2025.406 Bijlage 1 - Ontwerp TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b, Molenweg 2, Bgm vd Havestraat 1 Oosterland - motivering (1579072)
Tekst van het document
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
26
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Beoordeling De locatie wordt ontsloten via de Molenweg en Burgemeester van der Havestraat. Dit zijn één van de belangrijkste ontsluitingswegen van de kern vanaf de Rijksweg. In het dorpscentrum geldt een maximumsnelheid van 30 km/ uur. Binnen de planlocatie zijn reeds geluidsgevoelige objecten aanwezig in de vorm van bedrijfswoningen.
De beoogde aanduiding van een bestaande bedrijfswoning en de functiewijziging van een deel van het bedrijfsperceel naar een woonfunctie heeft geen invloed op de akoestische situatie volgens de uitgangspunten van de Wet geluidhinder. De aanliggende dorpswegen hebben een relatief lage verkeersintensiteit. Als gevolg van de lage maximumsnelheid en de verkeersintensiteit is ter plaatse sprake van een goed woon- een leefklimaat. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor de beoogde functiewijziging ten aanzien van het milieuaspect geluid.
4.5
Flora en fauna
De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet door middel van de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De uitgangspunten van de Wet natuurbescherming waaronder het normenkader, de instrumenten en de verdeling van bevoegdheden zijn hierbij onveranderd gebleven. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een beoordelingskader opgenomen voor activiteiten die van invloed kunnen zijn op Natura 2000-gebieden, beschermde flora en fauna en houtopstanden. Voor de beoordeling van vergunningaanvragen zijn in het Bkl beoordelingsregels opgenomen. Op basis van artikel 5.1 eerste lid van de Omgevingswet dienen activiteiten met mogelijk significante gevolgen voor een natuurgebied op voorhand worden getoetst. Bescherming natuurgebieden Ruimtelijke ontwikkelingen dienen in het kader van de bescherming van de Europese vogelrichtlijnen habitatrichtlijngebieden aan te tonen dat ze geen significant negatieve effecten veroorzaken. Deze plantoets geldt ook voor ruimtelijke ingrepen die plaatsvinden in de omgeving van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft het Vogel- en habitatrichtlijngebied de Oosterschelde op ca 300m afstand ten zuiden van het besluitgebied (krekengebied Maire).
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
27
belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager te waarborgen dat de uitvoering van het plan geen nadelige gevolgen heeft voor beschermde soorten of natuurgebieden. De uitstoot van stikstof mag geen negatieve effecten hebben op soorten in beschermde Natura 2000- gebieden die gevoelig zijn voor verzuring. De meest nabij gelegen gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk zijn behalve het krekengebied Maire, de Rampertsedijk ten westen van de kern Oosterland op circa 600 meter afstand. Bescherming soorten Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op, in en om het plangebied aanwezige, beschermde soorten. Activiteiten die een schadelijk effect kunnen hebben op beschermde soorten zijn in principe verboden. In hoofdstuk 11 in het Bal zijn een viertal groepen handelingen aangewezen die mogelijk schadelijke gevolgen voor beschermde soorten kunnen hebben. Dit betreffen: 1. Handelingen die betrekking hebben op vogels en handelingen die op grond van de Vogelrichtlijn in beginsel zijn verboden; 2. Handelingen die betrekking hebben op andere dieren en planten van soorten die op grond van de Habitatrichtlijn in beginsel zijn verboden; 3.
Handelingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor niet-richtlijn soorten (‘nationale soorten’) en die niet onder het strikte soortenbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen; 4. Enkele specifiek benoemde vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten, waaronder het uitzetten van dieren. Voor veel voorkomende handelingen waarvoor een gedragscode opgesteld is, geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. Door te handelen volgens de gedragscode kan worden verzekerd dat wezenlijke schade aan soorten wordt voorkomen. De goedgekeurde gedragscodes worden aangewezen in de Omgevingsregeling. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn beoordelingsregels opgenomen voor de vier categorieën aan flora- en fauna-activiteiten. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Deze zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing.
Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Beoordeling In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als bedrijfsperceel met twee bedrijfswoningen, waarvan één onder overgangsrecht. De planlocatie bevindt zich niet binnen of aansluitend aan een beschermd natuurgebied. Met de nieuwe planologische status neemt de gebruiksintensiteit van het perceel niet toe. Er vindt in de beoogde situatie geen toename plaats van verkeersbewegingen. In de beoogde situatie zal het netto areaal van de bedrijfsfunctie (huidige bedrijfsbestemming) verminderen. De lange termijn planologische gebruiksmogelijkheden zullen daarmee minder intensief worden. Aan de Burgemeester van der Havestraat 1 kunnen geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer worden opgericht. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de kleine schaal van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
28
onder meer versnippering, verstoring en licht- en geluidseffecten uitgesloten. Op voorhand is duidelijk dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op omliggende natuurgebieden. Op basis van de aard en schaal van de ontwikkeling zullen er naar verwachting geen effecten op beschermde soorten optreden. Ten aller tijden geldt de algemene zorgplicht. Schade aan flora en fauna dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. In het algemeen geldt dat de uitvoering van werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats dient te vinden (ca half maart tot ca half juli). Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten of natuurgebieden in de omgeving. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.
4.6
Mobiliteit en parkeren
De verkeersveiligheid is primair geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. de Wegenverkeerswet). Deze regeling maakt geen onderdeel uit van de Omgevingswet. Door de toevoeging van een woning, zullen de behoefte en de verkeersintensiteit ter plaatse licht toenemen. Deze toename dient inpasbaar te zijn binnen de bestaande wegcapaciteit. Een nieuwe ontwikkeling mag eveneens niet leiden tot parkeeroverlast. Een uitbreiding aan activiteiten leidt ook tot een toename aan verkeersbewegingen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bij een nieuwe ontwikkeling tevens beoordeeld te worden of de toename van de verkeersstromen van de ontwikkeling inpasbaar is in de omgeving. De gemeente Schouwen- Duiveland heeft in 2018 het Parapluplan parkeernormen SchouwenDuiveland vastgesteld. Middels het parapluplan is bij het vestigen van een nieuwe functie de parkeernormering uit de nota ‘Parkeerbeleid 2017-2020’ van toepassing. Op basis van bovenstaande nota dient bij een nieuwe ontwikkeling aangetoond te worden dat op basis van de CROW- kencijfers parkeren (publicatie 381) op eigen perceel kan worden voldaan aan de parkeernormering. De parkeernorm voor het vestigen van een woning in het dure segment binnen de bebouwde kom bedraagt 2,2 parkeerplaats. Op zowel de Burgemeester van der Havestraat 1 als de Molenweg 2 zijn reeds woonfuncties aanwezig.
