2024.155 Bijlage 1 Onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026
Tekst van het document
Onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026
Voorwoord ....................................................................................................................................................... 2 Begrippen en afkortingen ............................................................................................................................ 2 1. Introductie .......................................................................................................................................... 3 Aanleiding .................................................................................................................................................... 3 1.2 Totstandkoming .............................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 3 2. Kaders ................................................................................................................................................ 4 2.1 Lokaal kader .................................................................................................................................. 4 2.2 Wettelijk kader ...............................................................................................................................
4 2.3 Rolverdeling ................................................................................................................................... 4 3. Doel, doelgroep en visie..................................................................................................................... 7 3.1 Doel en doelgroep .............................................................................................................................. 7 3.2 Visie .................................................................................................................................................... 7 3.3 Doelen ................................................................................................................................................ 7 4. Beleidsinvulling ................................................................................................................................. 9 4.1 Definitie doelgroeppeuter voor voorschoolse educatie ..................................................................... 9 4.2 Meer (doelgroep)peuters naar een voorschoolse voorziening ..................................................... 9 4.2.1 Wat willen we bereiken? ..........................................................................................................
10 4.2.2 Wat doen we al? ...................................................................................................................... 10 4.2.3 Wat gaan we doen? ................................................................................................................. 11 4.3 Meer kinderen beter in taal .............................................................................................................. 12 4.3.1 Wat willen we bereiken? .......................................................................................................... 12 4.3.2 Wat doen we al? ...................................................................................................................... 13 4.3.3 Wat gaan we doen? ................................................................................................................. 14 4.4 Meer ouders betrokken bij taalontwikkeling ..................................................................................... 15 4.4.1 Wat willen we bereiken? .......................................................................................................... 15 4.4.2 Wat doen we al? ......................................................................................................................
16 4.4.3 Wat gaan we doen? ................................................................................................................. 17 5. Monitoren, evalueren en verbeteren ................................................................................................ 19 6. Financieel kader ............................................................................................................................... 21 6.1 Specifieke uitkering onderwijsachterstandenbeleid ......................................................................... 21 6.2 Besteding van de specifieke uitkering .............................................................................................. 21
1
Voorwoord Wij kunnen kinderen de ruimte geven zich te ontwikkelen tot zelfredzame volwassenen. De gemeente heeft hierin een belangrijke taak. Wij zorgen ervoor dat een kind letterlijk en figuurlijk het onderwijs kan bereiken. De school is namelijk de plek waar het kind zich ontwikkelt en zich, via taal, leert uiten. Ieder kind dat in groep 1 komt heeft een andere achtergrond. De één wordt voorgelezen thuis, de ander spreekt twee talen. Weer een ander zit voor het eerst in een kring en een vierde komt uit een gezin met laaggeletterdheid. Wij willen dat deze kinderen een gelijke, kansrijke start maken in het onderwijs. Het onderwijsachterstandenbeleid heeft als doel om onderwijsachterstanden te voorkomen en te bestrijden. Daarom investeren we met dit beleid vooral in het jonge kind. Tussen het tweede en het vierde jaar maken kinderen een sterke taalontwikkeling door. In die jaren mag een kind nog vooral thuis zijn. Ouders leren hun kinderen hoe zich te uiten. Het voorkomen van onderwijsachterstanden doen we samen met de GGD, kinderopvang, het primair onderwijs en Bibliotheek Oosterschelde. Deze partners zijn de experts. Samen met hen is dit beleid opgesteld. Als wethouder dank ik hen voor inzet en hun waardevolle inbreng. De bestuurlijke partners van onderwijs en kinderopvang dank ik voor het overleg over de afspraken die we maken.
Samen bereiken we via het onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026 dat nog meer ouders het normaal vinden om de taalontwikkeling van hun kind te stimuleren. Binnen onze gemeente letten we extra op de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. In ons coalitieakkoord schreven we dat we complexere (jeugd)zorg voorkomen. Voorkomen van ontwikkelingsachterstanden is hiervoor heel belangrijk. Ook past dit bij de bredere benadering van het jeugdbeleid, waar de mensen om het kind heen worden versterkt en gesteund. Zo bevorderen we dat ieder kind zich optimaal kan ontwikkelen. wethouder Daniël Joppe mei 2024
Begrippen en afkortingen dBos Kindlocatie LEA Oab OKO Voorschool Vve
- de Bibliotheek op school - locatie waar school en kinderopvang onder één dak zitten - Lokale Educatieve Agenda, bestuurlijke overlegstructuur van scholen, kinderopvang en gemeente - onderwijsachterstandenbeleid - Opgroeien in een Kansrijke Omgeving, gemeentelijk traject om middelengebruik bij jongeren preventief aan te pakken - peutergroep voor kinderen van 2,5 – 4 jaar - Voor- en vroegschoolse educatie, voor peuters van 2,5 tot 4 jaar die baat hebben bij extra ondersteuning in hun ontwikkeling. Dit draagt bij aan een goede start op de basisschool
2
1.
Introductie Aanleiding
In de beleidsperiode 2019-2022 werkte de gemeente Schouwen-Duiveland samen met kinderopvang, het basisonderwijs, de GGD en de bibliotheek aan het bestrijden van onderwijsachterstanden. Het beleid hiertoe was in 2019 vastgesteld door de schoolbesturen, gemeente en kinderopvang. In 2023 hebben de partners dit beleid geëvalueerd, aangezien per 2023 de nieuwe landelijke oab-periode startte. In 2023 is ook onderzocht hoe de rijksmiddelen, beschikbaar voor dit doel, in de nieuwe periode besteed kunnen worden. Op basis van deze evaluatie is het nieuwe onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026 opgesteld. Het belangrijkste doel blijft het voorkomen en bestrijden van (risico’s op) achterstanden in de Nederlandse taal.
1.2
Totstandkoming
De bestuurders van kinderopvang, onderwijs en gemeente bespreken het onderwijsachterstandenbeleid (oab) binnen het bestuurlijk overlegorgaan LEA (Lokale Educatieve Agenda). De LEA heeft de werkgroep oab opgericht om dit beleid verder in te vullen. In december 2022 is de cijfermatige evaluatie van het oab door de werkgroep besproken. De deelnemers stelden voor de bestaande doelstellingen te behouden en oog te houden voor sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstanden. Ook werd afgesproken in 2023 eerst in te zetten op het verstevigen van de doorgaande lijn (aansluiting kinderopvang en basisonderwijs) aangezien dit een onmisbare pijler is voor nieuw beleid. Ook besprak de werkgroep de financiele mogelijkheden voor de nieuwe periode. Op basis van de cijfermatige evaluatie en de financiele kaders is voor de werkgroep een evaluatierapport opgesteld. De conclusies en voornemens uit dit evaluatierapport besprak de werkgroep in februari 2024. Dit werden de uitgangspunten voor het onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026. Het concept onderwijsachterstandenbeleid 2024-2026 is voorgelegd aan de Adviesraad Sociaal Domein. Het oab krijgt een uitvoeringsagenda die als bijlage wordt toegevoegd.
1.3 Leeswijzer Het onderwijsachterstandenbeleid komt voort uit landelijke afspraken die lokaal worden ingevuld. Dit doet de gemeente binnen haar eigen kaders en samen met haar partners. De lokale en landelijke kaders worden toegelicht in paragraaf 2.1 en 2.2. De partijen waarmee de gemeente samenwerkt worden genoemd in 2.3, in samenhang met ieders wettelijke plicht. In hoofdstuk 3 staan de visie, de doelen en de doelgroep. Wat er per doel voor nodig is om deze te bereiken staat in hoofdstuk 4. Denk daarbij aan indicatoren en acties. Het proces blijft gemonitord en geëvalueerd. We hanteren daarvoor dezelfde werkwijze als de vorige beleidsperiode. De tekst in hoofdstuk 6 komt dus ook uit het vorige beleidsplan.
3
2.
