toegeruste IND is daarmee een randvoorwaarde voor een beter functionerend asielstelsel. Snelle BRP-inschrijving Zonder inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) kunnen statushouders geen woning, zorgverzekering of werk krijgen – laat staan beginnen met inburgering of opleiding. Trage procedures vertragen de integratie en zorgen voor frustratie, verlies van vaardigheden en afhankelijkheid van uitkeringen. Snelle registratie maakt een soepele overgang van opvang naar participatie mogelijk.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
16
Juridische belemmeringen Het alternatieve plan raakt aan meerdere wet- en regelgeving, o.a. de Spreidingswet, de Participatiewet, de Wet inburgering etc. Relevante risico’s betreffen onder meer het gelijkheidsbeginsel, beperkingen in landelijke wet- en regelgeving, en beperkte beleidsruimte voor gemeenten bij opvang, huisvesting en arbeidstoeleiding. Het kan het risico op ongelijke behandeling in de hand werken bij maatwerkvoorzieningen voor statushouders, zoals opstartwoningen of versnelde toeleiding naar werk. Ook kunnen gemeentelijke initiatieven botsen met bestaande kaders zoals de Vreemdelingenwet, Participatiewet of de Wet arbeid vreemdelingen. Om dit te voorkomen wordt ingezet op juridische verkenning van experimenteerruimte, samenwerking met het Rijk en benutting van bestaande afwijkingsmogelijkheden, bijvoorbeeld via pilots of algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Daarbij kunnen lessen uit bestaande experimenten in het land worden meegenomen – waaronder de opvang van Oekraïense ontheemden, die op onderdelen al als praktijkproef fungeert voor flexibele huisvesting, participatie en regionale regie. Ook vraagt gegevensdeling tussen ketenpartners om naleving van de AVG en een gezamenlijk systeem. Via lokale privacy-protocollen en convenanten met juridische grondslag kan deze samenwerking worden geborgd.
Werk -en participatie als leidend principe Inburgering en werk/participatie/opleiding Statushouders die aan het werk zijn (bijvoorbeeld via participatiebanen of tijdelijke functies) of een opleiding volgen worden tegelijkertijd geacht om hun inburgeringstraject succesvol te doorlopen. Dat betekent: taallessen volgen, Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM)-onderdelen afronden, oriëntering op de Nederlandse arbeidsmarkt (ONA) etc. Dit vraagt gemiddeld 20 uur per week. Werk, opleiding en/of participatie moeten hierbij passen en vraagt om flexibiliteit aan beide kanten: zowel van de werkgever/ opleidingsinstantie als de inburgering. Wanneer werk/opleiding en inburgering hand in hand gaan, hoeft de statushouders geen keuze te maken tussen werk/opleiding óf inburgering. Een optie is om leerwerktrajecten te ontwikkelen waar inburgering integraal onderdeel vanuit maakt, maar waar wel arbeidsparticipatie waar dat kan leidend is. Investeren in de eigen toekomst - Aanpassing Reba en uitvoering COA Er wordt een spaarregeling opgezet voor asielzoekers met inkomen uit werk ter bevordering van financiële zelfstandigheid en verantwoordelijkheid. Door zelf te sparen, krijgen asielzoekers een actief gevoel van regie over hun eigen toekomst. Dit stimuleert financiële verantwoordelijkheid en bewustwording van kosten die komen kijken bij zelfstandig wonen of vertrek.
Bij een positieve asieluitkomst kunnen de spaargelden gebruikt worden voor inrichtingskosten van een woning, waarborgsommen en huurvoorschotten. Dit vergemakkelijkt de overgang van opvang naar zelfstandige huisvesting. Voor mensen die niet in Nederland mogen blijven, kan een deel van het gespaarde bedrag worden ingezet om terugkeer te faciliteren, bijvoorbeeld voor reiskosten of andere vertrekgerelateerde kosten. Dit kan ook bijdragen aan een soepele en respectvolle terugkeer. De Regeling eigen bijdrage voor asielzoekers (Reba) regelt de eigen bijdrage die asielzoekers met inkomen en/of vermogen moeten betalen aan het COA voor de opvangkosten. Er zal goed gekeken moeten worden naar deze regeling om een spaarpot (juridisch) mogelijk te maken en werk lonend te laten blijven. Er kan gekeken worden naar aansluiting op het huidige Reba systeem door, naast de berekening van de eigen bijdrage, ook automatisch een reservering voor sparen in te voeren.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
17
Betere inzet loonkostensubsidies en jobcoaches Veel statushouders hebben aanvankelijk moeite met het vinden of behouden van werk, vanwege taal, cultuur, trauma of gebrek aan netwerk. Met gerichte ondersteuning – zoals loonkostensubsidie of begeleiding door jobcoaches – wordt de afstand tot de arbeidsmarkt kleiner, kunnen werkgevers eerder instappen, en wordt duurzame participatie mogelijk. Zonder deze instrumenten blijft het risico groot dat mensen in een uitkeringssituatie terechtkomen of onder hun niveau werken. Diploma-erkenning Snelle diploma-erkenning of competentieverkenning is essentieel om statushouders snel richting werk of opleiding te begeleiden. Wanneer eerder verworven diploma’s of vaardigheden tijdig worden erkend, ontstaat directe toegang tot de arbeidsmarkt of vervolgonderwijs. Dit voorkomt dat mensen onder hun niveau worden geplaatst, met verlies van potentieel en motivatie tot gevolg. Door mensen in te zetten op basis van hun kwalificaties, verkleint hun afhankelijkheid van uitkeringen en vergroten hun kansen op economische zelfstandigheid. Werk is bovendien een van de krachtigste pijlers voor succesvolle integratie en zelfredzaamheid. Als deze erkenning uitblijft, belanden statushouders vaker in langdurige bijstandstrajecten of laagbetaalde banen zonder perspectief, wat leidt tot frustratie, stilstand en hogere maatschappelijke kosten.
