2024.243 Bijlage 2a PvA preventieinfrastructuur en ketenaanpakken GGD Zeeland
Tekst van het document
Plan van Aanpak Regionale ketenaanpakken en preventie-infrastructuur
Opdrachtgever: (mandaat) gemeente Goes Datum: juni 2024 Auteurs: Tosca Hummeling, Karin Hendriks en Femke Brull
Auteur: ie
Inhoudsopgave Inleiding................................................................................................................................................... 4 1
2
3
4
5
6
7
Opgave en doel ............................................................................................................................... 6 1.1
Integraal zorgakkoord, regioplan en gemeentelijke opgaven................................................. 6
1.2
Opgave en doel ketenaanpakken ............................................................................................ 7
Preventie-infrastructuur ................................................................................................................. 8 2.1
Wat is de opgave? ................................................................................................................... 8
2.2
Wat is de stand van zaken? ..................................................................................................... 8
Ketenaanpak Valpreventie ........................................................................................................... 11 3.1
Wat is de opgave? ................................................................................................................. 11
3.2
Wat is de stand van zaken? ................................................................................................... 12
3.3
Aanbevelingen voor de lokale aanpak .................................................................................. 13
3.4
Aanbevelingen voor regionale ondersteuning ...................................................................... 13
Ketenaanpak Welzijn op Recept .................................................................................................. 14 4.1
Wat is de opgave? ................................................................................................................. 14
4.2
Wat is de stand van zaken? ................................................................................................... 14
4.3
Aanbevelingen voor de lokale aanpak .................................................................................. 15
4.4
Aanbevelingen voor regionale ondersteuning ...................................................................... 15
Ketenaanpak Kansrijke Start ........................................................................................................ 16 5.1
Wat is de opgave? ................................................................................................................. 16
5.2
Wat is de stand van zaken? ................................................................................................... 16
5.3
Aanbevelingen voor de lokale aanpak .................................................................................. 17
5.4
Aanbevelingen voor regionale ondersteuning ...................................................................... 17
Ketenaanpak GLI volwassenen met overgewicht en obesitas .................................................... 18 6.1
Wat is de opgave? ................................................................................................................. 18
6.2
Wat is de stand van zaken? ................................................................................................... 18
6.3
Aanbevelingen voor de lokale aanpak .................................................................................. 19
6.4
Aanbevelingen voor regionale ondersteuning ...................................................................... 20
Ketenaanpak Kinderen met Overgewicht en Obesitas ............................................................... 21 7.1
Wat is de opgave? ................................................................................................................. 21
7.2
Wat is de stand van zaken? ................................................................................................... 22 2
7.3
Aanbevelingen voor de lokale aanpak .................................................................................. 23
7.4
Aanbevelingen voor regionale ondersteuning ...................................................................... 24
8
Synergie tussen de ketenaanpakken ........................................................................................... 25
9
Monitoring .................................................................................................................................... 27 9.1
Doelen van monitoring .......................................................................................................... 27
9.2
Monitoring op landelijk, (sub)regionaal en lokaal niveau ..................................................... 27
9.3
Stappenplan........................................................................................................................... 30
10
Overzicht aanbevelingen en acties met tijdspad ..................................................................... 31
11
Financiën ................................................................................................................................... 32
11.1
Coördinatie van de preventie-infrastructuur en de ketenaanpakken .................................. 32
11.2
Ondersteuning op regionaal niveau ...................................................................................... 33
11.3
Overige opmerkingen ............................................................................................................ 33
3
Inleiding In november 2022 is het Integraal Zorg Akkoord (IZA) ondertekend. Met het IZA zetten zorgpartijen, zorgverzekeraars en gemeenten zich in voor passende en toegankelijke zorg in de toekomst. Er is sprake van een groeiende zorgkloof en stijgende kosten door toename van de zorgvraag (o.a. door vergrijzing) en afname van het beschikbare zorgpersoneel. Het behoud van kwalitatief goede zorg voor diegenen die dit echt nodig hebben vraagt om transformatie. Met een verschuiving van de focus op ziekte en zorg naar een focus op gezondheid en welzijn. Het IZA en het GALA (Gezond en Actief Leven Akkoord) vormen hiervoor samen essentiële pijlers. Het IZA richt zich op het toegankelijk houden van de zorg. Met het GALA zetten gemeenten preventief in op het verstevigen van de sociale basis en het bevorderen van een gezond en actief leven.
Figuur 1. Samenhang IZA en GALA
Het versterken van de gezondheid van inwoners vraagt om een beweging naar het versterken van het normale leven en van de gezondheidsvaardigheden van inwoners. Zodat gezondheidsachterstanden van verschillende bevolkingsgroepen afnemen. Mensen in een kwetsbare situatie (bijv. met financiële problemen, huisvestingsproblemen, eenzaamheid of werkloosheid) hebben een hoger risico op een slechtere gezondheid. Opleidingsniveau en taalbarrières zijn ook van invloed op de gezondheidsrisico’s. Daarnaast vraagt mentale gezondheid specifiek aandacht, door toenemende druk in een snel veranderende samenleving. Om deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden, zijn gerichte interventies nodig en een stevige samenwerking tussen zorg en welzijn. In zowel GALA als IZA zijn hierover landelijke afspraken opgenomen, waaronder de opdracht aan gemeenten om een regionale preventie-infrastructuur in te richten en regionaal én lokaal vijf ketenaanpakken te implementeren.
4
In dit plan van aanpak is beschreven welke stappen er nodig zijn om de implementatie van de ketenaanpakken te realiseren en zijn scenario’s uitgewerkt voor de inrichting van een regionale preventie-infrastructuur. Beide onderdelen hangen nauw met elkaar samen. In een preventie-infrastructuur wordt domeinoverstijgend samengewerkt door het sociaal en het zorg/medisch domein rond preventie en gezondheid. Vanuit GALA dient dit op lokale en regionale schaal te worden georganiseerd en de ketenaanpakken maken hier onderdeel van uit. De vijf ketenaanpakken zijn: valpreventie, welzijn op recept, kinderen met overgewicht en obesitas, kansrijke start en de gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) voor volwassenen met overgewicht. Binnen de ketenaanpakken is samenwerking nodig tussen het sociaal en medisch domein. Bij verschillende gemeenten is deze samenwerking op lokaal niveau (deels) al georganiseerd voor een aantal ketenaanpakken. Kansrijke start en welzijn op recept zijn ketenaanpakken waar een groot deel van de gemeenten al langer mee bekend is. Maar dat geldt niet voor alle gemeenten in Zeeland en ook niet voor alle ketenaanpakken. Naast lokale samenwerking is regionale coördinatie nodig om de ketenaanpakken goed te implementeren. Denk hierbij aan samenwerkingsafspraken met de zorgverzekeraar en met regionaal werkende aanbieders.
Voor gemeenten zelf kan het ook wenselijk zijn om regionale afspraken te maken om voor inwoners tot een dekkend aanbod te komen van ondersteuning en zorg. De ketenaanpakken staan niet op zichzelf, maar hangen met elkaar samen. Inwoners kunnen in aanraking komen met diverse ketenaanpakken (bijvoorbeeld welzijn op recept & valpreventie, of kansrijke start & kinderen met overgewicht en obesitas) en er is sprake van overlap in de betrokken professionele partijen (huisartsen hebben bijv. bij alle ketenaanpakken een rol). Voor een goede implementatie dienen de ketenaanpakken zowel afzonderlijk als in samenhang te worden bezien. Gezondheidsbevordering van inwoners vraagt meer dan het aanbieden van interventies. Er is inbedding nodig van de ketenaanpakken in het totale (preventieve) beleid van gemeenten. In dit plan van aanpak wordt op hoofdlijnen weergegeven wat de opgave is waar gemeenten in Zeeland voor staan als het gaat om de preventie-infrastructuur en de implementatie van de ketenaanpakken. Aan de hand van de inventarisaties en georganiseerde bijeenkomsten met gemeenten, zorg- en welzijnspartijen doen we aanbevelingen voor de verdere implementatie van de ketenaanpakken en de voorlopige inrichting en werkagenda van een preventie-infrastructuur.
