CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2023 434 Bijlage 1 Toelichting

Gemeenteraad 25 januari 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken20.795 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

33/72

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' (2011) Toetsingskader De gemeenteraad heeft op 3 oktober 2011 de Strategische Visie 'Tij van de Toekomst' vastgesteld. In de visie is opgenomen hoe de gemeente Schouwen-Duiveland er in 2040 uit zou moeten zien. In de strategische visie staat de volgende ambitie centraal: 'In 2040 kent vakantie-eiland Schouwen-Duiveland een toonaangevende watereconomie die de duurzame verbinding vormt tussen wonen, werken, zorgen en genieten'. In de visie wordt specifiek aangegeven dat bedrijvigheid wordt gestimuleerd. De bestaande bedrijventerreinen in Bruinisse en Zierikzee worden uitgebreid en de bestaande bedrijventerreinen in de kernen onder bepaalde voorwaarden worden uitgebreid. Toetsing en conclusie De ontwikkeling sluit aan bij het beleid om bedrijvigheid te stimuleren. Er kan niet worden voldaan om de bedrijven naar de aanwezige bedrijventerreinen te verplaatsen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3. 3.4.2 Bedrijventerreinprogramma Schouwen-Duiveland Beide bedrijven zijn groter dan 1 hectare. Beide bedrijven zijn in het bedrijventerrein programma van de gemeente aangewezen als kleinschaligbedrijventerrein, zijnde voormalige solitaire bedrijfslocaties in het buitengebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3.

3.4.3 Concept-Gebiedsvisie Zuidoostflank Zierikzee (mei 2022) Aanleiding van de visie is: de energietransitie claimt ruimte in de vorm van een tweede 150 KV station op het eiland; uitgifte van bedrijfsgronden is sneller gegaan dan verwacht; de behoefte aan een extra ontsluitingsweg. Voor het gebied zijn verschillende visies gemaakt, waarbij ook rekening wordt gehouden met uitbreiding van het bedrijventerrein aan de Straalweg voor de komende 30 tot 50 jaar. De verwachting is dat de gebiedsvisie in apeil 2024 wordt vastgesteld. Op dat moment is er zicht op het actuele bedrijventerreinprogramma.

3.4.4 Energie, klimaat en kringloopeconomie Toetsingskader Energie-agenda De algemene doelstelling binnen de gemeentelijke Energie-Agenda is het realiseren van een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040. Specifieke doelstellingen voor 2023 zijn het realiseren van een energiebesparing van 3% ten opzichte van het huidige gebruik (referentiejaar 2017) en 16% van het energieverbruik wordt duurzaam opgewekt.

34/72

Klimaatadaptatiestrategie In het kader van het nationale deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Inzet is dat overheden er samen met andere partijen voor gaan zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt. De overheden gaan, in nauwe samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties, in drie stappen te werk: 'Weten': analyseren wat de gevolgen zijn van klimaatverandering voor de diverse functies in een gebied in de periode tot 2050 (met een doorkijk naar 2100) zijn; 'Willen': concrete doelen stellen voor het verbeteren van de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid in de periode tot 2050 en een daarbij passende strategie formuleren; 'Werken': de doelen en de strategie vastleggen in bijvoorbeeld beleidsplannen, wetten en regels en programma's voor uitvoering, beheer en 'groot' onderhoud. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om in 2050 klimaatbestendig en water robuust te zijn. Momenteel wordt er in samenspraak met andere partijen in Zeeland een klimaatadaptatiestrategie opgesteld. Het wordt steeds belangrijker om het regenwater wat er valt te hergebruiken, omdat de kans op schaarste van zoet water steeds groter wordt in de toekomst.

Zoetwater bergen voor de landbouw is dan een goede mogelijkheid, naast het gebruik van regenwater voor een grijswatercircuit (onder meer spoelen toiletten). Door klimaatverandering is de verwachting dat er steeds langere perioden van droogte en hitte ontstaan. Zorg voor voldoende opgaande beplanting. Beplanting kan voor schaduw zorgen, maar ook rond de beplanting is door water verdamping uit de plant de lucht koeler. Daarnaast kan beplanting zorgen dat wateroverlast minder wordt, doordat het water opgenomen wordt door de plant, en het water in de bodem opgenomen wordt, waardoor de bodem minder snel uitdroogt. Kringloopeconomie De circulaire of kringloop economie is een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. De landelijk doelstelling is om in 2030 een halvering van het grondstoffengebruik te halen en in 2050 volledig circulair te zijn. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is bij te dragen aan een economisch systeem waarbij geen eindige grondstofvoorraden worden uitgeput en waarin reststoffen volledig opnieuw worden ingezet in het systeem.

Toetsing en conclusie Voor een toelichting op deze aspecten wordt verwezen naar paragraaf 4.13 Duurzaamheid. 3.4.5 Milieubeleidsplan Schouwen-Duiveland Toetsingskader Het milieubeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland is vastgelegd in het milieubeleidsplan. Het beleid wordt besproken en vastgelegd in een aantal modules die elke een apart milieuthema behandelen. Hierna worden de belangrijkste aandachtspunten uit de diverse modules genoemd. Module Geluid en Stilte (2008)