Het proces vereist veel administratie en documenten (zoals originele diploma’s, cijferlijsten, verklaringen van echtheid) die vluchtelingen vaak niet bij zich hebben of niet kunnen opvragen in het land van herkomst. Daardoor De diplomawaarderingsprocedure bij DUO/Nuffic duurt vaak maanden, soms langer dan een jaar. Tegelijk is er nog te weinig structurele inzet op EVC (Erkenning van Verworven Competenties) of praktijkroutes. De kosten voor de aanvraag voor diploma-erkenning zijn voor statushouders of personen die een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd hebben aangevraagd (via ‘internationale diploma waardering’ – IDW) gratis (voor 1 diploma). Met het wetsvoorstel ‘asielnoodmaatregelenwet’ wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgeschaft. Dat betekent dat een grote groep niet in aanmerking komt voor gratis diplomawaardering. Om dit wel mogelijk te maken, is een snelle, toegankelijke en kosteloze diplomawaardering cruciaal. Dat vraagt om: • een versnelde procedure voor de waardering van buitenlandse diploma’s; • structurele financiering vanuit het Rijk, zodat ook statushouders zonder verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kosteloos gebruik kunnen maken van deze voorziening; • en betere informatievoorziening en ondersteuning bij het aanvragen van diplomaerkenning of alternatieve competentieverkenning.
Wettelijke taak voor gemeenten In Nederland is er geen wettelijke verantwoordelijkheid belegd voor de arbeidsmarkttoeleiding van asielzoekers. Asielzoekers vallen hierdoor vaak tussen wal en schip: gemeenten zijn pas verantwoordelijk na statustoekenning, en het COA heeft geen taak op arbeidsmarkttoeleiding, alleen dagbesteding. Het gevolg is dat arbeidsmarkttoeleiding van deze groep fragmentarisch en vrijblijvend is en afhankelijk van lokale initiatieven en pilots. Gemeenten worden pas verantwoordelijk bij statustoekenning, maar moeten dan in korte tijd een inburgeringstraject én arbeidstoeleiding realiseren, vaak zonder dat er al voorwerk is gedaan. Het COA is (a.g.v. de wet inburgering) de aangewezen partij om de voorinburgering voor statushouders in de opvang te organiseren. Geef gemeenten deze taak: alles wat te maken heeft met werk, participatie én inburgering komt daarmee in één hand en tegelijk is de doorgaande (participatie/werk)lijn vanaf de opvang geborgd. Geef gemeenten een wettelijk taak in de arbeidsmarkttoeleiding en participatie van asielzoekers: dat leidt tot snellere integratie, behoud van vaardigheden en motivatie en meer perspectief en waardigheid tijdens procedure voor de nieuwkomer.
Tegelijkertijd leidt het voor gemeenten tot een betere voorbereiding op de latere gemeentelijke taak (bij statustoekenning), minder maatschappelijke kosten en betere benutting van het arbeidspotentieel en het stimuleert een betere samenwerking tussen de arbeidsmarktregio en de betrokken partijen bij de opvang. Hier moet wel een passende
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
18
financiering tegenover staan. Het ligt voor de hand om werkontwikkelbedrijven hierbij een rol te geven. Daarmee is een vrijwel landelijk dekkend aanbod van ondersteuning gegarandeerd en kan ook de kwaliteit geborgd blijven
Opstartwoningen Realistisch én noodzakelijk Opstartwoningen zijn een belangrijk onderdeel van dit alternatief: ze zorgen voor rust in de opvang, versnellen integratie en bieden mensen sneller een eigen plek. Tegelijkertijd erkennen we dat voldoende doorstroom uit deze woningen een reëel zorgpunt is. Gemeenten hebben te maken met een krappe woningmarkt, lange juridische procedures en een wirwar aan regelgeving. We pleiten voor het beter benutten van het lokaal potentieel: doen wat nodig is. Meer woningen zijn nodig voor iedereen – en dat vraagt om keuzes. Door opstartwoningen slim in te passen, bijvoorbeeld via transformatie of tijdelijke bouw, kunnen we versnellen zonder bestaande woningzoekenden te verdringen. Juist daarom pleiten we voor ruimte om lokaal te kunnen doen wat nodig is. Dat betekent: minder belemmerende regels, flexibeler gebruik van bestaande wet- en regelgeving, en passende termijnen die aansluiten bij de praktijk. Om tempo te maken, is landelijke ondersteuning cruciaal – bijvoorbeeld in de vorm van een tijdelijke crisis- en herstelwet die procedures vereenvoudigt en besluitvorming versnelt, zonder de zorgvuldigheid uit het oog te verliezen. Doelgroep mix in opstartwoningen Doelgroepmix in opstartwoningen is essentieel om segregatie te voorkomen en de wederzijdse integratie te versterken.
