2023 408 Bijlage 2 Bijlagen bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke
Tekst van het document
Bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke Gemeente Schouwen-Duiveland
NL.IMRO.1676.WegensteunpuntScha-CO01 CONCEPT 21 november 2023
Contactpersoon T M E
Arcadis Nederland B.V.
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Inhoudsopgave
Bijlagen
5
Bijlage 1
Bureauonderzoek Archeologie
6
Bijlage 2
Vooronderzoek Flora en Fauna
56
Bijlage 3
Nader onderzoek Flora en Fauna
79
Bijlage 4
Addendum quickscan Flora en Fauna
104
Bijlage 5
Bomencompensatie
109
Bijlage 6
Aerius-berekening
112
Bijlage 7
Passende beoordeling stikstof
132
Bijlage 8
Verkennend (water)bodemonderzoek
235
Bijlage 9
Akoestisch onderzoek
411
Bijlage 10
Watertoets
414
Bijlage 11
Verkeerstoets
431
Bijlage 12
Quickscan Externe Veiligheid
436
Bijlage 13
NGE-onderzoek
440
3
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Bijlage 14
Asbestinventarisatie
488
Bijlage 15
Asbestinventarisatie
504
4
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Bijlagen
5
bestemmingsplan Wegensteunpunt Scharendijke (concept)
Bijlage 1 Bureauonderzoek Archeologie
6
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK RAMPWEG 36 TE SCHARENDIJKE GEMEENTE SCHOUWEN-DUIVELAND
archeologisch bureauonderzoek Rampweg 36 te Scharendijke Opdrachtgever
Movares Nederland Postbus 2855 3500 GW Utrecht
Rapportnummer
13890.001b
Versienummer1
1
Datum
22 december 2020
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
De heer drs. J. Holl
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Soort onderzoek
Bureauonderzoek
Provincie
Zeeland
Gemeente
Schouwen-Duiveland
Plaats
Scharendijke
Locatiegegevens
Rampweg 36
Projectnaam
Rampweg 36
Projectcode
13890.001
Planologische aanleiding
Omgevingsvergunning
RD-coördinaten plangebied
46.850/417.513; 46.922/417.495; 46.903/417.383; 46.824/417.400.
Oppervlakte plangebied
Circa 9,9 ha
Kadastrale perceelnummers
gemeente Middenschouwen, sectie F, nummers 765
AMK-status
Geen
ZAA-vondstmeldingen
Geen
ARCHIS-vondsmeldingen
Geen
Rijks- en gemeentelijke monumenten
Geen
Onderzoeksmelding ARCHIS
4931259100
Opdrachtgever
Movares Nederland BV dhr. N. Roos Daalseplein 100 3511 SX Utrecht
T: 06-48347738 E: nick.roos@movares.nl
Uitvoerder
Econsultancy Zwolle Drs. J. Holl Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle
T: 06-33137859 E: j.holl@econsultancy.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Schouwen-Duiveland dhr. M. Verduijn Postbus 5555 4300 JA Zierikzee
T: 0111-452263 E: michel.verduijn@schouwen-duiveland.nl
Beheer en plaats van vondsten
Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland Depotbeheerder: J.H.H. Van den Berg Postbus 49 4330 AA Middelburg
T: 0118-670618 E: depot@scez.nl E: jhh.vanden.berg@scez.nl
Levering van digitale gegevens
Een digitale versie van het definitieve rapport dient te worden toegezonden aan de RCE. In het onderzoek gegenereerde digitale data dienen aangeleverd te worden aan het e-depot, www.edna.nl. Er moet worden gestreefd naar aanlevering van de gegevens van boringen aan het DINOloket (in de toekomst Basisregistratie Ondergrond)
Nieuw aangetroffen vindplaatsen
-
Complextype(n) en datering
-
Econsultancy Archeologisch Rapport
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Movares Nederland een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Rampweg 36 te Scharendijke in de gemeente Schouwen-Duiveland. De initiatiefnemer heeft het plan een wegensteunpunt te realiseren. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Binnen het plangebied wordt dekzand op circa 20 m -mv verwacht. Mogelijk is het plangebied op enig moment gebruik door jagers en verzamelaars. De kans is echter groot dat dergelijke resten door latere zee-erosie verloren zijn gegaan. De top van het dekzand is naar verwachting echter door latere zee-activiteit geërodeerd, waardoor dergelijke resten verloren zijn gegaan. Gedurende het Neolithicum lag het plangebied in een waddengebied waarin ongunstige bewoningsomstandigheden heersten. Aan het eind van het Neolithicum kwam het mogelijk in kweldergebied te liggen. Bewoning in deze periode vond echter plaats op de duinen en strandwallen. Bovendien is de kans groot dat resten uit deze periode reeds door erosie verloren zijn gegaan. Vandaar dat een lage verwachting voor het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd geldt.