Daarbij maken we onderscheid tussen onderdelen die gemeenten lokaal kunnen organiseren en eventueel bekostigen vanuit lokale GALA-middelen en onderdelen die regionaal kunnen worden gefaciliteerd (eventueel vanuit regionale SPUK-IZA-middelen), ondersteunend aan de lokale opgaven aan gemeenten. De aanbevelingen kunnen samen met gemeenten worden vertaald in concrete acties. In taal sluiten we in dit plan aan bij IZA waar gesproken wordt over het regiobeeld en regioplan, doelend op de regio Zeeland. Wanneer we in dit plan van aanpak de term ‘regio’ of ‘regionaal’ gebruiken dan doelen we hiermee op de gemeenten (en eventueel andere organisaties) in de provincie Zeeland. Met ‘subregionaal’ bedoelen we de subregio’s Zeeuws-Vlaanderen, Walcheren en Oosterschelderegio en met ‘lokaal’ dertien gemeenten in Zeeland.
5
Leeswijzer In de volgende hoofdstukken komen de preventie-infrastructuur en de vijf ketenaanpakken aan bod. Per onderdeel bespreken we: - Wat de opgave is vanuit GALA/IZA; - Wat de huidige situatie is; - Wat lokale aanbevelingen zijn; - Wat regionale aanbevelingen zijn. Daarna bespreken we de synergie tussen de ketenaanpakken, we geven een overzicht van de aanbevolen acties en ten slotte volgt een financieel overzicht.
1
Opgave en doel
1.1 Integraal zorgakkoord, regioplan en gemeentelijke opgaven In Zeeland wordt sinds 2020 door de Zeeuwse Zorg Coalitie (ZZC) gewerkt aan gezondheidsbevordering, Passende Zorg en innovatieve oplossingen om de uitdagingen in de zorgsector op te lossen. Het ZZC heeft een regiovisie opgesteld in het kader van IZA. In het najaar van 2023 is deze verrijkt met zes gemeentelijke opgaven, wat heeft geresulteerd in het regioplan. De zes gemeentelijke opgaven zijn: 1. Organiseren van regionale samenwerking 2. Stimuleren van samenwerking in de 1e lijn (m.n. huisartsenzorg) 3. Implementeren van vijf ketenaanpakken 4. Inrichten ketensamenwerking sociaal domein, huisartsenzorg en GGZ 5. Even van impuls aan digitalisering & e-health 6. Extra inzet van gemeenten vanuit het regioplan (n.t.b.) Regio Zeeland heeft de GGD een opdracht gegeven om voor Zeeland een preventie-infrastructuur op te zetten en een plan van aanpak te maken voor de implementatie van de vijf ketenaanpakken. Daarmee is dit plan van aanpak onderdeel van het totale uitvoeringsplan voor de gemeentelijke opgaven. Uitgangspunten bij deze opdracht waren: • We zetten in op het delen van kennis, ervaringen en expertise. • Gezamenlijke vraagstukken/knelpunten pakken we op met ruimte voor lokaal maatwerk. • We sluiten zo veel mogelijk aan bij huidige initiatieven en netwerken en bouwen hierop voort.
• We hebben het gedachtengoed van Positieve gezondheid als leidraad. • We benutten de kracht van GGD Zeeland als onafhankelijke partner met helikopterview en als kennispartner op het gebied van monitoring en advies van gezondheid en preventie.
6
1.2 Opgave en doel ketenaanpakken De vijf ketenaanpakken zijn opgenomen in het GALA en het IZA. Afgesproken is dat zorgverzekeraars en gemeenten met ingang van 1 januari 2024 de vijf ketenaanpakken dienen in te richten. Met het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) wordt verder gebouwd op wat er al is. Gemeenten hebben veelal een bestaande lokale aanpak op het gebied van preventie. O.a. op basis van lokale preventie- en sportakkoorden. Ook zijn er gemeenten die lokaal al aan de slag zijn met bepaalde ketenaanpakken, zoals kansrijke start en welzijn op recept. Met de afspraken in GALA is voor gemeenten financiering beschikbaar gesteld in de vorm van een brede SPUK, voor specifieke doelen en interventies. De lokale implementatie van de vijf ketenaanpakken zijn onderdeel van deze brede SPUK-uitkering. Indien gemeenten deze middelen hebben aangevraagd bij het Rijk, dan wordt van hen verwacht dat ze uitvoering geven aan de ketenaanpakken. Daarnaast zijn er middelen beschikbaar via de SPUK-IZA om gemeenten hierbij te faciliteren. Deze middelen zijn aanvullend op de GALA-middelen en gericht op het samen leren en het maken van regionale samenwerkingsafspraken met de zorgverzekeraar en met regionaal werkende aanbieders. In onderstaande paragrafen zijn de opgave en het doel per ketenaanpak beschreven. Ook is beknopt weergegeven welke rol gemeenten hebben en eventuele andere partijen.
Hierbij is gebruik gemaakt van de VNG-roadmap en de diverse handreikingen1. Bij de uitwerking van de opdrachten is gebruik gemaakt van de definities zoals deze zijn weergegeven in de handreikingen. Hiertoe zijn projectleiders en kwartiermakers aangesteld met de opdracht om in een korte periode (2,5 maand) voor elke ketenaanpak tot een deelplan van aanpak te komen, de samenhang tussen de deelplannen te coördineren en te starten met het inrichten van een regionale, op preventie gerichte infrastructuur.
1 Handreiking voor de Ketenaanpak Kansrijke Start
.
Handreiking voor ketenaanpak overgewicht en obesitas bij kinderen Richtlijn overgewicht en obesitas bij volwassenen en kinderen Handreiking ketenaanpak valpreventie Handreiking en modelovereenkomst ketenaanpak welzijn op recept 7
2
Preventie-infrastructuur
2.1 Wat is de opgave? Vanuit het IZA en het GALA ligt er een opgave voor gemeenten om een regionale preventieinfrastructuur in te richten. Op regionale schaal dient afgestemd te worden over de preventieve aanpak van gezondheid. Dit geldt in ieder geval voor de ketenpakken. De opdracht om een regionale preventie-infrastructuur in te richten is ook opgenomen in het Zeeuwse regioplan (2023). Deze opdracht valt onder de gemeentelijke opgave ‘organiseren van regionale samenwerking’. Het doel van de preventie-infrastructuur is om vanuit het brede sociaal domein in samenhang met het zorgdomein te werken aan de verbetering van het lichamelijk, mentaal en sociaal welbevinden van de inwoners van Zeeland. Zowel oorzaken als oplossingen van ongezond gedrag en gezondheidsachterstanden zijn complex en vragen om afstemming en samenwerking. In de maanden maart t/m mei 2024 is een start gemaakt met de inrichting van de preventieinfrastructuur. In drie bijeenkomsten is met diverse partners uit het sociaal en medisch domein nagedacht over de inrichting van deze structuur en een voorlopige werkagenda. 2.2 Wat is de stand van zaken? Er is van verschillende kanten beweging op het gebied van preventie en samenwerking hierop in Zeeland. In de inventarisatie is breed opgehaald welke initiatieven er in Zeeland in ontwikkeling zijn.