Door statushouders samen te huisvesten met andere groepen met een woonurgentie – zoals jongeren, studenten, mensen uit de maatschappelijke opvang of lokale woningzoekenden – ontstaat een gemengde leefomgeving waarin ontmoeting en uitwisseling worden gestimuleerd. Deze aanpak sluit aan bij bestaande good practices, zoals de woonconcepten van sociaal beheer met community building, die bewezen effectief zijn in het voorkomen van sociaal isolement en het bevorderen van zelfredzaamheid. Diverse vormen mogelijk Opstartwoningen kunnen in diverse concepten worden vormgegeven, zoals modulaire woongebouwen (gestapeld of geschakeld), kleine nieuwbouw of getransformeerde bestaande bouw. Naast tijdelijke, flexibele bouw is permanente bouw met flexibele woonconcepten uiteraard ook een goede optie. Schakelwoningen/modules Om snel en doelgericht opvangcapaciteit te creëren, is het belangrijk om flexibel om te gaan met ruimte en woningtypen. Geschakeld of gestapeld wonen in zogenoemde schakelmodules biedt hierbij uitkomst. Het principe is eenvoudig: zelfstandige eenheden worden zó ontworpen dat ze tijdelijk als losse woonstudio’s kunnen functioneren, bijvoorbeeld voor alleenstaanden, en op een later moment eenvoudig kunnen worden samengevoegd tot grotere gezinswoningen.
Deze opzet maakt het mogelijk om in de eerste fase meerdere bewoners op te vangen in gescheiden eenheden, terwijl de units in een latere fase, bijvoorbeeld bij gezinshereniging of doorstroom, zonder grote verbouwing samengevoegd kunnen worden. Dit voorkomt leegstand, maakt efficiënter gebruik van ruimte en draagt bij aan een duurzame en toekomstbestendige woningvoorraad.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
19
Kleinschalige nieuwbouw Opstartwoningen zijn alternatieve woonvormen, maar vallen nadrukkelijk niet buiten de woningbouwopgave: door flexibele woonvormen die als tijdelijke maatregel fungeren te realiseren in nieuwbouwprojecten, kunnen deze relatief eenvoudig later weer worden ingezet voor andere type bewoning. Stapelbare prefab units met eigen voorzieningen (keuken, badkamer), op te schalen tot kleine woongebouwen. Deze vorm is goed geschikt voor mix met jongeren, studenten, starters of arbeidsmigranten. Deze units zijn snel te realiseren, herplaatsbaar en geschikt voor sociale begeleiding via een beheerteam of buurtteam. Getransformeerde panden of tijdelijke herbestemming (bijv. kantoren, scholen, zorglocaties of hotels) Hiermee wordt hergebruik van leegstaand vastgoed gestimuleerd voor opstartwonen met gedeelde voorzieningen. Goed voor een gemengde invulling en community-based beheer. Het is een duurzame vorm door hergebruik, geschikt voor tijdelijke opvang én integratie, mits zorgvuldig begeleid. Geclusterde woningen in reguliere wijken (in-buurt plaatsing) Een aantal woningen per straat of blok wordt ingezet als opstartwoning. Door deze verspreide plaatsing binnen reguliere woonwijken ontstaat vanzelf contact met buren, voorzieningen en buurtactiviteiten.
Dit bevordert een natuurlijke integratie in de samenleving en voorkomt dat bewoners geïsoleerd raken in aparte woonlocaties. Hiervoor is geen aparte voorzieningen nodig, maar vereist wél inzet op buurtcommunicatie en begeleiding. Randvoorwaarden voor succes Om deze woonvormen ook werkelijk te laten bijdragen aan duurzame integratie, gelden de volgende randvoorwaarden: • Sociale begeleiding is cruciaal: inzet van buurtcoaches, sociaal beheer of participatieprogramma’s voorkomt isolement of overlast. • Tijdelijkheid met perspectief: opstartwonen moet een duidelijke brug vormen naar reguliere huisvesting; bewoners bouwen inschrijftijd en perspectief op. • Doelgroepmix is voorwaarde: huisvest statushouders samen met of nabij andere woningzoekenden zoals studenten, jongeren of mensen uit de opvang, om segregatie te voorkomen. • Woonkwaliteit moet fatsoenlijk zijn: tijdelijke oplossingen mogen geen afbreuk doen aan waardigheid en veiligheid; ondermaatse huisvesting ondermijnt draagvlak. • Inpassing in lokaal beleid: de woonvormen moeten aansluiten bij het gemeentelijk woonbeleid en integratiestrategieën • Financiering: er zullen structureel financiële middelen vrijgemaakt moeten worden om deze concepten vorm te geven.
De kosten gaan voor de baten uit – dit vraagt lef en investeringsbereidheid, maar levert op termijn lagere opvangkosten, snellere integratie en meer zelfstandigheid op. Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting Het Wetsvoorstel ‘versterking regie volkshuisvesting’, biedt de sturingsmiddelen die nodig zijn om het alternatieve plan van asiel tot integratie ruimtelijk te verankeren4. Om de woningbouw beter te kunnen aansturen, introduceert de wet verplichte volkshuisvestingsprogramma’s voor het Rijk, de provincies en de gemeenten. In deze programma’s wordt vastgelegd hoeveel woningen er gebouwd moeten worden, waar deze
4 Ondanks dat de VNG de wet ontraadt i.v.m. het amendement ‘Mooiman’ dat alle voorrang voor statushouders verbiedt, gaan we er wel vanuit dat de wet er komt, mogelijk met vertraging, danwel aanpassing.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
20
woningen komen en voor welke doelgroepen ze bestemd zijn. De wet bevat ook een aantal versoepelingen die moeten bijdragen aan snellere woningbouw. Zo wordt de zogeheten ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ afgeschaft voor woningbouwprojecten. Dit betekent dat de onderzoeksverplichtingen die vaak tot vertraging en extra kosten leiden, komen te vervallen. Ook worden de procedures versneld: voor woningbouwprojecten van 12 of meer woningen is er straks nog maar één beroepsmogelijkheid bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die binnen zes maanden uitspraak moet doen. Deze wet ondersteunt tevens de ontwikkeling van flexibele woonconcepten. Voorrang statushouders Idealiter krijgen gemeenten de ruimte om zelf – in afstemming met woningcorporaties invulling te geven aan hun urgentie- en toewijzingsbeleid, met oog voor het huisvesten van verschillende aandachtsgroepen. Binnen die ruimte zijn er nog steeds mogelijkheden om recht te doen aan het belang van statushouders, zónder in strijd te handelen met de wet. (mocht de voorrang vervallen) Wat mag (nog wel) Algemeen doelgroepenbeleid • Wijs flexwoningen toe op basis van algemene kenmerken: bijvoorbeeld jongeren, starters, mensen met geen vaste woonruimte – zonder status als criterium. • Statushouders kunnen daarbinnen vallen, maar niet exclusief of met voorrang.
