2023 407 Bijlage 2 RO Vismigratiemiddel en spuimiddel
Tekst van het document
27
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
4.6
Geluidhinder Wegverkeer Sinds 1 januari 2007 geldt de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh). Ingevolge artikel 74 Wgh zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt en woonerven. Voor gezoneerde wegen geldt een grenswaarde van 48 dB. Deze waarde wordt berekend op basis van Lden. Als een geluidzone geheel of gedeeltelijk binnen het plangebied valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen die geluidszone (artikel 77 Wgh). Dit heeft echter slechts betrekking op nieuwe ontwikkelingen die binnen 10 jaar worden voorzien.
De beoogde ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van woningen dan wel andere gevoelige bestemmingen. Industrielawaai Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in geluidhinder op in de omgeving gevoelige bestemmingen. Op het Krammersluizencomplex zijn geen gevoelige bestemmingen aanwezig. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek is niet nodig.
4.7
Luchtkwaliteit In 2007 is een nieuw wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. Eén van de elementen daarvan is dat projecten die ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Dit is vastgelegd in de ministeriële regeling NIBM. Er hoeft geen afzonderlijke toets plaats te vinden indien het project of de activiteit maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is ‘in betekenende mate’ (IBM) als de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt.
Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Bijlagen 3A en 3B van de Regeling NIBM geven aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is:
28
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
3% criterium (vanaf inwerkingtreding Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit): 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling (voorschrift 3A.2). De beoogde ontwikkeling is dermate kleinschalig en naar verhouding kleiner dan de realisatie van 1500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De beoogde ontwikkeling valt derhalve, naar analogie, onder het 3% criterium waardoor het aangemerkt kan worden als zijnde NIBM. Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen, zoals omwonenden. Bij ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de vraag of er risicovolle activiteiten in en/of nabij het plangebied aanwezig zijn dan wel komen en zo ja, of er sprake is van een toelaatbaar risico. Risicovolle activiteiten zijn: -
het opslaan, gebruiken en/of produceren van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
-
het vervoer van gevaarlijke stoffen over auto-, spoor- en waterwegen of door buisleidingen (transportroutes).
De beoogde ontwikkeling is geen risicovolle inrichtingen dan wel gevoelige bestemmingen waar met betrekking tot transportroutes rekening mee moet worden gehouden. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. 4.9
Overige belemmeringen Niet-gesprongen conventionele explosieven De gemeente Schouwen-Duiveland maakt in het kader van niet-gesprongen conventionele explosieven gebruik van de ‘Beleidsnota Conventionele Explosieven’ (CE). Hierin is tevens een beleidskaart opgenomen. In dit beleid en op de bijbehorende kaart is vastgelegd in welke deelgebieden wel of geen nader onderzoek naar CE uitgevoerd moet worden voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden. Op de CE beleidskaart wordt het gebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, aangeduid als verdacht gebied voor de aanwezigheid van CE. Bij alle grondroerende werkzaamheden dieper dan 0,5 m –mv, dient daarom onderzoek naar CE uitgevoerd te worden. Bij aanleg van het kunstmatige eiland is de grond reeds geroerd en is het zeer onwaarschijnlijk dat er momenteel nog niet-gesprongen explosieven worden aangetroffen. Daarnaast blijkt uit bureauonderzoek dat de kans op het aantreffen van niet-gesprongen explosieven zeer laag is. Op 25 april 2018 is hierover reeds gecorrespondeerd met de gemeente Schouwen-Duiveland en Rijkswaterstaat (zie bijlage 5). Conclusie: naderonderzoek naar niet-gesprongen explosieven is niet nodig.
29
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Kostenverhaal In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. Het vismigratie- en spuimiddel valt niet onder het begrip bouwplan. Een exploitatieplan hoeft niet te worden opgesteld. Economische uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling is een overheidsinitiatief. De gronden ter plaatse zijn van de rijksoverheid. De initiatiefnemer heeft de economische uitvoerbaarheid door middel van een exploitatieopzet aangetoond. Overeenkomstig artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening is het plan economisch uitvoerbaar gebleken.
30
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
31
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
6
PROCEDURELE ASPECTEN In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter inzage zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag wordt de definitieve beschikking genomen. Beroep kan door een belanghebbende worden ingediend bij de Rechtbank en vervolgens hoger beroep bij de Raad van State. Van de omgevingsvergunning wordt elektronisch kennisgeving gedaan en wordt de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) in acht genomen. Zodoende kan via www.ruimtelijkeplannen.nl van de ontwikkeling kennis worden genomen.
32
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13 juli 2023
33
Ruimtelijke onderbouwing ‘Vismigratie-en spuimiddel, Krammersluizencomplex’ – 13juli 2023
7
MOTIVERING
7.1
Afweging Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in het realiseren van het beoogde vismigratie- en spuimiddel op het Krammersluizencomplex. Om de beoogde ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken, is derhalve een buitenplanse procedure noodzakelijk. Er wordt in casu een deelvergunningentraject gevolgd, met gebruikmaking van de uitgebreide procedure voor het omgevingsvergunningsdeel ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. De aannemer kan vervolgens een omgevingsvergunning voor het deel ‘Bouwen’ aanvragen en hiervoor geldt de reguliere vergunningsprocedure. De beoogde ontwikkeling is acceptabel. Zo: past de ontwikkeling binnen het vigerende beleid van Rijk, provincie en gemeente. Zie hoofdstuk 3; is de ontwikkeling ruimtelijk en functioneel goed inpasbaar in de omgeving. Zie hoofdstuk 2; brengt de ontwikkeling geen (onaanvaardbaar) nadelige milieuhygiënische of duurzaamheidseffecten met zich mee. Zie hoofdstuk 4; is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd. Zie hoofdstuk 5.
7.2
Conclusie Alle belangen integraal afwegend komt de gemeente tot de conclusie dat er geen sprake is van belemmeringen die de realisatie van de beoogde ontwikkeling in de weg staan. Realisatie van dit nieuwe gebruik volgens het voorliggende bouw- en inrichtingsplan is in overeenstemming met een ‘goede ruimtelijke ordening’.
34