35/72

Schouwen-Duiveland is niet of nauwelijks bekend met het fenomeen geluidhinder. Toch zijn er gebieden op het eiland waar het nodige geluid wordt geproduceerd, zoals recreatiegebieden en langs hoofdwegen. De gemeente wil voorkomen dat de geluidsruimte die er is, gestaag dichtslibt. Het doel is om ook voor de toekomst een veilig, ruim en rustig werk- en leefklimaat te behouden, en waar nodig te versterken. Daarbij moet tevens ruimte zijn voor economische ontwikkeling. Met het geluidbeleid richt de gemeente zich onder andere op de onderwerpen: rust en stilte, ecologische situatie, evenementen en verkeer. Zo komen er geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen op geluidbelastende locaties. Module Licht en Duisternis (2009) Op Schouwen-Duiveland is nog echte duisternis te ervaren. Mensen, dieren en planten varen wel bij een goede balans tussen licht en donker. Deze kwaliteit dient te worden gewaarborgd, want hij staat onder druk. Duisternis is te behouden door een viertal instrumenten toe te passen; preventie (niet verlichten), duurzaam verlichten (milieubewuster), gericht verlichten en bewust verlichten. Het duisternisbeleid richt zich op openbare verlichting, verlichting bij bedrijven en terreinverlichting.

Module Energie en Klimaat (2009) De uitstoot van fossiele brandstoffen versterkt het natuurlijke broeikaseffect, waardoor het op aarde steeds warmer wordt en het klimaat veranderd. De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee het eiland klimaatbestendig en energieneutraal wordt. Dat kan op twee manieren: de klimaatbestendige aanpak. Dit houdt in dat er bij het bestemmen, inrichten en beheren van gebieden nadrukkelijk en telkens weer rekening gehouden moet worden met drie kernkarakteristieken: de weerstand, de veerkracht en het aanpassingsvermogen van gebieden; broeikasreductie. Dit is te bereiken door energie te besparen en de energievraag te beperken, als dat mogelijk is duurzame energiebronnen te benutten en het zo efficiënt mogelijk gebruiken van fossiele brandstoffen, indien niet anders kan. Bij de aanpak staan verduurzaming en energiezuinigheid voorop. De gemeente richt zich op onder andere de volgende sectoren: gebouwen: hanteren van een 10% strengere EPC norm en het energiezuinig ontwerpen van gebouwen. Voor gemeentelijke gebouwen geldt een 20% strengere EPC norm; opzetten van een energiemanagementsysteem voor gemeentelijke gebouwen; verkeer en vervoer: stimuleren van gebruik van het openbaar vervoer en de fiets; duurzame energie: kansen onderzoeken om energieneutraal te worden.

Gebruik maken van deze kansen, zoals warmtekoude opslag; duurzame bedrijven: bij bedrijven en bedrijvigheid gaan voor duurzaamheid. (Energie)verspilling voorkomen. Module Luchtkwaliteit (2008) De luchtkwaliteit op Schouwen-Duiveland is, zeker vergeleken met andere gebieden in Nederland, goed. Die bijzondere positie moet behouden blijven. Waar mogelijk moet er naar gestreefd worden om de luchtkwaliteit zelfs nog te verbeteren. Het verminderen van autoverkeer kan daarbij helpen. Autoverkeer is een belangrijke vervuilingsbron. De volgende instrumenten worden hiertoe gehanteerd: stimuleren van andere en schonere vervoerswijzen, een betere doorstroming van het verkeer en stimuleren van duurzame energie. In het

36/72

uitvoeringsprogramma wordt met name genoemd dat het fietsverkeer gestimuleerd kan worden door de realisatie van extra fietspaden en goede fietsenstallingen. Module Bodem (2010) Iedere bodem heeft zijn kwaliteiten. Hier liggen kansen en knelpunten. Door in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen deze in beeld te brengen, zijn knelpunten vroegtijdig in beeld en kunnen kansen optimaal benut worden, waardoor er optimaal recht wordt gedaan aan de aanwezige bodemkwaliteiten. Hierdoor worden ook toekomstige beheerskosten beter in beeld gebracht en kunnen ze deel uitmaken van de afwegingen die leiden tot het definitieve plan. Module Externe Veiligheid (2010) Externe veiligheid betreft de maatregelen die moeten voorkomen dat er buiten de poort van een bedrijf/inrichting slachtoffers vallen, als er door het betreffende bedrijf wordt gewerkt of opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt gedoeld op omwonenden maar ook op recreanten op kampeerterreinen of in jachthavens. Schouwen-Duiveland moet een plek zijn waar het veilig werken, wonen, winkelen en recreëren is. Toch blijft de gemeente ruimte bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven/inrichtingen die veiligheidsrisico's met zich meebrengen. Deze risico's dienen echter wel aanvaardbaar te zijn, en minimaal te voldoen aan de landelijke voorschriften.

Het bestemmingsplan moet ervoor zorgen dat er geen ongewenste ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid kunnen voordoen. Dat gebeurt door: externe veiligheid te betrekken bij actualisering van bestemmingsplannen; externe veiligheid vroegtijdig te betrekken bij nieuwe ontwikkelingsplannen; het hanteren van afstandseisen voor recreanten ten opzichte van gevaarlijke stoffen binnen een inrichting; inrichtingseisen te stellen aan kampeerterreinen en jachthavens. Concreet wordt het volgende nagestreefd: bestemmingsplannen voorzien van risicocontouren bij BEVI-inrichtingen en bij propaantanks met een inhoud die groter zijn dan 13 m³; bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de veiligheidseffectrapportage (v.e.r.) toepassen. De activiteiten die in het kader van bovengenoemde milieumodules moeten worden opgestart en uitgevoerd, staan beschreven in een uitvoeringsprogramma. In dit programma, dat is onderverdeeld in thema's, is aandacht voor het doel van de activiteiten, de rol van de gemeente, de externe partijen waarmee de gemeente de activiteit wil uitvoeren, het betreffende gebied en een tijdplanning. Toetsing De vastgestelde modules gelden voor het hele gemeentelijk grondgebied van de gemeente Schouwen-Duiveland. De modules beschrijven per milieuonderwerp welke doelen binnen welke periode bereikt moeten worden.