De parkeervraag blijft ongewijzigd ten opzichte van de uitgangssituatie. De beide deellocaties beschikken over een ruim perceel waarbinnen ook het bezoekersparkeren kan worden opgevangen. Er kan op eigen terrein ruimschoots invulling worden gegeven aan de parkeervraag van de woningen. De locatie wordt ontsloten door middel van een inrit ten noorden van de eerste bedrijfswoning aan de Molenweg 2 en een tweede inrit op de Burgemeester van der Havestraat. Via de inrit op de Burgemeester van der Havestraat worden ook in de nieuwe situatie zowel de reguliere woning als de bedrijfsgronden ontsloten. De Molenweg en de Burgemeester van der Havestraat zijn lokale ontsluitingswegen voor de kern met een beperkte verkeersintensiteit. Door de nieuwe planologische status van de woningen zal de verkeersintensiteit ter plaatse niet toenemen. De verkeersbewegingen door de beoogde functiewijziging en het voortzetten van het gebruik als bedrijfswoning zijn inpasbaar in het bestaande verkeersbeeld.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
29
Figuur 7
4.7
Ontsluiting en parkeren plangebied
Luchtkwaliteit
Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen. De overheid monitort de luchtkwaliteit binnen aangewezen aandachtsgebieden. Van de aandachtsgebieden gaat een externe werking uit. Ook activiteiten die kunnen leiden tot een verhoging van de omgevingswaarden in aandachtsgebieden moeten worden beoordeeld. In dergelijke gebieden is sprake van een hogere concentratie aan stikstofdioxide (CO2) of fijnstof (PM10). Als de gemeente een activiteit toelaat met een verkeersaantrekkende werking of waarvoor beoordelingsregels staan opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan moet op basis van artikel 5.51 van het Bkl worden getoetst of deze voldoet aan de omgevingswaarden. De beoordelingsregels voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor bepaalde plannen is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een plan minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg/ m3 voor zowel PM10 als NO2.
Beoordeling en conclusie De beoogde functiewijziging van een deel van een bedrijfsfunctie (huidige bedrijfsbestemming) naar een woonfunctie en het opnemen van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ voor een bedrijfswoning onder overgangsrecht, leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
30
4.8
Omgevingsveiligheid
Het uitgangspunt van het veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Bij nieuwe activiteiten dient de gemeente te beoordelen of er sprake is van een nieuwe risicobron of van een veiligheidsrisico ten opzichte van een bestaande risicobron. In afdeling 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen. In het omgevingsplan kan de gemeente ervoor kiezen om ruimte te reserveren voor aandachtsgebieden. Door middel van het aanwijzen van een aandachtsgebied, kunnen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen worden begrensd. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die een risicobron vormen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen categorieën van activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen via het Basisnet, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor onder meer de volgende milieubelastende activiteiten uit het Bal: -
Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik;
-
Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven; Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik.
Het plaatsgebonden risico, afgekort met PR, geeft de kans aan dat iemand die zich een jaar lang onafgebroken en onbeschermd op een plek bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR heeft geen relatie met de omgeving. Gemeenten dienen in het omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico op te nemen. De waarde van het plaatsgebonden risico wordt ruimtelijke vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. Binnen de contour van het plaatsgebonden risico zijn geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan. De hoogte van het groepsrisico hangt af van de kans op een ongeval, het effect van het ongeval, het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft en de mate waarin personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het gebied waarin in het kader van een nieuwe activiteit een andere afweging van het groepsrisico dient te worden gemaakt is ruimtelijk weergegeven door het toekennen van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Op basis van Bijlage VII onderdeel C zijn activiteiten opgenomen met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico.
Voor een brandaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand van 30 meter, voor een explosieaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand 200m ten opzichte van weg. Beoordeling Een burgerwoning is geen activiteit met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woonfunctie is binnen het externe veiligheidsbeleid aangemerkt als een gevoelige functie. Het oprichten van woningen binnen een beschermingszone (PR) is niet toegestaan. Binnen het plangebied zijn reeds woningen aanwezig. Dit gebruik verandert niet in de beoogde situatie. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen met een extern veiligheidsrisico. De meest nabij gelegen inrichting met een installatie waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt is een tankstation ter hoogte van de Rijksweg N59 op meer dan 300m afstand ten noorden van het plangebied. Deze afstand is voldoende groot. De installatie vormt geen beperking voor de ontwikkeling van het plangebied. Er bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt in de directe omgeving van het plangebied.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
31
Op een afstand van meer dan 400 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich de Rijksweg N59. Deze weg is opgenomen in het Basisnet. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze weg is echter beperkt. Voor de weg is geen externe plaatsgebonden risicocontour PR 10-6 vastgesteld. Het groepsrisicoplafond GR bedraagt 73m. Voor de weg geldt geen plasbrandaandachtsgebied. De afstand van het plangebied tot de weg is voldoende groot. Het maatgevende scenario voor een calamiteit op een transportroute betreft een incident waarbij een toxische wolk vrijkomt. Voor de bebouwing is aan te raden om deze te voorzien van mechanische en centraal afsluitbare ventilatie zodat wordt voorkomen dat giftige stoffen in de woning worden gezogen. Het plangebied is voldoende bereikbaar voor hulpdiensten via de aanliggende wegen. Conclusie De afstand van het plangebied tot omliggende activiteiten met een veiligheidsrisico is voldoende groot. De bewoners kunnen als voldoende zelfredzaam worden beschouwd en kunnen op eigen kracht de woning verlaten. Op basis van de regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving en het Omgevingsplan zullen voldoende veiligheidsmaatregelen getroffen worden in de vorm van rookmelders en blusmiddelen. De nieuwe woning zal voldoen aan alle voorschriften wat betreft brandveiligheid en ventilatie. Hiermee is de veiligheid van de bewoners gewaarborgd.