Indien toch resten uit deze perioden aanwezig zijn, zullen deze zich op een diepte van minstens 3,5 m -mv bevinden, in eventuele kleiige vegetatielagen binnen het Wormer Laagpakket. Dergelijke lagen zijn een aanwijzing voor tijdelijk drogere omstandigheden. Gedurende de Bronstijd kwam het plangebied in een uitgestrekt veengebied te liggen, waarbinnen in eerste instantie geen bewoning mogelijk was. Dit werd pas in de Late-IJzertijd en Romeinse tijd mogelijk. Indien een veraarde top in het veenpakket (Hollandveen Laagpakket) aanwezig is, kunnen bewoningsresten uit deze perioden verwacht worden in het plangebied. Hoogstwaarschijnlijk is de top van het veen echter reeds verloren gegaan door latere erosie. Ook tijdens booronderzoeken in de directe omgeving van het plangebied is geen veenlaag aangetroffen. Indien aanwezig, wordt het Hollandveen Laagpakket op een diepte vanaf 3,0 m -mv verwacht. In de Vroege-Middeleeuwen waren verschillende kreekgeulen ontstaan en raakte het plangebied regelmatig overstroomd. De omgeving van het plangebied was in deze periode ongeschikt voor bewoning. Dit werd pas mogelijk vanaf de bedijking in de 12 e eeuw. Het plangebied ligt echter niet direct langs een oude doorgaande weg en bevond zich vermoedelijk middenin het akkergebied. Op historische kaarten zijn geen aanwijzingen voor een historisch erf ter hoogte van het plangebied aangetroffen.
Voor alle perioden geldt dat bovenin het archeologisch relevante niveau (zie de hierboven genoemde dieptes) het vondstniveau verwacht wordt, bestaande uit een vondststrooiing van overwegend vuursteen (Paleoliticum - Bronstijd) of keramiek (Neolithicum – Nieuwe tijd). Archeologische sporen zullen zich direct onder deze laag bevinden. Organische resten en metaal uit de perioden tot en met de Romeinse tijd zullen door de natte en zuurstofloze condities onder het grondwaterniveau over het algemeen goed zijn geconserveerd. Dergelijke resten van na de Middeleeuwen zullen vermoedelijk slecht geconserveerd zijn, gezien de ligging boven het grondwater. 2 Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
2
Kars & Smit, 2003.
Rapport 13890.001b versie 1
Conclusie en advies Op basis van het bureauonderzoek geldt een (zeer) lage verwachting voor alle archeologische perioden tot en met de Nieuwe tijd. Bovendien is de kans zeer groot dat eventuele resten uit de perioden tot aan de Late-Middeleeuwen door latere zee-activiteit reeds geërodeerd zijn. Op basis van deze verwachting wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Schouwen-Duiveland), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed3).
3 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13890.001b versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 13
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 14 OVERIGE BRONNEN ......................................................................................................................... 16
Rapport 13890.001b versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten v. Chr. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten n. Chr. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp
Rapport 13890.001b versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Movares Nederland een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Rampweg 36 te Scharendijke in de gemeente Schouwen-Duiveland (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft het plan een wegensteunpunt te realiseren. Bij de aanvraag van de hiervoor benodigde omgevingsvergunning is gebleken dat voor een plangebied een archeologische onderzoeksplicht geldt. Deze onderzoeksplicht vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2). Uitgaande van de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3). Hoewel binnen de provincie Zeeland een bureauonderzoek normaal gesproken gepaard dient te gaan met een verkennend booronderzoek, was dat in dit geval, vanwege de tijdsdruk van het project, niet mogelijk. Bovendien is het plangebied grotendeels verhard met asfalt. Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in december 2020 door drs. J. Holl (senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H.
Schutte (senior KNA Prospector).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 4 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: 4
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03);
SIKB.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 1 van 17
beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Zeeland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Schouwen-Duiveland; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.5 Het plangebied, circa 0,9 ha, ligt aan de Rampweg 36, ongeveer 1 kilometer ten westen van Scharendijke in de gemeente Schouwen-Duiveland (zie figuur 1 en figuur 2). Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Middenschouwen, sectie F, nummer 765. Volgens de topografische kaart van Nederland, 14D (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 46.875/Y: 417.450. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels verhard en bebouwd met enkele bedrijfsgebouwen van Rijkswaterstaat, namelijk een zoutloods en een steunpunt (zie figuur 3).