Kaders
2.1
Lokaal kader
Het lokale onderwijsachterstandenbeleid past binnen de kaders van de Notitie Sturen op Maatschappelijk Resultaat en het Onderwijsakkoord kinderopvang en onderwijs 2018 – 2022. Deze kaders golden ook voor de vorige beleidsperiode. We gaan dus in dezelfde lijn verder. In de Notitie Sturen op Maatschappelijk Resultaat zijn vijf maatschappelijke resultaten geformuleerd die in samenhang het brede sociale domein omvatten. Het onderwijsachterstandenbeleid draagt bij aan het realiseren van het maatschappelijk resultaat: ‘Jeugdigen groeien gezond en veilig op binnen het eigen gezin en kunnen hun talenten ontwikkelen zodat zij (financieel) zelfredzaam worden.’ De gemeente Schouwen-Duiveland werkt sinds 2022 met het traject Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO). Het trajectdoel is middelengebruik onder jongeren voorkomen. Daarom is een kansrijke omgeving van groot belang. Ouders1 hebben de grootste invloed op deze kansen. Ouders blijven daarbij als eerste verantwoordelijk voor hun kinderen. De gemeente wil met OKO de ouders helpen in het scheppen van deze kansrijke omgeving. Door dit ook binnen het onderwijsachterstandenbeleid te doen, weten ook jonge ouders de gemeente al vroeg als partner naast zich.
In het Onderwijsakkoord kinderopvang en onderwijs 2018 - 2022 kwamen de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang overeen de kwaliteit van het onderwijs op Schouwen-Duiveland duurzaam te verbeteren. Daarom staat onder andere in het onderwijsakkoord dat de partijen willen dat meer peuters naar een voorschoolse voorziening 2 gaan en dat er meer betrokkenheid is van ouders bij de ontwikkeling van hun kind op school. De doelen in het onderwijsakkoord zijn ook verwerkt in dit onderwijsachterstandenbeleid.
2.2
Wettelijk kader
Met de invoering van de wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (wet OKE) op 1 augustus 2010 zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor het realiseren van een voor- en vroegschools (vve) aanbod van goede kwaliteit. Een nevendoel van de wet OKE was het harmoniseren van de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk en daarmee een kwaliteitsimpuls geven aan het peuterspeelzaalwerk. De Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk is in januari 2018 inwerking getreden. De harmonisatie berust op drie pijlers: - het versterken van de pedagogische kwaliteit; - één kwaliteitskader voor peuterspeelzalen en kinderdagverblijven (voorschoolse voorzieningen); - één financieringsstructuur voor werkende ouders. De Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk houdt een wijziging in van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen naar de Wet kinderopvang (WKO) en enkele andere wetten. De wijzigingen in kwaliteitseisen is apart geregeld in de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang (IKK). Deze wet is ook in januari 2018 inwerking getreden. De nieuwe kwaliteitseisen zijn uitgewerkt in het Besluit kwaliteit kinderopvang en enkele ministeriële regelingen. Delen van de nieuwe kwaliteitseisen zijn in werking getreden op 1 januari 2019 of treden op 1 januari 2023 in werking.
De Wet op het Primair Onderwijs (WPO) en het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie schrijven de verplichtingen voor aan de gemeente, het basisonderwijs en de kinderopvang op het gebied van voor- en vroegschoolse educatie. Voorschoolse educatie is bedoeld voor peuters met een taalachterstand op een voorschoolse voorziening. Vroegschoolse educatie is voor kinderen met een taalachterstand in groep 1 en 2 van de basisschool. De genoemde wetten vormen samen het wettelijk kader van het onderwijsachterstandenbeleid.
2.3
Rolverdeling
Er zijn verschillende partijen die een rol spelen bij de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid. Centraal hierin staan de Rijksoverheid, de gemeente, het basisonderwijs en de voorschoolse Het woord ‘ouders’ wordt gebruikt voor de leesbaarheid van het onderwijsachterstandenbeleid. Er wordt echter ‘ouder(s)/verzorger(s)’ bedoeld. 2 Met een voorschoolse voorziening wordt zowel kinderopvang als het van oudsher peuterspeelzaalwerk bedoeld. Wanneer we spreken over peuteropvang gaat het specifiek om de opvang van peuters van 2 tot 4 jaar bij een voorschoolse voorziening 1
4
voorzieningen. De Rijksoverheid geeft de wettelijke kaders aan en stelt middelen beschikbaar voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid door de gemeente en het basisonderwijs.
De gemeente • zet de onderwijsachterstandsmiddelen in voor voldoende, kwalitatief goede en bereikbare voorschoolse educatieplekken; • zet de onderwijsachterstandsmiddelen in voor activiteiten voor kinderen tot en met groep 8 met een achterstand in de Nederlandse taal; • maakt afspraken met het primair onderwijs over het verbeteren van de leerprestaties van kinderen met een taalachterstand en • maakt afspraken met houders van voorschoolse voorzieningen • is eindverantwoordelijk voor toezicht en handhaving op de geregistreerde kinderopvanglocaties. De kinderopvang • werkt met speciale programma’s voor voorschoolse educatie; • heeft een pedagogisch plan met bijzondere aandacht voor voorschoolse educatie; • heeft pedagogisch medewerkers die zelf op niveau 3F spreken en lezen. De GGD (in opdracht van de gemeente) • beoordeelt of kinderen een vve-indicatie krijgen • inspecteert de locaties die vermeld staan in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De schoolbesturen • werken onderwijsachterstanden bij hun leerlingen weg; • ontvangen rijksmiddelen om programma’s ter bestrijding van onderwijsachterstanden in de groepen 3 t/m 8 in te zetten, de hoogte hiervan verschilt sterk per school • van het primair onderwijs zorgen voor vroegschoolse educatie.
De Inspectie van het Onderwijs houdt • toezicht op het voor- en vroegschoolse deel; • toezicht op de taken van de gemeente ten aanzien van vve en • interbestuurlijk toezicht op taken en verantwoordelijkheden van gemeenten rond de wet- en regelgeving kinderopvang.
Wettelijke verplichtingen onderwijsachterstandenbeleid Vanuit de Wet op het primair onderwijs (artikel 160 en 161) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 3.42) hebben gemeenten de taak om minimaal 1 keer paar jaar te overleggen met de schoolbesturen voor primair en voortgezet onderwijs en de houders van kinderopvangorganisaties. Dit overleg moet gericht zijn op het maken van gezamenlijke afspraken over: - Het bevorderen van integratie; - Het voorkomen van segregatie; - Het afstemmen van toelatings- en inschrijvingsprocedures; - Het bestrijden van onderwijsachterstanden. De afspraken die in het jaarlijks overleg worden gemaakt, moeten zoveel mogelijk het karakter van meetbare doelen hebben. Het verplichte jaarlijks overleg wordt in veel gemeenten het LEA-overleg genoemd, waarbij LEA staat voor lokale educatieve agenda. Het jaarlijks overleg kan in diverse vormen voorkomen. Een belangrijk instrument ter bestrijding van onderwijsachterstanden is het aanbieden van voorschoolse educatie (op kinderdagverblijven) en vroegschoolse educatie (in groep 1 en 2 van het basisonderwijs). Gemeenten zijn niet alleen verplicht te overleggen over voor- en vroegschoolse educatie, maar ook verplicht om voldoende aanbod ervan te realiseren (artikel 158 Wpo) en er een aantal afspraken over te maken (artikel 160 Wpo).
5
De bestuurders bespreken de ontwikkelingen rond het onderwijsachterstandenbeleid en inzet van de gelden meerdere keren per jaar. Dit vindt plaats in de vergadering van de Lokale Educatie Agenda (LEA). Er is afgesproken dat de werkgroep onderwijsachterstandenbeleid invulling geeft aan het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. De werkgroep volgt de uitvoering, monitort de vorderingen en bespreekt mogelijke aanpassingen van acties voor. In deze werkgroep zitten vertegenwoordigers van primair onderwijs, gemeente, GGD en bibliotheek. De werkgroep wordt voorgezeten door de gemeentelijke beleidsmedewerker onderwijs.