Voor de onderwerpen is de paragraaf aangegeven waar een nadere toelichting is gegeven. Geluid en Stilte, zie paragraaf 4.9; Externe Veiligheid, zie paragraaf 4.7; Luchtkwaliteit, zie paragraaf 4.6; Bodem, zie paragraaf 4.4; Module energie en klimaat, zie paragraaf 4.13; Module Licht en Duisternis, zie paragraaf 4.14.

37/72

Conclusie Verwezen wordt naar hoofdstuk 4, waar de resultaten van de sectorale toetsingen zijn opgenomen. De sectorale aspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4.6 Parkeerbeleid (2017-2020) Toetsingskader De gemeente heeft beleid opgesteld waaraan een ontwikkeling moet voldoen met betrekking tot het aspect parkeren. Bij nieuwbouw betreft dit de CROW 317 "kencijfers parekeren en verkeersgeneratie". In principe wordt bij ontwikkelingen uitgegaan van parkeren op eigen terrein. Toetsing en conclusie De ontwikkeling voldoet aan het beleid, zie voor een nadere toelichting paragraaf 4.1.

38/72

Hoofdstuk 4

Toetsing aan omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan de relevante milieuaspecten en overige planologisch relevante aspecten. Er wordt onder andere getoetst of er ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woonen leefklimaat is, of er geen bedrijven gehinderd worden in hun bedrijfsvoering door de ontwikkeling en of er ecologische en/of culturele waarden in het geding zijn door de ontwikkeling.

4.1

Verkeer en parkeren

Toetsingskader De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de kencijfers van het CROW. Parkeerbehoefte wordt bepaald op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Toetsing Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De gemeente Schouwen-Duiveland kent de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. De beoogde ontwikkeling heeft de ligging 'buitengebied'. Ligging plangebied Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Langeweg. De Langeweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 60 km/u. Langzaam verkeer Op de Langeweg deelt de fietser de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer en zijn geen fietsvoorzieningen aanwezig.

Echter is de Lageweg breed genoeg zodat het gemotoriseerd verkeer het fietsverkeer veilig kan inhalen. De ontsluiting van het plangebied voor langzaam verkeer kan als voldoende verkeersveilig worden beoordeeld. Openbaar vervoer Op circa 1.500 meter loopafstand van het plangebied ligt langs de N59 een bushalte. Hier halteren de volgende buslijnen: Buslijn 133 halteert elke 25 minuten tussen Oude-Tonge en Middeldurg; Buslijn 395 halteert elk halfuur tussen Rotterdam, Zuidplein en Zierikzee;

39/72

De ontsluiting van het plangebied per openbaar vervoer kan daarmee als voldoende worden beoordeeld. Verkeersgeneratie Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381. Hierbij wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het autobezit per kengetal het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De gemeente Schouwen-Duiveland kent de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk'. De beoogde ontwikkeling heeft de ligging 'buitengebied' Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de bedrijven wordt, gezien de grootte, aangesloten bij tabel A7 en A8 van het CROW (publicatie 381). Gezien de mix van activiteiten wordt aangesloten bij de categorie 'I Gemengd Terrein'. Voor dit type werkmilieu geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 158 mvt/etmaal per netto hectare bedrijventerrein. Deze verkeersgeneratie is onderverdeeld in 128 personenauto's per etmaal en 30 vrachtwagens per etmaal. Tabel A9 specificeert het aandeel vrachtverkeer verder in middelzwaar (41%) en zwaar vrachtverkeer (59%). Voor het lichte verkeer geldt hiervoor 128 mvt/etmaal (werkdag). Op basis van de huidige bedrijfssituatie ligt dit kengetal onrealistisch hoog. Daarom wordt voor het bereken van de lichte voertuigbewegingen uitgegaan van 50% van het kengetal (64 mvt/werkdag). De CROW-kentallen gaan uit van werkdagintensiteiten.

De gemiddelde weekdagintensiteit is bepaald door gebruik te maken van een omrekenfactor 1,33 welke CROW-381 noemt voor werkfuncties. Stouten Fourage Bestaande situatie Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de hierna genoemde aannamens zijn gebaseerd op de huidige bedrijfsactiviteiten/ bedrijfsvoering. In de bestaande situatie kent Stouten een oppervlakte van 3,1 hectare. In de bestaande situatie bestaan de activiteiten van Stouten onder fourage en overige activiteiten. Hierbij wordt aangenomen dat 90% van de verkeersgeneratie valt onder fourage en de overige 10% van de verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Van de overige activiteiten wordt aangenomen dat circa 25% planologisch niet zijn toegestaan. Om hier zoveel mogelijk rekening mee te houden, is er voor gekozen om de verkeersgeneratie van deze overige activiteiten te minderen met 25%. Hierdoor wordt een realistische verkeersgeneratie bepaald op basis van de bestaande planologische situatie. Voor de lichte motorvoertuigbewegingen wordt uitgegaan van 50% van het kengetal (128*50% = 64 mvt per netto ha). De reden hiervoor is dat de lichte motorvoertuigen in de feitelijek situatie aanzienlijk minder bedragen dan de helft van het kengetal. Het terrein heeft een grootte van 3,1 ha, waardoor de totale lichte motorvoertuigbewegingen (64*3,1) 230,4 mvt/werkdag * 90% bedraagt.