Aanvullende risico reducerende maatregelen zijn in het kader van de beoogde functiewijziging niet noodzakelijk. De veiligheidsparagraaf wordt voor advies en ter beoordeling aangeboden aan de veiligheidsregio.
4.9
Duurzaamheid
Algemeen Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. Deze zijn: de energietransitie: het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie; klimaatadaptatie: het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen; de overgang naar kringloopeconomie: gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen; Verbeteren van de biodiversiteit: door behoud en versterking van natuur en diersoorten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Energietransitie De Trias Energetica is een driestappen strategie om een energie ontwerp te maken. Deze drie stappen zijn: 1. Beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan; bijvoorbeeld een compacte gebouwvorm of door isolatie van de buitenschil (gevels, daken en vloeren). 2. Maak maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen; bijvoorbeeld door dak geschikt maken voor zonnepanelen (oriëntatie, constructie en dakvorm) 3.
Maak zo efficiënt mogelijk gebruik van (fossiele) energiebronnen om in de resterende energiebehoefte te voorzien; bijvoorbeeld door lage temperatuurverwarming, het beperken van leidinglengten van warmteleidingen en leidingweerstand van verwarmings- en ventilatiesystemen of het gebruik maken van een warmtepomp. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt eisen aan energiezuinigheid en duurzame energieopwekking van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Vergunningsaanvragen voor nieuwbouw moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
32
Het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie (Duurzame Energie ingepast) bevat het inpassings- en toetsingskader voor duurzame energieprojecten. Uitgangspunt is dat de bij de inpassing van hernieuwbare energie de huidige kwaliteit van het landschap niet mag worden aangetast. In het beleid is per gebiedsprofiel aangegeven wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen van duurzame energie. Voor zonne-energie is de zonneladder van Schouwen-Duiveland leidend. Bij grootschalige duurzame energieprojecten landschappelijke inpassing en veiligheid.
zijn
er
eisen
opgesteld
voor
participatie,
In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas bij nieuwbouw bij kleinverbruikersaansluitingen geschrapt. Om het elektriciteitsnet te ontlasten willen we bij de bouw van meerdere woningen onderzoeken naar collectieve aardgasvrije opties (miniwarmtenetten). Voor grootverbruikers (hoger dan 50.000 kWh en 25.000 m3 gas) is er een energiebesparingsplicht en informatieplicht. Kantoren groter dan 100 m2 moeten voldoen een minimaal energielabel C hebben. De richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD III) verplicht om laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen aan te leggen bij nieuwbouw, bij ingrijpende renovaties of bij bestaande grotere gebouwen, ook als deze niet worden verbouwd. Nederland heeft deze vastgelegd in het Besluit Bouwerken Leefomgeving (BBL). Bij recreatieve ontwikkelingen geldt de duurzaamheidsstaffel uit de Agenda Toerisme. In deze duurzaamheidsstaffel is opgenomen dat bij uitbreiding van recreatie met meer dan 15% voldaan moet worden aan energieneutraliteit en circulariteit. Circulaire economie In het kader van het Zeeuws Beleid Circulaire Economie zullen circulaire prestatie-eisen worden opgesteld voor nieuwbouw zoals percentage circulair materiaal, biobased materialen, losmaakbaarheidsindex en materialenpaspoort.
Uitgangspunt hierbij zijn de circulaire ontwerpprincipes zoals: Bedenk of het echt noodzakelijk is om het gebouw te bouwen of dat het probleem met -
bijvoorbeeld betere doorstroom al op te lossen valt; Bouw kleiner en passender met minder inhoud, materiaal en ruimtegebruik; Benut bestaande materialen uit sloop van andere bouwwerken;
-
Gebruik materialen met een zo laag mogelijke milieu-impact, zoals hernieuwbare of biobased materialen;
-
Zorg dat een gebouw aan te passen is als het van functie verandert, door bijvoorbeeld modulair te bouwen; Zorg dat een gebouw lang mee kan: neem esthetische zaken mee, maar ook langdurig en
-
circulair onderhoud; Zorg dat de materialen uit een gebouw hergebruikt kunnen worden. Losmaakbaarheid geeft aan in hoeverre producten aan elkaar bevestigd zijn, zoek bijvoorbeeld alternatieven voor kit en lijm en maak een materialenpaspoort.
In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) is opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. Bij recreatieve ontwikkelingen is de duurzaamheidsstaffel uit Agenda Toerisme van toepassing.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
33
Klimaatadaptatie Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de klimaatbestendigheid en waterrobuustheid van Schouwen-Duiveland en moeten wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingen voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt de Landelijke Maatlat Klimaatadaptatie toegepast met normen en richtlijnen voor Nieuwbouw. De voorkeursvolgorde voor wateroverlast en droogte vanuit de Landelijke Maatlat is: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren. De voorkeursvolgorde voor hittestress is: koele omgeving, warmte weren, passief koelen, actief koelen. Naast de landelijke maatlat is er ook een atlas met klimaatlabels waarin te zien is hoe de situatie precies is per locatie. Belangrijke aandachtspunten zijn: Voorkomen van wateroverlast: Voldoende ruimte voor wateropvang; toepassen van weinig -
verharding; watertoets; Voorkomen van droogte: Opvang en hergebruik van hemelwater; percentage tuin wat verhard mag worden; vergroenen en ontharden; brandveiligheid. Voorkomen van hittestress: Plaatsen van een overstek of beplanting; toevoegen van groen Voorkomen van overstromingen: Niet buitendijks bouwen; zorgen voor vluchtroutes bij overstromingen.