Werken met spreidingsmodellen Gemeenten kunnen met woningcorporaties afspreken dat bijvoorbeeld 10% van de flexwoningen beschikbaar komt voor mensen vanuit maatschappelijke opvang of opvanginstellingen (waaronder mogelijk statushouders) – mits het label ‘statushouder’ niet wordt gebruikt. Volgorde op basis van aanmelddatum of loting: Bij flexlocaties is het toegestaan om toewijzing via objectieve, niet-statusafhankelijke volgorde te organiseren.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
21
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 83 93 info@vng.nl november 2025
Resolutie: Een aanpak die voor gemeenten wel werkt voor opvang tot en met integratie De leden van de VNG bijeen te Utrecht op 28 november 2025 tijdens de Najaars ALV. (amendabele tekst voor de ALV)
Constaterende dat: • • • • • • • •
• •
Er een tekort is aan opvangplaatsen voor asielzoekers De procedure voor beoordeling van asielverzoeken te veel tijd in beslag neemt Er momenteel sprake is van grote schaarste op de woningmarkt en daardoor de doorstroming van asielzoekers van AZC’s naar reguliere huisvesting onvoldoende is Het rijk er onvoldoende in slaagt om een oplossing voor deze problemen te vinden Het rijk voor gemeenten niet de juiste randvoorwaarden realiseert om hun taken uit te kunnen voeren Sturing op instroom en beoordeling van het verblijfsrecht een verantwoordelijkheid van het rijk is Het Europese Migratiepact (vanaf juni 2026) beoogt snellere en beter gedifferentieerde asielprocedures; De ALV in juni 2024 en november 2024 zich in resoluties heeft uitgesproken dat de negatieve gevolgen van nationaal asielbeleid niet op gemeenten mogen worden afgewenteld, dat volgordelijkheid in de uitvoering essentieel is, en dat uitvoerbaar instrumentarium voor een evenwichtige verdeling en doorstroom behouden dient te blijven totdat de gehele asielketen aantoonbaar op orde is; In het nationale beleid wordt gesproken over aanpassing en intrekking van wetgeving over de verdeling van opvang en woningtoewijzing; In de ALV van november 2024 tevens is toegezegd een gezamenlijke discussie te voeren over gemeentelijke solidariteit: hoe gemeenten, in onderlinge en regionale samenwerking, verantwoordelijkheid kunnen nemen
voor de opvang, huisvesting en integratie van asielzoekers en statushouders.
Overwegende dat: • • • • • • •
Gemeenten primair belang hebben bij uitvoerbare en maatschappelijk verantwoorde oplossingen die passen in de wijken, dorpen en steden Een doorlopende lijn van vroege participatie, werk en wonen in dezelfde regio de zelfstandigheid, integratie, de gemeentelijke uitvoerbaarheid en het draagvlak in de samenleving versterkt; Inzet op passende extra woonruimte verdringing kan voorkomen door het woningaanbod uit te breiden en tevens andere (spoed)doelgroepen te bedienen; Koppeling op basis van arbeidsmarktkansen, binding en (medische of sociale) kwetsbaarheid de duurzame inbedding van nieuwkomers bevordert. Een voorspelbaar, duurzaam en flexibel opvangsysteem gemeentebestuurders en medewerkers beter in staat stelt hun wettelijke taken uit te voeren en om fatsoenlijk te voldoen aan verdragen en afspraken over de opvang van vluchtelingen De voorgenomen forse bezuinigingen op COA en IND de huidige problemen verder zullen verergeren De Spreidingswet nodig blijft om de forse opdracht aan gemeenten eerlijk te verdelen.
Spreekt uit dat het VNG bestuur zich de komende tijd inzet voor: A. Vanaf dag één meedoen • • • • •
Snelle kansinschatting en versnelde procedure bij binnenkomst, specifiek bij kansarme aanvragen, conform het EU-Migratiepact. Vroege participatie, zo snel mogelijk werken, de taal leren en integreren als uitgangspunt. Plaatsing op basis van arbeidsmarktkansen, binding en kwetsbaarheid. Structurele gemeentelijke rol in arbeidstoeleiding in samenwerking binnen de regionale werkcentra, wettelijk geborgd en passend gefinancierd. Om werken meer te laten lonen, wordt in samenhang met de huidige eigenbijdrageregeling een spaarvoorziening ingericht voor een goede start in Nederland of voor terugkeer.
B. Extra woonruimte als sleutel voor alle doelgroepen waaronder statushouders •
Inzet van opstartwoningen als flexibele schakel tussen opvang en reguliere huisvesting, investeringen gefinancierd uit middelen voor dure asiel(nood)opvang en inzetbaar voor meerdere doelgroepen.