Hiermee bedraagt de verkeersgeneratie voor de fourage 178,6 mvt/werkdag. De verkeersgeneratie (lichte mvt) voor de overige activiteiten is als volgt berekend: ((128*50%)*3,1*10%*75%) = 14,9

40/72

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt dezelfde berekening als voor de fourage gebruikt. Echter was aangenomen dat 10% van de totale verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Daarnaast wordt aangenomen dat 25% van de overige activiteiten planologisch niet zijn toegestaan, oftewel 75% van de overige activiteiten zijn wel toegestaan. Daarom wordt verkeersgeneratie nog vermenigvuldigd met 75%. Tabel 4.1 Verkeersgeneratie bestaande planologische situatie Stouten Huidige planologische situatie (mvt/werkdag) licht middelzwaar Fourage 178,6 83,7 Overige activiteiten 14,9 7 Totaal 193,4 90,7 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie blijft de oppervlakte 3,6 ha en de verdeling 90% fourage en 10% overige activiteiten gelijk. Tabel 4.2 Verkeersgeneratie toekomtige situatie Stouten Beoogde situatie (mvt/werkdag) licht zwaar Fourage 178,6 83,7 Overige activiteiten 19,8 9,3 Totaal 198,4 93 Tabel Verkeersgeneratie toekomtige situatie Stouten Per saldo leidt dit tot de volgende toename in verkeersgeneratie: Tabel 4.3 Verkeersgeneratie per saldo Stouten Toename per saldo(mvt/werkdag) licht zwaar Huidige planologische situatie 193,4 83,7 Beoogde situatie 198,4 9,3 Totaal 5 2,3 De beoogde ontwikkeling leidt tot een totale toename van 7,3 mvt/werkdag, bestaande uit 5 mvt/etmaal voor licht verkeer en 2,3 mvt/etmaal voor zwaar verkeer.

Loonbedrijf Van der Maas Bestaande situatie Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de hierna genoemde aannamens zijn gebaseerd op de huidige bedrijfsactiviteiten/ bedrijfsvoering. In de bestaande situatie bestaan de activiteiten van Stouten onder op- en overslag activiteiten en overige activiteiten. Hierbij wordt aangenomen dat 75% van de verkeersgeneratie valt onder op- en overslag en de

41/72

overige 25% van de verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Van alle activiteiten wordt aangenomen dat circa 25% planologisch niet zijn toegestaan. Om hier zoveel mogelijk rekening mee te kunnen houden is er voor gekozen om de verkeersgeneratie van te minderen met 25% om zo een realistische verkeersgeneratie te bepalen op basis van de bestaande planologische situatie. Voor de lichte motorvoertuigbewegingen wordt uitgegaan van 50% van het kengetal (128*50% = 64 mvt per netto ha). Het terrein heeft een bestaande grootte van 1,3 ha, waardoor de totale lichte motorvoertuigbewegingen (64*1,3) 83,2 mvt/werkdag bedraagt. Daarnaast werd aangenomen dat van de totale verkeersgeneratie 75% valt onder de op- en overslag activiteiten. Hiermee bedraagt de verkeersgeneratie (lichte mvt) voor de op- en overslag activiteiten (83,2*75%) 62,4 mvt/werkdag. Verder wordt aangenomen dat 25% van de activiteiten planologisch niet zijn toegestaan, oftewel 75% van de overige activiteiten zijn wel toegestaan. Daarom wordt verkeersgeneratie nog vermenigvuldigd met 75%. De verkeersgeneratie (lichte mvt) voor de overige activiteiten is als volgt berekend: ((128*50%)*3,6*25%*75%) = 17,3 Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt dezelfde berekening als voor de fourage gebruikt.

Echter was aangenomen dat 10% van de totale verkeersgeneratie van toepassing is op de overige activiteiten. Daarnaast wordt aangenomen dat 25% van de overige activiteiten planologisch niet zijn toegestaan, ofwel 75% van de overige activiteiten zijn wel toegestaan. Daarom wordt verkeersgeneratie nog vermenigvuldigd met 75%. Tabel 4.4 Verkeersgeneratie bestaande planologische situatie Maas Huidige planologische situatie (mvt/werkdag) licht zwaar Op- en overslag 46,8 21,9 Overige activiteiten 15,6 7,3 Totaal 62,4 29,3 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie neemt de oppervlakte van het terrein toe van 1,3 naar 3,0 ha. De verdeling van 75% op- en afvoer activiteiten en 25% voor overige activiteiten blijft gelijk. Tabel 4.5 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Maas Beoogde situatie (mvt/werkdag) licht zwaar Op- en overslag 144,0 67,5 Overige activiteiten 48,0 22,5 Totaal 192,0 90,0 Per saldo leidt dit tot de volgende toename in verkeersgeneratie: Tabel 4.6 Verkeersgeneratie per saldo Maas Toename per saldo(mvt/werkdag) licht zwaar

42/72

Huidige planologische situatie Beoogde situatie Totaal

97,2 32,4 129,6

45,6 15,2 60,8

De beoogde ontwikkeling leidt tot een totale toename van 190,4 mvt/werkdag, bestaande uit 129,4 mvt/etmaal voor licht verkeer en 60,8 mvt/etmaal voor zwaar verkeer. Toename als gevolg van gehele ontwikkeling De gehele ontwikkeling (Stouten en Maas gezamelijk) leidt tot een verkeerstoename van 198,9 mvt/werkdag. Tabel 4.7 Verkeersgeneratie gehele ontwikkeling (Stouten + Maas) Toename per saldo(mvt/werkdag) licht zwaar Stouten 5 2,3 Maas 129,6 60,8 Totaal 134,6 63,1 Verkeerstoedeling Het plan wordt via de Langeweg ontsloten. Op basis van de navigatietool van Google Maps en expert judgment is een inschatting gemaakt van de toedeling van het verkeer vanaf het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat incidenteel een vervoersbeweging richting het zuiden gaat.