De huidige bebouwing is gefundeerd op palen, waarbij in het kader van de funderingsbalken vermoedelijk tot maximaal 1,25 m -mv gegraven is. Vigerend beleid
5
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 2 van 17
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld op 26 maart 2009. Volgens de in de bestemmingsplan opgenomen archeologische beleidskaart (zie figuur 4) valt het plangebied binnen een ‘archeologisch onderzoeksgebied B’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld.6 Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen.
Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd.7 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de realisatie van een wegensteunpunt gepland (zie bijlage 6). Hierbij vinden diverse ingrepen plaats, namelijk de plaatsing van enkele tanks (80 m2), een kantoorgebouw (219 m2), een opstelplaats voor voertuigen (maximaal 1.080 m2) en een zoutloods (maximaal 389 m2). Verder zullen nog delen worden verhard, o.a. in het kader van de aanleg van een rijbaan, parkeerplaatsen, manoeuvreerruimte en laden/lossen (totaal 4.080 m2). Ook zal een groenstrook van 1989 m2 aangelegd worden. De overige delen zullen worden ingericht als grasland. De bodemingrepen zullen tot maximaal 100 cm -mv reiken. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied:
6 7
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Bodemloket
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 3 van 17
Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie8
Lp. v. Walcheren op Lp. v. Wormer; zeeklei en -zand (Na14)
Geomorfologie9
Getij-inversierug (3B71)
Bodemkunde10
Dijk
Grondwatertrap
Ongekarteerd
Landschappelijke ontwikkeling11 Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, dat duurde van circa 120.000 tot 10.000 jaar geleden, stond de zeespiegel circa 100 meter lager dan tegenwoordig. Het klimaat in Nederland had in deze geologische periode een uitgesproken continentaal karakter met koude en droge omstandigheden. Het plangebied lag vermoedelijk in een laaggelegen dekzandgebied (figuur 5A). Op basis van het geologische ondergrondmodel GeoTOP v1.4 en een DINO-boring ter plaatse van het plangebied is het dekzand in het plangebied (vrijwel) geheel geërodeerd. In de meest recente geologische periode, het Holoceen, vanaf circa 11.600 jaar geleden, begon de zeespiegel sterk te stijgen, waardoor ook de grondwaterstand steeg. Als gevolg hiervan vond veenvorming plaats (Formatie van Nieuwkoop, Basisveen Laag). Als gevolg van verdere zeespiegelstijging werd de veenvorming onderbroken en werden wadden- en getijde-afzettingen afgezet. In 5500 voor Chr. (Laat-Mesolithicum; figuur 5B) lag het plangebied in een waddengebied, grenzend aan de monding van een getijdegeul, waarbij afzettingen behorende tot de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer zijn afgezet. In 3850 voor Chr. (Midden-Neolithicum; figuur 5C) is de kust door de zeespiegelstijging verder naar het oosten opgeschoven. Het plangebied lag in een waddengebied achter een strandwal.
Scharendijke en de regio ten noorden hiervan lagen op een eiland. In 2750 voor Chr. (Laat-Neolithicum; figuur 5D) is een lange, aaneengesloten strandwal ontstaan ten oosten van het huidige Burgh-Haamstede, naar het noorden doorlopend tot aan de kust van Goeree-Overflakkee. Achter de strandwal ontstond een kwelderzone met hierachter een waddengebied. Het plangebied lag op de overgang van de kwelder naar het waddengebied. In 1500 voor Chr. (Midden-Bronstijd; figuur 5E) hebben de strandwallen zich, onder invloed van de grote aanvoer van sediment door golfwerking en zeestromingen, verder uitgebreid. Hierdoor ontstond een brede strandwal grofweg tussen Burgh-Haamstede en Hoek van Holland. Door de vorming van strandwallen kon zich vervolgens achter deze natuurlijke kustbarrière een betrekkelijk rustig lagunair milieu vormen. De beschermende werking van de strandwallen zorgde er voor dat de grondwaterspiegel steeg, de lagune kon verzoeten waardoor veenvorming op kon treden. Dit veen wordt gerekend tot het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop. Ook het plangebied bevond zich in de Midden-Bronstijd binnen een veengebied achter de strandwallen. Tot in de Romeinse tijd breiden de strandwallen zich uit tot circa 2 kilometer ten westen van de huidige kustlijn. Het plangebied zelf blijft onderdeel van het veengebied achter de strandwallen (figuur 5F, 6G).
In de periode hierna, vooral na 270 n. Chr., kreeg de zee weer meer invloed en werd het veengebied overstroomd. Er ontstond geleidelijk een eilandenrijk waarbij grote delen van het veen werden weggeslagen en grote zeegaten ontstonden.