Biodiversiteit De Wet natuurbescherming beschermt de biodiversiteit. De wet moet ervoor zorgen dat de soortenrijkdom van planten en dieren in de natuur blijft bestaan en dat kwetsbare soorten niet verdwijnen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat er natuur inclusief wordt gebouwd wat betekent dat er o.a. onderzocht wordt of er extra nestgelegenheid voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen kan worden gecreëerd. Gezondheid Overheden maken bij de besluitvorming in een zo vroeg mogelijk stadium een afweging over een gezonde fysieke leefomgeving. Dit is ook een van de doelstellingen van de Omgevingswet (zie onder meer artikel 1.3 Omgevingswet). In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet is opgenomen dat het bevoegd gezag in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houdt met het beschermen van de gezondheid. De gezondheidsambities komen op verschillende manieren terug in het omgevingsbeleid. Bij een besluit over een omgevingsvergunning worden in ieder geval de voorschriften uit het Besluit kwaliteit leefomgeving getoetst. Overheden kunnen eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Op basis van de omgevingsvisie wordt rekening gehouden met de milieubeginselen zoals het voorzorgprincipe, preventief handelen, bronbestrijding en de vervuiler betaalt. Deze uitgangspunten zijn overgenomen in de Omgevingswet.
Een groene omgeving kan in positieve zin bijdragen aan een goede gezondheid van inwoners en bedrijvigheid kan zorgen voor geluidsoverlast. Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn gezondheidsstimulerende aspecten verweven in onder meer het ruimtelijkeordeningsbeleid en specifiek binnen de gemeentelijke landschappelijke verevening.
beleidsregels
over
hydrologisch
neutraal
bouwen
en
Beoordeling Bij de bouw van de woning wordt aangesloten bij de actuele duurzaamheidsregels voor nieuwbouw. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. De nieuwe woning wordt gasloos en goed geïsoleerd gerealiseerd. Uit de nationale Klimaateffectatlas blijkt dat de omgeving gevoelig is voor wateroverlast bij een hevige bui. Hemelwater dat op oppervlakteverharding valt, kan niet infiltreren en stroomt vervolgens versneld af naar omliggende gronden. In de bebouwde
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
34
omgeving blijft warmte langer hangen, waardoor de gevoelstemperatuur hoger ligt. Volgens de Klimaateffectatlas zal de gevoelstemperatuur als gevolg van het hitte eiland effect ter plaatse circa 0,2 tot 0,4 graden hoger liggen. De sociale kwetsbaarheid voor hitte wordt ter plaatse ingeschat als matig. Met het uit het overgangsrecht halen van het gebruik van de bedrijfswoning aan de Molenweg 2 vindt geen verandering plaats van het areaal aan verhard oppervlak dat binnen het perceel aanwezig is. De bestaande bebouwing aan de Burgemeester van der Havestraat 1 zal worden gesloopt er wordt een nieuwe woning opgericht. De nieuwe bebouwing zal voldoen aan alle actuele duurzaamheidsdoelstellingen wat betreft onder meer energieneutraal bouwen. De technische uitvoeringsaspecten (waaronder de materialisering en toepassing van technieken) zullen verder worden uitgewerkt in de technische vergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen. Er verdwijnt geen open water door de ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling is kleinschalig en heeft geen effect op de waterhuishouding in het gebied. In de uitgangssituatie is een groene tuin aanwezig. Dit blijft ook in de nieuwe situatie het geval. Beplanting zorgt voor schaduw, heeft een verkoelend effect en kan een deel van een teveel aan water opnemen.
In de tuin is voldoende ruimte voor het opzetten van een parasol bij zonnig weer om hittestress te kunnen voorkomen. Afstromend hemelwater van de woning kan deels worden opgevangen en hergebruikt als gietwater voor de tuin. Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater. Het overtollige hemelwater infiltreert deels in de tuin en vloeit deels af via straatkolkjes zoals dat ook in de huidige situatie het geval is. Zie tevens paragraaf 4.11. Conclusie De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de duurzaamheidsdoelstellingen.
4.10 MER-beoordeling Bij een beoordeling van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 - 11.8 van het Omgevingsbesluit, ook inzichtelijk gemaakt te worden of er aanzienlijke nadelige effecten voor het milieu kunnen optreden (zoals bedoeld in artikel 16.43, tweede lid Omgevingswet). Voor een activiteit die voldoet aan kolom 3 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit kan een plan- mer-beoordeling worden uitgevoerd in de vergunningprocedure. Beoordeling Onderliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de functiewijziging van een deel van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie alsmede het repareren van de planologische regeling om deze weer in overeenstemming te brengen met het toegestane lange termijn gebruik van een onder overgangsrecht geplaatste bedrijfswoning. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie J11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Omgevingsbesluit. Voor dergelijke activiteiten is een m.e.r.-beoordeling van toepassing. Binnen het besluitgebied zijn in de uitgangssituatie reeds twee bedrijfswoningen aanwezig. Er is geen sprake van een netto toevoeging van woningen.
De activiteit blijft qua omvang en oppervlakte ver onder de drempelwaarden. Er is derhalve geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.. Om de milieugevolgen ten gevolge van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk. Door middel van de toetsing van de diverse milieuaspecten van deze toelichting heeft een m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
35
Conclusie De conclusie is dat geen milieueffectbeoordeling behoeft te worden opgesteld. Gelet op de kenmerken van de activiteit is het Besluit m.e.r. niet van toepassing.
4.11 Water De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en werkt door in de ruimtelijke ordening. De waterwet is per 1 januari 2024 grotendeels opgegaan in de omgevingswet. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Algemene leidende principes binnen de waterwetgeving met betrekking tot waterkwantiteit en waterkwaliteit zijn: Waterkwantiteit: Stap 1- voorkomen van hemelwaterafvoer (vasthouden); Stap 2- benutten of infiltreren van hemelwater (bergen); Stap 3- vertraagd afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater (afvoeren). Waterkwaliteit: Stap 1- Voorkomen Stap 2- Scheiden Stap 3- zuiveren Onder de Omgevingswet krijgt elk waterschap van rechtswege een Waterschapsverordening. In het tijdelijke deel van de Waterschapsverordening staat onder meer de regels uit de Legger over de beschermingszones van waterstaatswerken, regels uit de Keur en de aansluitverordening (artikel 4.7 invoeringswet). De regels over onderhoud vallen niet onder de Waterschapsverordening, maar blijven op basis van de Waterschapswet gelden. In artikel 5.37 Bkl is opgenomen dat er in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.