43/72

Figuur 4.1 Verkeerstoedeling plangebied Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Voor beoordeling van de verkeersafwikkeling is de verkeersgeneratie tijdens het maatgevende uur van belang. Als vuistregel geldt dat de verkeersomvang tijdens het maatgegevens uur circa 10% van de etmaalwaarde bedraagt. In dit geval gaat het in het drukste uur op werkdagen dan om (197,7 *10%) om 20 voertuigen. Deze geringe toename van verkeer kan zonder problemen worden afgewikkeld op de omliggende kruispunten en wegen en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. Voor de beoordeling van de verkeersveiligheid kan gesteld worden dat met de geringe toename van het verkeer 20 motorvoertuigen in het drukste uur dit geen effect heeft op de verkeersveiligheid. De verkeersveiligheid wordt dan ook niet negatief beïnvloed als gevolg van het project. Parkeren Op beide terreinen is voldoende ruimte aanwezig om in de feitelijke situatie al te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. In de toekomstige situatie veranderd dit niet. Conclusie

44/72

De verkeersgeneratie leidt niet tot onacceptabel hoge verkeersintensiteiten op de omliggende wegen. Het plan voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer de uitvoering van het plan niet in

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1 Cultuurhistorie Toetsingskader In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing Uit provinciaal kaartmateriaal en andere gegevens blijkt dat het gebied niet cultuurhistorisch waardevol is. Aan de Langeweg liggen verschillende historische boerderijen op basis van het provinciaal beleid. Deze zijn aangegeven in figuur 4.1. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze boerderijen.

Figuur 4.2 Groene stippen, historische boerderijen in de nabijheid van het plangebied, rood: globale ligging plangebied (bron: https://kaarten.zeeland.nl/map/cultuurhistorie, bewerkt Rho adviseurs). Conclusie Vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er geen belemmeringen om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling.

45/72

4.2.2 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenoemde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Hiertoe wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Aan de beleidskaart van het Beleidsplan Archeologie zijn beleidsadviezen gekoppeld die als input dienen voor de voorwaarden bij ontwikkelingen. De archeologische onderzoeksgebieden dienen planologisch te worden beschermd. Ten aanzien van de vergunningverlening wordt een aantal gebieden onderscheiden, waarvoor verschillende drempelwaarden en voorwaarden gelden.

Drempelwaarden vergunningen behorende bij archeologische waarden (bron: Beleidsplan Archeologie Schouwen-Duiveland) NB: de termen 'aanlegvergunning' en 'sloopvergunning' zijn met de inwerkingtreding Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden' en 'Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk'.

46/72

Toetsing en conclusie Voor de gronden geldt Waarde - Archeologie 7 zoals opgenomen in de tabel hiervoor. Voor de gronden is een bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek dat is uitgevoerd in 2019 is opgenomen in bijlage 1. Conclusie uit het bureauonderzoek was dat als de ingrepen niet dieper reiken dan 1,5 meter onder maaiveld geen nader onderzoek noodzakelijk is. Echter conform provinciaal beleid is ook een aanvullend booronderzoek noodzakelijk. Met de gemeente is overeengekomen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen of bij andere activiteiten waar een vergunningplicht voor geldt op dat moment wordt beoordeeld of een aanvullend booronderzoek nodig is. Dit betekent dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeolgie 7' in voorliggend plan is opgenomen in de regels.

4.3

Water

Toetsingskader Beleids- en toetsingskader Voor ruimtelijke plannen dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is Waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteitsen waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het Waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg. Om na te gaan of het voorliggende plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd. Toetsing en conclusie Voor de ontwikkeling zal conform het beleid van het Waterschap Scheldestromen extra waterberging worden gerealiseerd. De locatie hiervoor is opgenomen in het inrichtingsplan van de landschappelijke inpassing, voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.3.

In lid 3.5.3 van de regels is opgenomen dat de waterberging, minimaal 1.742 m3, binnen 2 jaar na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan moet zijn gerealiseerd overeenkomstig het landschappelijke inpassingsplan. De watertoetstabel is opgenomen in bijlage 2. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De waterparagraaf is ter beoordeling toegezonden aan het Waterschap Scheldestromen. De reactie van het waterschap wordt opgenomen en verwerkt is voorliggende toelichting, bijlage toelichting en mogelijk ook in het landschapsplan.

47/72

4.4

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing Locatie Langeweg 2a Voor de locatie Langeweg 2a is een bodemonderzoek uitgevoerd in 2018. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Geconcludeerd is dat bij verschillende mengmonsters er een overschrijding is van de achtergrondwaarde op het gebied van lood, kwik barium en molybdeen.

Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten. De resultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Locatie Langeweg 2b Voor de locatie Langeweg 2b is een bodemonderzoek uitgevoerd in 2018. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 4. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij verschillende mengmonsters er een overschrijding is van de achtergrondwaarde op het gebied van kobalt en minerale olie. Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteiten. De resultaten geven geen aanleiding tot nader onderzoek. Milieuhygiënisch onderzoek Voor het plangebied is in april 2022 aanvullend op de hiervoor genoemde onderzoeken een milieuhygiënisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Geconcludeerd is dat er geen aanwijzingen zijn gevonden die aanleiding geven een asbestverontreining op de locatie te verwachten.