6
3.
Doel, doelgroep en visie
3.1
Doel en doelgroep
De gemeente blijft zich inzetten om kansengelijkheid te bevorderen. Daarom willen we zoveel mogelijk kinderen met een taalachterstand of een risico op een taalachterstand bereiken met het onderwijsachterstandenbeleid. De rijksmiddelen die de gemeente voor het onderwijsachterstandenbeleid ontvangt zijn bestemd voor kinderen van 0 tot 12 jaar en bedoeld voor het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden in de Nederlandse taal. Het hoofddoel van het onderwijsachterstandenbeleid is: Het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden bij kinderen van 0 tot en met 12 jaar. De doelgroep van het onderwijsachterstandenbeleid is vervolgens: Kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 12 jaar met een achterstand of een risico op een achterstand in de Nederlandse taal. Het gaat hierbij niet om kinderen met een achterstand vanwege een specifieke leerstoornis of taalontwikkelingsstoornis.3 Deze doelgroep valt buiten de reikwijdte van het onderwijsachterstandenbeleid.
3.2
Visie
De gemeente wil dat jeugdigen gezond en veilig opgroeien in een kansrijke omgeving. Door het ontwikkelen van hun eigen talenten, groeien ze uit tot (financieel) zelfredzame volwassenen. Het onderwijsachterstandenbeleid is het invloedrijkst als dit zich richt op jonge kinderen. Hoe eerder wordt ingezet op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden, hoe groter het positieve effect.
3.3
Doelen
De doelen van 2019-2022 blijven gehanteerd. Deze drie doelen staan hierna kort beschreven. Meer (doelgroep)peuters naar een voorschoolse voorziening In de vroege kinderjaren ontwikkelen kinderen zich motorisch, cognitief en sociaal-emotioneel het sterkst. In deze periode ontstaan de grootste ontwikkelingsverschillen tussen de kinderen. Hier wordt een speelse start gemaakt met het ontwikkelen van vaardigheden. Door kinderen samen te laten spelen, leren ze van elkaar. De gemeente wil daarom dat zoveel mogelijk peuters naar een voorschoolse voorziening gaan. Meer kinderen beter in taal Een veilige en rijke leeromgeving stimuleert de ontwikkeling van kinderen zodat zij tot leren komen. Ook sociaal-emotionele achterstanden worden beperkt. De ondersteuningsbehoefte van kinderen en hun ouders en beroepskrachten is hierbij leidend. Het activiteitenaanbod en de begeleiding van voorschoolse voorzieningen en basisscholen sluiten goed op elkaar aan. De voorscholen en de uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie zijn kwalitatief goed. Bewezen effectieve interventies worden ingezet om onderwijsachterstanden in de Nederlandse taal te voorkomen en te bestrijden. Meer ouders betrokken bij taalontwikkeling De ontwikkeling van de kinderen is onlosmakelijk verbonden met de opvoeding door de ouders.
De begeleiding die kinderen op een voorschoolse voorziening krijgen is van goede kwaliteit en stimulerend, maar in tijd beperkt. De kinderen zijn vooral bij hun ouders. Uit onderzoek is gebleken dat als ouders kinderen thuis stimuleren, de kinderen sneller vooruitgaan.
Hoofddoel: Het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden bij kinderen van 0 tot en met 12 jaar. 3
Voorbeelden van leerstoornissen zijn dyslexie en dyscalculie. Bij taalontwikkelingsstoornissen gaat het bijvoorbeeld om stotteren, slissen of heesheid.
7
Doelgroep: Kinderen in de leeftijd van 0 tot en met 12 jaar met een achterstand of een risico op een achterstand in de Nederlandse taal. Doelen: - Meer (doelgroep)peuters gaan naar een voorschoolse voorziening. - Meer kinderen zijn beter in de Nederlandse taal. - Meer ouders zijn betrokken bij de taalontwikkeling van hun kind. De doelen zijn gebaseerd op het onderzoekskader van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie). De inspectie verwacht van de gemeente dat zij bij vve-beleid concrete afspraken maakt over de onderdelen: bereik van doelgroeppeuters, resultaatafspraken over de vroegschoolse educatie en de doorgaande lijn. Met dit beleidsplan wordt daaraan voldaan. De gemeente heeft er vervolgens voor gekozen om in afstemming met de samenwerkingspartners de doelen uit te breiden naar alle kind eren van 0 tot en met 12 jaar met een achterstand of een risico op een achterstand in de Nederlandse taal.
8
4.
Beleidsinvulling
In dit hoofdstuk wordt allereerst de definitie van een doelgroeppeuter beschreven. Daarna worden de doelen, zoals beschreven in paragraaf 3.3 nader toegelicht in paragraaf 4.2 tot en met 4.4.
4.1
Definitie doelgroeppeuter voor voorschoolse educatie
Specifiek voor peuters met (een risico op) een taalachterstand dient de gemeente een definitie te hanteren. Dit zijn de peuters die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie. De inspectie controleert of de gemeente dat heeft gedaan. De gemeente is vrij om zelf te bepalen hoe zij de definitie van de zogenoemde doelgroeppeuters vormgeeft. Het signaleren van peuters met (een risico op) een taalachterstand is primair een taak van de GGD. Daarnaast signaleren de samenwerkingspartners van de GGD binnen de kinderopvang, huisartsen, het ondersteuningsteam 4 (en andere eerstelijns hulpverleners. Het afgeven van een indicatie is een wettelijke taak van de GGD en een voorwaarde van de gemeente om een peuter toegang te geven tot gesubsidieerde voorschoolse educatie. Met het vaststellen van dit onderwijsachterstandenbeleid wordt de volgende doelgroepdefinitie vastgesteld: Een peuter met een indicatie voor voorschoolse educatie van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst Zeeland. Een indicatie wordt afgegeven op basis van taal/spraakachterstanden bij kinderen vanaf 2 jaar, met de mogelijkheid op achterstanden in de sociaal-emotionele ontwikkeling. De GGD hanteert een eenduidige werkwijze bij de indicatiestelling voor voorschoolse educatie (veindicatie). De GGD heeft in de afgelopen beleidsperiode een indicatieprotocol met een werkinstructie opgesteld.
In de nieuwe beleidsperiode worden deze herzien en voorgelegd aan de LEA ter bespreking. De LEA voorziet de gemeente met deze bespreking van haar advies. Het onderwijsachterstandenbeleid richt zich op kinderen met een achterstand in de Nederlandse taal. De Gemeente Schouwen-Duiveland voegt hieraan peuters met sociaal-emotionele achterstand zonder taalachterstand toe. Ook deze peuters kunnen een indicatie krijgen voor voorschoolse educatie. De insteek daarbij is dat dit een goedkopere en betere oplossing kan zijn dan aanspraak maken op (alleen) jeugdhulp. Een indicatie kan weer beëindigd worden. Sommige peuters maken een taalinhaalslag en hebben op een gegeven moment in deze periode geen voorschoolse educatie meer nodig. Gesubsidieerde voorschoolse educatie kan dan beter ingezet worden voor peuters die dat wel nodig hebben. Als deze situatie zich voordoet zal de GGD de indicatie beëindigen.
Actie: - De GGD legt het herziene indicatieprotocol en werkinstructie voor aan de werkgroep oab. - Het indicatieprotocol en de werkinstructie worden besproken in de LEA. Daarna stelt de gemeente het indicatieprotocol en de werkinstructie vast en voegt de documenten als bijlage toe aan het Onderwijsachterstandenbeleid 2024 - 2026.
4.2 Meer (doelgroep)peuters naar een voorschoolse voorziening
4 Team van experts dat op kindlocaties zorgt voor snelle en laagdrempelige hulp. Experts zijn o.a. de
jeugdverpleegkundige, schoolmaatschappelijk werker, leerplichtconsulent en jeugdconsulent.