Partners op het gebied van welzijn hebben zich verenigd, alsook de fysiotherapeuten om de gezondheid van inwoners te bevorderen. Voor dit rapport beperken we ons tot een weergave van de belangrijkste initiatieven voor de regionale preventie-infrastructuur. De Zeeuwse Zorgcoalitie (ZZC) In Zeeland werkt de Zeeuwse Zorg coalitie sinds 2020 aan gezondheidsbevordering, Passende Zorg en innovatieve oplossingen om de uitdagingen in de zorgsector op te lossen. In de coalitie zijn o.a. zorgverzekeraars, zorgverleners en andere partners betrokken. In opdracht van de ZZC is het Burgerberaad Zorg Zeeland georganiseerd. Dit is een initiatief waarbij inwoners van Zeeland samen met de betrokken organisaties in de ZZC nadenken over de toekomst van de zorg in de regio. Gemeenten In het kader van IZA is een regiobeeld en regioplan opgesteld. De gemeenten hebben dit regioplan verrijkt met zes gemeentelijke opgaven, waaronder het organiseren van regionale samenwerking, onder meer door het inrichten van een regionale preventie-infrastructuur. Op lokaal niveau zijn gemeenten aan de slag met het Gezond en Actief Leven Akkoord, waarbij domeinoverstijgend wordt samengewerkt aan preventie, o.a. door implementatie van vijf ketenaanpakken. Daarnaast versterken gemeenten de sociale basis en bevorderen zij een gezonde en actieve leefstijl van inwoners.
Er is bij gemeenten behoefte om de domeinoverstijgende samenwerking te versterken met een op preventie gerichte regionale structuur. Om uiteindelijk samen met de Zeeuwse Zorgcoalitie, die een focus heeft op (het voorkomen van) zorg, te komen tot passende zorg en ondersteuning voor inwoners in Zeeland.
8
Kerngezond In Zeeland zijn vier gemeenten gestart met Kerngezond: Vlissingen, Terneuzen, Hulst en Borsele. Kerngezond is een lokaal, integraal samenwerkingsverband tussen het medisch en sociaal domein. De deelnemers werken in gezamenlijke verantwoordelijkheid aan het beschikbaar houden van betaalbare zorg, zodat iedereen die dat nodig heeft de best passende en goed afgestemde zorg of ondersteuning krijgt. Positieve gezondheid is hier het onderliggend gedachtengoed. Professionals spreken daarin dezelfde taal en sturen van daaruit een eenduidige boodschap naar de inwoners. Wanneer een gemeente Kerngezond omarmd heeft, kunnen de ketenaanpakken daarin mogelijk worden opgenomen en geborgd. Dit zou een verbreding vragen van de scope van Kerngezond en o.a. een uitbreiding betekenen van de samenwerkingspartners (bijv. op het gebied van geboortezorg in relatie tot Kansrijke Start). 2.3 Aanbevelingen Tijdens een drietal bijeenkomsten hebben een aantal partners vanuit het sociaal en medisch domein nagedacht over wat zij belangrijk vinden bij het inrichten van een preventie-infrastructuur en wat verschillende mogelijkheden daartoe zijn. Aan deze bijeenkomsten hebben diverse partners deelgenomen vanuit gemeenten, welzijn, samenwerkingsverbanden van huisartsen en van fysiotherapie, ViaZorg, SportZeeland en de GGD.
Kernboodschap De preventie-infrastructuur is een coalitie waarin partijen uit het sociaal en medisch domein samen vanuit het gedachtegoed van positieve gezondheid werken aan preventieve initiatieven om de gezondheid van de Zeeuwse inwoners te bevorderen. We zien de preventie-infrastructuur als een motor waarmee we een brede beweging op gang brengen in en vanuit de ‘haarvaten’ van de sociale basis. Van onderop en met de inwoner centraal. De overlegstructuur is een middel om de (sub)doelen te bepalen, een integrale aanpak te bevorderen, samen te leren en te monitoren of we op de goede weg zijn. De ketenaanpakken, waar al samenwerking plaatsvindt tussen het sociaal en medisch domein, maken onderdeel uit van deze grotere opgave en worden aangevuld met andere initiatieven die hieraan bijdragen. De preventie-infrastructuur is een groeimodel ziet er bij aanvang als volgt uit: We vertrekken met op preventie gerichte partners en starten als netwerk. De ambitie is om het netwerk te laten groeien tot een brede coalitie met zowel partners uit het sociaal domein als het medisch domein/zorgdomein. Overlegstructuur Het voorstel is om te kiezen voor een flexibele en gelijkwaardige overlegstructuur die recht doet aan de beweging die we met elkaar willen creëren.
Deze bestaat uit themanetwerken en een uitwisseltafel waar overkoepelende signalen, knelpunten en best practices besproken kunnen worden. De themanetwerken kunnen worden beschouwd als leernetwerken. Hier zitten op regionaal niveau de partners bij elkaar die lokaal aan hetzelfde thema werken. Dat kunnen de vijf ketenaanpakken zijn, maar ook andere thema’s die bijdragen aan het doel en waarop samenwerking nodig is.
9
Op de uitwisseltafel komen de signalen, knelpunten en best practices uit de themanetwerken bij elkaar. Wat zijn overstijgende issues die ieder langs ziet komen? Welke knelpunten zijn er? Wat kunnen we leren van elkaar en van de andere thema’s? Hoe voorkomen we een waterbed-effect? Hier vindt ook de synergie plaats tussen de ketenaanpakken (en de overige thema’s). Horen we de motor van de beweging nog lopen? Telkens vragen we ons af: wat draagt wel/niet bij aan de beweging die we op gang willen brengen en op welke wijze kunnen we dit werkelijk organiseren vanuit het gedachtegoed van positieve gezondheid? We zijn samen verantwoordelijk voor het bespreken van deze onderwerpen, om elkaar scherp te houden op de richting die we op willen gaan en op de taal die we gebruiken. De randvoorwaarden die we nodig hebben, bespreken we in al bestaande structuren. We zijn samen verantwoordelijk om die te adresseren op de juiste tafels en zo te zorgen voor een goede verbinding tussen de verschillende structuren. Onderwerpen van gesprek De eerste stappen naar een preventie-infrastructuur voor de regio Zeeland zijn gezet. Een aantal zaken vraagt uitwerking om met elkaar te komen tot dezelfde ‘taal’, uitgangspunten en opgaven. Het gaat dan bijvoorbeeld om definities als ‘preventie’ en ‘gezondheidsbevordering’ en de rol van positieve gezondheid.
En wat betekent het als we zeggen ‘we doen wat nodig is voor de inwoner’? Het is belangrijk om hierover dezelfde beelden te ontwikkelen met de partners. Ter illustratie: beschouwen we het inrichten van een bloementuin op initiatief van inwoners (naar voorbeeld van Eindhoven) ook als preventie? Naast dat we zelf ook burgers zijn, en van daaruit zelf ook kunnen en moeten denken vanuit positieve gezondheid, vinden we het belangrijk om de inwoner-stem te laten horen in de preventieinfrastructuur. Een van de eerste onderwerpen die we bespreken, is daarom de rol van inwoners in de preventie-infrastructuur: hoe kunnen we dat vormgeven? Daarvoor is verbinding gewenst met de Zeeuwse Zorg Coalitie, die al een ‘burgerberaad’ heeft ingericht.
10
Een ander onderwerp is de communicatie naar de Zeeuwse inwoner. Bijvoorbeeld de taal die we gebruiken. We zoeken een taal waardoor inwoners zich aangesproken voelen. Dat kan soms in details zitten: van ‘wat kun jij zélf doen?’ naar ‘wat zou jij willen doen hiermee?’ Of van ‘het betrekken van de inwoners’ naar ‘de stem van inwoners laten horen’. Daarbij vergeten we niet dat soms zorg echt nodig is, en dat er dan ook professionele hulp moet zijn voor de inwoner, bijvoorbeeld als er sprake is van een hiaat in bestaanszekerheid. In de communicatie doen we een positief appèl op de inwoner en stellen ook gerust waar nodig. Het moet geen marketingverhaal zijn maar aansluiten op de oprechte beweging die we willen maken en waar we zelf ook lerend onderdeel van zijn.