C. Randvoorwaarden en maatwerk • • • • •
De Spreidingswet in ieder geval van kracht blijft tot de keten aantoonbaar op orde is. Een effectieve en snelle werkwijze om overlast te voorkomen en waar nodig daadkrachtig aan te pakken. Gemeenten behouden beleidsruimte voor lokale prioritering binnen het woonbeleid. Rijk zorgt voor toereikende middelen en aandacht voor de uitvoering bij gemeenten. De forse bezuinigingen op COA en IND worden ongedaan gemaakt. Ook hier geldt dat de keten aantoonbaar op orde moet zijn en alternatieven wettelijk moeten zijn geborgd voordat sprake kan zijn van bezuinigingen.
Toelichting (niet-amendabel) Deze resolutie sluit aan bij de eerder aangenomen resoluties van de ALV’s van 26 juni en 15 november 2024 (waaronder behoud van de spreidingswet in ieder geval zolang de asielketen nog niet op orde is) en voegt daaraan een concreet handelingsperspectief toe op basis van het plan “Van wachtstand naar werkstand: een alternatief plan voor opvang en integratie” (zie bijlage). De resolutie verwoordt de hoofdlijnen van dit plan, erkent de uiteenlopende politieke afwegingen tussen gemeenten en benadrukt het belang van een sluitende en uitlegbare keten waarin nieuwkomers vanaf dag één kunnen bijdragen of, bij terugkeer, daarop worden voorbereid. Om werken meer te laten lonen, wordt, in samenhang met de huidige eigenbijdrageregeling, een spaarvoorziening ingericht die kan worden benut voor vrijwillige terugkeer of een nieuwe start in Nederland. Tevens wordt binnen de gemeentelijke context gezocht naar manieren om op verantwoorde wijze extra woonruimte toe te voegen voor alle doelgroepen, waaronder statushouders. Dit betekent ook dat er mogelijkheden moeten zijn om projecten te realiseren in relatie tot de problematiek van netcongestie en stikstof.
Tot slot werkt de resolutie de eerder gedane toezegging uit (ALV 15 november 2024) om de onderlinge solidariteit en regionale samenwerking tussen gemeenten verder te versterken, als fundament voor een menswaardige, uitvoerbare en toekomstbestendige aanpak.
Resolutie “Randvoorwaarden Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda Energiesysteem (ISA)” De leden van de VNG, in de Najaars ALV bijeen te Utrecht op 28 november 2025: Constaterende dat: • De VNG bij het ondertekenen van het Klimaatakkoord randvoorwaarden heeft gesteld • In 2023 een actualisatie heeft plaatsgevonden, waarbij de randvoorwaarden als volgt zijn vastgesteld: • “Het speelveld en uitvoeringskracht gemeenten op orde”: gemeenten hebben handelingsperspectief en instrumentarium nodig, de economische (arbeidsmarkt), juridische (soortenbescherming, stikstof) en fysieke (voldoende ruimte en netcapaciteit) voorwaarden moeten ook op orde zijn • “Haalbaar, betaalbaar en rechtvaardig voor de samenleving”: aan “haalbaar en betaalbaar” is ook het thema “rechtvaardigheid” toegevoegd. Dit element is in de verhouding tussen overheden en burger door verschillende maatschappelijke ontwikkelingen steeds belangrijker geworden. Ook de WRR noemt rechtvaardigheid een belangrijke pijler van het klimaatbeleid. • “We doen het samen en in vertrouwen”: de problemen waar gemeenten tegenaan lopen worden soms traag onderkend, terwijl snelle oplossingen noodzakelijk zijn (bijvoorbeeld de overdaad aan subsidieregelingen en SPUK’s met elk hun eigen eisen en verplichtingen).
Daarom willen we in het gesprek met het Rijk nog nadrukkelijker ook de onderlinge relatie benoemen • “Houd koers richting 2050”: omdat onze doelen niet stoppen in 2030 willen we ook voorbij 2030 kijken naar 2050 en inventariseren wat we richting 2030 nodig hebben om daar te komen. Overwegende dat: • Het wenselijk is om een aantal randvoorwaarden te formuleren die onze positie bij de verdere uitwerking van de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda (ISA) versterken. • De oorspronkelijke randvoorwaarden Klimaatakkoord onverkort van kracht blijven en deze ook voor ISA van toepassing verklaren. • De oorspronkelijke randvoorwaarden vragen om een actualisering in het licht van de actuele uitvoeringspraktijk en de maatschappelijke ontwikkelingen Spreekt uit dat: • De oorspronkelijke randvoorwaarden Klimaatakkoord onverkort van kracht blijven • Aan deze randvoorwaarden de volgende twee randvoorwaarden voor ISA en het vervolgtraject worden toegevoegd: • “Wederkerigheid”: • De overheden hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid bij de vormgeving van het toekomstig energiesysteem, op basis van een afweging van de publieke belangen uit het Nationaal Plan Energiesysteem • Invulling van de toekomstige afspraken dienen te berusten op de wederkerigheid tussen overheden • De medeoverheden zijn afhankelijk van elkaars inzet.
Afspraken worden niet topdown, maar gezamenlijk vormgegeven met begrip en respect voor elkaars belangen en positie. • Onze samenwerking gaat verder dan het samen stellen van doelen. Om die doelen te halen hebben we elkaar nodig bij de uitvoering en voor het oplossen van knelpunten.