Naast de specifieke regels in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem, zijn ook de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en de Waterschapsverordening van toepassing. In artikel 5.38 tot n met 5.49 Bkl zijn rijksregels opgenomen met betrekking tot: Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. De gemeente heeft beleidsvrijheid in het invullen van de watertoets. Het plangebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen. Het Waterschapsbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • Waarborgen van waterveiligheid; • Zorgen voor mooi en schoon water; • •
Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving;
• •
Verduurzaming van het watergebruik; Onderhoud van waterschapswegen.
De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
36
redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen. De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater. Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. Hiervoor is een aanmeldformulier watertoets opgesteld. Het aanmeldformulier voor de planlocatie is opgenomen in bijlage 3. Veiligheid waterkeringen Het plangebied bevindt zich volgens de Waterschapsverordening niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Er is geen effect op de waterveiligheid.
Figuur 8
Uitsnede Legger waterkeringen 2022
Voorkomen van overlast door oppervlaktewater In de huidige situatie is ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten aan de Molenweg 2 bebouwing en terreinverharding aanwezig met een oppervlakte van circa 2315 m2. Het voor de lange termijn voortzetten van het gebruik van een bestaande bedrijfswoning vindt plaats op basis van bestaande verharding en bebouwing. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Aan de Burgemeester van der Havestraat 1 is bebouwing (ca 100m2) en verharding (ca 150m2) aanwezig in de vorm van een woning met bijgebouwen en een inrit. De woning ligt op een ruim perceel met een oppervlak van circa 1275m2. Om de woning ligt een onverharde tuin. Het areaal verharding binnen dit perceel bedraagt circa 250 m2. In de nieuwe situatie wordt een nieuwe woning
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
37
opgericht met een bebouwingsoppervlak van ca 200m2. Als gevolg van de beoogde sloop en herbouw van de woning neemt het verhard oppervlak toe met circa 100 m2. De toename aan verhard oppervlak is beperkt. Er verdwijnt geen open water door de functiewijziging. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater Het schone hemelwater wordt gescheiden van het huishoudelijk afvalwater en infiltreert deels ter plaatse van de tuin. Het overtollig hemelwater dat op de terreinverharding valt vloeit af via straatkolkjes. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van opvang in regentonnen. Het afvalwater wordt via de bestaande aansluitingen afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelsel. Deze situatie verandert niet als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. Er is sprake van een hydrologisch neutrale situatie. Het overtollige regenwater infiltreert ter plaatse zoals in de bestaande situatie het geval is. Grondwaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen effecten op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Tijdens de bouw wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet uitlogende materialen. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit.
Volksgezondheid De wijziging van de planologische regeling van 2 (bedrijfs)woningen heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen verandering plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur In de nieuwe situatie is sprake van een extensivering van het gebruik van het perceel doordat de bestaande bedrijfsmatige activiteiten worden beëindigd. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderhoud oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen watergangen die worden beschermd op grond van de Keur en de bijbehorende legger oppervlaktewateren. Belangen waterbeheerder Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
38
Figuur 9
Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen 2022
Conclusie De beoogde functiewijziging van een deel van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie en het in overeenstemming brengen van de planologische regeling met het toegestane bestaande gebruik van een bedrijfswoning is een kleinschalige ontwikkeling en heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hergebruik van hemelwater bij woningen kan beperkt plaatsvinden door middel van gietwater voor de tuin. Het vuile water wordt afgevoerd via het gemeentelijke rioolstelsel. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de planontwikkeling uitgevoerde watertoets wordt voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
39
5.
OPZET OMGEVINGSPLAN
5.1
Procedure
De beoogde ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Onderliggende omgevingsplanwijziging heeft de opzet van het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) zoals deze op basis van Wet ruimtelijke ordening vóór 1 januari 2024 werd toegepast. Op basis van overgangsrecht onder de Omgevingswet kan via een tijdelijke alternatieve maatregel aangesloten worden bij deze IMRO-codering. Voor het wijzigen van het omgevingsplan is op basis van artikel 16.30 lid 1 de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals opgenomen in afdeling 3.4 Awb van toepassing.
5.2
Toedeling van functies
In de beoogde situatie worden de volgende functies toegekend. Functie ‘Bedrijf’ Het plangebied aan de Molenweg 2 behoudt in de nieuwe situatie zijn bedrijfsfunctie (thans bedrijfsbestemming). De bouw- en gebruiksregels die thans voor het bedrijf van toepassing zijn, inclusief de voor het perceel opgenomen aanduidingen, blijven voor de Molenweg 2 ongewijzigd. Ter hoogte van de bedrijfswoning wordt de aanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen. Hiermee worden de reguliere bouw- en gebruiksvoorschriften voor de bestaande bedrijfswoning ter plaatse weer van toepassing in plaats van het huidige overgangsrecht. Functie ‘Wonen’ Als gevolg van onderhavige planologische procedure wijzigt de huidige bedrijfsfunctie ter hoogte van de Burgemeester van der Havestraat 1 in een reguliere woonfunctie. De aanduiding ‘bedrijfswoning’ komt te vervallen. Binnen de woonfunctie is uitsluitend een vrijstaande woning toegestaan. Binnen dit perceel gelden de bouw- en gebruiksregels voor een reguliere woonfunctie overeenkomstig artikel 18 van het geldende bestemmingsplan ‘Nieuwerkerk en Oosterland’. Naast de woonfunctie zijn in beperkte mate nevenactiviteiten aan huis zoals een kleinschalige B&B toegestaan.