9
4.2.1 Wat willen we bereiken? Voorschoolse voorzieningen leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen en het verminderen van achterstanden.5 De gemeente wil daarom dat zoveel mogelijk (doelgroep)peuters naar een voorschoolse voorziening gaan. Meer doelgroeppeuters maken gebruik van voorschoolse educatie De jeugdarts en jeugdverpleegkundige van de GGD bepalen of een peuter een ve-indicatie krijgen. De ouders beslissen of zij hun peuter laten deelnemen aan voorschoolse educatie. Een aantal jaren geleden hebben het rijk en de grootste gemeenten afgesproken een bereik van 90% van de doelgroeppeuters te realiseren. Die streefwaarde is in de vorige beleidsperiode van de gemeente Schouwen-Duiveland aangehouden, zonder dat bekend was hoeveel kinderen een indicatie kregen. Nu is dat wel bekend. De gemeente registreert sinds 2023 het bereik en redenen voor niet-deelname met de digitale vve-monitor. Het bereik op Schouwen-Duiveland is eind 2023 80%. Ouders hebben uiteenlopende redenen om hun kinderen niet te brengen. Ze hadden een gastouder als opvang of vonden de vve-plaats te duur. Vooral de opkomst van kinderen jonger dan 3 jaar is laag. Deze ouders vonden hun kind nog te jong. Of ze hadden in het geheel geen belangstelling. De redenen die ouders aandragen lopen uiteen. Ook zijn verschillende daarvan te weerleggen.
In de nieuwe beleidsperiode willen we meer ouders motiveren om hun kind met een ve-indicatie naar de voorschoolse voorziening te brengen. Meer peuters naar een voorschoolse voorziening 84% van de peuters van 2 tot 4 jaar in de gemeente Schouwen-Duiveland gaat naar een voorschoolse voorziening (eind 2023). Landelijk kwam 90% van de kinderen vanaf een voorschoolse voorziening naar de basisschool.6 De gemeente streeft naar een bereik van 90%. Indicator 1: In 2026 maakt 90% van alle doelgroeppeuters gebruik van voorschoolse educatie. Bereik 2019: onbekend Bereik op 1-10-2022: 84 % Bereik op 1-10-2023: 80 % Indicator 2: In 2026 gaat 90% van alle peuters naar een voorschoolse voorziening. Bereik 2019: 80 % Bereik op 1-10-2022: 70 % Bereik op 1-10-2023: 84 %
4.2.2 Wat doen we al? Gesubsidieerd aanbod De gemeente subsidieert de opvang van peuters in de voorschoolse voorzieningen. Dit zijn van oudsher de peuterspeelzaalgroepen. Ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag vragen deze aan bij de Belastingdienst. Ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag betalen een inkomensafhankelijke bijdrage aan de kinderopvangorganisatie. De resterende kosten voor de opvang van peuters met ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag bekostigt de gemeente met subsidie aan de kinderopvangorganisatie. De gemeente zorgt voor een aanbod van voorschoolse educatie van 16 uur. De gemeente bekostigt vanaf 2020 het derde en vierde dagdeel. Toeleiding naar voorschoolse educatie De toeleiding van peuters naar voorschoolse educatie wordt verzorgd door de GGD. Zij geven de veindicatie af op basis van de eerdergenoemde definitie. Tijdens de consulten bepaalt de GGD of een peuter in aanmerking komt voor voorschoolse educatie en geven zij mondeling informatie over peuteropvang. Deze consulten zijn bij 18 maanden (huisbezoek), 2 jaar, 3 jaar, en 3 jaar en 9 maanden. Het consult bij 3 5
‘Gelijk goed van start. Visie op het toekomstige stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen’, SER (2016)
6 ‘Monitor bereik van voorschoolse voorzieningen in NL 2021’, E. Buitenhek, VNG SZW (2022)
10
jaar is in de vorm van een e-consult; ouders krijgen een digitale vragenlijst toegestuurd. Wanneer een jeugdarts of jeugdverpleegkundige dit nodig vindt worden extra consulten ingepland. Andere partijen, zoals voorschoolse voorzieningen, hebben een signalerende rol en kunnen peuters doorverwijzen naar de GGD om te bepalen of de peuter een ve-indicatie nodig heeft. De indicatie wordt via het digitale systeem van de vve-monitor naar de aanbieder gestuurd. Een jeugdverpleegkundige van de GGD bezoekt drie keer per jaar de voorschoolse voorzieningen. Tijdens dit bezoek worden de doelgroeppeuters besproken en de peuters van 3 jaar en 9 maanden. Daarnaast worden andere peuters besproken als daartoe aanleiding is. Ouders die hun kind met een ve-indicatie niet aanmelden bij de voorschoolse voorziening worden door de GGD opgebeld. GGD vraagt de ouders naar de reden en probeert hen te motiveren tot aanmelding. Dit lukt niet altijd. Of een doelgroeppeuter ook gebruik maakt van voorschoolse educatie blijft de verantwoordelijkheid van de ouders. Monitoring gegevens Sinds 2023 werken alle Zeeuwse gemeenten en de GGD met een gezamenlijke toeleidingsmonitor. Deze toeleidingsmonitor brengt in beeld hoeveel kinderen een ve-indicatie krijgen en of deze geplaatst worden. De monitor laat ook zien in welke fase de meeste ouders afhaken en waarom. Dit wordt per gemeente in beeld gebracht.
De Zeeuwse kerngroep7 bespreekt de resultaten met elkaar. Zo weten we per gemeente waar de overeenkomsten en de afwijkingen zitten. De bevindingen worden besproken met GGD en de kinderopvang. Sinds 2023 hebben we dus representatieve gegevens. Als eerste springt in het oog dat ouders hun besluit niet deel te nemen al vrij snel na de indicatie maken. 75% van de niet-deelnemende ouders haakt na het eerste gesprek met de GGD al af. Dit constateren ook veel andere Zeeuwse gemeenten.
Bijzondere bijstand voor doelgroeppeuters Ouders die in aanmerking komen voor bijzondere bijstand kunnen een tegemoetkoming krijgen voor de kosten van peuteropvang wanneer hun peuter beschikt over een ve-indicatie. Dit is geregeld in de Beleidsregels Bijzondere Bijstand gemeente Schouwen-Duiveland 2020. Hier is de bijzondere bijstand dus een aanvullende voorziening op onderwijsachterstandenbeleid.
4.2.3 Wat gaan we doen? De toeleiding van doelgroeppeuters naar voorschoolse voorzieningen verbeteren De registratie van kinderen met een ve-indicatie is nu geregeld. Ook sluiten de werkwijze van de GGD en de kinderopvang op elkaar aan. Op dat vlak is de toeleiding van kwaliteit. We missen echter nog steeds kinderen met een ve-indicatie op de voorschoolse opvang. Door de toeleidingsmonitor is beter in beeld in welke fase ouders besluiten niet deel te nemen. Dat blijken ze al vrij snel te hebben besloten. De betrokkenheid van ouders bij de taalontwikkeling (doel 3) is dus onlosmakelijk verbonden met de verbeteringsdoelstellingen van doel 1. Hoe we meer ouders motiveren om hun kind met een ve-indicatie naar de voorschoolse voorziening te brengen wordt besproken bij doel 3. Naast de focus op de ouders blijven de betrokken partijen kritisch op hun eigen werkwijze. Zoals beschreven bij 4.1 wordt het indicatieprotocol en de werkinstructie van de GGD herzien. Onderdeel van deze herziening blijven de afspraken met de GGD, over: - extra motiveren van ouders; - samenwerking tussen de GGD en kinderopvangorganisaties; - actief volgen van de doelgroeppeuters waaronder de doelgroeppeuters die zijn doorverwezen, maar geen gebruik maken van een voorschoolse voorziening; - terugkoppeling van de voorschoolse voorzieningen over de plaatsing van doelgroeppeuters.