3
Ketenaanpak Valpreventie
3.1 Wat is de opgave? Valongevallen vormen een belangrijk en toenemend probleem onder ouderen. Valincidenten hebben vaak verstrekkende consequenties voor de kwaliteit van leven. Naast het leed dat een val met zich meebrengt, kunnen mensen ook minder mobiel, angstiger of minder sociaal actief worden. Vallen is een multifactorieel probleem en vraagt ook om een multifactoriële aanpak. Verschillende oorzaken en risicofactoren kunnen ten grondslag liggen aan een val. Bijvoorbeeld slechte mobiliteit, zichtproblemen, duizeligheid of het gebruik van medicijnen. Ouderen zijn zich niet altijd bewust dat zij een verhoogd valrisico hebben. Of ze zien vallen als iets ‘dat nu eenmaal bij het ouder worden hoort’. In het GALA en IZA is voor de komende jaren geld beschikbaar gesteld om thuiswonende ouderen bewust te maken van de risico’s op vallen. Maar ook om een aanbod te creëren dat helpt om het aantal valincidenten en de gevolgen van een val te verkleinen. De ketenaanpak valpreventie is onderdeel van een bredere beweging gericht op ‘vitaal ouder worden’. Het gaat over lichamelijke vitaliteit, zoals voldoende beweging en goede voeding. Maar ook over vitaal blijven op sociaal en mentaal gebied. De Ketenaanpak Valpreventie is gericht op thuiswonende ouderen van 65 jaar en ouderen met een valrisico.
Met de verwachte toename van het aantal ouderen in Zeeland, waarbij 25,4% van de bevolking in 2024 boven de 65 is, krijgt valpreventie een steeds belangrijkere rol. Met een provinciale ketenaanpak valpreventie willen we het risico op vallen bij ouderen verlagen door: - Vroegtijdig te signaleren in zowel zorgdomein als sociaal domein en ondersteuning van laagdrempelige toegang tot valpreventief aanbod; - Een dekkend aanbod aan interventies te creëren, waardoor minder (thuiswonende) ouderen - (65+) op de spoedeisende hulp komen naar aanleiding van een val; - Continuïteit te bieden aan de lokale initiatieven (pilots en netwerken) ten behoeve van valpreventie en daarmee komen tot een structurele borging. Concreet betekent dit dat 14% van alle thuiswonende 65+’ers jaarlijks een valrisicoschatting krijgt en dat jaarlijks 3% van de thuiswonende 65+’ers met een verhoogd valrisico een erkende valpreventieve beweeginterventie volgt.
11
3.2 Wat is de stand van zaken? In zes van de dertien gemeenten in Zeeland ligt het aantal mensen met een verhoogd valrisico boven het landelijk gemiddelde; in deze gemeenten komen méér 65+’ers na een val in het ziekenhuis terecht dan gemiddeld. Gemeenten in Zeeland zijn afgelopen maanden gestart met de ketenaanpak Valpreventie. In zeven gemeenten wordt op verschillende manieren vormgegeven aan de lokale ketenaanpak Valpreventie. De focus ligt voornamelijk op het inventariseren van wensen en mogelijkheden, maar ook is gestart met het vormen van werkgroepen, het opstellen van een plan van aanpak en het aangaan van samenwerkingsverbanden. Vijf gemeenten hebben een lokale coördinator of contactpersoon voor valpreventie aangesteld. Dit is meestal een beleidsmedewerker van de gemeente of een medewerker van een welzijnsorganisatie. Eén gemeente staat nog aan het begin van de aanpak en heeft sinds kort de taak bij een interne medewerker kunnen beleggen. Van de gemeenten die al aan de slag zijn met de ketenaanpak, worden in zes gemeenten al verschillende valpreventieve beweeginterventies georganiseerd. Een volledig overzicht alle interventies die op dit moment worden aangeboden is er nog niet. Voor zover bekend, zijn ten minste 21 docenten opgeleid voor erkende interventies. Komende maanden worden er nog een aantal opgeleid.
Of dit voldoende is, zal in de loop van de tijd moeten blijken en dit aantal kan middels (lokale of regionale) trainingen worden verhoogd. Gemeenten zien de volgende knelpunten in de aanpak: - Onduidelijkheid wie waarvoor verantwoordelijk is en wat wiens opdracht is; - Ontbreken (sub)regionale coördinatie; - Medisch en sociaal domein spreken een andere taal; - Aanbod (erkende) beweeginterventies nog zeer beperkt en nog niet voldoende in beeld; - Onvoldoende zicht op het aantal geschoolde professionals dat een valpreventieve beweeginterventie kan geven; - Onvoldoende buurtsportcoaches qua aantal en kennis/kunde op het gebied van Valpreventie, terwijl hun rol van groot belang is; - De uitgebreide valrisicobeoordeling (valanalyse) mag alleen uitgevoerd worden door huisartsen, medisch specialisten of verpleegkundigen, maar zij hebben beperkte capaciteit.
Onduidelijk is nog of een verlengde arm-constructie middels fysiotherapeuten een optie kan zijn of hoe dit anders op te lossen; - Gemeenten maken zich zorgen over de financiële duurzaamheid van de valpreventieve initiatieven; - Onvoldoende kennis bij professionals in het sociaal domein over tijdig signaleren van verhoogd valrisico; - Senioren zien niet altijd het belang van valpreventie in; - De afstand tot de locaties waar de cursussen worden gegeven mag niet te groot zijn; - Het bereiken van de juiste doelgroep is lastig; - Het aantal 65+’ers dat bereikt moet worden is groot. Meer dan 13.000 mensen moeten worden ‘opgespoord’ waarvan er ruim 2.800 een interventie moeten volgen. Dit betekent dat er zo’n 180 groepen georganiseerd moeten worden in de regio. Het is de vraag of het aantal beschikbare trainers, locaties en budget toereikend is.
12
3.3 Aanbevelingen voor de lokale aanpak Voor de lokale aanpak leidt dit tot de volgende aanbevelingen: Algemeen - Maak gebruik van de klantreis, zie het plan van aanpak ketenaanpak Valpreventie; - Stel een subregionaal uitvoerende coördinator aan die; o zorgt voor een goede vertaling van regionale afspraken naar lokaal beleid; o zorgt voor samenhang in de lokale beleidsvorming; o beleidsadviseurs ondersteunt bij voorbereiding van de bestuurlijke besluitvorming; o de gemeenten binnen subregio en regionaal aan elkaar verbindt wanneer daar aanleiding toe is, zodat van elkaar kan worden geleerd. Aanbod - Breng het aanbod aan (erkende) beweeginterventies in beeld; zorg voor voldoende aanbod; - Breng het aantal geschoolde professionals in beeld dat een valpreventieve beweeginterventie kan geven, en zorg voor voldoende professionals die hiervoor zijn opgeleid; - Zorg voor voldoende buurtsportcoaches; - Zorg voor voldoende kennis bij relevante professionals in het sociaal domein over tijdig signaleren van verhoogd valrisico; - Onderzoek hoe het aanbod zo aan te bieden dat de doelgroep niet te ver hoeft te reizen. Communicatie - Zet in op de bewustwording van valrisico’s en het motiveren van de doelgroep. - Breng het bestaan van valpreventieve beweeginterventies onder de aandacht van de doelgroep op een stimulerende manier.
Hiervoor staan in het plan van aanpak voor Valpreventie een aantal suggesties. Overig - Registreer de aantallen inwoners die gebruik maken van interventies en zet dat af tegen het streefgetal voor de gemeente, schaal eventueel verder op; - Onderzoek de rol van technologische ontwikkelingen binnen de ketenaanpak Valpreventie, enkele gemeenten experimenteren hier al mee. 3.4 Aanbevelingen voor regionale ondersteuning Voor de regionale aanpak zijn er de volgende aanbevelingen: - Stel een regionale projectleider aan die kan zorgen voor regionale coördinatie, duidelijkheid over de opdracht en rolverdeling, en het aansturen van gesprekken met regionale partners; - Richt een regionaal leernetwerk in; sluit daarbij aan bij bestaande lokale samenwerkingsverbanden; - Organiseer scholingen (sub)regionaal; - Creëer regionaal bewustwording bij de doelgroep en netwerkpartners (communicatiemiddelen zijn duur en kunnen gezamenlijk gebruikt worden); - Onderzoek de mogelijke rol van technologische hulpmiddelen; - Verbeter de digitale aanmelding en doorverwijzing, dit kan in samenhang met de andere ketenaanpakken; - Organiseer de registratie en monitoring voor overzicht van de resultaten en de outcome; - Onderzoek de rol die apothekers kunnen spelen door de ‘medicatie reviews’ die zij afnemen bij senioren actiever in te zetten en te koppelen aan de lokale ketenaanpak valpreventie; 13
-
-
4
Geef bij landelijk betrokken partijen aan dat er behoefte is aan inzet van andere eerstelijnszorgprofessionals om de valrisicobeoordeling uit te voeren, aangezien er schaarste is bij huisartsen, medisch specialisten en verpleegkundigen; Bespreek in landelijke overleggen de zorgen over financiële duurzaamheid.