‘Waarde- Archeologie- 5’ en ‘Waarde- Archeologie- 7’ Ten behoeve van de bescherming van potentieel aanwezige archeologische waarden in de ondergrond bij bodemingrepen blijft de planologische bescherming van archeologische waarden gehandhaafd. Vrijwaringszone-Molenbiotoop Ter bescherming van de windvang van de molen aan de Molenweg, gelden ter hoogte van de als zodanig aangeduide molenbiotoop bouwbeperkingen.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
40
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Behalve de ruimtelijke en milieukundige uitvoerbaarheid, dient tevens de financieel-economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling inzichtelijk te worden gemaakt. Wanneer een ruimtelijk besluit een bouwplan mogelijk maakt, dient voldoende aannemelijk te worden gemaakt dat het geen onuitvoerbaar plan betreft. Indien een project alleen kan worden gerealiseerd indien hiervoor belangrijke gemeentelijke voorinvesteringen noodzakelijk zijn, dan dient de dekking van deze investeringen en de opzet van het kostenverhaal. De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Onderstaande bouwactiviteiten zijn aangewezen als kostenverhaalplichtig (artikel 8.13 Omgevingsbesluit): -
De bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; De bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;
-
De uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; De bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte; De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan
-
-
een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of De verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m² bedraagt.
Onderhavige ontwikkeling maakt het gebruik van een deel van een bedrijfsperceel als woonperceel mogelijk alsmede het voortzetten van het bestaande gebruik van een bedrijfswoning. Het betreft hier een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Alle (voorbereiding)kosten (zoals plankosten, onderzoeken en procedures, inclusief gemeentelijke begeleiding) zijn voor rekening van initiatiefnemer. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer zal een anterieure overeenkomst worden gesloten. De ontwikkeling is niet kostenverhaalplichtig, wel wordt er een overeenkomst gesloten voor nadeelcompensatie (conform artikel 13.3c Omgevingswet). Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele planschade niet voor rekening van de gemeente is, maar wordt verhaald op de initiatiefnemer. De gronden zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Het plan is hiermee economisch uitvoerbaar. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De aanvraagvereisten voor participatie zijn vastgelegd in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. De gemeenteraad stelt een lijst op met gevallen waarbij participatie verplicht wordt gesteld. Tevens wordt er door de gemeenteraad een lijst opgesteld met gevallen waarvoor bindend advies of instemming van de raad noodzakelijk is.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
41
6.2.1 Omgevingsdialoog De direct omwonenden zijn bekend met het initiatief. Gezien de aard en beperkte schaal van de ontwikkeling is er geen reden om aan te nemen dat er onvoldoende draagvlak zou zijn voor de ontwikkeling. 6.2.2 Adviesrecht Ingeval er sprake is van een bindend adviesrecht van de raad, wordt het college geacht de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (ex artikel 3.4 Algemene wet bestuursrecht) toe te passen. De beoogde functiewijziging van een deel van een bedrijfsbestemming naar een woonfunctie en het actualiseren van de planologische regeling om bestaand gebruik weer rechtstreeks te bestemmen, is niet aangemerkt als ontwikkeling waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een bindend advies gevraagd moet worden aan de raad. 6.2.3 Resultaten vooroverleg Het ontwerpbesluit met de bijbehorende bijlagen zal worden voorgelegd aan de Provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio Zeeland. De reacties worden aanvullend opgenomen in het omgevingsplan. 6.2.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure De beoogde ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Onderliggende omgevingsplanwijziging heeft de opzet van het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO) zoals deze op basis van Wet ruimtelijke ordening vóór 1 januari 2024 werd toegepast.
Op basis van overgangsrecht onder de Omgevingswet kan via een tijdelijke alternatieve maatregel aangesloten worden bij deze IMRO-codering. Voor het wijzigen van het omgevingsplan is op basis van artikel 16.30 lid 1 de uniforme openbare voorbereidingsprocedure zoals opgenomen in afdeling 3.4 Awb van toepassing. Op basis van deze procedure zal het ontwerpbesluit voor eenieder ter inzage worden gelegd en worden de resultaten van de terinzagelegging in een volgende versie van de toelichting gewogen en verwerkt. PM
6.3
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Voor zover een ontwikkeling toeziet op een wijziging van het omgevingsplan wordt medewerking alleen verleend indien er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet. In samenhang hiermee worden in een besluit ook de instructieregels over het omgevingsplan betrokken zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van het Bkl en in de omgevingsverordening. Om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving voor zover deze betrekking hebben op de gevraagde activiteit, beoordeeld en indien noodzakelijk nader onderzocht. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de hoofdstukken 2, 3 en 4. Op het perceel aan de Molenweg 2 in de uitgangssituatie reeds een historische kop-rompboerderij met bijbehorende bedrijfsbebouwing van het gevestigde agrarische loonwerkbedrijf aanwezig. Aan de Burgemeester van der Havestraat 1 bevindt zich een tweede bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken. De woning aan de Burgemeester van der Havestraat maakt in planologisch opzicht onderdeel uit van het loonwerkbedrijf en wordt in de praktijk gebruikt voor woondoeleinden. De bedrijfswoning aan de Molenweg is niet als zodanig aangeduid en daarmee onbedoeld onder overgangsrecht geplaatst.
In de beoogde situatie wordt de woning aan de Burgemeester van der Havestraat 1 gesloopt en opnieuw gebouwd. In de beoogde situatie wordt de planologische regeling
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
42
in overeenstemming gebracht met het huidige gebruik als reguliere woonfunctie. Tevens wordt het gebruik van de bedrijfswoning aan de Molenweg 2 weer rechtstreeks toegestaan. Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom, binnen het dorpscentrum van Oosterland. In de directe omgeving zijn woonfuncties en kleinschalige aan het dorpscentrum gerelateerde functies gevestigd. De beoogde ontwikkeling is in aard en omvang zeer kleinschalig. De beoogde functieverandering en herontwikkeling van een woning in een woonomgeving en het in overeenstemming brengen van de planologische regeling met het toegestane gebruik van een bedrijfswoning, leidt niet tot een belemmering voor omliggende functies. Zie tevens hoofdstuk 4. Uit onderliggende toelichting blijkt dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een kleinschalige activiteit die aansluit bij het karakter en de functies in de omgeving. De beoogde ontwikkeling past binnen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
43
7.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
7.1
Keuze instrument TAM-Omgevingsplan
Op dit moment is het wijzigen van het omgevingsplan Schouwen-Duiveland nog niet mogelijk. De voorbereidingen voor dergelijke wijzigingen lopen, maar kunnen momenteel nog niet worden uitgerold. Daarom wordt gebruik gemaakt van de tijdelijk alternatieve maatregelen in de vorm van een TAM-Omgevingsplan. Daarmee wordt op de technische (oude) leest van bestemmingsplannen het omgevingsplan gewijzigd. Gebruik wordt gemaakt van het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO). Een TAM-Omgevingsplan bestaat uit een regelset met bijbehorende verbeelding en een inhoudelijke motivering van het plan. De inhoudelijke motivering betreft dit document. Dit TAM-Omgevingsplan betreft een los hoofdstuk ‘22b’ die na vaststelling deel uitmaakt van het Omgevingsplan Schouwen-Duiveland.