•
“Gelijk speelveld”: • Voor een effectieve en efficiënte uitvoering is een gelijkwaardig speelveld tussen overheden noodzakelijk • Transparantie en gelijke toegang tot data zijn cruciaal om integrale keuzes te kunnen maken. • Wij maken keuzes die passend bij het schaalniveau van de uitvoering en binnen de bestuurlijke verhoudingen in het Huis van Thorbecke.
Bijlage 2
Toelichting op resolutie en stand van zaken consultatie ISA In december 2024 is in het Bestuurlijk Overleg Klimaat & Energie afgesproken de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda in 2025 uit te werken. Dit betreft een achttal afspraken: Meer duidelijkheid over gezamenlijke opgave 1. De gezamenlijke opgave en doelen worden doorlopend in beeld gebracht. 2. De databehoefte en de voortgang op de opgave wordt doorlopend gemonitord. Meer regie op keuzes in de planvorming (schaarste verdelen) 3. Samenhangende keuzes door betere afstemming van de plannen en producten 4. De verbinding tussen het ruimtelijk domein en het energiedomein wordt versterkt Meer samenhang in sturing en ondersteuning 5. Meer samenhang in sturing via het bestuurlijk overleg Klimaat & Energie 6. We expliciteren de rol van RES-regio's en Energyboards 7. Knelpunten in de (uitvoerings)praktijk worden sneller gesignaleerd en opgelost 8. De uitvoering wordt ondersteund door een Nationaal Programma Energiesysteem (NP ES). De uitwerking van deze afspraken vindt u in het bijgevoegde consultatiedocument ISA (bijlage 3). Het geeft een tussentijdse stand van zaken weer. Gedurende 2026 wordt verder gewerkt aan de uitwerking, onder andere op basis van de reacties uit deze consultatieronde en de inzichten uit de pilots.
Welke doelen en resultaten wil de VNG bereiken met ISA Gemeenten staan voor grote maatschappelijke opgaven: het als eerste overheid ruimtelijk mogelijk maken én verduurzamen van het wonen, het werken en de mobiliteit. Om deze opgaven te kunnen realiseren is toegang tot betaalbare energie een randvoorwaarde. Het energiesysteem verandert ingrijpend en er ontstaat een nieuwe dynamiek. Keuzes over het energiesysteem van de toekomst kunnen bepalend zijn voor de rol en invloed van de gemeente voor het faciliteren en mogelijk maken van wonen, werken en mobiliteit. Gemeenten ervaren dit nu bijvoorbeeld met de gevolgen van netcongestie. Met de ontwikkeling naar een meer integraal en meer decentraal energiesysteem ontstaat ook een nieuw sturings- en regievraagstuk; wie heeft bijvoorbeeld welke invloed op het energiesysteem van de toekomst en/of bepaalt hoe de beschikbare energie in de toekomst wordt verdeeld om wonen, werken en mobiliteit mogelijk te blijven maken. De Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda biedt de VNG de mogelijkheid om de positie, taken en verantwoordelijkheden van overheden, waaronder die van gemeenten, binnen dit veranderende energiesysteem goed te borgen. Binnen de ISA wordt het gesprek gevoerd over de verschillende belangenafwegingen en keuzes door de overheden die benodigd zijn om tot een meer integraal en meer decentraal energiesysteem te komen.
De publieke belangen zoals opgenomen in het Nationaal Plan Energiesyteem staan hierbij centraal: 1. Rechtvaardigheid 2. Betaalbaarheid 3. Betrouwbaarheid 4. Duurzaamheid
5. Leefomgevingskwaliteit 6. Participatie 7. Economische kracht 8. Veiligheid De acht publieke belangen zijn abstracte begrippen die betekenis krijgen in een onderlinge afweging bij concrete keuzes voor het toekomstig energiesysteem. Deze publieke belangen geven houvast bij invulling geven aan de wederkerigheid van afspraken en opgaven. Betekenis pilots en toepassing randvoorwaarden resolutie De pilots zijn een noodzakelijke eerste stap om te verkennen of de in het document geschetste werkwijze ook daadwerkelijk van toegevoegde waarde is voor de overheden en of deze stappen van energiebeeld, energieafspraak en gebiedsuitwerking ook uitvoerbaar zijn. Voor de VNG is het van belang dat de energiebeelden een gelijk speelveld creëren door transparantie en gelijke toegang tot data over de aanbodzijde én de vraagzijde van energie per modaliteit per sector. Voor de VNG is het van belang dat de energiebeelden een energetisch en ruimtelijk inzicht geven van de mogelijkheden om vraag en aanbod van energie in tijd en plaats bij elkaar te brengen. De energiebeelden zijn methodisch gelijk en op basis van transparante en gelijke aannames op alle schaalniveaus en tussen schaalniveaus. Dit moet bijdragen aan een gelijkwaardig speelveld en gelijkwaardig gesprek opleveren om keuzes te maken ten behoeve van het meer integrale en meer decentrale energiesysteem.
Het energiebeeld geeft inzicht in de opgaven waar de verschillende overheden voor staan om toegang tot energie voor wonen, werken en mobiliteit mogelijk te maken. Op basis van de energiebeelden kunnen energie-afspraken worden gemaakt. Deze afspraken gaan onder andere over wederzijdse inzet, keuzen en randvoorwaarden. Het bevat nadrukkelijk wederkerige voorwaarden om de opgave te kunnen uitvoeren. Pas na afronding en evaluatie van de pilots kan worden besloten óf, en zo ja op welke wijze, we verdergaan met het energiebeeld, energieafspraken en gebiedsuitwerking. Proces Het proces kent de volgende stappen: - Huidige situatie: consultatie van de achterbannen van de betrokken partijen - 19 november: ambtelijke consultatieronde VNG - 26 november: bestuurlijke consultatieronde VNG - 28 november: besluitvorming over resolutie in Najaars ALV - 10 december: Bestuurlijk Overleg Klimaat & Energie waarin ISA-partners de uitkomsten van de consultatie van hun achterbannen bespreken - Q1 2026: beoogde start van de pilots.