Ketenaanpak Welzijn op Recept
4.1 Wat is de opgave? Welzijn op Recept is een interventie waarbij huisartsen en zorgprofessionals patiënten met psychosociale klachten doorverwijzen naar welzijnsactiviteiten in plaats van dat zij in het medisch domein belanden. Via Welzijn op Recept worden patiënten verwezen naar de welzijnscoach. Deze kan hen toeleiden naar activiteiten als creatieve workshops, sport, sociale bijeenkomsten of vrijwilligerswerk. Welzijn op Recept is een vorm van integrale zorg. Integrale zorg is een andere manier van organiseren waarbij de patiënt/inwoner en zijn hele leven centraal staat. Voor Welzijn op Recept betekent dit dat zorg en welzijn nauw met elkaar samenwerken om samen de juiste zorg te kunnen leveren. Het gedachtengoed van positieve gezondheid is de basis voor Welzijn op Recept. Welzijn op Recept vraagt om nieuwe samenwerkingsverbanden, maar ook om extra tijd en aanvullende gespreksvaardigheden. Het kan zijn dat meer nodig is dan het verbinden van iemand aan een activiteit. Soms heeft iemand te maken met zodanige financiële problemen of gevoelens van onveiligheid dat dit om een oplossing vraagt. Anderen hebben (nog) niet de vaardigheden om aan (groeps)activiteiten deel te nemen. Het volgen van een training of deelname aan een maatjes traject kan hier een oplossing zijn. Welzijn op Recept is dus maatwerk.
Van belang is dat er voldoende (breed) aanbod is in de gemeente en dat de inwoners die hier baat bij kunnen hebben, worden herkend en doorgeleid. Deze doorgeleiding kan zowel plaatsvinden vanuit het medisch domein (met name huisartsen en POH) als het sociaal domein (toegang, buurtteams). Welzijn op Recept kent twee doelen namelijk: - Het verhogen van het welbevinden van patiënten met psychosociale problematiek. - Het verlagen van het zorggebruik in de eerstelijnszorg. 4.2 Wat is de stand van zaken? Van tien van de dertien gemeenten is bekend wat de stand van zaken is. Vier van deze tien gemeenten zijn gestart met WOR. Twee gemeenten zijn nog niet begonnen met WOR en bij de overige vier gemeenten is de ketenaanpak in ontwikkeling. De acht gemeenten waarbij sprake is van ontwikkeling of start van WOR, werken samen met huisartsenpraktijken en meestal ook met de regionale huisartsenorganisaties. Ook welzijnsorganisaties, beweegaanbieders, buurtsportcoaches en wijkcoördinatoren zijn in beeld. Een enkeling werkt met kunsteducatie samen of hanteert een brede opvatting van WOR waardoor ook wordt toegeleid naar bijvoorbeeld schuldhulpverlening. Communicatie met de doelgroep vindt plaats via degenen die toeleiden naar de welzijnscoach; aan een brede campagne is geen behoefte. Over het aanbod in de gemeente is men over het algemeen nog niet helemaal tevreden.
Gemeenten die al met WOR werken geven aan een stijgende lijn te zien in het aantal doorverwijzingen. Korte lijnen en elkaar kennen zijn behulpzaam. Bij één gemeente is WOR ondergebracht bij Kerngezond, dit is behulpzaam. 14
Knelpunten zijn financiering c.q. capaciteit van welzijnscoaches en het aanbod is nog niet (voor alle doelgroepen) voldoende. Landelijk heeft de VNG erop aangedrongen dat het Rijk Welzijn op Recept ziet als een cruciaal onderdeel voor de transformatie van zorg naar gezondheid en daarom structureel en substantieel financiert onder het GALA2. Gemeenten zien WOR vooral als een lokale verantwoordelijkheid. Regionaal ziet een enkeling kansen bij het gezamenlijk aanbieden van interventies, oplossingen zoeken voor de financiering van welzijnscoaches en contacten met de zorgverzekeraar en regionale huisartsenorganisaties. Ook kennis delen wordt genoemd. Vijf gemeenten geven aan behoefte te hebben aan regionale monitoring, vijf gemeenten niet. 4.3 Aanbevelingen voor de lokale aanpak Een lokaal stappenplan is in de bijlage opgenomen (plan van aanpak ketenaanpak Welzijn op Recept). Dit kan met name de gemeenten die nog niet gestart zijn, handvaten geven. Algemene aanbevelingen: - Benut Kerngezond als dat binnen de gemeente gebruikt wordt; - Zet Welzijn op Recept breed in; zorg dat ook verwezen kan worden naar bijvoorbeeld schuldhulpverlening; - Start kleinschalig met een enthousiaste huisartsenpraktijk; - Verbeter het (digitale) proces van verwijzen; - Overweeg een centrale zorgcoördinator3 in combinatie met de GLI voor volwassenen.
De centrale zorgcoördinator staat de inwoner bij in het proces naar passende zorg en ondersteuning. Hij of zij doet dat door de persoonlijke omstandigheden in kaart brengen, de samenhang te bespreken, samen een plan maken en de activiteiten te coördineren en te bewaken. De rol van centrale zorgcoördinator kan worden belegd bij verschillende functies, bijvoorbeeld de welzijnscoach, en kan lokaal een andere naam hebben. 4.4 Aanbevelingen voor regionale ondersteuning Uit de inventarisatie en de landelijke monitor komen de volgende aanbevelingen: - Stel een regionale projectleider aan die zorgt voor; o duidelijkheid, structuur, overzicht en samenhang t.a.v. de ketenaanpakken; o een lerend netwerk voor uitwisseling van ervaringen en best practices met daarbij ook aandacht aan de verbinding tussen de ketenaanpakken; - Bundel de krachten en ervaringen in gesprekken met regionale partners en de zorgverzekeraar; - Besteed op tactisch en bestuurlijk niveau aandacht aan de randvoorwaarden, waaronder de financiering van welzijnscoaches; - Zorg voor een visie op de samenwerking tussen partners in zorg, sociaal domein en aanbieders van activiteiten; - Besteed aandacht aan registratie en digitaal doorverwijzen. Het werken met verschillende systemen in het medisch en sociaal domein verdient aandacht; - De GGD kan een rol vervullen in coördinatie en monitoring.
2 https://vng.nl/sites/default/files/2024-05/20240514-brief-parlement-vng-inbreng-cd-leefstijlpreventie-16-mei.pdf 3 https://www.aanpakovergewicht.nl/wp-content/uploads/08_PON-Tools_Competentieprofiel_Centrale-
Zorgcoordinator.pdf 15
5
Ketenaanpak Kansrijke Start
5.1 Wat is de opgave? Op basis van GALA en IZA is de volgende opgave geformuleerd voor gemeenten: Elke gemeente komt tot een lokale ketenaanpak, inclusief interventies, en maakt samenwerkingsafspraken met relevante partners over het eerder bereiken van kwetsbare ouders, over signalering, doorverwijzing en over hoe begeleiding rond kwetsbare gezinnen voor en tijdens de zwangerschap en na de geboorte, verbeterd kan worden. Dit doen gemeenten met partijen in lokale coalities, zoals GGD, professionals uit de geboortezorg, jeugdgezondheidszorg, de huisarts, het sociaal domein en de zorgverzekeraar. De Ketenaanpak Kansrijke start is bedoeld om gezinnen in een kwetsbare situatie vroegtijdig in beeld te brengen en de zorg en ondersteuning te bieden die ze nodig hebben rondom de eerste 1000 dagen van kinderen4. De ketenaanpak Kansrijke Start bestaat uit goede samenwerkingsafspraken tussen het medische, sociale en informele domein voor een doorlopende lijn van ondersteuning voor (aankomende) gezinnen in een kwetsbare situatie, voor de 1e 1000 dagen van een (soms nog ongeboren) kind.