Op basis van het onderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt er geen belemmeringen zijn voor de ontwikkeling. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Conclusie

48/72

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is geconcludeerd dat er in de huidige situatie en voor de toekomstige activiteiten geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn.

4.5

Ecologie

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natuurnetwerk Nederland (NNN); Natura-2000 gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van

49/72

nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Toetsing Gebiedsbescherming Natura2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. De afstand tot een Natura 2000-gebied Oosterschelde bedraagt 850 meter en voor Natura 2000-gebied Grevelingen en 2.000 meter. Om te onderzoeken of er sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een Aerius-berekening uitgevoerd, de memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 7. Voor de ontwikkeling is in AERIUS Calculator een berekening gemaakt voor de aanlegfase en een verschilberekening voor de gebruiksfase. Deze zijn bijgevoegd in bijlage 8 en bijlage 9. Gebruiksfase AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de gebruiksfase (rekenjaar 2023). In de berekening is het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd. Het Adblue verbruik bedraagt ongeveer 4% van het dieselverbruik. Aanlegfase AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr voor de aanlegfase (rekenjaar 2023). In de berekening is het literverbruik van Adblue in dieselmotoren gespecificeerd. Daarnaast is hierbij uitgegaan dat het gebruik van een hijskraan elektrisch is.

50/72

Figuur 4.3 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland) Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het dichtstbijzijnde gebied ligt op circa 700 meter (bloemendijk bij watergang) en de Willempolder en de Slikken van Rumoirt op circa 1.500 meter. De ontwikkeling heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

51/72

Figuur 4.4 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: provincie Zeeland) Soortenbescherming Om na te gaan of de ontwikkeling een nadelig effect heeft op beschermde planten- en diersoorten is een quickscan uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 6. Onderstaand zijn de conclusies van het onderzoek uit 2019 en het geactualiseerde onderzoek uit 2022 weergegeven. Binnen het plangebied zijn de volgende potentiële natuurwaarden aangetroffen: algemene broedvogels; kans op vestiging van de rugstreeppad indien water stagneert tijdens de voortplantingsperiode. Het volgende wordt geadviseerd (voor een uitgebreidere toelichting hierop wordt verwezen naar de rapportage): in de omgeving kunnen vogels broeden. Bij werkzaamheden zoals heien of het trillen van damwanden is het wenselijk rekening te houden met de broedperiode en deze te plannen buiten de broedperiode tussen 1 augustus en 1 maart. Het verstoren van broedende vogels is conform Wet natuurbescherming niet toegestaan; bij grondwerkzaamheden in de voorplantingsperiode van de rugstreeppad (april tot half september) moet worden voorkomen dat ondiepe waterplassen ontstaan en de rugstreeppad zich alsnog vestigt. Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied.

Uit AERIUS berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin-, grondwaterbeschermings- of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming Door conform het advies rekening te houden met eventueel broedende vogels, worden effecten eenvoudig voorkomen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor de plannen niet noodzakelijk.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Wet milieubeheer In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit

52/72

onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.8. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Toetsing Op basis van de NIBM-tool is de bijdrage als gevolg van de toename van verkeersgeneratie zoals aangegeven in paragraaf 4.1 berekend (figuur 4.5). De maximale bijdrage bedraagt 0,64 µg/m³ voor NO2 en 0,05 µg/m³ voor PM10.

De beoogde ontwikkeling zal 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

53/72

Figuur 4.5 Berekeningsresultaten luchtkwaliteit NIBM-tool (versie 2022) In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N59 ten noorden van het plangebied (zie figuur 4.3). Uit de NSL-monitoring blijkt dat in 2020 en 2030 de jaargemiddelde concentraties minder bedraagt dan 35 µg/m3. Aangezien direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

Figuur 4.6 Luchtkwaliteit rondom plangebied (Bron: www.nsl-monitoring.nl, bewerkt: Rho adviseurs).

54/72

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.

4.7

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Risicorelevante inrichtingen Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden.

Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

55/72

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Toetsing Risicorelevante inrichtingen Er bevinden zich geen risicorelevante inrichtingen in de nabijheud van het plangebied.

Vervoer van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied vindt vervoer plaats van gevaarlijke stoffen over de Zijpe/Mastgat, deze route maakt onderdeel uit van de vaarroute tussen het Kanaal van Zuid-Beveland en de Krammersluizen. De route is opgenomen Basisnet als zijnde 'zwarte vaarwegen'. Voor zwarte vaarwegen geldt dat de PR-contour niet buiten de waterlijn komt. Dit betekent geen nieuwe kwetsbare objecten op/in het water. Een zwarte vaarweg beschikt tevens over een plasbrand aandachtsgebied (PAG). Conform het Basisnet water blijkt het plasbrand aandachtsgebied 25 m landwaarts te zijn vanaf de waterlijn en in uiterwaarden van vrijstromende rivieren. De ontwikkeling voorziet niet in een ontwikkeling binnen het plasbrand aandachtsgebied. Het groepsrisico hoeft niet betrokken te worden bij voorliggende besluitvorming. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingenn aanwezig, waarvan de relevante plaatsgebonden risicocontouren tot in het plangebied reiken. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

56/72

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorieindeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Toetsing In de beoogde situatie worden de feitelijke activiteiten mogelijk gemaakt en wordt bedrijventerrein toegevoegd. Conform de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering is gekeken naar gevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied.