7.2
Regels en verbeelding
Voor het opstellen van regels en een verbeelding voor een TAM-Omgevingsplan heeft de gemeente een concept handboek opgesteld. Deze is als basis gebruikt voor het opstellen van de regelset voor het voorliggende plan, maar op onderdelen is er wel afgeweken voor een betere leesbaarheid van de regels. In dit TAM-Omgevingsplan zijn gebruiks-, bouw-, aanleg-, en sloopactiviteiten opgenomen. Het plangebied kent de gebruiksactiviteiten ‘Wonen’ en ‘Bedrijf’. Binnen de gebruiksactiviteit ‘Wonen’ zijn de gebruikelijke nevenactiviteiten zoals een bed & breakfast en beroep of bedrijf aan huis daarbij ook onder voorwaarden toegestaan. De bouwactiviteiten bestaan uit het bouwen van een hoofdgebouw, het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen en het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde. Binnen de gebruiksactiviteit ‘Bedrijf’ zijn de activiteiten van een agrarisch loonbedrijf toegestaan en de bedrijfsactiviteiten voor zover deze voorkomen in categorie 1 van de bij de bestemmingsplanregels horende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Ter hoogte van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is het gebruik van bebouwing als bedrijfswoning toegestaan.
De bouwactiviteiten bestaan uit het bouwen van gebouwen en bouwwerken ten behoeve van de gevestigde bedrijfsactiviteit waaronder bedrijfsgebouwen, overkappingen, nutsvoorzieningen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning. Conform het archeologiebeleid zijn er regels opgenomen ter bescherming van het archeologisch erfgoed. Deze regels betreffen gedeeltelijk bouwregels, maar vallen ook onder de aanleg- en sloopactiviteiten. Ter bescherming van de windvang van de molen aan de Molenweg, gelden ter hoogte van de als zodanig aangeduide molenbiotoop bouwbeperkingen.
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
44
BIJLAGEN 1.
Inrichtingstekening nieuwe situatie Erik van den Bos Architect D.d. Maart 2022
2.
Rapportage verkennend en aanvullend bodemonderzoek MCG Zuidwest BV D.d. April 2023
3.
Aanmeldformulier watertoets
Toelichting - Molenweg 2- Burgemeester van der Havestraat 1- Oosterland
45
Bijlagen bij de toelichting
51
Bijlage 1
52
Inrichtingstekening
SCHETSONTWERP Onderwerp: Nieuwbouw van een woning Molenweg 2A, 4307 AJ Oosterland Opdrachtgever: Fam. Dorst Molenweg 2 4307 AJ Oosterland
Datum: 29 maart 2022
situatie schaal 1:500
0 38 11
80 8 16
vlakken bestaande te slopen woning+garage
0 38 14
contour nieuwe bebouwing
gehele perceel in eigendom aanvrager planvorming is in verband met bedrijfsovername. De zoon van de aanvrager zal het ouderlijk huis gaan bewonen. Ouders zullen verhuizen naar nieuw te bouwen woning bestaande bebouwing ongewijzigd
schematische doorsnede
begane grond
7290
1500
1e verdieping
3100
2296
2300
schaal 1:50
Plattegronden schaal 1:100
12500 4760
7740
4380
4000
11740
3620
3000
veranda
toilet
badkamer
plat dak
hal/entree
slapen 02
overloop
slapen 03
wonen
7100
bijkeuken
3000
11740
plat dak
4000 4760
12120
4760
4270
7850
8380
10620
inloopkast
badkamer
eten
11380
6320
slapen
Gevelbeelden schaal 1:100 Boeiboorden wit
Dakpan woning, natuurrood
gemetselde plint
Linkerzijgevel
Tuingevel
zweeds rabat
Rechterzijgevel
Achtergevel
3d view 01
3d view 01
3d view 01
3d view 01
Bijlage 2
62
Bodemonderzoek
VERKENNEND- EN AANVULLEND BODEMONDERZOEK
Molenweg 2a Oosterland
MCG Zuidwest B.V. Schouwersweg 9 4451 HS Heinkenszand T: 0113 567 926 I: www.mcgzuidwest.nl E: info@mcgzuidwest.nl
Opdrachtgever
Erik van den Bos Architect B.V. Kerkhof 8 4301 EP Zierikzee
Projectnummer Status Versie Datum Projectleider Controle
23MCG068.10 Definitief 01 17 april 2023 Mevr. E.D. Postma Dhr. M. Kwast
INHOUD 1
INLEIDING
3
1.1
Aanleiding en doel
3
1.2
Kwaliteit
3
1.3
Betrouwbaarheid
3
2
VOORONDERZOEK
5
2.1
Bodemgebruik
5
2.2
Terreinverkenning
5
2.3
Boomgaardenkaart
5
2.4
Bodemkwaliteitskaart
5
2.5
Eerdere onderzoeken
5
2.6
Conclusie vooronderzoek
6
2.7
Onderzoeksstrategie
6
3
VERRICHTE WERKZAAMHEDEN
7
3.1
Veldwerkzaamheden verkennend bodemonderzoek
7
3.2
Veldwerkzaamheden aanvullend bodemonderzoek
7
3.2
Laboratoriumonderzoek
8
4
RESULTATEN
10
4.1
Toetsingskader
10
4.2
Toetsing
10
5
CONCLUSIES EN ADVIES
12
5.1
Conclusies
12
5.2
Advies
12
BIJLAGEN 1: Kadastrale situatie 2: Situatietekening 3: Foto9s 4: Profielbeschrijvingen 5: Analyseresultaten 6: Toetsingsresultaten
2
23MCG068.10
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel In opdracht van Erik van den Bos Architect B.V. heeft MCG Zuidwest B.V. in maart 2023 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek volgens de NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van Molenweg 2 te Oosterland. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Duiveland, sectie B, nummers 690 en 691, zie Bijlage 1. Aanleiding voor het verkennend bodemonderzoek is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de geplande nieuwbouw van een woning en geplande bestemmingswijziging naar wonen. Aanleiding voor het aanvullend bodemonderzoek is de tijdens het verkennend bodemonderzoek aangetroffen sterke verontreiniging (overschrijding interventiewaarde) met minerale olie ter plaatse van de voorgenomen nieuwbouwlocatie. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de omgevingsvergunning en bestemmingswijziging. Doel van het aanvullend bodemonderzoek is het in kaart brengen van de omvang van de aangetroffen verontreiniging in zowel de grond als en grondwater.