Uitwerking Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda Energiesysteem (ISA) – Consultatieversie 1. Inleiding 1.1 Achtergrond: Nederland en ons energiesysteem in transitie - Energie is cruciaal voor wonen, werken en vervoer. En daarmee een noodzakelijke randvoorwaarde voor de ontwikkeling van Nederland en de leefomgevingskwaliteit, gezondheid en veiligheid. - De transitie naar een betrouwbaar, duurzaam, toekomstbestendig energiesysteem is in volle gang. Dit systeem omvat het geheel van bronnen, infrastructuur, opslag en gebruikers op alle schaalniveaus en voor alle energiedragers. - Deze transitie wordt steeds meer zichtbaar en voelbaar in de leefomgeving. De uitrol van elektrisch laden versnelt, bedrijven willen verduurzamen en nieuwe woningbouwlocaties vragen om warmte en koeling. Ook energieproductie, -opslag en -transport vinden in toenemende mate decentraal plaats en kennen groter ruimtebeslag.
- Al deze initiatieven zijn cruciaal voor de voortgang van de transitie, maar maken tegelijk duidelijk dat afstemming en coördinatie steeds noodzakelijker worden: hoe zorgen we dat de optelsom van lokale (ruimtelijke) keuzes en investeringen uitmondt in één samenhangend energiesysteem? - Waar het Klimaatakkoord aanvankelijk werd vertaald in losse sectorale 2030 doelen (gebouwde omgeving, mobiliteit, elektriciteit, industrie en landbouw), wordt het steeds noodzakelijker om te werken aan één geïntegreerd energiesysteem met focus op 2050 en tussenjaren zoals 2035 en 2040. - Op nationaal niveau geven het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) richting aan deze (door)ontwikkeling van het energiesysteem. Deze richting vraagt om doorvertaling naar de decentrale ontwikkeling van het energiesysteem, in nauwe verbinding met de Nota Ruimte. De acht publieke belangen en vierentwintig ontwerpprincipes zoals geformuleerd in het NPE geven hiervoor houvast. - In de ‘Kamerbrief decentrale ontwikkeling energiesysteem’ (juni 2025) worden drie nationale hoofdkeuzes benoemd – waarbinnen nadrukkelijk ruimte is voor decentrale invulling: o Energetisch: vraag en aanbod op elke schaal zoveel mogelijk op elkaar afstemmen; o Ruimtelijk: het energiesysteem gebiedsgericht vormgeven, als integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening.
o Sociaal: regie vanuit een sociaal-maatschappelijke perspectief. - Dit gaat niet vanzelf. Het energiesysteem piept en kraakt: energieverbruik daalt onvoldoende, de uitrol van warmte, waterstof en groengas blijven achter en het elektriciteitsnet raakt op piekmomenten overbelast. - Dat leidt tot groeiende onzekerheid over waar, wanneer en voor wie welke vorm van energie beschikbaar is. De toegang tot energie staat onder druk en daardoor ontstaan verdelingsvraagstukken. - De transitie is meer dan een technisch-energetisch vraagstuk. Het is evenzeer een ruimtelijke en sociale opgave. Juist daarom wordt het steeds noodzakelijker om toe te bewegen naar een meer geïntegreerde aanpak, waarin nationale kaders en decentrale dynamiek elkaar versterken en samen één samenhangend energiesysteem vormen.
Uitwerking Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda – Consultatieversie - 29 september 2025 –
pagina 1
1.2 Transitie vereist doorontwikkeling samenwerking - De afgelopen jaren hebben Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en netbeheerders intensief met elkaar samengewerkt aan het energiesysteem. - Dit kende het Klimaatakkoord als vertrekpunt, en is aangevuld door actuele vraagstukken als netcongestie, weerbaarheid en energiearmoede. - De opgave vraagt om doorontwikkeling van de samenwerking en van bestaande producten: o Inhoudelijk opgaven worden vaak (te) verkokerd uitgewerkt, wat tot suboptimale maatschappelijke, ruimtelijke of energetische keuzes leidt. o Keuzes op alle schaalniveaus worden onvoldoende gemaakt. Mede doordat niet altijd duidelijk is wie voor welke keuze aan zet is. o Complexe knelpunten die de uitvoeringspraktijk belemmeren – zoals het financiële stelsel van het energiesysteem – worden onvoldoende opgepakt. - Dit inzicht vormde de basis van de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda (ISA) in december 2024, welke door alle ISA partners (Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en netbeheerders) wordt ondersteund. Dit document is het resultaat van de uitwerking van ISA.
