2024.345 bijlage 3 - Uitvoeringsnota Cultuurvisie 2025-2028 (1246719)
Tekst van het document
Uitvoeringsnota bij de Cultuurvisie 2025-2028
Beleidskaders en subsidieregelingen kunst en cultuur Op basis van de Algemene Subsidieverordening Schouwen-Duiveland 2023. 1. Algemene uitgangspunten 1. Kwaliteit, artistieke zeggingskracht en betekenis. a. Het college ondersteunt initiatieven in de gemeente op het gebied van kunst en cultuur door middel van subsidie. b. Het college stimuleert makers en organisatoren tot het brengen van een kunstproduct dat bijdraagt aan een veelzijdig cultureel palet, en dat aansluit op de eigenheid van onze gemeente. c. Het college beoordeelt de aanvragen hiervoor op basis van kwaliteit, artistieke zeggingskracht en betekenis voor onze gemeente. d. Het college kan de uitvoering van deze beoordeling opdragen aan een onafhankelijk adviesorgaan dat hiervoor door de Gemeenteraad is ingesteld. e. Deze beoordeling wordt niet toegepast op aanvragen voor reguliere jaarprogramma’s en incidentele activiteiten waarvoor per jaar of per activiteit minder dan € 5000,-- subsidie wordt aangevraagd (zie verder onder ‘aanvragen’). 2. Verbondenheid met de gemeenschap, bereik en participatie. a. Het college is ervan overtuigd dat een rijk aanbod van kunst en cultuur bijdraagt aan leefbaarheid en vitaliteit in onze gemeente. Deze overtuiging vloeit mede voort uit onze strategische visie. b.
Het college stimuleert initiatieven die zich richten op de eigenheid van onze eilandgemeenschap, op actieve deelname van een zo groot mogelijk publiek in kunstbeoefening of het bijwonen van culturele activiteiten, en die oog hebben voor geografische spreiding c. Het college stimuleert en ondersteunt de vorming binnen de gemeente van culturele ‘brandpunten’ in de Westhoek en in Zierikzee. Daarnaast ziet het college aanvullende mogelijkheden voor een eigen cultureel profiel in de driehoek Brouwershaven-ZonnemaireDreischor en in de driehoek Bruinisse-Nieuwerkerk-Ouwerkerk. Ontwikkeling daarvan ligt vooral in de handen van eigen initiatief vanuit lokale partijen. d. Het college benoemt een Eilanddichter en ontwerpt hiervoor een statuut. e. Het college bevordert de synergie van kunstproductie met ons erfgoed en met het landschap, de kust en de omringende wateren. Het ontwerpt een betekenisvol programma voor beeldende kunst in de openbare ruimte en onderzoekt de mogelijkheden om op uitnodiging kunstenaars hiervoor ontwerpen te laten indienen in samenspraak met de bevolking. f. Daarnaast onderzoekt het college de mogelijkheden voor producties met het landschap als décor. Denk – ter inspiratie, naast ons eigen ZNF – aan een festival als ‘Into the Great Wide Open’ (Vlieland), ‘Zummerbuhne’ in de provincie Groningen of Shakespearetheater Diever (Drenthe). g.
Ook onderzoekt het college de mogelijkheden om voor grootschalige en onderscheidende producties (onder andere) samenwerking aan te gaan of te bestendigen met ondernemers binnen en buiten onze gemeente. h. Het college stimuleert hierbij een vruchtbare samenwerking tussen amateurs en professionele makers en uitvoerenden. i. Het college geeft een plaats en eigen stem aan initiatieven van en voor jongeren. Daarbij maken we onderscheid in aanbod en opzet tussen de groep 12 tot 15 en 15 en ouder. Voor de jongste groep benutten we het programma BLOEI!, zoveel mogelijk geladen met aanbod in kunst en cultuur. Voor de oudere groep hecht het college veel waarde aan autonomie van jongereninitiatieven. In goed overleg met uitvoeringsorganisaties worden hiervoor in de Westhoek en in Zierikzee twee experimentele ‘maak- en broedplekken’ opgezet, vooralsnog voor de duur van vier jaar. Het college geeft ruimte aan ontwikkeling en ontplooiing van ‘urban arts’. Daarnaast wordt een intensieve samenwerking aangegaan met provinciale programma’s als PopaanZee en de Kunstbende. j. In lijn met de ambitie van Cultuurvisie 2025-2028 stimuleert de cultuurcoach deelname aan cultuur, legt daarbij verbindingen met andere sectoren en jaagt nieuwe initiatieven aan. De cultuurcoach heeft een onafhankelijke rol en brengt partijen bij elkaar, signaleert knelpunten en brengt kansen in behoeften en kansen in kaart.