1.2
Kwaliteit Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000: veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek. De volgende onderliggende protocollen zijn van toepassing: - Protocol 2001: plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen; - Protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters. Het procescertificaat van MCG Zuidwest B.V. en het daarbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. De analyses zijn uitgevoerd door een geaccrediteerd laboratorium. De analyseresultaten zijn getoetst aan de Circulaire bodemsanering d.d. 2013. De onderzochte locatie is niet in eigendom van MCG Zuidwest B.V. of gerelateerde zusterbedrijven. Hierdoor is de wettelijk voorgeschreven functiescheiding geborgd.
1.3
Betrouwbaarheid Het onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. MCG Zuidwest B.V. streeft bij elk onderzoek naar een optimale representativiteit. Het onderzoek is echter gebaseerd op een beperkt aantal boringen/gaten en monsters. Hierdoor blijft het mogelijk dat plaatselijke afwijkingen in de samenstelling van de bodem en/of puinlaag aanwezig zijn welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. MCG Zuidwest B.V. is niet aansprakelijk voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard ook. Ondanks dit onderzoek kan achteraf aanvullende verontreiniging worden geconstateerd (restrisico). Daarom dient bij sloop- en bouwactiviteiten en bij grondwerkzaamheden steeds aandacht gegeven te worden aan afwijkende kenmerken van de bodem zoals een afwijkende kleur, geur, bijmenging en onbekende obstakels zoals leidingwerken, putten en puinlagen. Tevens wordt erop gewezen dat dit onderzoek een momentopname is. De bodem en/of puinlaag kan na het onderzoek van kwaliteit veranderen door bijvoorbeeld een calamiteit of aanvoer van grond. Om de aanvoer van verontreinigde grond te voorkomen, dient de leverancier van de grond en/of het ophoogzand een certificaat te overleggen van de herkomst en van de chemische kwaliteit van het materiaal. 3
23MCG068.10
In algemene zin wordt gesteld dat ongedefinieerd puin en funderingspuin waarvan de herkomst en tijdstip van productie en toepassing niet bekend is, verdacht zijn voor asbest, tenzij het materiaal is toegepast voor of nadat grootschalig met asbest werd gewerkt, of een asbestonderzoek conform de NEN 5707 en/of NEN 5897 is uitgevoerd.
4
23MCG068.10
2
VOORONDERZOEK Voor het vooronderzoek volgens de NEN 5725 is gebruik gemaakt van gegevens verkregen uit: - kadastrale, topografische en historische kaarten; - een terreinverkenning; - Bodemkwaliteitskaart en boomgaardenkaart provincie Zeeland; - Bodemloket; - nazca-i provincie Zeeland; - eerder onderzoek; - informatie van de opdrachtgever.
2.1
Bodemgebruik De onderzoekslocatie is gelegen binnen de contouren van de historische kern van Oosterland. Uit historisch kaartmateriaal is op te maken dat de onderzoekslocatie al sinds voor 1900 bebouwd is geweest. Voor zover bekend zijn op de onderzoekslocatie geen voormalige stortplaatsen aanwezig geweest. Uit het historisch kaartmateriaal blijken geen aanwijzingen dat in het verleden veranderingen op de locatie hebben plaatsgevonden die invloed kunnen hebben op de bodemkwaliteit. Op de onderzoekslocatie is in het verleden een autosloopbedrijf geregistreerd geweest. Tevens is er een dieselopslag installatie aanwezig met een inhoud van 2.500 liter. De betreffende installatie is op 31 oktober 2016 geïnstalleerd.
2.2
Terreinverkenning Uit de terreinverkenning die is uitgevoerd voorafgaand aan het veldwerk blijkt dat het maaiveld grotendeels is verhard met klinkers en tegels. Ter plaatse van de dieselinstallatie is het maaiveld verhard met vloeistofkerend beton. Het noordoostelijke deel van de onderzoekslocatie bestaat grotendeels uit een wei. Overige verdachte deellocaties en/of bodembedreigende activiteiten en asbest verdachte materialen zijn niet waargenomen. De foto9s van de locatie zijn opgenomen in Bijlage 3.
2.3
Boomgaardenkaart Op basis van de boomgaardenkaart van de provincie Zeeland is de onderzoekslocatie niet gelegen in een voormalig fruitteeltgebied. Daarom is de locatie niet verdacht voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB9s).
2.4
Bodemkwaliteitskaart Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Schouwen Duiveland is de bodemkwaliteit van de bovengrond geclassificeerd als 8industrie9 en de kwaliteit van de ondergrond als 8wonen9.
2.5
Eerdere onderzoeken Op de onderzoekslocatie zelf is zover bekend in het verleden geen bodemonderzoek uitgevoerd. Binnen een straal van 25 meter, in zuidelijke richting van de onderzoekslocatie, is in het verleden een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Eindrapport verkennend bodemonderzoek Groenendaal 21 te Oosterland, SMA Zeeland B.V., kenmerk: 23140119, d.d. 15 juli 2014 De aanleiding betrof de voorgenomen herinrichting van de locatie, gelegen ten zuiden van de huidige onderzoekslocatie. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse HBO-tank werd in de grond geen verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. Op het overig terrein werden in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan kwik, lood, zink en PAK aangetoond. In de ondergrond