Dit bestaat uit het inzetten en verbinden van preconceptiezorg (bijvoorbeeld Nu niet Zwanger), het vroegtijdig signaleren van vrouwen en gezinnen in een kwetsbare situatie (vanuit geboortezorg of GGZ-zorg), het inzetten van een prenataal huisbezoek (JGZ) en het inzetten van hulp en ondersteuning vanuit het sociaal domein. ZN (Zorginstituut Nederland) is verantwoordelijk voor de duidingen van de vergoede zorg. Met deze duidingen kunnen afspraken gemaakt worden over de rol van zorgprofessionals bij Kansrijke start. Er is geen blauwdruk voor een lokale of regionale ketenaanpak Kansrijke Start. Iedere gemeente en lokale coalitie kan op basis van lokale verschillen de accenten ergens anders leggen, bijvoorbeeld vanwege verschillende kwetsbare doelgroepen en verschillende al bestaande werkstructuren in het medisch en/of sociaal domein. 5.2 Wat is de stand van zaken? In Zeeland werken alle gemeenten aan de opzet of (door)ontwikkeling van lokale coalities. Sinds 2022 ontvangen gemeenten hiervoor middelen, in eerste instantie via GIDS-gelden (Gezond In De Stad) en sinds 2023 via GALA. Het gaat dus voor veel gemeenten niet om iets nieuws, maar over het doorzetten, verrijken en borgen wat er de afgelopen jaren al is opgebouwd. Na inventarisatie blijkt dat vier gemeenten al een lokale coalitie hebben, twee gemeenten nog niet en dat de coalitie bij vier gemeenten in ontwikkeling is.
Er zijn ook gemeenten die subregionaal samenwerken in een lokale coalitie, namelijk Kapelle en Reimerswaal, en Terneuzen, Hulst en Sluis. Tweer keer per jaar vindt er overleg en uitwisseling plaats tussen de lokale coalities op provinciaal niveau. In de coalities nemen verschillende partners deel. Variërend per gemeente zijn de volgende samenwerkingspartners genoemd, onderverdeeld in medische en sociale partners: - Medisch: ziekenhuis, huisartsen (POH), POP-poli, Kraamzorg, Verloskundigen; - Sociaal: Welzijn, kinderopvang, CJG, Jeugdhulp, Maatschappelijk werk, Jongerenwerk, JGZ.
4 De opgave is gebaseerd op de beschrijving van de doelstellingen die in het IZA en het GALA zijn opgenomen rondom Kansrijke Start. De
Handreiking ketenaanpak Kansrijke Start van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) geeft aan wat deze doelstellingen zijn, wat een lokale ketenaanpak Kansrijke Start is en hoe dit vormgegeven kan worden.
16
De zorgverzekeraar maakt (nog) geen deel uit van de lokale coalities binnen gemeenten. Ook de huisartsen(coöperaties) worden in sommige lokale coalities nog gemist. Binnen de gemeenten zijn er diverse interventies beschikbaar. Zeven gemeenten hebben een mamacafé als laagdrempelige ondersteuning, in vijf gemeenten is de interventie Centering Pregnancy voorhanden en in één gemeente is Ouders Inc. beschikbaar. Daarnaast voert de JGZ in alle gemeenten het Prenataal Huisbezoek uit vanuit het basistakenpakket, net als Nu Niet Zwanger (NNZ). Uit de inventarisatie zijn de volgende prioriteiten naar voren gekomen voor het vervolg van de implementatie: - Er is behoefte aan (sub)regionale samenwerking, uitwisseling, coördinatie en afspraken (o.a. voor de samenwerking met bovenlokale partners, zoals de VSV’s en JGZ, zorgverzekeraar en huisartsencoöperaties); - Het verbeteren van de afstemming tussen zorg- en ondersteuningsaanbod; - Er is behoefte aan het verkennen van gezamenlijke inkoop van interventies; - Het opzetten van zorgpaden/klantroutes. 5.3 Aanbevelingen voor de lokale aanpak Om de implementatie van kansrijke start goed vorm te geven, worden de volgende lokale aanbevelingen gedaan: - Werk aan de (door)ontwikkeling van de lokale coalities.
Maak hiervoor lokaal voldoende capaciteit beschikbaar (een kartrekker/aanspreekpunt) en zorg voor bestuurlijk draagvlak; - Zorg voor voldoende aanbod (en interventies) door inzichtelijk te maken wat er al is en wat nog gewenst is (vraaggericht werken) en zorg dat dit aanbod de doelgroep bereikt; - Zorg voor communicatie over en bewustwording van een kansrijke start, bij professionals en inwoners; - Betrek de doelgroep bij de aanpak, bijvoorbeeld door middel van een behoeftepeiling, participatie-onderzoek, evalueren van het aanbod, ervaringsdeskundigheid; - Borg de (regionale) samenwerkingsafspraken in de lokale aanpak; - Borg de integraliteit met andere thema’s/ketenaanpakken uit GALA en het totale preventieve beleid in de gemeente. 5.4 Aanbevelingen voor regionale ondersteuning Voor de regionale samenwerking zijn drie speerpunten geformuleerd: - De regionale ketenaanpak faciliteert inspiratie en informatie-uitwisseling tussen gemeenten. - De regionale ketenaanpak stimuleert de vorming van nieuwe lokale en/of subregionale coalities en ondersteunt en versterkt bestaande coalities. - De regionale ketenaanpak initieert een gezamenlijke regionale visie en bundelt de kracht van gemeenten als gesprekspartner richting regionaal georganiseerde partijen en zorgverzekeraar.
In het plan van aanpak voor de ketenaanpak Kansrijke Start worden vervolgens op hoofdlijnen de volgende aanbevelingen gedaan: - Er is regionale samenwerking nodig tussen gemeenten en voor de samenwerking met bovenlokaal werkende partners. Het advies is om hiervoor een projectleider aan te stellen, die een werkgroep (leernetwerk) vormt met gemeenten en relevante partners; 17
-
-
6
De werkgroep en projectleider dienen ondersteunend te zijn aan en plaats te vinden naast de lokale samenwerking. De werkgroep kan de prioriteiten die zijn genoemd in paragraaf 5.2 uitvoeren en borgen en daarnaast bijvoorbeeld een gezamenlijke communicatiestrategie uitwerken voor professionals en inwoners. Deze stappen zijn uitgewerkt in een stappenplan in de bijlage Plan van aanpak Kansrijke Start. Aanbevolen wordt ook om bijvoorbeeld op dit thema jaarlijks een inspiratiesessie te organiseren voor partners; Gezien de tijdelijkheid van de IZA-middelen (t/m 2026) wordt geadviseerd om nader te onderzoeken hoe de ketenaanpak en samenwerking tussen het sociaal en medisch domein nadien geborgd kan blijven.
Ketenaanpak GLI volwassenen met overgewicht en obesitas
6.1 Wat is de opgave? Een Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI) is een op gedragsverandering gerichte interventie om een gezonde leefstijl te bereiken en te behouden en bestaat uit een tweejarig traject met groepsbijeenkomsten en sessies voor individuele begeleiding. Deelname is mogelijk op verwijzing van de huisarts. Een dergelijk traject vraagt tevens motivatie van de deelnemer. De GLI wordt uitgevoerd door speciaal opgeleide leefstijlcoaches. De opgave voor de ketenaanpak is vastgelegd in de Roadmap van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). De opdracht aan de gemeente is het creëren van een structureel en effectief netwerk dat een gezonde leefstijl onder volwassenen bevordert en ondersteunt. Concreet houdt dit in: - Samenwerking Faciliteren met diverse partijen, voor een breed draagvlak en een effectieve uitvoering van de GLI; - Voorzien in Toegang en Deelname: gemeenten zorgen voor goede toegankelijkheid tot de GLI-programma’s en nemen mogelijke barrières voor deelname weg; - Communicatie en Bewustwording: vergroten van de bekendheid van de GLI onder de bevolking.