In tabel 1 zijn de (hoofd)bedrijfsactiviteiten weergegeven gekoppeld aan een SBI-code uit Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. In tabel 2 zijn de nevenactiviteiten bij de bedrijfsvoeringen weergegeven. In tabel 3 zijn de richtafstanden behorende bij de bedrijfsactiviteiten getoetst om de omliggende woningen Langeweg 3, 3a en 5. Bij de toetsing aan de richtafstanden wordt de kortste afstand gemeten tussen gevel van de woning en de grens van de aanduiding voor de betreffende bedrijfsactiviteit zoals weergegeven is op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Niet voor alle bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied zijn in de lijst met bedrijfsactiviteiten uit Handreiking Bedrijven en milieuzonering richtafstanden opgenomen. Wanneer geen richtafstand is bepaald wordt een bedrijfsactiviteit uit de lijst genomen welke het meest aansluit bij de daadwerkelijke bedrijfsactiviteit. Sommige aanduidingen voor bedrijfsactiviteit binnen het plangebied betreffen een combinatie van een aantal activiteiten. In dat geval wordt uitgegaan van de acitiviteit met de hoogste milieucategorie (tabel 1 en 2) en de grootste richtafstand per aspect (tabel 3). Tabel 1: (hoofd)bedrijfsactiviteiten Nr. aanduiding 1

2

57/72

bedrijfsactiviteit

'specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel fouragehandel' transportbedrijf/b.o. >1000 m2 'specifieke vorm van bedrijf - op- en overslag op- en overslagbedrijf'

SBI

Hoogste milieucategorie

4621 3.2 494.0 52109

2

3

'specifiek vorm van bedrijf depot'

Tabel 2: nevenactiviteiten Nr. aanduiding 4 5 6 7 8

op- en overslag

52109

groothandel in zand en grind b.o. >200 m2

46735.5

groothandel in afval en schroot b.o. >1.000 m2

4667.0

groothandel in hout en bouwmaterialen b.o. >2.000 m2

4673.1

bedrijfsactiviteit als nevenactiviteit

SBI

Hoogste milieucategorie

773

3.1

381.B 383202.A1

3.1 4.2

383202.A1

4.2

0312

3.1

'specifieke vorm van bedrijf - gladheidsbestrijding gladheidsbestrijding' b.o. <=500 m2 'specifieke vorm van bedrijf - verwerken /hakselen groenafval verwerken groenafval' <20.000 ton/jr 'specifieke vorm van bedrijf - breken van puin <100.000 t/jr puinbreker' 'specifieke vorm van bedrijf - verwerken/ verkleinen van versnipperaar' groenafval 'specifieke vorm van bedrijf - drogen van visnetten visserij'

Tabel 3: toetsing aan richtafstanden (nummers refereren aan nummer uit tabel 1 en 2) Nr. Geur (m) Stof (m) Geluid (m) Gevaar (m) Afstand tot Afstand tot woning woning Langeweg 3 Langeweg 3a 1 30 30 50 30 82 65 2 0 0 30 10 82 65 3 10 30 100 10 80 90 4 10 0 50 10 82 65 5 30 30 50 30 80 90 6 30 100 300 10 220 230 7 30 100 300 10 370 270 8 50 0 50 10 200 50 Magenta: voldoet niet aan de richtafstanden

3.2

Afstand tot woning Langeweg 5 200 200 230 200 230 370 300 128

Geluid Geluid is in voorliggende situatie het meest bepalend. Voor de bedrijfsactiviteiten puinbreken en groenversnipperen wordt niet voldaan aan de richtafstanden uit de handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is derhalve onderzoek uitgevoerd naar het aspect

58/72

inrichtingslawaai. In paragraaf 4.9 wordt dit onderzoek met resultaten verder toegelicht. Samenvattend kan worden gesteld dat het aspect geluid geen belemmering is voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Het borgen van geluidaspecten in het voorliggend bestemmingsplan is gebeurd door het vastleggen van de locaties voor puinbreken/versnipperen en het regelen van de hoogte waaraan afschermende voorzieningen ten minste moeten voldoen. Geluidgrenswaarden zijn/worden geregeld in het milieuspoor (Activiteitenbesluit of milieuvergunning). De puinbreker wordt voor maximaal 30 werkdagen toegestaan (1 uur per dag). Gezien de beperktheid van de inzet van het materieel (doorzet) en de puinbreker maximaal 30 werkdagen kan worden gebruikt is de intensiteit lichter dan waar in de milieucategorie 4.2 is uitgegaan. De locatie van de shredder (versnipperaar) is op de verbeelding vastgelegd. Voor het gebruik van de shredder voor maximaal 1 uur per dag zijn geen aanvullende maatregelen nodig. Mocht meer uren noodzakelijk zijn dat is afscherming richting de woningen van ten minste 3 meter door middel van in ieder geval een tijdelijke voorziening noodzakelijk. Aangezien geluid het maatgevende aspect is kan geconcludeerd worden dat door het treffen van maatregelen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit is in de regels opgenomen.

Geur, stof en gevaar Voor de aspecten geur, stof en gevaar wordt in alle gevallen voldaan aan de richtafstanden uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Dit vormt derhalve geen belemmering. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er niet wordt voldaan aan de richtafstand. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en gezien de specifieke bedrijfsactiviteiten is onderzoek uitgevoerd naar het aspect inrichtingslawaai. In paragraaf 4.9 wordt dit onderzoek met resultaten verder toegelicht. Met het borgen van een aantal maatwerkregels in voorliggende regeling is sprake van een goede ruimtelijke ordening richting de omgeving.