8
TNO, 2010. Wageningen Environmental Research, 2017. 10 Publieke Dienstverlening Op de Kaart. 11 Vos en van Heeringen, 1997 / Vos & de Vries, 2013 / De Mulder et al, 2003 / Dinoloket, ondergrondmodel GeoTOP v1.4 / Haartsen, 2009. 9
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 4 van 17
In de Vroege-Middeleeuwen kreeg de zee weer meer invloed en werd het veengebied overstroomd waardoor vlakten van getij-afzettingen ontstonden. Het landschap bestond hier uit wadplaten, kwelders, slikken (onbegroeide buitendijkse gronden) en schorren (begroeide, opgeslibte buitendijkse gronden). De afzettingen die hierbij gevormd zijn worden gerekend tot het Laagpakket van Walcheren van de Formatie van Naaldwijk. Het plangebied lag in een waddengebied direct naast een brede kreek (figuur 6H). De kreken vormden vroeger de laagste delen van het landschap. Na de bedijking klonk het veen- en kleilandschap echter in, terwijl dit ter plaatse van de zandige kreken veel minder gebeurde. Hierdoor ontstonden getij-inversieruggen, zoals de rug waar het plangebied op ligt. In de periode voor de bedijking tot geruime tijd daarna overstroomde de lager gelegen gebieden met enige regelmaat. Na de stormvloed van 1134 is begonnen met de bedijking van Schouwen. Het gebied van de jonge duinen tot aan Zierikzee in het zuiden en Brouwershaven in het noorden werden als één geheel omdijkt met een lage, brede aarddijk. Hierdoor kwam het plangebied in binnendijks gebied te liggen (figuur 6I-6K). DINO12 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn geen boringen gevonden die bruikbaar zijn voor het huidige onderzoek. Op basis van het via het Dinoloket te raadplegen ondergrondmodel GeoTOP v1.4 bevinden zich op circa -22 m NAP mariene afzettingen uit het Eemien (Eem Formatie). Hierop is in het uiterste oosten van het plangebied nog een maximaal 1 m dik restant dekzand aanwezig (Formatie van Boxtel), maar in het grootste deel van het plangebied is het dekzand reeds geheel geërodeerd. Boven de Eem Formatie is een dik pakket zee-afzettingen aanwezig van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk), waarvan de top zich op een diepte variërend tussen -2,75 en -5,25 m NAP bevindt. Deze diepteligging is afhankelijk van de mate van erosie door het bovenliggende Walcheren Laagpakket. In het uiterste oosten van het plangebied is op de hogere delen van het Wormer Laagpakket nog een circa 0,5 m dik restant van het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) aanwezig.
Het bovenste pakket betreft een pakket zee-afzettingen van het Walcheren Laagpakket (Formatie van Naaldwijk). Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een getij-inversierug (3B71; zie figuur 7). Dit is een restant van de bedding en zandige of zavelige oevers van een getijdegeul. Nadat de kreek inactief wordt, raakt deze verzand. Door klink van het omliggende gebied komt het complex van kreekbedding en zandige oeverwallen geleidelijk steeds hoger in het landschap te liggen, waardoor deze als rug herkenbaar wordt. Getij-inversieruggen zijn van oudsher geschikte locaties voor bewoning.13 In dit geval betreft het een getijdegeul die ontstaan is in de Vroege-Middeleeuwen en die vermoedelijk pas in de 12e eeuw buiten gebruik raakte, waardoor een getij-inversierug is ontstaan.
12
Dinoloket.
13 Maas et al., 2017.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 5 van 17
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)14 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het maaiveld binnen het plangebied op 0,8 à 1,0 m NAP (zie figuur 8). De getij-inversierug waar het plangebied op ligt is duidelijk te zien als een minstens 1 m hoger gelegen zone in het landschap. Ten zuiden van de getij-inversierug is een groot aantal vertakkingen van de vroegere getijdegeul te zien als lokale verhogingen. Op basis van het AHN is het plangebied enigszins opgehoogd. Het maaiveld in de zones rondom het plangebied ligt op circa 0,5 m NAP, wat betekent dat het maaiveld binnen het plangebied 0,3 à 0,5 m is opgehoogd. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als dijk (figuur 9). Dit betreft niet de laatmiddeleeuwse dijk uit de ontginningsperiode, maar de 20 e-eeuwse dijk die tussen Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee is aangelegd. Het gebied direct ten westen van het plangebied is gekarteerd als kalkrijke poldervaaggronden; lichte zavel, profielverloop 5 (Mn15A). Deze gronden komen veel voor op kreekruggen.
De kernen van de ruggen bestaan uit zeer zandige klei/kleiig zand, met aan de flanken wat zwaarder materiaal en plaatselijk veen binnen 120 cm -mv.15 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling16
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. De 14
AHN.