Bijvoorbeeld door communicatiecampagnes en voorlichting; - Ondersteunend aanbod: zorgdragen voor voldoende sport- en beweegaanbod en een gezonde leefomgeving; - Identificeren van Doelgroepen: in kaart brengen welke groepen inwoners een verhoogd risico lopen op leefstijl gerelateerde gezondheidsproblemen, door gezondheidsmonitoren, wijkanalyses en samenwerking met lokale gezondheids- en welzijnsorganisaties; - Langdurige Verankering: structurele verankering van de ketenaanpak GLI in het gemeentelijk gezondheidsbeleid om de gezondheid en het welzijn van de inwoners te bevorderen. 6.2 Wat is de stand van zaken? Door zorgverzekeraar CZ is voor Zeeuwse inwoners één type GLI-interventie gecontracteerd: de GLI Cool. Inkoop van de interventie en het contracteren van de GLI-aanbieders (leefstijlcoaches) verloopt via de Regionale Huisartsenorganisatie (RHO). Deze GLI Cool wordt in Zeeland in alle gemeenten aangeboden. Voor inwoners van twee gemeenten is daarnaast de interventie X-FiTT beschikbaar. Deze interventie wordt niet vergoed door CZ, maar wel door andere zorgverzekeraars. Bij de inventarisatie is gebleken dat gemeenten veelal nog onvoldoende kennis hebben van de beschikbare informatie over de ketenaanpak en dat men nog niet, of in zeer geringe mate is 18
toegekomen aan implementatie hiervan. Ten behoeve van de inventarisatie is een vragenlijst gedeeld met alle Zeeuwse gemeenten. Elf gemeenten hebben de vragenlijst (deels) ingevuld. Nadien werd aangegeven dat, vanwege de beperkte kennis, alsmede de complexiteit van de ketenaanpak, de vragenlijst als moeilijk werd ervaren. Geconcludeerd kan worden dat gemeenten eerst meer informatie nodig hebben over de ketenaanpak om goed inzicht te kunnen geven in wat de stand van zaken in hun gemeente is. Desalniettemin zijn onderstaande uitkomsten van de inventarisatie relevant om te vermelden: - Drie gemeenten hebben een ketenaanpak, maar zij hebben daar niet altijd zelf een rol in. Eén van deze gemeenten heeft de ketenaanpak belegd bij een fysiotherapeut. - Zeven gemeenten hebben nog geen ketenaanpak, maar vier van deze gemeenten oriënteren zich wel en één gemeente bevindt zich in de opstartfase. - Geen enkele gemeente heeft een duidelijk plan van aanpak opgesteld, dan wel een projectleider aangesteld. - In geen enkele gemeente is een Centrale Zorgcoördinator (advies PON) beschikbaar (over deze rol speelt o.a. nog financieringsvraagstuk tussen gemeenten en zorgverzekeraar). - Acht gemeenten hebben geen samenwerking met andere partijen, drie gemeenten hebben verschillende samenwerkingspartners (medisch & sociaal).
Geen enkele gemeente heeft samenwerkingsafspraken over de GLI met de zorgverzekeraar. - Een belangrijke belemmering voor de uitvoering is gebrek aan tijd en capaciteit. Beleidsmedewerkers doen de taken rond de ketenaanpakken ‘erbij’, waardoor het niet haalbaar is om deze effectief op te pakken. - Door de beperkte kennis van de ketenaanpak en opgave voor de gemeente, hebben lokale gemeenten nog onvoldoende beeld bij wat gaat goed gaat en wat er beter kan. 6.3 Aanbevelingen voor de lokale aanpak Op basis van de resultaten van de inventarisatie bij gemeenten, de aanbevelingen uit de Handreiking van het GALA en het landelijk basismodel netwerkaanpak voor volwassenen met overgewicht en obesitas, zijn onderstaande aanbevelingen opgesteld om de ketenaanpak te implementeren. Voor de uitwerking van een stappenplan (zie bijlage plan van aanpak ketenaanpak GLI Volwassenen met overgewicht en obesitas), voor implementatie en borging van de ketenaanpak, is gebruik gemaakt van het landelijk basismodel met implementatiedocument van het PON. Aanstellen van een subregionaal uitvoerend coördinator Gemeenten komen nog onvoldoende toe aan implementatie van de ketenaanpak. Capaciteit en eigenaarschap organiseren kunnen hierbij helpen. Dit gebeurt bij voorkeur op subregionaal niveau (drie subregio’s in Zeeland).
In de handreiking van de ketenaanpak wordt geadviseerd hiervoor gebruik te maken van de SPUK-regeling (GALA). Indien nodig kan aanvullende beweegcoaching worden bekostigd vanuit de BRC-regeling (Brede Regeling Combinatiefunctionarissen – GALA). Taken van de subregionaal uitvoerende coördinator zijn; o zorgt voor een goede vertaling van regionale afspraken naar lokaal beleid; o zorgt voor samenhang in de lokale beleidsvorming; o ondersteunt beleidsadviseurs bij voorbereiding van de bestuurlijke besluitvorming; o verbindt de gemeenten binnen een subregio aan elkaar wanneer daar aanleiding toe is, zodat van elkaar kan worden geleerd. Het opstellen van een lokaal plan van aanpak voor implementatie van de ketenaanpak.
19
Gemeenten hebben nog niet voldoende informatie om de ketenaanpak te implementeren. Handreikingen om hiermee aan de slag te gaan zijn voorhanden, maar gemeenten komen er niet (voldoende) aan toe. Een subregionaal uitvoerend coördinator kan een gemeente helpen om deze informatie te verwerken en toe te passen zodat er een lokaal afgestemd plan van aanpak kan worden opgesteld. Beschouw de GLI-interventie als onderdeel van een bredere aanpak De ketenaanpak GLI bestaat uit meer dan alleen het beschikbaar hebben van een (gevalideerde) GLIinterventie. Er spelen veel factoren een rol bij overgewicht, denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van gemeenten om gezond leven gemakkelijker te maken, door de leefomgeving te verbeteren, voldoende voorzieningen voorhanden te hebben, maar ook door middel van het versterken van bestaanszekerheid. Zorg daarom dat de ketenaanpak wordt ingebed in het bredere preventiebeleid. Verbeter toeleiding vanuit de GLI en het medisch domein naar het (structureel) beweegaanbod Een buurtsportcoach kan hierin mogelijk een rol hebben. Toeleiding is van belang zodat deelnemers doorstromen naar regulier beweegaanbod en na afloop van de GLI’s blijven bewegen. Daarbij heeft de toeleider voldoende tijd nodig om de problematiek breed te kunnen benaderen, met aandacht voor alle factoren die bijdragen aan het overgewicht.
Geadviseerd wordt om de toeleiders te faciliteren in tijd en kennis. Zorg voor toegankelijk en bereikbaar lokaal leefstijl- en beweegaanbod Gemeenten kunnen een belangrijke rol vervullen als het gaat om het lokale leefstijl- en beweegaanbod, dat de ketenaanpak kan versterken. Het is van belang dat alle gemeenten dit aanbod lokaal in beeld hebben of brengen om te onderzoeken of dit aansluit bij de behoeften en/of wat hierin nog mist. Daarbij dient oog te zijn voor de toegankelijkheid en bereikbaarheid van het aanbod. Geadviseerd wordt om hierbij de buurtsportcoach te betrekken. 6.4 Aanbevelingen voor regionale ondersteuning Gemeenten hebben behoefte aan duidelijke richtlijnen/handvatten voor de ketenaanpak.