4.9

Geluid

Toetsingskader Wegverkeerslawaai Indien bij een ruimtelijke procedure nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidzone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Inrichtingslawaai Voor het aspect inrichtingslawaai wordt getoetst aan diverse toetsingskaders. Voor een uitgebreide toelichting hierop wordt verwezen naar bijlage 10. Getoetst wordt aan: richtafstanden VNG; Handreiking industrielawaai en vergunningverrlening; Activiiteitenbesluit;

59/72

indirecte hinder; vergundee geluidniveaus. Industrielawaai Indien in een bestemmingsplan (of ruimtelijke procedure) een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de zone van een geluidbron. Toetsing en conclusie Wegverkeerslawaai/ inrichtingslawaai Voor de ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 10. Het volgende is geconcludeerd. Voor wat betreft Loonbedrijf Van der Maas geldt dat er in de representatieve bedrijfssituatie (RBS) wordt voldaan aan de richtwaarde van 45 dB(A) in de dagperiode voor wat betreft de directe hinder, ook als er op één dag met name zand wordt aangevoerd met 90 vrachtwagens per dag. Het breken van puin veroorzaak een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van ten hoogste 55 dB(A) in de dagperiode. Omdat dit maximaal 30x per jaar voorkomt en bijvoorbeeld kan worden gezien (milieuspoor) als een regelmatig afwijking. Voor de puinbreker is op de verbeelding een vast locatie aangegeven om geluid verder te reduceren. Voor deze locatie geldt dat met een afscherming van 4 meter hoogte richting de omliggende woningen het geluidniveau vanwege puinbreken in de dagperiode kan worden beperkt tot 50 dB(A). Dit is een permanente voorziening en wordt in de regels en op de verbeelding geborgd.

Het shredderen (ook wel versnipperen) van groenafval is eveneens een dominante geluidbron. De shredder heeft eveneens een vast locatie toegewezen gekregen die op de verbeelding is opgenomen. Bij minder dan 1 uur per dag is geen afscherming nodig, In de regels is opgenomen dat bij gebruik van de shredder tussen de 1 en maximaal 8 uur per dag afscherming nodig is om te voldoen aan de richtwaarde van 45 dB(A). Er is dan afscherming nodig richting de woningen aan de Langeweg met een hoogte van ten minste 3 meter richting de woningen. Dit is een permanente voorziening en wordt in de regels en op de verbeelding geborgd. Stouten Fourage V.O.F. voldoet niet aan de richtwaarde van 45 dB(A) (2 dB te hoog in de avond), maar wel aan de geluid-voorschriften van het Activiteitenbesluit wat rechtstreeks werkend is en ook nu reeds van toepassing. De grenswaarden van 50 dB(A) in het kader van een ruimtelijke beoordeling wordt ook niet overschreden. Het cumulatieve effect voor beide bedrijven is beperkt omdat de woningen waar beide bedrijven maatgevend zijn verschillen. De ruimtelijke grenswaarde (VNG) van 50 dB(A) wordt niet overschreden. Gezien de afstand tot omliggende woningen zijn er ten aanzien van maximale geluidniveaus geen knelpunten. Dit geldt tevens voor het aspect indirecte hinder.

Het eventueel borgen van geluidaspecten in het bestemmingsplan zou kunnen door het vastleggen van de locaties voor puinbreken/houtshrederen en/of geluidafscherming. Geluidgrenswaarden zijn/worden geregeld in het milieuspoor (Activiteitenbesluit of milieuvergunning).

60/72

Industrielawaai Dit aspect is niet van toepassing. Conclusie Wegverkeerslawaai/ inrichtingslawaai Gezien de afstand tot omliggende woningen zijn er ten aanzien van maximale geluidniveaus geen knelpunten. Dit geldt tevens voor het aspect indirecte hinder. Samenvattend kan worden gesteld dat het aspect geluid geen belemmering is voor vaststelling van het bestemmingsplan. Met hierbij als aandachtspunt dat puinbreken en alleen is toegestaan op een vaste locatie en met een geluidwerende voorziening. En dat daarnaast langdurig gebruik (meer dan 1 uur per dag) van een shredder alleen onder voorwaarde van het realiseren van een geluidafschermende voorziening is toegestaan, ook de locatie van de shredder dient daarnaast vast te liggen. De hiervoor genoemde voorwaarden zijn in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan vastgelegd. Industrielawaai Dit aspect is niet van toepassing.

4.10 Landschappelijke inpassing Voor de ontwikkeling is een landschappelijks inpassingsplan opgesteld door Stichting Landschapsbeheer Zeeland deze is opgenomen in Bijlage 1 van de regels. Beide terreinen worden landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting.Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen naar de rapportage. Buiten de singel komt een waterpartijten behoeve van de waterberging. Langeweg 2a Het terrein is deels al goed landschappelijk ingepast, maar de beplanting moet voor een deel nog groeien. De landschappelijke inpassing die nodig is voor de verplaatsing van de bedrijfsbestemming komt in de noordoosthoek van het terrein. Hier wordt de bestaande groensingel verbreed waardoor deze er groener/ bosachtiger er uit komt te zien. Langeweg 2b Het terrein wordt alsvolgt ingepast: aan de voet van de bestaande wal rond het terrein worden knotwilgen aangeplant in enkele of dubbele rijen; aan de wegzijde worden populieren geplat nabij de natuurvriendelijke oever; de natuurvriendelijke oever wordt ten behoeve van de waterberging verlengd; het gras op de wal wordt zodanig beheerd dat dit de natuurwaarde verhoogd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13649567/1