1.3 Wat gaat ISA doen? - Doorgaan met inzet op energiebesparing, de reeds gemaakte afspraken op hernieuwbare energieproductie en het werken aan de warmteprogramma's, energievisies en pMIEKs. - Een hernieuwde interbestuurlijke samenwerking om energie, ruimte, economie en maatschappelijke vraagstukken meer te verbinden, voortbouwend op de bestaande producten en ervaringen. - Samen op daadkrachtigere, slimmere en meer integrale wijze bouwen aan het energiesysteem van de toekomst. - Deze afspraken geven grotendeels invulling aan de drie nationale hoofdkeuzes uit de ‘Kamerbrief decentrale ontwikkeling energiesysteem’. Onder meer de hoofdkeuze ‘regie sociaalmaatschappelijke perspectief’ verdient nog nadere uitwerking. ISA helpt daarbij door: - De energieopgave in beeld te brengen: Op elk schaalniveau inzicht krijgen over wat ons te doen staat. Met focus op de energieopgave, in samenhang met de ruimtelijke, economische en sociaal/maatschappelijke opgave. - Weloverwogen keuzes te maken en te faciliteren: Gezamenlijk gebiedsgericht uitwerken welke energievraag- en aanbod ontwikkelingen, energiebesparing en energieopslag gewenst zijn en keuzen hierover onder andere integraal onderdeel maken van ruimtelijk beleid.
Daarbij aandacht hebben voor schaarste verdeling van energie: welke energiedragers (elektriciteit, koolstof, waterstof, warmte) komen wanneer beschikbaar en kunnen onder welke voorwaarden voor wie worden ingezet? - Te werken aan integrale verbinding van het energiesysteem met ruimtelijke ordening: Energie is immers één van de randvoorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Dit omvat enerzijds het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen afhankelijk zijn van het energiesysteem en vice versa. Anderzijds betreft dit het toenemende ruimtebeslag van het energiesysteem zelf. - Rolduidelijkheid te scheppen: Verduidelijken hoe ISA partners met elkaar samen werken aan de opgave en keuzes maken. - Randvoorwaarden voor realisatie te verbeteren: Knelpunten uit de praktijk te doorbreken door samen te zoeken naar oplossingen en wederkerige afspraken te maken (inzet, financiële prikkels, normering en wet- en regelgeving). - Via het Nationaal Programma Energiesysteem (NP ES, werktitel) ondersteuning te bieden aan overheden en cruciale stakeholders. Diverse huidige nationale programma's gaan op in NP ES, wat een meer integraal karakter krijgt.
Uitwerking Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda – Consultatieversie - 29 september 2025 –
pagina 2
1.4 Wat doet ISA niet? - ISA dekt een breed pallet aan energiesysteem-zaken, maar gaat niet overal over. Zo introduceert ISA geen nieuwe energie- of klimaatdoelstellingen. Mogelijk leidt de beoogde werkwijze op termijn wel tot inzicht dat aanpassing of introductie van nieuwe doelstellingen nodig is. - Met ISA wordt een werkwijze gecreëerd waarin partijen samen werken aan de verbetering van randvoorwaarden voor realisatie en samen invulling geven aan de acht publieke belangen die in NPE benoemd worden. Dit document bevat niet deze aanpassingen, wel een beschrijving van de beoogde werkwijze. - ISA is geen vervanging van de uitwerking van sectorale en ruimtelijke plannen. Die blijven onverminderd nodig om tot een integrale afweging te komen.
Uitwerking Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda – Consultatieversie - 29 september 2025 –
pagina 3
2. Werkwijze ontwikkeling en realisatie van het toekomstig energiesysteem 2.1 Werkwijze – Op alle schalen werken aan het energiesysteem Inleiding werkwijze en opgave De ISA partners staan voor de opgave om de decentrale ontwikkeling van het energiesysteem van 2050 te realiseren door: - Energievraag en -aanbod zoveel mogelijk in balans te brengen. In tijd én ruimte. - Dat te doen in nauwe samenhang met de ruimtelijke, economische en sociaal/maatschappelijke opgave en daarmee de andere gezamenlijke opgaven zoals woningbouw. - Dit op elk schaalniveau invulling te geven. Op nationaal niveau onder meer in producten NPE en Nota Ruimte. Hoe dit op decentraal niveau gebeurt wordt in deze paragraaf beschreven. De uitwerking daarvan zal leiden tot nieuwe inzichten en input voor de Nota Ruimte en herijking van NPE. - Op elk schaalniveau werken partners keuzes uit die voor de ontwikkeling van het toekomstig energiesysteem nodig zijn. Daarbij rekening houdend met de publieke belangen en ontwerpprincipes zoals beschreven in het NPE. Dit leidt tot afspraken over hun gezamenlijk inzet. - Belangrijke stakeholders in gebieden worden gericht betrokken. Denk hierbij aan verschillende vormen van samenwerking en participatie met woningcorporaties, energiecoöperaties, warmtebedrijven, bedrijfsleven, inwoners en anderen.
- Basis van de beoogde werkwijze is het besef bij ISA partners van een gezamenlijke verantwoordelijkheid en onderlinge afhankelijkheid in de transitie. De ontwikkeling en realisatie van het energiesysteem vraagt om gezamenlijke uitwerking van de opgave, inzet van bevoegdheden om keuzen te bekrachtigen en het uitvoeren van benoemde acties met en door ISA partners en belangrijke stakeholders. De hieronder toegelichte werkwijze komt hieraan tegemoet.
Figuur: Schematische weergave werkwijze
De bovenstaande figuur visualiseert de beoogde werkwijze. Op hoofdlijnen: - Het maken van een Energiebeeld waarmee inzicht ontstaat in de opgave. - Het gezamenlijk in een gebied uitwerken van keuze opties, dit noemen we in deze ISA afspraak een gebiedsuitwerking. Dit bouwt voort op huidige plannen, producten en ervaringen vanuit provincies, gemeenten, waterschappen, RES- en de warmteregio's en het integraal programmeren. Uitwerking Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda – Consultatieversie - 29 september 2025 –