3. Beheer en behoud van (immaterieel) erfgoed.
1
a. Het college beziet de functie en (her- en neven-) bestemming van kerkgebouwen in historisch perspectief én in het perspectief van cultureel aanbod in de bovengenoemde ‘brandpunten’ of kernen. Daarbij neemt het college een realistische exploitatie, de ruimtelijke en facilitaire aspecten (voorzieningen, toegankelijkheid, akoestiek, catering), behoud van cultuurhistorische waarden, ligging en bereikbaarheid als uitgangspunt voor verdere afwegingen. In het algemeen wil het college hierbij waken voor een te grote spreiding van aanbod en daardoor te sterke verdunning van publiek. b. Het college ondersteunt de kleine musea in de gemeente via de Vereniging Musea SchouwenDuiveland (VMSD). Voor het besluit over financiële ondersteuning neemt het college de volgende aspecten als uitgangspunt: - Betekenis en kwaliteit van de collectie voor Schouwen-Duiveland; - Toegankelijkheid en presentatie van de collectie; - Draagvlak in de lokale gemeenschap; - Toekomstperspectief en toekomstbestendigheid; - Bijdrage in thematische verhaallijnen aan ‘het verhaal van Schouwen-Duiveland’ ; - Kwaliteit van bestuur en uitvoering. c. Het college ziet voor de VMSD de taak weggelegd om de kleine musea te adviseren en ondersteunen op bovengenoemde aspecten. Voor de bekostiging hiervan (zowel de vereniging als de leden) ontwerpt het college een nadere regeling. d.
Het college verleent (bij voorkeur aan Erfgoed Zeeland) opdracht voor het opstellen en uitvoeren van een plan voor succesvolle ontsluiting van de collectie, presentatie en promotie van de kleine musea. De opdrachtnemer trekt hierin samen op met de VMSD. e. Gelet op het huidige bestel en de toekomstbestendigheid van kleine musea, is het college is kritisch op het ontstaan van nieuwe musea op basis van particuliere initiatieven of collecties in de gemeente. Ondersteuning van nieuwe initiatieven ligt niet voor de hand. 4. Cultuureducatie. a. De ‘dragende culturele instellingen’ voorzien, naar hun mogelijkheden, in aanbod voor het onderwijs en voor bijzondere doelgroepen. Zij stemmen dit met het onderwijs af. b. Scholen kunnen tevens deelnemen aan het aanbod van KCE Oosterschelderegio (Cm4K). Het college onderzoekt in hoeverre afname van dit aanbod sterker door de gemeente kan worden ondersteund. c. Het (vrijetijds-) programma ‘BLOEI’ voorziet mede in cultuureducatief aanbod na schooltijd. d. Cultuureducatie in het voortgezet onderwijs en naschoolse jongerenactiviteiten zijn benoemd onder uitgangspunt 2. e. Voor initiatieven en activiteiten van en voor de jeugd vanaf 15 jaar stelt het college een Fonds in. (Zie verder in rubriek 2. paragraaf III.) 5. Diversiteit, samenwerking, toegankelijkheid en duurzaamheid. a.
Het subsidiebeleid is gericht op het vergroten van de toegankelijkheid van actieve cultuurparticipatie van zoveel mogelijk verschillende groepen mensen op zoveel mogelijk verschillende plekken binnen de samenleving, mede door middel van samenwerking in de culturele sector en in relatie met andere domeinen. b. Niet iedereen verstaat hetzelfde onder ‘mooie’, ‘waardevolle’, ‘hoge’ of ‘lage’ kunst. Dezelfde kunst- of cultuuruitingen worden door de een met gejuich begroet, door de ander als controversieel afgewezen. Het past een overheid niet om daarin op voorhand te sturen of te selecteren (mits binnen de grenzen van de wet). Uitgangspunt blijft een beoordeling op basis van kwaliteit, artistieke zeggingskracht en betekenis van producties. c. Het college wil brede deelname aan cultuur zoveel mogelijk bevorderen, en ook aandacht vestigen kleur, herkomst of geaardheid van de maker(s). Het college ziet dit mede in het licht van de Lokale Inclusie-agenda (LIA). d. Via inkomensbeleid kan het college besluiten tot een tegemoetkoming of kortingsregeling voor minder draagkrachtige inwoners of gezinnen. e. Het college onderzoekt tegemoetkomingen in huur van culturele accommodaties voor gebruikers. f.