Om dit te realiseren wordt geadviseerd om op regionaal niveau een projectleider aan te stellen, die de subregio’s kan ondersteunen/faciliteren, bij: - Het kennisnemen van beschikbare (landelijke) informatie, initiatieven en best practices; - Het opstellen van een (implementatie) plan van aanpak; - Implementeren van de ketenaanpak; - De samenhang bewaken en bevorderen tussen de verschillende ketenaanpakken; - Het samenbrengen van en afstemmen met betrokken partijen die gemeente-overstijgend werken (waaronder de zorgverzekeraar, Regionale Huisartsen Organisaties, de ziekenhuizen, de paramedici zoals diëtisten, fysiotherapeuten, apothekers en leefstijlcoaches); - Het formeren van een regionale werkgroep met bovengenoemde partijen en een vertegenwoordiging van gemeenten, om op regionale schaal duurzame afspraken te maken, die de lokale situaties ondersteunt; - Het opzetten van een leernetwerk in samenwerking met GGD Zeeland; - Het onderzoeken of/hoe de rol van Centrale Zorg Coördinator (CZC) efficiënt en zodanig ingericht kan worden dat deze bijdraagt aan samenhang binnen de ketenaanpakken. Een Centrale Zorgcoördinator (CZC) is een spin in het web binnen de ketenaanpak. De CZC brengt alles in kaart (van medicatie tot sociale problemen en andere mogelijke onderliggende oorzaken van overgewicht), is het vaste aanspreekpunt voor de cliënt en professionals en hij 20
-
zorgt ervoor dat de juiste zorg en ondersteuning wordt geboden. Hij opereert tussen zorg en sociaal domein en is verantwoordelijk voor begeleiding van de patiënt en coördinatie van het gehele traject. Binnen de ketenaanpak ‘Kinderen met overgewicht en obesitas’ is voor een soortgelijke rol (Centrale Zorgverlener – CZV) sprake van een betaaltitel (de zorg kan worden vergoed door de zorgverzekeraar). Gemeenten en zorgverzekeraar werken eraan om deze centrale coördinerende functie ook binnen de netwerkaanpak voor volwassenen met overgewicht en obesitas te implementeren; Het onderzoeken hoe de doelgroep in beeld kan komen en kan worden bereikt; Het onderzoeken van mogelijkheden om het aanbod van GLI-interventies, vergoed door de zorgverzekeraar, uit te breiden.
In de bijlage zijn diverse overige (inhoudelijke) aanbevelingen en ontwikkelingen opgenomen, die door de subregionale uitvoerend coördinator en de regionaal projectleider kunnen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan van aanpak.
7
Ketenaanpak Kinderen met Overgewicht en Obesitas
7.1 Wat is de opgave? Steeds meer kinderen kampen met overgewicht. Gemiddeld is één op de zeven kinderen te zwaar. Er zijn diverse oorzaken voor overgewicht bij kinderen, zoals te weinig beweging, een ongezonde levensstijl of psychische klachten. Erfelijke aanleg kan ook een rol spelen. Al op jonge leeftijd kunnen deze factoren bijdragen aan de ontwikkeling van overgewicht of zelfs obesitas. Een ongezond gewicht is vaak gerelateerd aan een ongezonde leefstijl op het gebied van voeding, eetgewoontes en beweging. Diverse factoren kunnen deze ongezonde leefstijl beïnvloeden, zoals een gebrek aan kennis over gezonde leefgewoontes, stress, financiële problemen, opvoedingsproblemen of beperkte toegang tot sportfaciliteiten. De ketenaanpak voor kinderen met overgewicht en obesitas (KOO) is een geïntegreerde werkwijze waarbij verschillende professionals en instellingen samenwerken om deze kinderen te helpen. Het is een reeks zorg- en ondersteuningsonderdelen die deels in het zorgdomein en deels in het sociale domein vallen. Het doel is om een samenhangend en effectief zorgtraject te bieden dat de verschillende aspecten van het probleem aanpakt. Er zijn verschillende termen in omloop voor de aanpak van kinderen en jongeren met overgewicht. De landelijke naam voor de ketenaanpak is ‘Kinderen met Overgewicht en Obesitas5’.
De praktische uitvoering van deze ketenaanpak wordt ‘Kind naar Gezonder Gewicht6’ genoemd. Deze is ontwikkeld vanuit en in samenhang met de JOGG-aanpak: Jongeren Op Gezond Gewicht. GGD Zeeland is de regiocoördinator van JOGG in Zeeland. Binnen JOGG wordt ingezet op preventie vanuit de omgeving. Ook kan binnen JOGG gewerkt worden met de aanpak Kind naar Gezonder Gewicht (KnGG). Vanaf 2024 wordt deze (gedeeltelijk) vanuit de Zvw betaald. De aanpak gaat uit van
5 https://www.loketgezondleven.nl/documenten/handreiking-voor-zorgverzekeraars-en-gemeenten-bij-landelijk-model-
ketenaanpak-voor 6 https://kindnaargezondergewicht.nl/media/pages/tools/landelijk-model/7283adbf301667381480/landelijk_model_digitaal.pdf 21
de inzet van een centrale zorgverlener7. Deze bouwt een vertrouwensband met het gezin. Door aandachtig te luisteren, de juiste vragen te stellen en regelmatig contact te hebben, krijgt de centrale zorgverlener inzicht in de gezinssituatie. Dit inzicht is nodig om de juiste professionals te betrekken om het gezin verder te helpen. Psychische of sociale problemen kunnen een gezonde leefstijl in de weg staan. Ondersteuning gericht op voeding, beweging en slaap is dan te beperkt. Dit hele proces coördineert de centrale zorgverlener. Deze rol kan ingevuld worden door een jeugdverpleegkundige. De adviseurs publieke gezondheid en de adviseurs milieu en gezondheid van de GGD hebben in de afgelopen jaren Zeeuwse gemeenten geadviseerd om de gezonde leefomgeving als een speerpunt in beleid te benoemen. Een gezonde leefomgeving heeft een positief effect op gezond gewicht. Dit is nu standaard opgenomen in de beleidsplannen volksgezondheid. Voor de lokale aanpak, met communicatie richting inwoners, adviseren wij de termen JOGG en Kind naar Gezonder Gewicht te gebruiken. Dit klinkt stimulerender en minder stigmatiserend dan ‘kinderen met overgewicht en obesitas’. 7.2 Wat is de stand van zaken? Van tien gemeenten is bekend wat de stand van zaken is. Hiervan hebben vier gemeenten een aanpak voor KOO, bij drie gemeenten is deze aanpak in ontwikkeling en drie gemeenten hebben nog geen aanpak.
In het GALA is afgesproken dat er binnen het sociale domein aanbod moet zijn in vijf categorieën: - Alle zeven gemeenten waar de aanpak is gestart of in ontwikkeling is, geven aan aanbod in schuldhulpverlening te hebben; - Zes van de zeven gemeenten geven aan aanbod op het gebied van opvoedondersteuning te hebben; - Alle zeven gemeenten geven aan sport- en beweegaanbod te hebben; - Vijf van de zeven gemeenten geven aan aanbod op het gebied van gezonde voeding te hebben; - Zes van de zeven gemeenten geven aan aanbod op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling te hebben. Van de zeven gemeenten die zijn gestart of waar de aanpak in ontwikkeling is, is er slechts één tevreden over het aanbod aan interventies in de gemeente op het gebied van KOO, twee gemeenten zijn neutraal en vier geven aan ontevreden te zijn over het aanbod. Als knelpunt geeft één van de gemeenten aan dat er veel onduidelijkheid is over de vergoedingen voor GLI-jeugd; dit leidt tot vertraging. Hier wordt landelijk aan gewerkt.8 Gemeenten noemen de volgende knelpunten: - Onvoldoende handvatten/structuur; - Kennis en loopvermogen/capaciteit; - Verbinding sociaal en medisch domein; - Signaleren en bereik; - Niet iedereen staat open voor deelname, veel deelnemers stoppen tussentijds. 7 Deze rol is vergelijkbaar met de centrale zorgcoördinator die bij de GLI volwassenen wordt aanbevolen en ook binnen