Acties: - Het bereik van de (doelgroep)peuters wordt gemeten d.m.v. de toeleidingsmonitor. De uitkomsten worden besproken met de andere Zeeuwse gemeenten, GGD en aanbieders.
7 De gemeente Schouwen-Duiveland neemt deel aan dit kerngroep-overleg.
11
-
4.3
De gemeente herziet de afspraken met de GGD over het verbeteren van de toeleiding naar voorschoolse educatie. De gemeente verwerkt de subsidiering van de kinderopvang in de subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie.
Meer kinderen beter in taal
4.3.1 Wat willen we bereiken? Een kind met een taalachterstand kan daar zijn of haar verdere leven door worden beperkt. Ook signaleert de kinderopvang in toenemende mate dat een taalachterstand een kind belemmert zich sociaal-emotioneel te uiten. Dit leidt tot gedragsproblematiek bij jonge kinderen. De ambitie voor de nieuwe beleidsperiode is dat meer kinderen sociaal-emotioneel weerbaar zijn en zich kunnen uiten met woorden. De ondersteuningsbehoefte van kinderen en hun ouders en beroepskrachten is hierbij leidend. Het activiteitenaanbod en de begeleiding van voorschoolse voorzieningen en basisscholen sluiten goed op elkaar aan. De voorscholen en de uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie zijn kwalitatief goed. Bewezen effectieve interventies worden ingezet door scholen om onderwijsachterstanden in de Nederlandse taal te voorkomen en te bestrijden. Voor- en vroegschoolse educatie leidt tot een taalinhaalslag Het doel van voor- en vroegschoolse educatie is om peuters met een taalachterstand beter voor te bereiden op de basisschool en ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk kleuters zonder achterstand naar groep 3 kunnen. Bij ieder kind dat start met een taalachterstand blijven we extra groei in ontwikkeling realiseren.
De gemeente heeft met de voorschoolse voorzieningen en de schoolbesturen de volgende beoogde resultaten van voor- en vroegschoolse educatie bepaald: - In 2026 is bij 80% van de peuters die met een taalachterstand instromen op een voorschoolse voorziening, deze achterstand op taal bij uitstroom uit de voorschoolse voorziening afgenomen met minstens twee maanden. Deze kinderen maken dus een inhaalslag t.o.v. zichzelf bij instroom. - In 2026 is bij 80% van de kleuters die met een taalachterstand instromen in groep 1 van de basisschool, deze achterstand op taal eind groep 2 afgenomen met minstens twee maanden. Deze kinderen maken dus een inhaalslag t.o.v. zichzelf bij instroom. Meer kinderen ervaren plezier in lezen Een ruime woordenschat helpt kinderen zich sociaal-emotioneel te uiten. Door te lezen vergroten kinderen hun woordenschat.8 Het traject BoekStart en ‘de Bibliotheek op school’ (dBos) van de bibliotheek zorgen ervoor dat er meer wordt gelezen in de opvang en in de klas. De bibliotheek monitort zelf de effecten van deze trajecten. De gemeente beoogt dat het leesplezier op Schouwen-Duiveland overeenkomt met het landelijk gemiddelde.
8 ‘Vroeg begonnen, veel gewonnen. Een onderzoek naar langetermijneffecten van BoekStart’ A.G. Bus & M. de Bondt
(Utrecht, 2022)
12
Indicator1: In 2022 is bij 80% van de peuters die met een taalachterstand instromen op een voorschoolse voorziening, deze achterstand op taal bij uitstroom uit de voorschoolse voorziening afgenomen met minstens twee maanden. Indicator2: In 2022 is bij 70% van de kleuters die met een taalachterstand instromen in groep 1 van de basisschool, deze achterstand op taal eind groep 2 afgenomen met minstens twee maanden. Deze kinderen maken dus een inhaalslag t.o.v. zichzelf bij instroom. Bereik:* 2019 kinderen met vve-indicatie scoren in dit jaar 15% lager t.o.v. leeftijdsgenoten in hun taalontwikkeling dezelfde kinderen met vve-indicatie scoren in 2021 5% lager t.o.v. leeftijdsgenoten in hun taalontwikkeling Dit betekent dat kinderen met een vve-indicatie zich op taal sneller ontwikkelen dan hun leeftijdsgenoten. Indicator 3: In 2026 vindt 70% van de jongens lezen erg leuk of best leuk. Indicator 4: In 2026 vindt 80% van de meisjes lezen erg leuk of best leuk. Bereik:** 2023 68% van de jongens vindt lezen erg leuk of best leuk. 2023 74% van de meisjes vindt lezen erg leuk of best leuk. * Bron: ‘Monitor 2021 – gemeentelijke rapportage Schouwen-Duiveland’ RPCZ (Vlissingen, augustus 2021) ** Bron ‘Monitor Bibliotheek op school PO Schouwen-Duiveland’ (2023)
4.3.2 Wat doen we al? De professionalisering bij kinderopvang blijft De kwaliteit van voorschoolse educatie verbetert door de inzet van hbo’ers op de groep. Het rijk heeft de gemeenten ook verplicht het aantal hbo’ers te verhogen. De rijksdoelen blijven zowel lokaal als nationaal gemonitord. De resultaten van voor- en vroegschoolse educatie zijn in 2019 en 2021 gemonitord. Uit de rapportage blijkt dat de kinderen op Schouwen-Duiveland zich ontwikkelen zoals past bij hun leeftijd. De vve-kinderen scoren op alle vlakken minder hoog dan hun leeftijdsgenoten. Op het domein taal wordt bij deze kinderen wel een flinke groei gerealiseerd. De gemeente is in deze monitor opgedeeld in regionale clusters. Er zijn geen opvallende verschillen tussen de scores van deze clusters. De resultaten blijven gemonitord. Inzetten op bewezen effectieve interventies De gemeente stelde per jaar €60.000 subsidie beschikbaar voor het basisonderwijs. Dat is voor bewezen interventies; activiteiten die de taalontwikkeling van kinderen tot en met 12 jaar bevorderen. In de beleidsperiode zijn drie aanvragen voor dit budget ingediend door de scholen. Eén van de drie is afgewezen. Vanuit dit budget wordt ten eerste Bouw gesubsidieerd. Bouw is een programma voor basisschoolkinderen t/m groep 4. De methode ondersteunt kinderen met een risico op leesproblemen.
Van 2021 tot 2026 hebben alle basisscholen toegang tot het programma Bouw. Eén school heeft subsidie voor het programma Opstapje aangevraagd. Een onderwijsmedewerker begeleidt ouders met hun peuter. Met als doel thuis het taalmilieu te verbeteren en kind en ouders vertrouwd te laten worden met school. Een derde aanvraag, voor een programma om woordenschat te vergroten, is afgewezen. De kosten zijn te hoog voor het aantal kinderen dat hier baat bij heeft. Het budget voor bewezen effectieve interventies is verder besteed aan het verlagen van de eigen bijdrage van de scholen voor de Bibliotheek op school. Zoals hieronder verder wordt beschreven, zorgde de succesvolle deelname van een paar scholen in 2020 tot deelname van alle scholen. De LEA stemde in met deze dekking, aangezien er jaarlijks ruimte was binnen het budget voor bewezen effectieve interventies. Activiteiten bibliotheek in het onderwijs De Bibliotheek op school zorgt dat een leesconsulent meerdere keren per maand op een basisschool komt. Deze leesconsulent heeft de taak het leesplezier en de leesmotivatie van de kinderen te vergroten. Ook vergroot de leesconsulent de expertise van de leerkrachten en het team als het gaat om leesmotivatie
13
en leesbevordering. De leesmotivatie van zowel de jongens als de meisjes schommelt jaarlijks rond het landelijk gemiddelde.9 Dit begon op Schouwen-Duiveland als pilot op een enkele school. Sinds 2022 hebben alle schoolbesturen zich in de LEA achter dit project geschaard en doen alle 21 scholen mee. Per leerling draagt de school €15 bij. Van de scholen vraagt dit dus ieder jaar weer een financiele investering. Dit maakt een blijvende deelname van alle scholen kwetsbaar. De bibliotheek heeft met een nagenoeg alle scholen een samenwerkingsovereenkomst. In de subsidieregeling onderwijsachterstandenbeleid is per jaar een vast bedrag voor de bibliotheek bestemd. Voor 2023 en 2024 is deze subsidie aangevuld vanuit het restbudget van het onderwijsachterstandenbeleid. Zo kon voor alle scholen de eigen bijdrage voor dBos worden verlaagd naar € 15,- per leerling. Om dit aanbod te onderhouden is het beter een structurele financiering te vinden. Dit kan ook buiten het onderwijsachterstandenbudget. Voor kinderen tot vier bestaat het programma ‘BoekStart in de Kinderopvang. Kinderopvangorganisatie Kibeo ontving gemeentelijke financiering om per locatie een pedagogisch medewerker in te zetten als voorleescoördinator. Deze werkt samen met de voorleesconsulent en leesconsulent van de bibliotheek, de leescoördinator van de basisschool en vergroot de ouderbetrokkenheid.