In principe gaat het college uit van eigen ondernemerschap en eigen initiatief van kunstenaars en makers om voor hun werk geschikte locaties te vinden en te exploiteren.Tot op zekere hoogte kan het college voorwaardenscheppend bijdragen aan voldoende plekken om te maken (ateliers, oefenruimtes, werkplaatsen) en aan plekken om te tonen (podia). Daarbij nemen de dorpshuizen een speciale plaats in. g. Bij alle bovenstaande uitgangspunten hecht het college groot belang aan optimale samenwerking tussen makers en organisatoren onderling. Het college faciliteert deze
2
samenwerking door het oprichten en in stand houden van een eilandbreed interdisciplinair cultuuroverleg. Daarbij is afstemming van promotie en programmering een belangrijk doel. h. Het college bevordert een duurzaam (her-) gebruik van materialen en energie bij het maken, produceren en uitvoeren van (podium-) kunsten, met inbegrip van catering en locatie. In afspraken met makers of organisatoren kan het college hiervoor bepalingen opnemen. 6. Goed bestuur. a. Het college bevordert toepassing van de ‘governance code cultuur’, in samenhang met de ‘Fair Practice code’ en de ‘code diversiteit en inclusie’ door culturele instellingen. b. Voor toepassing van de ‘Fair Practice Code’ ontwerpt het college een leidraad voor organisatoren. c. Voor een door het college aangewezen ‘dragende culturele instelling’ is toepassing en handhaving van de ‘governance code cultuur’ een voorwaarde om voor ondersteuning (subsidie) in aanmerking te komen. d. Enig handelen door een dragende culturele instelling in strijd met de ‘governance code cultuur’ kan voor het college aanleiding zijn om subsidies te verminderen, op te schorten, te beëindigen of te weigeren. 2. Rubrieken I.
beleidskader ondersteuning ‘dragende culturele instellingen’ a. Het college wijst ‘dragende culturele instellingen’ aan. b. Een ‘dragende culturele instelling’ - Is door omvang, uitstraling en programmering van blijvende betekenis voor het culturele leven in onze gemeente; - Verzorgt of faciliteert een jaarprogramma op het gebied van een of meer podiumkunsten waarbij tenminste 75 % van het programma wordt uitgevoerd door professionele artiesten, ofwel - Beheert en conserveert een artistieke of cultuurhistorische collectie, ontsluit en documenteert deze en verzorgt per jaar tenminste twee exposities gericht op een breed publiek, ofwel - Verzorgt of faciliteert de productie van beeldende kunst of podiumkunst door ondersteuning van makers, het aanbieden van repetitie- of atelierruimte, het aanbieden van residenties, de productie van voorstellingen of het verzorgen van exposities; - Voert een actief publieks- en promotiebeleid gericht op de eigen bevolking en op bezoekers; - Biedt een cultuureducatief aanbod voor het basis- en voortgezet onderwijs; - Neemt een actieve rol in de ondersteuning van amateurkunstenaars in onze gemeente; - Werkt samen met andere culturele instellingen binnen en buiten de gemeente en neemt een actief aandeel in samenwerkingsprojecten; - Wordt professioneel geleid en bestuurd volgens de ‘code cultural governance’. c.
De instelling dient een vierjarig uitvoeringsprogramma in. Aan dit programma liggen een artistiek en zakelijk werkplan en een meerjarenbegroting ten grondslag. d. Op basis van dit uitvoeringsprogramma kent het college jaarlijks een subsidie toe. e. De instelling presenteert van ieder afgesloten boekjaar een jaarrekening die voldoet aan de normen die het college heeft gesteld. f. Onderzoek van deze jaarrekening kan voor het college aanleiding zijn voor aanwijzingen aan het bestuur of tussentijdse bijstelling van de subsidie. Over voornemens hiertoe gaat het college met de instelling in gesprek naar aanleiding van bevindingen in de jaarrekening. g. Evaluatie van het vierjarige uitvoeringsprogramma wordt in het derde jaar van de looptijd uitgevoerd. Het college kan de uitvoering van deze evaluatie opdragen aan een autonome commissie of externe partij.
II.
beleidskader ondersteuning culturele activiteiten a. Onder ‘culturele activiteit’ wordt in dit beleidskader verstaan: enig kunstproduct op het gebied van muziek, theater, dans, film, video en multimedia, letteren of beeldende kunst, eenmalig of structureel, of ook de op cultuur of educatie gerichte activiteiten vanuit musea, erfgoedinstelingen of andersoortige organisaties, voor zover niet uit andere bronnen gefinancierd. b. Het college stimuleert makers en organisatoren tot het brengen van een kunstproduct dat bijdraagt aan een veelzijdig cultureel palet, en dat aansluit op de eigenheid van onze gemeente.