15 Pleijter & Van Wallenburg, 1994. 16
Locher & De Bakker, 1990.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 6 van 17
grondwatertrap is in het plangebied ongekarteerd. Direct ten westen van het plangebied geldt een grondwatertrap VI. Op basis van het AHN (zie hierboven) is het plangebied echter 30 à 50 cm opgehoogd, waardoor in het plangebied waarschijnlijk sprake zal zijn van een lagere grondwatertrap (VII of VIII). De grondwatertrap VI is daarom vermoedelijk van toepassing op de situatie tot en met de eerste helft van de 20e eeuw. Gebieden met de bodemkundige eenheid Mn15A met grondwatertrap VI bieden over het algemeen ruime mogelijkheden voor akkerbouw, weidebouw en bosbouw.17 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).18 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 10. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Zeeland19 Het plangebied bevindt zich op de signaleringskaart aardkundige waarden op een kreekrug. Volgens het omgevingsplan van de provincie bevindt het zich in een zone met archeologische verwachtingswaarde hoog/middelhoog. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied20 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland.
De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 10). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 21 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen bureau- en booronderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 2 en figuur 10). Tijdens de booronderzoek zijn overwegend kreekafzettingen van het Walcheren Laagpakket aangetroffen. Het Hollandveen is grotendeels geërodeerd, evenals de top van het onderliggende Wormer Laagpakket. Tijdens alle onderzoeken zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Gezien de erosie van het
17 Pleijter & Van Wallenburg, 1994. 18
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland. 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 19
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 7 van 17
veenpakket en het ontbreken van aanwijzingen voor bewoning in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd is geen vervolgonderzoek geadviseerd.22 De overige onderzoeksmeldingen betreffen bureauonderzoeken, deels voorafgaand aan de hierboven genoemde booronderzoeken.23 Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied24 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmelding circa 170 m ten zuidwesten van het plangebied geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 10). Dit betreffen diverse vondsten gedaan tijdens een veldkartering. Het gaat hierbij overwegend om enkele fragmenten aardewerk uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. 25 Wetenschappelijke publicaties In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen aanvullende wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van de omgeving van het plangebied26 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De eerste bewoning in Schouwen-Duiveland dateert uit het Neolithicum. Bewoningssporen uit deze periode zijn onder andere gedaan in de Oude Duinen bij Haamstede, evenals in de Jonge Duinen ten westen van Haamstede. Het duingebied vormde in deze periode een gunstige woonlocatie. Ook uit de IJzertijd zijn bewoningsresten in het duingebied gevonden, in Brabers en Westerenban. Aan het einde van de IJzertijd verdween vrijwel alle bewoning uit Zeeland, als gevolg van de toenemende vernatting van het gebied.
In Brabers zijn uit de overgangsperiode van de IJzertijd en Romeinse tijd greppels gevonden, die meestal rondom de woonhuizen werden gegraven, tegen de toenemende wateroverlast. Rond 50 v. Chr. ging Zeeland onderdeel uitmaken van het Romeinse rijk. Door de Romeinen werd het gebied beschreven als een vrijwel onbewoonbare wildernis. Tussen 75 en 270 n. Chr. nam de bevolking weer toe, met name in de kuststrook. Het veen werd ontwaterd en ontgraven, waardoor maaivelddaling plaatsvond. Hierdoor raakten grote gebieden overstroomd en kwam aan de bewoning in het deltagebied weer een einde. In de 7e eeuw nam de zee-activiteit weer af en was een waddengebied ontstaan. De hoog opgeslibde delen, schorren, waren geschikte bewoningsplaatsen. 22 Archis zaakidentificaties 4543909100, 3995297100, 2357419100 & 4001150100. 23 Archis zaakidentificaties 2402924100, 4543893100 & 3995289100. 24
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
25 Archis zaakidentificatie 3046672100. 26 Haartsen, 2009.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 8 van 17
In de Middeleeuwen ontstonden nederzettingen verspreid over de verschillende eilanden. In eerste instantie waren dit kerkringdorpen in het oudland. In het nieuwland verrezen nieuwe dorpen langs wegen en dijken, waaronder Ellemeet en Scharendijke. De inwoners van Schouwen-Duiveland hadden veel last van stormvloeden. Na de stormvloed van 1014 zijn lokaal dammen en dijken in kreken aangelegd, evenals een groot aantal terpen. Na de stormvloed van 1134 zijn nog meer terpen aangelegd. De hoogste hiervan kregen meestal een militaire functie, waarbij een kasteel op de top werd gebouwd. Deze kasteelbergen heten ook wel vliedbergen, waarvan er nog twee op Schouwen bewaard zijn gebleven, onder andere circa 1,3 km ten zuidoosten van het plangebied. Vanaf 1134 is het oudland omdijkt, waarbij een dijk werd aangelegd vanaf de jonge duinen tot aan Zierikzee en Brouwershaven. Het plangebied kwam in deze periode binnendijks te liggen. Vanaf de 13e eeuw werden dijken niet alleen ter bescherming aangelegd, maar ook om land te (her)winnen. In deze periode werden verschillende polders ten oosten van de Gouwe bedijkt. Kenmerkend voor Schouwen-Duiveland zijn de inlaagdijken, inlagen en karrenvelden. Inlaagdijken werden in de Late-Middeleeuwen aangelegd op plekken waar de bestaande zeedijk dreigde in te storten. Daarom werd achter de zeedijk een reservedijk aangelegd, de inlaagdijk.