De voorleesconsulent richt zich op de kinderen van 0-6 jaar, de betrokken professionals en ouders. Zo zorgt de bibliotheek met kinderopvang en school voor een doorgaande lijn in activiteiten rond leesonderwijs. De samenwerking is vraag- en doelgericht en daardoor per instelling verschillend. Doorgaande lijn van voor- naar vroegschoolse educatie Voor kinderen met een vve-indicatie biedt de kinderopvang een programma. Dit richt zich op het verbeteren van hun communicatieve vaardigheden. Als de kinderen naar de basisschool gaan wordt de begeleiding door de kinderopvang warm overgedragen aan de school. Ouders zijn hierin betrokken. Alle kindlocaties op Schouwen-Duiveland kennen deze warme overdracht. De invulling en vorm verschilt echter. In schooljaar 20232024 wordt met restbudget uit de onderwijsachterstandenbeleidsperiode 20192022 de samenwerking tussen scholen en kinderopvang verstevigd. Ze worden begeleid bij het herzien en maken van afspraken over de doorgaande lijn voor locaties waar ze mee samenwerken. Het verbeteren van de overdracht past bij de beleidsperiode 2019-2022. Het Taalexpertisecentrum De basisscholen zorgen voor onderwijs aan niet-Nederlandstalige kinderen binnen het Taalexpertisecentrum (TEC). Het aantal leerlingen die taalonderwijs nodig hadden fluctueerde de afgelopen jaren.
Vanwege de toestroom van niet-Nederlandstalige kinderen is de TEC in 2022 gecentreerd en onderdeel van het kindcentrum J.W. van den Doelschool te Zierikzee. Kinderen van 4-6 jaar worden ambulant ondersteund op de basisschool naar keuze. De gezamenlijke verantwoordelijkheid ligt bij de LEA partners; namelijk zowel schoolbesturen van het primair onderwijs en de gemeente. De gemeente zorgt voor onderwijshuisvesting en verstrekt een subsidie vanuit de onderwijsachterstandsmiddelen. De bestuurlijke afspraken liggen vast in een convenant.
4.3.3 Wat gaan we doen? Effecten van activiteiten in beeld brengen De kinderen op de voorschoolse educatie ontwikkelen zich op taal leeftijdsadequaat. Wel signaleert de kinderopvang een toenemend aantal kinderen dat zich moeilijk sociaal-emotioneel kan uiten. Dit kan gedragsproblematiek tot gevolg hebben. De ambitie voor de nieuwe beleidsperiode is dat meer kinderen sociaal-emotioneel weerbaar zijn en zich kunnen uiten met woorden. De partners realiseren met behulp van de gemeentelijke subsidies professionele begeleiding voor kinderen. De effecten hiervan kunnen in beeld gebracht worden. Het biedt de mogelijkheid de effecten te vergelijken met gegevens van andere gemeenten of voorgaande jaren. Dit wordt besproken in de werkgroep oab. De monitor die tweejaarlijks is ingezet om de ontwikkeling bij vve-kinderen te meten wordt gecontinueerd. Hiervoor is het nodig dat scholen en kinderopvang vergelijkbare data aanleveren en daarom afstemmen welke kindvolgsysteem wordt gebruikt. Continueren inzet op doorgaande lijn
9 De leesmotivatie wordt gemeten bij de scholen vanaf het moment dat de bibliotheek betrokken is. Er is dus geen
nulmeting om te zien of de leesmotivatie steeg t.o.v. de periode zonder dBos.
14
De samenwerking op locatie tussen opvang en onderwijs wordt structureel versterkt. Haalbare aanbevelingen uit de evaluatie van dit traject worden opgepakt. Met name aanbevelingen die zich richten op ouderbetrokkenheid, monitoring en professionalisering. Voorkomen van taalachterstanden in het onderwijs De subsidie voor het TEC blijft geborgd in de subsidieregeling onderwijsachterstanden. Het budget voor bewezen effectieve interventies wordt verlaagd. Er blijft ruimte voor breed aangedragen interventies. De leesmotivatie blijft gestimuleerd, waardoor kinderen over een rijke woordenschat beschikken. Subsidieregeling onderwijsachterstanden De gemeente besteedt de onderwijsachterstandsmiddelen door subsidies beschikbaar te stellen. De kaders voor deze subsidies worden opnieuw vastgesteld in de subsidieregeling onderwijsachterstanden. Hierin zijn de onderwijsachterstandsdoelen en de doelgroep terug te vinden. Op basis van de subsidieregeling onderwijsachterstanden worden alleen activiteiten gericht op taalstimulering gesubsidieerd. De subsidieregeling valt onder de Algemene Subsidieverordening gemeente Schouwen-Duiveland 2023. De subsidieverordening schrijft voor dat alleen activiteiten subsidiabel zijn.
Acties: - De gemeente monitort periodiek de resultaten van voor- en vroegschoolse educatie. De resultaten worden door de voorschoolse voorzieningen en de basisscholen lokaal besproken met het oog op het verhogen van de kwaliteit. - De gemeente spreekt halfjaarlijks met subsidieontvangers de effecten van de gesubsidieerde activiteiten. Hierbij worden ook de sociaal-emotionele effecten besproken. - De gemeente blijft onderzoeken of de subsidiëring van dBos (deels) op een andere wijze te financieren is; structureel en buiten het onderwijsachterstandenbeleid. - De gemeente zet bij positieve effecten (aangetoond in evaluatie) de bestaande bewezen effectieve interventies voort. - De partijen van het TEC herzien per twee jaar het convenant. - De gemeente verwerkt de subsidiering in de nieuwe subsidieregeling onderwijsachterstanden. - De werkgroep oab bespreekt de conclusies uit traject ‘versterken doorgaande lijn 20232024’ kinderopvang-po en pakt haalbare aanbevelingen op.