3
c.
Het college weegt bij de aanvraag van een buiten de gemeente gevestigde organisatie altijd af in hoeverre deze voor realisatie en uitvoering een concrete samenwerking heeft ingericht met lokale organisaties. d. Een aanvraag kan betrekking hebben op reguliere (eenmalige of terugkerende) activiteiten, op try-out projecten, ontwikkeltrajecten of meerjarige trajecten. e. Een aanvraag voor een culturele activiteit kan worden gedaan door een in of buiten de gemeente gevestigde organisatie met rechtspersoonlijkheid. subsidieregelingen, fondsen en plafonds III.
Subsidieregelingen: wijze van aanvragen a. Iedere aanvraag moet worden ingediend conform de Algemene Subsidieverordening 2023, door een instelling met rechtspersoonlijkheid via eHerkenning. b. De aanvraag voor een meerjarige subsidie moet worden ingediend uiterlijk 31 mei voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarop de aanvraag betrekking heeft. c. Een aanvaag voor een incidentele (eenmalige) activiteit moet tussen 12 en 26 weken voorafgaand aan de startdatum of uitvoeringsdatum van de activiteit. d. De aanvraag is in beginsel gerelateerd aan een van de hieronder genoemde subsidieregelingen. Ofwel: een aanvraag voor een activiteit kan niet tegelijkertijd onder meerdere subsidieregelingen worden aangevraagd. e. Het college beoordeelt de binnengekomen aanvraag aan de hand van criteria in de betreffende subsidieregeling.
1. Fondsen a. Het college kan besluiten tot het instellen van een of meerdere fondsen, naast de bestaande subsidieregelingen. b. Het Fonds onderscheidt zich van een subsidieregeling door ruimte te geven aan: - Het bereiken van een specifieke publieksgroep op een bijzondere, experimentele wijze; - Het (eenmalig) mogelijk maken van grootschalige, experimentele en daardoor risicovolle artistieke producties; - Een laagdrempelige (snelle) aanvraagprocedure voor eenmalige projecten tot € 3.000,--, speciaal gericht op jonge makers; - Tweemaal per jaar de mogelijkheid tot het indienen van een grotere aanvraag; - Hierbij de mogelijkheid om de aanvraag in overleg met de beoordelingscommissie of met hulp van de cultuurcoach kwalitatief te verbeteren of te verdiepen. c. Ingesteld worden per 2025: - Het Fonds “jongerencultuur, urban arts en jonge makers;” - Het Fonds “grote en multidisciplinaire evenementen.” d. Uitgangspunt bij fondsaanvragen groter dan € 10.000,-- is dat de aanvrager tenminste 40 % van de begrote kosten verwerft uit eigen inkomsten of door coproductie c.q. co-financiering van andere partijen. e. Voor de verdeling van middelen benoemt het college een externe beoordelingscommissie van tenminste 3 personen, waarbij de meerderheid van de leden beschikt over aantoonbare expertise op het werkingsgebied van deze fondsen. De adviescommissie adviseert het college. f.
De beoordelingscommissie stelt een reglement/adviesformat op en legt dit ter vaststelling aan het college voor. Na vaststelling beoordeelt de commissie aanvragen volgens dit format. Het college beslist uiteindelijk over de aanvraag. 2. Subsidieplafond a. Het college bepaalt zowel voor fondsen als voor subsidieregelingen een plafondbedrag voor het daaropvolgende jaar en maakt dit bekend. b. Wanneer de gemeentelijke begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd,worden subsidies verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de gemeentelijke begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij een verleningsbeschikking wordt hierop gewezen. c. Zodra het subsideplafond is bereikt kunnen nieuwe aanvragen voor het betreffende jaar niet meer worden ingediend. IV. Specifieke subsidieregelingen (nog invullen) 1. subsidieregeling beeldende kunst, film, audiovisuele en digitale kunst 2. subsidieregeling professionele podiumkunsten 3. subsidieregeling amateurkunst
4
4. subdidieregeling kleine musea 5. subsidieregeling letteren, erfgoed en heemkunde 6. subsidieregeling beeldende kunst in de openbare ruimte 7. subsidieregeling lokale omroep 8. subsidieregeling bibliotheekwerk en kunsteducatie
V. overzicht van de subsidieplafonds (4-jarige periode) -
na afstemming over financieel kader
5