Het gebied tussen de oude dijk en den nieuwe dijk was maximaal enkele honderden meter breed en werd ‘insete’ of inlaag genoemd. De meeste inlagen komen langs de Ooster- en Westerschelde voor, voornamelijk aan de zuidkust van Schouwen. Als gevolg van deze praktijk vond echter landverlies plaats, doordat bij het instorten van de oude zeedijk, de inlaagdijk de nieuwe zeewering werd en hierachter een nieuwe inlaagdijk gebouwd werd. De gronden waar geen klei gewonnen werd, werden over het algemeen voor landbouw gebruikt, waarbij een belangrijk gewas bestond uit meekrap. Van de wortels hiervan werd roodbruine textielverf voor wol en later voor katoen en zijde gemaakt. Het gewas werd in zwaar bemeste bedden verbouwd en in het tweede of derde jaar geoogst. De wortels werden in een door meerdere boeren beheerde meestoof gedroogd, gedorst, gestampt en gemalen. Op Schouwen-Duiveland had vrijwel elk dorp en meestoof. Op Schouwen-Duiveland bevinden zich nog 12 korenmolens, die in de 18e en 19e eeuw zijn gebouwd, onder andere circa 900 m ten zuidoosten van het plangebied. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaart van Visscher Roman27
Kaart van Blaeu28
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
1650
onbekend
Rampweg en Weelweg al aanwezig, hoewel de Rampweg ter hoogte van het plangebied meer noordelijk lag, boerderijen direct langs deze wegen
1662
onbekend
Rampweg en Weelweg al aanwezig
27 Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 9 van 17
Bron
Periode
Kaart van Kanter29
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
1747
onbekend
Wegen aanwezig ter plaatse van huidige Kuijerdamseweg en Nieuweweg, boerderij aanwezig ter plaatse van De Drie Wilgen, circa 150 m ten zuiden van plangebied
Kaart van Hattinga30
1750
onbekend
Idem, boerderij circa 150 m ten zuiden van plangebied en 250 m ten noordoosten van plangebied
Kaart van Tirion31
1752
onbekend
idem, boerderij circa 300 m ten oosten van plangebied
Kadastrale minuut32
1811-1832
1:2.500
bouwland
ten noorden bevindt zich een bosgebied
Militaire topografische kaart33 (nettekening)
1830-1850
1:50.000
grotendeels bouwland, westen: bos
het westen ligt op een bosperceel/boomgaard grenzend aan boerderij De Drie Wilgen
Militaire topografische kaart (Bonnekaart)
1861-1912
1:50.000
Idem
Idem
Militaire topografische kaart (Bonnekaart)
1918
1:50.000
bouwland, met onverharde weg in het westen
alle bospercelen in de omgeving hebben plaats gemaakt voor bouwland en weiland
Topografische kaart
1950-1962
1:25.000
bouwland, met onverharde weg in het westen
maaiveld ligt op 0,5 m NAP
Topografische kaart
1973
1:25.000
braakliggend, doorsneden door sloot
ten oosten is de N57 in aanleg, ten westen ligt de Kuijerdamseweg, de Rampweg heeft zijn huidige ligging
Topografische kaart
1988-2015
1:25.000
twee gebouwen in plangebied gerealiseerd
situatie gelijk aan huidige
Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal was het plangebied in ieder geval vanaf het begin van de 19e eeuw in agrarisch gebruik (zie figuur 11). Halverwege de 19e eeuw is rondom de ten zuiden gelegen boerderij De Drie Wilgen een bos aangelegd, waarvan het westen van het plangebied deel uitmaakte. In het begin van de 20e eeuw raakte het hele plangebied echter weer in gebruik als bouwland. In 1971 is de N57 langs het plangebied aangelegd. Kort hierna is het plangebied ingericht als wegensteunpunt. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Binnen het Zeeuws Archief is gezocht naar bouwtekeningen van de huidige bebouwing, maar deze zijn niet gevonden voor het plangebied. 34 28 Archieven: Zeeuws Archief. 29
Archieven: Zeeuws Archief Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland. 31 Archieven: Zeeuws Archief 32 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 33 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 30
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 10 van 17
Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat alle bebouwing binnen het plangebied in 1975 gerealiseerd is.35 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 36 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Wel zijn in de omgeving van het plangebied verschillende explosieven geruimd. Circa 1,5 km ten westen van het plangebied heeft volgens de Ruimingskaart een mijnenveld gelegen en op Renesse is een luchtaanval uitgevoerd. Hoewel in het plangebied geen structuren verwacht worden kunnen losse vondsten van bijvoorbeeld munitie wel voorkomen. Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 10 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 10, (d.d. december 2020), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum – Mesolithicum
Zeer laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
In geërodeerde afzettingen, circa 20 m mv
Neolithicum – VroegeBronstijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Laagpakket van Wormer, vanaf 3,5 m mv
Midden-Bronstijd – Midden-IJzertijd
Zeer laag tot geen
-
-
Late-IJzertijd – Romeinse tijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Top van het Hollandveen Laagpakket, vanaf 3 m -mv
Late-IJzertijd – Romeinse tijd
Laag
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Top van het Hollandveen Laagpakket, 2,5 à 4,5 m -mv
34 Zeeuws Archief. 35
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 36
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 11 van 17
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Vroege-Middeleeuwen
Zeer laag
Verspoelde, losse vondsten van aardewerk, metaal, glas, houtskool, bot, e.d.
Binnen Walcheren Laagpakket, vanaf circa 0,3 à 0,5 m -mv.
Late-Middeleeuwen – Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Top van het Walcheren Laagpakket, vanaf circa 0,3 à 0,5 m -mv.
Binnen het plangebied wordt dekzand op circa 20 m -mv verwacht. Mogelijk is het plangebied op enig moment gebruik door jagers en verzamelaars. De kans is echter groot dat dergelijke resten door latere zee-erosie verloren zijn gegaan. De top van het dekzand is naar verwachting door latere zeeactiviteit geërodeerd, waardoor dergelijke resten verloren zijn gegaan. Gedurende het Neolithicum lag het plangebied in een waddengebied waarin ongunstige bewoningsomstandigheden heersten. Aan het eind van het Neolithicum kwam het mogelijk in kweldergebied te liggen. Bewoning in deze periode vond echter plaats op de duinen en strandwallen. Bovendien is de kans groot dat resten uit deze periode reeds door erosie verloren zijn gegaan. Vandaar dat een lage verwachting voor het Neolithicum en de Vroege-Bronstijd geldt. Indien toch resten uit deze perioden aanwezig zijn, zullen deze zich op een diepte van minstens 3,5 m -mv bevinden, in eventuele kleiige vegetatielagen binnen het Wormer Laagpakket. Dergelijke lagen zijn een aanwijzing voor tijdelijk drogere omstandigheden. Gedurende de Bronstijd kwam het plangebied in een uitgestrekt veengebied te liggen, waarbinnen in eerste instantie geen bewoning mogelijk was. Dit werd pas in de Late-IJzertijd en Romeinse tijd mogelijk.
Indien een veraarde top in het veenpakket (Hollandveen Laagpakket) aanwezig is, kunnen bewoningsresten uit deze perioden verwacht worden in het plangebied. Hoogstwaarschijnlijk is de top van het veen echter reeds verloren gegaan door latere erosie. Ook tijdens booronderzoeken in de directe omgeving van het plangebied is geen veenlaag aangetroffen. Indien aanwezig, wordt het Hollandveen Laagpakket op een diepte vanaf 3,0 m -mv verwacht. In de Vroege-Middeleeuwen waren verschillende kreekgeulen ontstaan en raakte het plangebied regelmatig overstroomd. De omgeving van het plangebied was in deze periode ongeschikt voor bewoning. Dit werd pas mogelijk vanaf de bedijking in de 12e eeuw. Het plangebied ligt echter niet direct langs een oude doorgaande weg en bevond zich vermoedelijk middenin het akkergebied. Op historische kaarten zijn geen aanwijzingen voor een historisch erf ter hoogte van het plangebied aangetroffen. Voor alle perioden geldt dat bovenin het archeologisch relevante niveau (zie de hierboven genoemde dieptes) het vondstniveau verwacht wordt, bestaande uit een vondststrooiing van overwegend vuursteen (Paleoliticum - Bronstijd) of keramiek (Neolithicum – Nieuwe tijd). Archeologische sporen zullen zich direct onder deze laag bevinden.