4.4
Meer ouders betrokken bij taalontwikkeling
4.4.1 Wat willen we bereiken? Ouders worden in de nieuwe beleidsperiode nog meer gemotiveerd om hun kinderen een rijke taalbeleving te geven. Dit kan thuis, in de bibliotheek, op school of bij de voorschoolse voorziening. Deze motivatie komt als ouders zich autonoom voelen om te kiezen, begrijpen waar ze voor kiezen en verbondenheid voelen met de partner waar ze hun kind aan toevertrouwen. De bibliotheek is partner in leesbevordering De bibliotheek is er voor iedereen. Ouders en kinderen zijn er welkom om aan activiteiten deel te nemen, samen te lezen en te leren. De belangrijkste fase voor de spraak- taalontwikkeling van een kind ligt tussen de 0 en 6 á 7 jaar. In deze periode is het kind het meest taalgevoelig. Een kind groeit in een taalrijke omgeving op als ouders veel met het kind praten en voorlezen. Een kind bouwt dan een grotere woordenschat op en heeft een bredere kennisbasis. Leren lezen wordt makkelijker. Het is dan ook belangrijk dat ouders al vroeg beginnen met hun kind voor te lezen en de weg naar de bibliotheek weten te vinden. De bibliotheek is deskundige rond leesbevordering en taalbeheersing. Door activiteiten als BoekStart in de Kinderopvang, De VoorleesExpress (voorheen Taalvisite) en de Bibliotheek
15
op school bevordert de bibliotheek de leesmotivatie en de taalverwerving.10 Met BoekStart in de Bibliotheek en de VoorleesExpress bereikt de bibliotheek het kind via de ouder in een zogenoemde gezinsgerichte werkwijze. Meer ouders raken betrokken bij (voor)leesactiviteiten en worden gestimuleerd om ook thuis voor te lezen en gebruik te maken van het (gratis) aanbod van de bibliotheek. Ook blijven meer ouders langer betrokken. Grotere ouderbetrokkenheid bij taalverwerving op voorschoolse voorzieningen en basisscholen Zoals al beschreven bij doel 1: het aantal kinderen met een ve-indicatie dat ook naar een voorschoolse voorziening gaat mag hoger. We willen nog meer ouders motiveren om deze kinderen naar een ve-plaats te brengen en hen een rijke taalbeleving te geven. Zowel de voorschoolse voorziening als de basisschool (groep 1 en 2) trekken samen met ouders op bij de taalverwerving van het jonge kind. De ambitie om ouders te bereiken en te motiveren wordt breed gedragen door zowel GGD, kinderopvang, onderwijs als bibliotheek. Indicator1: -
De bibliotheek organiseert minimaal 6 keer per jaar een BoekStartbijeenkomst in de bibliotheekvestigingen van Schouwen-Duiveland.
Indicator2: -
De bibliotheek organiseert maandelijks ouder-kind activiteiten op een kindlocatie en bereikt meer doelgericht de gezinnen met kinderen met (een risico op) een taalachterstand.
Indicator3: - De bibliotheek bereikt jaarlijks 12 gezinnen met een traject van De VoorleesExpress. Indicator4: -
Alle basisscholen activeren ouders minimaal één keer per jaar tijdens een activiteit met ouders en kinderen over taalstimulering i.s.m. de (voor)leesconsulent en leescoördinator.
Indicator5: Alle kinderopvanglocaties activeren ouders minimaal één keer per jaar tijdens een activiteit met ouders en kinderen over taalstimulering i.s.m. de voorleesconsulent en leescoördinator.
Bereik 2019 Opstart activiteiten 2020-2022 Coronamaatregelen golden tot en met maart 2022. Hierdoor werden huisbezoeken of groepsbijeenkomsten zeer beperkt of in periodes onmogelijk.
4.4.2 Wat doen we al? Programma ouderbetrokkenheid door bibliotheek De VoorleesExpress is een programma van de bibliotheek waarbinnen ouders en kinderen thuis 20 weken lang ‘visite’ krijgen van voorleesvrijwilligers. Onderwijs, opvang, GGD en vluchtelingenwerk melden kinderen uit gezinnen met (kans op) taalachterstand aan bij De VoorleesExpress. Tijdens het traject blijft het contact met de school en de opvang om de voortgang op taal- en leesgebied te bespreken. Vrijwilligers in onze gemeente noemen dat kinderen vooruitgaan in taal, beter kunnen lezen en ouders actiever aan de slag gaan met de taalontwikkeling van hun kind. Gezinnen gaan vaker naar de bibliotheek. Tegelijk wordt ook aangegeven dat het lastiger is om bij Nederlandstalige gezinnen binnen te komen dan bij anderstalige gezinnen. De dorpsscholen in kleine kernen ervaren het als een taboe om hier het gesprek over te beginnen. Met de opstart van dit programma (2021) had de bibliotheek te maken met de beperkingen door de coronapandemie. Na de zomer van 2022 worden meer gezinnen aangemeld en thuisbezoeken gedaan. Ook melden de volwassenen zich, na een bezoek door de VoorleesExpress, bij het Taalhuis van de 10
Ook het Taalhuis van de bibliotheek is een plaats waar mensen de (Nederlandse) taal verbeteren. Dit richt zich op volwassenen. Daarmee valt het buiten het onderwijsachterstandenbeleid.
16
bibliotheek. Door het netwerk in te zetten van voorlees- en leesconsulenten in de gemeente, vanaf 1 augustus 2024 aangevuld met een BoekStartcoach, wint De VoorleesExpress aan bekendheid en worden meer professionals bereikt die laagtaalvaardige of anderstalige gezinnen kunnen inzetten. BoekStart in de Bibliotheek is een programma dat alle jonge ouders met hun kinderen vanaf 0 jaar stimuleert tot voorlezen. Ouders van pasgeboren kinderen ontvangen via de gemeente een brief over BoekStart en het gratis lidmaatschap van Bibliotheek Oosterschelde. Dit zorgt jaarlijks voor een aanzienlijk aantal ouders dat hun kind lid maakt van de bibliotheek. Voor de allerkleinsten en hun ouders worden BoekStartbijeenkomsten georganiseerd. Ouders krijgen hier informatie over het belang van een rijke taalomgeving. De voorleesconsulenten van de bibliotheek geven deze bijeenkomsten; dezelfde voorleesconsulent die ouders (gaan) kennen van opvang of basisschool. De deelnemende ouders evalueren deze bijeenkomsten zonder uitzondering als ‘(zeer) goed’. Ouder- kindactiviteiten gericht op taal, tracht ouders en kinderen tot 4 jaar te bereiken op een voor hun bekende omgeving op de kindlocatie. Op basis van een aantal indicatoren wordt deze locatie, in afstemming met partners uit onderwijs en kinderopvang, gekozen.
Deze activiteiten vervangen de Voorleesfeesten, die tot nu toe niet voldoende deelnemers trok die binnen de OAB-doelgroep vallen. Grotere ouderbetrokkenheid bij voorschoolse voorzieningen en basisscholen Vanwege dBos heeft iedere basisschool een leescoördinator en de kinderopvang een voorleescoördinator. Deze coördinatoren organiseren ouderactiviteiten over taal op de locatie. Of dit op iedere school jaarlijks gebeurt is onduidelijk. De basisscholen rapporteren hier niet over aan de gemeente, aangezien ze dit doen vanuit hun eigen onderwijsachterstandsmiddelen. Bij sommige scholen staat als verplichting in het aannamebeleid dat kinderen lid zijn van de bibliotheek. De kinderopvang rapporteert ook niet per locatie hoeveel ouderactiviteiten er zijn geweest. Wel krijgen ouders van de opvang, als dat nodig is, een ontwikkeltas. Deze tas bevat materiaal waarmee ouders thuis samen met het kind spelenderwijs de ontwikkeling kunnen stimuleren.
4.4.3 Wat gaan we doen? Voorschoolse educatie normaliseren Als ouders besluiten hun kind niet naar een ve-plaats te brengen, hebben ze dit al snel duidelijk (zie doel 1). Dit fenomeen zien we bij veel Zeeuwse gemeenten. Om ouders te motiveren hun kind wel te brengen is het belangrijk dat ze zich autonoom voelen om te kiezen, begrijpen waar ze voor kiezen en verbondenheid voelen met de partner waar ze hun kind aan toevertrouwen. Aan het tweede en het derde punt kan gewerkt worden. Door begrijpelijke, beeldende informatie over taal, over de VoorleesExpress of over vveplaatsen begrijpen ouders waar ze voor kiezen. Door activiteiten dicht bij huis, georganiseerd door een bekend gezicht, voelen ze zich vertrouwd met de personen. De mogelijkheden hiertoe worden voor de nieuwe beleidsperiode onderzocht. Hierin wordt de vve-coördinator meegenomen. Onderzoek naar vve-coördinator Het bereiken van ouders met kinderen met een taalachterstand blijft een uitdaging. Denk aan anderstalige of ‘multi-problem’ gezinnen. Juist binnen deze doelgroep is het aantal laaggeletterden hoger. Een talige flyer is er niet gekomen. Het meest overtuigend is persoonlijk contact. De doelgroepouders worden gemotiveerd door mensen die ze kennen. Dit kan een vve-coördinator op zich nemen. Deze persoon kan die bijeenkomsten organiseren voor ouders, maar ook ouders opzoeken en in gesprek achterhalen wat er speelt.