Organische resten en metaal uit de perioden tot en met de Romeinse tijd zullen door de natte en zuurstofloze condities onder het grondwaterniveau over het algemeen goed zijn geconserveerd. Dergelijke resten van na de Middeleeuwen zullen vermoedelijk slecht geconserveerd zijn, gezien de ligging boven het grondwater. 37 Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
37
Kars & Smit, 2003.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 12 van 17
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland. Mogelijk is het niveau uit de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd door verploeging deels verstoord. Door het plangebied heeft tevens een sloot gelopen, waardoor dit niveau vergraven zal zijn. In de tweede helft van de 20e eeuw is het plangebied opnieuw ingericht en heeft het zijn huidige functie als wegensteunpunt gekregen. Hierbij is het plangebied opgehoogd. Mogelijk heeft ook egalisatie of afgraving plaatsgevonden, waardoor het niveau uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd verstoord kan zijn geraakt.
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van het bureauonderzoek geldt een (zeer) lage verwachting voor alle archeologische perioden tot en met de Nieuwe tijd. Bovendien is de kans zeer groot dat eventuele resten uit de perioden tot aan de Late-Middeleeuwen door latere zee-activiteit reeds geërodeerd zijn. Op basis van deze verwachting wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Schouwen-Duiveland), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 38).
38 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 13 van 17
LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Boer, A. de, 2016: Rampweg, Scharendijke, gemeente Schouwen-Duiveland: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen. Utrecht (Bureau voor Archeologie Rapport 300). Boer, A. de & F. Roodenburg, 2017: Nieuweweg, Scharendijke, gemeente Schouwen-Duiveland: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase. Utrecht (Bureau voor Archeologie Rapport 499). Haartsen, A., 2009: Ontgonnen verleden; Regiobeschrijvingen provincie Zeeland. Ede (Rapport Directie Kennis nr. 2009/dk116-J). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Koekkelkoren, A.M.H.C. & S. Moerman, 2012: Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase; Moolweg 9-11, Ellemeet; Gemeente Schouwen-Duiveland. Noordwijk (IDDS Archeologie Rapport 1360). Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland.
Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Maas, G.J., W.M. van der Meij, S.P.J. van Delft & A.H. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (2017). Wageningen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Pleijter, G. & C. van Wallenburg, 1994: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Toelichting bij de kaartbladen 42 West en 42 Oost Zierikzee, 47/48 West Cadzand/Middelburg. Wageningen. TNO, 2010: Geologische Overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek, versie 2.0. Gouda. Vos, P.C. & R.M van Heeringen, 1997: Holocene geology and occupation history of the Province of Zeeland (SW Netherlands). In: M.M. Fischer (ed.), Holocene evolution of Zeeland (SW Netherlands). Mededelingen NITG-TNO 59, p. 5-10 Vos, P. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Utrecht (Deltares).
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 14 van 17
Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Wilgen, L.R. van, 2016: Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen ‘Bestemmingsplan N652, Recreatieverdeelweg, 3 de fase’, Weelweg, Scharendijke, Gemeente Schouwen-Duiveland. Heinenoord (SOB Research Project nr. 24111605). Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 15 van 17
OVERIGE BRONNEN AHN; internetsite, december 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven; internetsite, december 2020. https://www.archieven.nl/nl/ Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, december 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, december 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, december 2020. http://www.bodemloket.nl Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, december 2020. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Dinoloket; internetsite, december 2020. http://www.dinoloket.nl/ Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland; internetsite, december 2020. https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Cultuurhistorie Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, december 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, december 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2020. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, december 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, december 2020.
https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, december 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 16 van 17
Zeeuws Archief; internetsite, december 2020. https://www.zeeuwsarchief.nl/
Rapport 13890.001b versie 1
Pagina 17 van 17
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland39
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen Nederland
Legenda Plangebied
39 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied40
Rampweg 36 te Scharendijke. Detailkaart van het plangebied
Legenda Plangebied
40 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied41
Rampweg 36 te Scharendijke. Luchtfoto van het plangebied
Legenda Plangebied
41 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 42
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Schouwen-Duiveland
Legenda Plangebied
42
Portaal voor Ruimtelijke Plannen.
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten v. Chr.43
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten v. Chr.
43
Vos & De Vries, 2013, legenda op volgende pagina.
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten n. Chr.44
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen de paleogeografische kaarten n. Chr.
44
Vos & De Vries, 2013.
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 45
Rampweg 36 te Scharendijke.
Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
45
Wageningen Environmental Research, 2017.
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 8. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 46
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
46
AHN
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart47
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart
47
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 10. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 48
Rampweg 36 te Scharendijke.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
48
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 13890.001b versie 1
Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Rampweg 36 te Scharendijke. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 13890.001b versie 1
Bijlage 1
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Ouderdom in jaren
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 13890.001b versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2