Deze kan op andere manieren helpen drempels weg te nemen. In de werkgroep oab worden de taken en de positionering van deze vve-coördinator besproken en uitgewerkt. Ouder-kind activiteiten van de bibliotheek Ook in de vorige beleidsperiode was het voornemen de ouderbetrokkenheid te verbeteren. De voorleesfeesten van de bibliotheek, voor ouders en kind, waren verspreid over de drie bibliotheeklocaties. In de nieuwe beleidsperiode komen de activiteiten voor ouder en kind in hun eigen buurt. Met name bij kindlocaties waarvan bekend is dat er binnen de populatie gezinnen zijn met een risico op achterstanden. Deze ouder-kind activiteit is gericht op ouders en hun kind(eren) van 0-4 jaar en vindt onder schooltijd plaats. Bij de organisatie worden de betrokken instellingen nauw betrokken. Vervolgacties uit traject doorgaande lijn gericht op ouderbetrokkenheid Binnen het traject ‘doorgaande lijn’ (2023-2024) overlegden scholen en kinderopvang ook over het betrekken van ouders. Naar aanleiding van de evaluatie bespreekt de werkgroep oab vervolgacties om ouderbetrokkenheid te verbeteren.
17
Acties: - De gemeente zet begrijpelijke, beeldende informatie over voorschoolse educatie en taal in het algemeen in, bij voorkeur in samenwerking met andere Zeeuwse gemeenten. - De werkgroep onderwijsachterstandenbeleid bespreekt taken en positionering vve-coördinator. In 2025 is hier een besluit over genomen. - Scholen en kinderopvang verwerken de leesbevorderende ouder-kind activiteiten met de bibliotheek in de afspraken over doorgaande lijn, in lijn met de gestelde indicatoren. - Het voorgenomen aantal ouder-kind activiteiten wordt opgenomen in de subsidiebeschikkingen - De ouder-kind activiteiten op alle kindlocaties, en met name op locaties met een populatie met risico op taalachterstanden, worden minimaal halfjaarlijks besproken door de werkgroep oab.
18
5.
Monitoren, evalueren en verbeteren
Inrichten van de kwaliteitscyclus Het is van belang om de uitvoering en de opbrengsten van het onderwijsachterstandenbeleid systematisch in kaart te brengen, conclusies te trekken, de afspraken te evalueren en het beleid waar mogelijk te verbeteren. Zo wordt geëvalueerd of de goede dingen worden gedaan en of de dingen goed gedaan worden. Dit proces heet de kwaliteitscyclus. De IvhO heeft dit ook als beoordelingsonderdeel in haar onderzoekskader opgenomen. De kwaliteitscyclus heeft tot doel om de uitvoering en kwaliteit te monitoren en te evalueren en tegelijkertijd inzicht te bieden in de voortgang van de resultaten. De uitkomsten van de kwaliteitscyclus komen vervolgens weer terug in de beleidscyclus. Bij het inrichten van de kwaliteitscyclus wordt de PDCA-cyclus gebruikt, de Plan-Do-Check-Act cyclus.
Figuur 1: Kwaliteitscyclus
Plan: afspraken maken Met het voorliggende beleidsplan heeft de gemeente met de samenwerkingspartners afspraken gemaakt over de te bereiken doelen, de onderliggende indicatoren en de acties die gedaan worden om dat te bereiken. Do: uitvoering De werkgroep oab geeft invulling aan het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. De gemeente heeft de regie over de werkzaamheden van de werkgroep oab. Alle betrokken partners nemen deel in de werkgroep. Dit is afgesproken in het Onderwijsakkoord kinderopvang en onderwijs. Het onderwijsachterstandenbeleid wordt vertaald naar een uitvoeringsagenda. Ieder jaar wordt bepaald welke acties en/of projecten uitgevoerd gaan worden. Op deze manier wordt de samenwerking bevorderd en helder beschreven wie wat gaat doen met welk doel. De LEA wordt bij ieder overleg geïnformeerd over de stand van zaken van de uitvoeringsagenda.
19
Check: monitoren van de resultaten De monitor wordt voortgezet. Zo wordt nagegaan of de activiteiten leiden tot het bereiken van de doelstellingen. De opzet van de monitor wordt afgestemd met de werkgroep oab. De monitor moet inzicht geven in het bereik van de doelgroep, de kwaliteit en de resultaten van het onderwijsachterstandenbeleid. Act: evalueren en hoe verder? Op basis van de monitor kan de balans worden opgemaakt. De bevindingen worden in een rapportage verwerkt en besproken in het LEA-overleg. Dit richt zich op: - In hoeverre zijn de afspraken nagekomen? - Welke resultaten zijn behaald en wat waren hierbij succesfactoren en knelpunten? - Wat betekent dit voor het vervolg? Op basis van de monitor kunnen beleidsonderdelen gehandhaafd of bijgesteld worden, en een plek krijgen in de volgende uitvoeringsagenda. De gemeenteraad wordt jaarlijks met een raadsinformatiebrief geïnformeerd over de resultaten van het beleid en de eventuele verbeteracties.
Acties: - De gemeente stelt met de werkgroep oab een uitvoeringsagenda op. - De gemeente informeert de LEA bij ieder overleg over de stand van zaken van het onderwijsachterstandenbeleid. - De gemeente zet in afstemming met de werkgroep oab een monitor op. - De gemeente informeert jaarlijks de raad met een raadsbrief over de voortgang van het onderwijsachterstandenbeleid.
20
6.
Financieel kader
6.1
Specifieke uitkering onderwijsachterstandenbeleid
De gemeente Schouwen-Duiveland ontvangt voor het onderwijsachterstandenbeleid een specifieke uitkering van het Rijk. De gemeente hanteert de specifieke uitkering als het financieel kader voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid. De voorgaande beleidsperiode ging uit van € 450.000,per jaar. De voorlopige beschikking voor 2024 bedraagt € 516.752,-. Er zit een stijgende lijn in de hoogte middelen, waarbij in sommige jaren de uitkering wel lager uitviel. De gemeente dient de besteding van de specifieke uitkering jaarlijks te verantwoorden aan het Rijk. Middelen die in een jaar niet zijn besteed, kunnen meegenomen worden naar het volgende jaar. Middelen die in 2026 niet zijn besteed worden door het Rijk teruggevorderd met uitzondering van een bedrag ter hoogte van de helft van de uitkering in 2026 (het laatste jaar in het tijdvak).
6.2
Besteding van de specifieke uitkering
Het onderwijsachterstandenbeleid wordt hoofdzakelijk uitgevoerd door onze samenwerkingspartners. Voor de uitvoering stelt de gemeente middelen beschikbaar aan de hand van twee subsidieregelingen en een opdracht aan de GGD. Op basis van de Subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie kunnen kinderopvangorganisaties subsidie aanvragen voor voorschoolse educatie. Op basis van de Subsidieregeling onderwijsachterstanden kunnen basisscholen en de bibliotheek subsidie aanvragen. Aanvullend verstrekt de gemeente de opdracht aan de GGD om extra in te zetten op de toeleiding naar voorschoolse educatie. Resterende middelen kan de gemeente inzetten voor het monitoren van het beleid en bijvoorbeeld communicatie. Ook kan in de werkgroep OAB bekeken worden waarvoor resterende middelen worden ingezet, bijvoorbeeld voor interventies genoemd in de Notitie Effectieve interventies leerachterstanden in het primair onderwijs van het CPB (6 juni 2018).